Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 2 december 2020 (ABRvS 202002533/1/R2): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, invordering, ongedaan maken woningsplitsing (Rb Limburg 19/2991)
* 2 december 2020 (ABRvS 202001645/1/R3): Awb, Wro; bpl, kindcentrum, VNG-brochure, woon- en leefklimaat, geluid/Activiteitenbesluit, handhaving, tussenuitspraak
* 2 december 2020 (ABRvS 202000711/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl, bijgebouw, vergunningvrij/Bor (Rb Oost-Brabant 19/1722 WABOA V273)
* 2 december 2020 (ABRvS 202000676/1/R1): Awb, Wm; aanwijzing inzamellocatie minicontainers, afvalstoffenverordening, verlies aan parkeerplaatsen, overlast, motivering, tussenuitspraak
* 2 december 2020 (ABRvS 202000624/1/R1): Awb, Wabo; project- en omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, appartementengebouw, belanghebbenden, vvgb, beheersverordening, zonlicht, verkeersveiligheid, parkeren (Rb Zeeland-West-Brabant 18/4788, 18/4841, 18/6116, 19/2964, 19/3016 en 19/3017)
* 2 december 2020 (ABRvS 202000467/1/A3): Awb, Wabo; opleggen herplantplicht, beschadiging boom bij werkzaamheden, APV (Rb Zeeland-West-Brabant 19/2636)
* 2 december 2020 (ABRvS 202000412/1/R2): Awb, Wro; wijzigingsplan, verplaatsen bouwvlak/woning, verkeersveiligheid
* 2 december 2020 (ABRvS 202000276/1/R2): Awb, Wro; bpl, ruimte-voor-ruimte woningen, strijd met provinciale Interimverordening
* 2 december 2020 (ABRvS 202000188/1/R4): Awb, Wro; wijzigingsplan, buitengebied, woning, spuitzone
* 2 december 2020 (ABRvS 202000001/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor maken uitweg, weg als bedoeld in Wvw (Rb Gelderland 19/385)
* 2 december 2020 (ABRvS 201909331/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor aanpassing tuinhuis, kruipruimte, geen tweede bouwlaag (Rb Amsterdam 19/1838 en 19/1852)
* 2 december 2020 (ABRvS 201908762/1/R3): Awb, Wro; weigering om bpl te herzien, opheffen branchebeperking, Dienstenrichtlijn, volle toets, evenredigheid
* 2 december 2020 (ABRvS 201908433/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, supermarkt en appartementen, vvgb, behoefte/DPO, parkeren, verkeersveiligheid, geluid/Activiteitenbesluit
* 2 december 2020 (ABRvS 201908396/1/R2): Awb, Wabo; handhaving, hekwerk op woonwagenlocatie, vergunningvrij, bevoegdheid (Rb Limburg 18/2907)
* 2 december 2020 (ABRvS 201907738/1/A3, 201907741/1/A3 en 201908555/1/A3): Awb, Hvw; bestuurlijke boete, onttrekken woning aan woonbestemming, toeristenverhuur , onevenredigheid (Rb Amsterdam 19/2916, 19/2929 en 19/666)

* 2 december 2020 (ABRvS 201907570/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en aanpassen monument, uitbreiding verdiepingen, dakterras, ontvankelijkheid (Rb Amsterdam 17/6218 en 17/6225)
* 2 december 2020 (ABRvS 201906788/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, detailhandel, Dienstenrichtlijn, evidentiecriterium, brancheringsregel (Rb Noord-Nederland 16/4420)
* 2 december 2020 (ABRvS 201906423/1/R4): Awb, Wabo, Gmw; handhaving. dwangsom, invordering, verwijderen illegale bouwwerken (Rb Noord-Nederland 18/2909)
* 2 december 2020 (ABRvS 201906189/1/A2): Awb, Wro; planschade, voorzienbaarheid, dierziekten, maximale mogelijkheden bpl (Rb Midden-Nederland 18/3265)
* 2 december 2020 (ABRvS 201905762/1/R1): Awb, Wabo; Gmw; handhaving, dwangsom, verwijderen buitenverblijf en glazen luifel, Bor, geen vergunning, bevoegdheid (Rb Noord-Holland 19/1199)
* 2 december 2020 (ABRvS 201905284/1/R2): Awb, Wro; bpl, tuin bij horecabedrijf, planregels/uitbreiding, geluid spelende kinderen, Wnb, motivering
* 2 december 2020 (ABRvS 201905218/1/A3): Awb, Opiumwet; handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid, beleidsregel (Rb Midden-Nederland 19/774 en 19/1403)
* 2 december 2020 (ABRvS 201902546/2/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, varkenshouderij, controlevoorschriften geluid, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak (Rb Gelderland 18/3796)
* 2 december 2020 (ABRvS 201901607/1/R4): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, verwijderen infrastructuur camping, strijd met bpl, bijzondere omstandigheden (Rb Oost-Brabant 18/1478)
# 2 december 2020 (ABRvS 201900991/1/R1 en 201900992/1/R1): Awb, Wro, Wgh; bpl/HGW wegverkeers- en industrielawaai, woningen, proefdraaigeluid vliegtuigmotoren, overdrachtsmodel, stoorgeluid, bodemgebied, grondgeluid, relativiteit, woon- en leefklimaat, tussenuitspraak
* 2 december 2020 (ABRvS 201810129/1/R4): Awb, Mbw; instemmingsbesluit winningsplan, m.e.r.-plicht, informatie aanvraag, hydraulische stimulatie, vrees voor vervuild grond- en drinkwater
# 2 december 2020 (ABRvS 201809102/4/R2): Awb, Wro; inpassingsplan (reparatie), windturbines, slagschaduw, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 2 december 2020 (ABRvS 201807864/1/R2): Awb, Wro; bpl, natuurpoort, overlast bij kampeerterrein, VNG-brochure, geluid/stiltegebied, terrasbezoekers, evenementen
* 1 december 2020 (CBb 19/871, 19/268, 19/329, 19/836, 19/827, 19/262, 19/254, 19/250, 19/185, 19/248, 19/706, 19/862, 19/698, 19/856, 19/630, 19/1131 en 19/66): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, EP/geen sprake van individuele en buitensporige last, knelgevallenregeling, voorzienbaarheid, grondgebondenheid/korting, Nitraatrichtlijn, bevoegdheid, peildatum, diergezondheidsproblemen, alternatieve peildatum, EVRM
* 1 december 2020 (CBb 18/1149 en 18/1150, 18/1267, 18/1271, 18/1272, 18/1273 en 18/1303, 18/1831, 18/1187 en 18/1188, 18/1777, 18/1233, 18/1234, 18/1235, 18/1236, 18/1237, 18/1842, 18/2893 en 18/2894, 18/1905, 19/280, 19/641, 19/896, 19/1110, 19/1335, 19/1546 en 19/1552): Awb, Lbw; heffing/bonus, fosfaatreductieplan, referentieaantal, voorzienbaarheid, jongveegetal, uitgeschaard jongvee, startersregeling, , 5%-voorwaarde, knelgevallenregeling, hardheidsclausule
* 1 december 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 20/1938T, SHE 20/1973): Awb, Wabo; verzoek om intrekking/wijziging van omgevingsvergunning, veehouderij, geur, ontoelaatbare milieugevolgen, geurverordening, BREF, emissiefactoren/Rgv, motivering, tussenuitspraak
* 1 december 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 20/3004): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning en bedrijfsloods, drugs, bevoegdheid
* 1 december 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/2602-T): Awb, Wabo; weigering en intrekking omgevingsvergunningen, verwerking zeevis, Wet Bibob, tussenuitspraak
* 30 november 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/3671 en UTR 20/3726): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo en kortsluiten, handhaving, sluiting bedrijf, goederen waarmee hennepteelt wordt gefaciliteerd
* 30 november 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/3544, UTR 30/3813 en UTR 20/3828): Awb, Wnb; vovo, ontheffing, doden zwanen, schade aan gewassen, faunabeheerplan, andere zwanen in groepen, andere maatregelen, motivering
* 27 november 2020 (Rb Overijssel AWB 20/928): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, vervaardigen van biopellets, welstand
* 26 november 2020 (Rb Zeeland-Wets-Brabant BRE 20/9180 OPIUMW VV en BRE 20/9181 OPIUMW): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning en schuur, drugs, bevoegdheid
* 26 november 2020 (Rb Noord-Holland HAA 20/5428): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid
* 26 november 2020 (Rb Noord-Hollland 18/4410 en 18/4639): Awb, Wabo; aanpassing omgevingsvergunning milieu, staalfabriek, BBT, emissiegrenswaarde NOx, windverhitters, DeNOx-installatie, kosteneffectiviteit, NEC-richtlijn, compensatiebenadering
* 26 november 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/3980): Awb, Wro; goedkeuring voorontwerp bestemmingsplan, paleis Soestdijk, ontvankelijkheid
# 26 november 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 20/2574 en SHE 20/2578): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning milieu, aanpassing voorschriften, mestverwerkingsinstallatie, vragen aan STAB voor bodemprocedure, geur, hoeveelheid mest
#! 25 november 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 19/1156): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en milieu, energie-transitie proeftuin met tijdelijke waterstofinstallatie, externe veiligheid/QRA, PGS, geluid, afvalstoffen, geur
* 25 november 2020 (ABRvS 202005065/2/R3, 202005082/2/R3 en 202005095/2/R3): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor verleggen verkeersweg, grondwerkzaamheden en kappen, belanghebbende, soortenbescherming, groot maatschappelijk belang
* 24 november 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 20/888): Awb, Wabo; verzoek om handhaving, motivering
* 24 november 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 20/2855): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, tijdelijke uitbreiding van school, parkeren, CROW
* 23 november 2020 (Rb Amsterdam AMS 19/3911): Awb, Gmw; exploitatievergunning, vervoer van personen, passagiersvaart, aanpassing verordening, Dienstenrichtlijn, overgangsrecht, vergunningenstop
* 23 november 2020 (Rb Amsterdam AMS 19/4459): Awb, Gmw; exploitatievergunning, horeca met terras, openingstijden terras, APV< Dienstenrichtlijn, belangenafweging
* 23 november 2020 (Rb Den Haag SGR 20/6930): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid
* 23 november 2020 (Rb Amsterdam 8290167 CV EXPL 20-1771): BW; geluidshinder van sportschool, reisorganisatie in zelfde pand, huurvermindering, voorzieningen.
* 23 november 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/9051 OPIUMW VV): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid

* 23 november 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/1221): Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning afwijkend gebruik, grootschalige detailhandel, strijd met bpl, Dienstenrichtlijn, evidentiecriterium
* 20 november 2020 (Gerecht in eerste aanleg van Curaçao CUR201802534): Lar, BWV; bouwvergunning, flatgebouwencomplex, strijd met verkavelingsplan en EOP
* 20 november 2020 (Rb Amsterdam 13/994053-17 en 13/846008-17): WSr, WED, Wm; voorhanden hebben van professioneel vuurwerk, art. 1.2.2. Vuurwerkbesluit: Lid 1-3 zijn (impliciete) kwaliteitsdelicten
* 20 november 2020 (Rb Amsterdam AMS 20/6065): Awb, Wabo; vovo, noodkapbesluit, vellen bomen, belangenafweging
* 19 november 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 20/2435 en SHE 20/562): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, woning met bijgebouw, eerdere omgevingsvergunning met ruimtelijk kader
* 18 november 2020 (Rb Den Haag SGR 19/1353): Awb, Gmw; melding uitrit, APV, weigering, verlies aan parkeerplek
# 18 november 2020 (Rb Limburg ROE 16/1605, ROE 19/1019 en ROE 19/1020): Awb, Wabo, Wm; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl en maatwerkvoorschriften, bedrijfslood transportbedrijf, geluid, laden en lossen/openbare weg, akoestische onderzoeken, bronvermogens, remlucht, bedrijfsvoering, woon- en leefklimaat
* 16 november 2020 (Rb Den Haag SGR 18/6792 en SGR 18/6793): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en aanleggen, windturbine, belanghebbende, externe veiligheid, slagschaduw
* 16 november 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 20/3041, LEE 20/3098 en LEE 20/3099): Awb, Gmw; vovo, dwangsom, Noodverordening COVID-19, bioscoop, belanghebbende
* 16 november 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/3346 en HAA 19/3342): Awb, AWR: rioolheffing, garageboxen, hemelwater wordt door infiltratie op eigen terrein verwerkt
* 13 november 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/8190 WABOA VV en BRE 20/7892 WABOA): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken van bpl en brandveilig gebruik, hotel in voormalige kerk, ruimtelijke onderbouwing, motivering
* 12 november 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/6489 GEMWT): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, viskwekerij in garagebox, strijd met bpl
* 12 november 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/4982 GEMWT): Awb, Wabo; handhaving, tuinhuis, vergunningvrij, welstand/exces, bevoegdheid
* 11 november 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/273 HOREC): Awb, Gmw; exploitatievergunning, wijziging, terras voor hotel, APV, bevoegdheid, motivering
* 11 november 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/8535 VV en BRE 20/8651 VV): Awb, Wm, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, Activiteitenbesluit/-regeling, overtredingen, bodem, vloer, vloeistoffen, ontvankelijkheid
* 11 november 2020 (Rb Amsterdam AMS 19/126 en AMS 19/122, 19/2540 en 19/3617): Awb, Wbr; vergunning, wijziging tenaamstelling en wijziging vergunningen, laadvoorziening, geen nieuwe verdelingsprocedure vereist
* 10 november 2020 (Rb Amsterdam AMS 19/5125): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, geen vergunning voor afwijkend gebruik, overtreding parkeernorm, planregels
* 6 november 2020 (Rb Amsterdam 13/846006-17): WSr, WED, Wm; hovenier die afval in natuurgebied stort
* 5 november 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 19/1670): Awb, Wro; planschade, taxaties
* 4 november 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 20/1522): Awb, Waterwet; projectplan, wijstwater, waterlopen, GGOR, stuw, gevolgen, motivering

* 30 oktober 2020 (Rb Limburg  ROE 20/2736): Awb, Gmw; vovo, handhaving, preventieve last onder bestuursdwang, verwijderen caravan, APV
* 19 oktober 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/8398 VV, 20/8842 WABO, 20/8785 VV en 20/8597 WET): Awb, Wabo, Wvw; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl/ verkeersbesluit; tijdelijk buurtwinkelcentrum, geluid/Activiteitenbesluit, belangenafweging
* 15 oktober 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/362 GEMWT): Awb, Wm, Gmw; handhaving, dwangsom, invordering, overtreding maatwerkvoorschrift, stofverspreiding, Activiteitenbesluit, diffuse bronnen
* 15 september 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 20/1919): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid
* 20 augustus 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 18/3982): Awb; handhaving, verkeerssituatie, APV/geen openbare weg, Bouwbesluit, bereikbaarheid hulpdiensten, motivering
* 3 augustus 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/1707-T): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, hoogte, begunstigingstermijn, motivering, tussenuitspraak/vovo
* 22 juli 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/2005): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, woning, geen spoedeisend belang
* 16 juli 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/2297): Awb, Wabo; vovo, verlenging begunstigingstermijn last onder dwangsom, mate van overlast
* 13 juli 2020 (Rb Overijssel AWB 19/1794): Awb, Wabo; omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM), geitenhouderij, geen strijd met bpl, m.e.r.-plicht, provinciale omgevingsverordening
* 22 januari 2020 (Rb Den Haag SGR 18/6579): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en maken uitweg, bedrijfsgebouw en uitwegen ten behoeve van een houtstookinstallatie, melding Abm, Chw, belanghebbenden, begrip inrichting/zeggenschap, strijd met bpl

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 2 december 2020 (ABRvS 202001645/1/R3): Awb, Wro; bpl, kindcentrum, VNG-brochure, woon- en leefklimaat, geluid/Activiteitenbesluit, handhaving, tussenuitspraak
8.    Wat betreft de geluidbelasting vanwege spelende kinderen overweegt de Afdeling het volgende. Zoals hiervoor is vastgesteld, is de afstand van de woning van [appellant] tot het bestemmingsvlak “Maatschappelijk” en het daarin voorziene bouwvlak 24 m. In de toelichting staat daarom ten onrechte dat de richtafstand van de VNG-brochure van 30 m wordt gehaald.

In het verweerschrift erkent de raad inmiddels dat de richtafstand niet wordt gehaald. Volgens de raad blijft desondanks een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bestaan, omdat zou zijn gewaarborgd dat bij de verdere vergunningverlening en uitvoering van het plan de randvoorwaarden uit het akoestisch onderzoek, zoals overgenomen in de plantoelichting, in acht moeten worden genomen.

De Afdeling kan de raad daarin echter niet volgen. De genoemde randvoorwaarden zijn bedoeld om te voorkomen dat het stemgeluid van spelende kinderen leidt tot overschrijding van de aanbevolen grenswaarde van 45 dB(A). In de regels van het plan is hiervoor echter geen regeling opgenomen. Overal in de bestemming “Maatschappelijk” zijn speelvoorzieningen toegestaan, zolang die ondergeschikt zijn aan de maatschappelijke voorzieningen (artikel 3.1, onder g). Hier komt bij dat ook in de bestemming “Verkeer”, nog dichter bij de woning van [appellant], speelvoorzieningen mogelijk zijn (artikel 4.1, onder k).

Anders dan de raad kennelijk meent, is het niet mogelijk om op basis van alleen de toelichting van het plan een aanvraag voor een omgevingsvergunning af te wijzen of handhavend op te treden indien de randvoorwaarden niet in acht zouden worden genomen. De toelichting is immers geen bindend onderdeel van het plan. Verder is van belang dat het stemgeluid van kinderen op het (buiten)terrein van een school of kinderopvang buiten beschouwing blijft bij het bepalen van de geluidniveaus in het Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder h en i van dat besluit). Ook in zoverre is handhaving niet mogelijk. Voor zover de raad verwijst naar de inmiddels verleende omgevingsvergunning is van belang dat het plan meer mogelijk maakt dan daarbij is vergund.

Het betoog slaagt.

* 2 december 2020 (ABRvS 202000711/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl, bijgebouw, vergunningvrij/Bor (Rb Oost-Brabant 19/1722 WABOA V273)
5.1.    Volgens bijlage 1 van de omgevingsvergunning van 10 juli 2018 is het college op grond van artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II van het Bor afgeweken van het bestemmingsplan. Artikel 2 van bijlage II van het Bor is derhalve, anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, niet ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit, en ook niet aan het primaire besluit.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 augustus 2012 in zaak nr. 201105349/1/A1), geldt voor de in artikel 3 van bijlage II bij het Bor vermelde categorieën ingevolge artikel 2.3, eerste lid, van het Bor, dat, voor zover wordt voldaan aan de in artikel 3 gestelde eisen, deze bouwwerken voor de activiteit “bouwen”, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wabo, zijn uitgezonderd van het vergunningvereiste, maar niet voor de activiteit “strijdigheid met het bestemmingsplan”, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van die wet.

Niet in geschil is dat het bouwplan betrekking heeft op een op de grond staand bijbehorend bouwwerk in achtererfgebied, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van bijlage II van het Bor, dat tevens voldoet aan de in die bepaling gestelde eisen. Dit betekent dat wat de activiteit bouwen, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wabo, betreft, ter uitvoering van dit bouwplan geen vergunning is vereist, maar wat betreft de activiteit “strijdigheid met het bestemmingsplan”, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van die wet, wel. Het college heeft deze strijdigheid opgeheven door voor de realisering van het bouwplan krachtens artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2, van de e Wabo, gelezen in verbinding met artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van bijlage II van het Bor, omgevingsvergunning te verlenen. Het heeft daarmee geen onjuiste uitleg gegeven aan artikel 3 van bijlage II van het Bor. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, zo heeft het college ter zitting bevestigd, uit de tekst van de vergunning volgt dat het bouwwerk als bijgebouw is vergund en niet is vergund voor de huisvesting in verband met mantelzorg. De mogelijkheid om het bijgebouw in de toekomst te gebruiken voor (tijdelijke) mantelzorg is volgens het college alleen meegenomen in de belangenafweging. Voor de eventuele huisvesting in verband met mantelzorg zal een afzonderlijke aanvraag moeten worden ingediend waarbij moet worden voldaan aan de eisen in het Bor voor mantelzorg, aldus het college.

Gelet op het voorgaande is het bij besluit van 14 mei 2019 gehandhaafde besluit van 10 juli 2018 niet in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wabo. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

* 2 december 2020 (ABRvS 201906189/1/A2): Awb, Wro; planschade, voorzienbaarheid, dierziekten, maximale mogelijkheden bpl (Rb Midden-Nederland 18/3265)
8.3.    In de uitspraak van 28 november 2012 heeft de Afdeling overwogen dat artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, zoals nu opgenomen in artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2˚, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de mogelijkheid biedt om bij de beslissing op de aanvraag om een vergunning tevens te betrekken het gevaar van de verspreiding van dierziekten veroorzaakt door een veehouderij en de invloed die de specifieke locatie van de veehouderij in de omgeving van het onderzoeksinstituut heeft op de omvang van dat gevaar. De Afdeling acht aannemelijk dat de veehouderij een reëel risico op de verspreiding van dierziekten meebrengt. Niet kan worden uitgesloten dat het mond- en klauwzeervirus als gevolg van een incident binnen het onderzoeksinstituut vrijkomt in de omgeving waardoor veehouderijen binnen een straal van 3 km rond het onderzoeksinstituut het risico lopen om besmet te worden, als gevolg waarvan het risico van verdere verspreiding naar andere veehouderijen zeer groot is. Daarbij is tevens in aanmerking genomen dat dit risico niet kan worden beperkt door het stellen van voorschriften en beperkingen aan de gevraagde vergunning. In de uitspraak is daarom geconcludeerd dat het college in redelijkheid de gevraagde vergunning heeft mogen weigeren vanwege dat risico.

8.4.    Anders dan [appellant] betoog volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2014 niet dat beperkingen op grond van milieuregelgeving niet betrokken mogen worden bij de planvergelijking. Uit die uitspraak volgt dat bij de vraag of de uitbreiding van een agrarisch bedrijf op grond van het voorafgaand aan de peildatum geldende bestemmingsplan met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid was uitgesloten niet het vergunde veebestand uit de directe omgeving, en afgeleid daarvan de cumulatieve geurhinder, betrokken mag worden. De omvang van het vergunde veebestand is geen planologisch gevolg van het bestemmingsplan en is daarom voor de planologische vergelijking niet van belang. Dit betekent echter niet dat voor de vraag of de maximale mogelijkheden van het voorgaande plan gerealiseerd hadden kunnen worden, niet van belang is of daarvoor op grond van milieuregelgeving een vergunning had kunnen worden verleend.

8.5.    Gelet op de uitspraak van 28 november 2012 heeft het college er van uit kunnen gaan dat een aanvraag voor een milieuvergunning voor het houden van evenhoevigen op het bedrijf, afgewezen zou worden. De uitspraak van 28 november 2012 biedt, anders dan [appellant] ter zitting heeft betoogd, geen ruimte voor de conclusie dat een andere aanvraag, waarin bij de veehouderij bepaalde voorzieningen worden getroffen, wel zou kunnen worden verleend. Uit de uitspraak volgt immers dat het risico gelegen is in het gevaar dat zich een calamiteit voordoet bij het onderzoeksinstituut en niet in de wijze waarop de veehouderij is ingericht. Hieruit volgt dat de voor de invulling van de maximale mogelijkheden van het plan benodigde omgevingsvergunning voor het inwerking hebben van een inrichting, niet zou kunnen worden verkregen. Dit maakt dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is uitgesloten dat het bedrijf zou kunnen worden gebruik voor het houden van evenhoevigen.

# 2 december 2020 (ABRvS 201900991/1/R1 en 201900992/1/R1): Awb, Wro, Wgh; bpl/HGW wegverkeers- en industrielawaai, woningen, proefdraaigeluid vliegtuigmotoren, overdrachtsmodel, stoorgeluid, bodemgebied, grondgeluid, relativiteit, woon- en leefklimaat, tussenuitspraak
8.1.    De raad stelt dat het relativiteitsvereiste als bedoeld in artikel 8:69a van de Awb aan vernietiging van het bestreden besluit in de weg staat, omdat deze beroepsgronden niet zien op een norm ter bescherming van de belangen van KLM, maar op die van Schiphol, omdat het gaat om het gebruik van haar start- en landingsbanen. In de vergunning van KLM is niets over grondgeluid bepaald.

8.2.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, ov. 4.5, is in artikel 8:69a van de Awb bepaald dat de bestuursrechter slechts van vernietiging kan en moet afzien, indien de geschonden rechtsnorm kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich er op beroept. Daarmee heeft de wetgever beoogd tegemoet te komen aan het bezwaar dat het soms niet eenvoudig is om het beschermingsbereik van een norm vast te stellen en dat een relativiteitsvereiste daarom veel extra werk voor de rechter zou meebrengen. Het voorkomt ook dat bij normen van Europese oorsprong regelmatig prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie moeten worden gesteld, hetgeen een aanzienlijke vertraging van de procedure kan meebrengen (Kamerstukken II 2009/10, 32450, 3, blz. 52-53). Mede gelet op het vereiste dat een regel ‘kennelijk’ niet strekt tot bescherming van bepaalde belangen, leidt een juiste toepassing van artikel 8:69a van de Awb ertoe dat belanghebbenden zich niet kunnen beroepen op wettelijke voorschriften die onmiskenbaar niet zijn geschreven ter bescherming van hun belangen (uitspraken van 4 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:666 (Rotterdam) en 19 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP1352 (Elzenbos Brummen).

In de uitspraak van 11 november 2020, ov. 10.6 is voorts overwogen dat de norm van een goede ruimtelijke ordening, voor zover deze ziet op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van een woning, ook de belangen van betrokken bedrijven bij een ongestoorde uitoefening van hun bedrijf beschermt (uitspraak van 12 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4044 (Groningen)). Degene die een bedrijf uitoefent kan, omdat hij geconfronteerd kan worden met klachten van de bewoners van een woning over de milieugevolgen van zijn bedrijf, aanvoeren dat in het plangebied vanwege de milieugevolgen van zijn bedrijf geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Artikel 8:69a van de Awb staat in zoverre niet in de weg aan vernietiging van een besluit op die grond (uitspraken van 12 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4030 (Grave) en 12 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5874 (Bodegraven-Reeuwijk)).

8.3.    De raad stelt terecht dat over grondgeluid niets is opgenomen in de vergunning van KLM en de start- en landingsbanen waarvan het grondgeluid afkomstig is van Schiphol zijn. In zoverre kan KLM niet worden aangesproken op de gevolgen van grondgeluid voor de voorziene woningen. Zoals KLM ter zitting heeft toegelicht is grondgeluid echter wel onlosmakelijk verbonden met haar bedrijfsactiviteiten. Zij maakt namelijk gebruik van de start- en landingsbanen van Schiphol en indien de baan niet gebruikt zou kunnen worden vanwege de gevolgen voor de voorziene woningen zal dit KLM direct in haar bedrijfsbelangen schaden. Indien maatregelen moeten worden getroffen om het grondgeluid te beperken, zijn het volgens KLM ook de vliegtuigmaatschappijen zelf die hiervoor betalen.

Gelet op het bovenstaande is de Afdeling van oordeel dat het in dit geval niet gaat om een norm die kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van KLM. Het relativiteitsvereiste staat dan ook niet in de weg aan een mogelijke vernietiging van het besluit. De Afdeling zal de beroepsgronden over grondgeluid dan ook inhoudelijk bespreken.
8.7.    Gelet op het standpunt van de STAB en voormelde uitspraak van de Afdeling van 2 april 2014, waarin de Afdeling heeft overwogen dat de raad onvoldoende had gemotiveerd dat met name in de winterperiode ter plaatse van de voorziene woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat als gevolg van het grondgeluid, is de Afdeling van oordeel dat het onderzoek wat betreft grondgeluid niet zorgvuldig is zonder metingen in de winterperiode.

* 26 november 2020 (Rb Noord-Hollland 18/4410 en 18/4639): Awb, Wabo; aanpassing omgevingsvergunning milieu, staalfabriek, BBT, emissiegrenswaarde NOx, windverhitters, DeNOx-installatie, kosteneffectiviteit, NEC-richtlijn, compensatiebenadering
2.3.1 De rechtbank overweegt als volgt. BBT-conclusie 65 schrijft voor windverhitters de techniek voor van het ‘afzonderlijk én in combinatie’ als brandstof gebruiken van de vier gassen genoemd in overweging 1.6. Het met deze techniek geassocieerde emissieniveau als daggemiddelde concentratie bij een zuurstofgehalte van 3 % voor NOx, uitgedrukt als NO2, bedraagt < 100 mg/Nm³. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat één van de vier gassen of een mengsel van de vier gassen – in welke samenstelling en in welke verhouding dan ook – als brandstof voor de windverhitters gebruikt moet worden om aan het emissieniveau te voldoen.

2.3.2 In het bestreden besluit wordt ervan uitgegaan dat Tata Steel met het door haar gebruikte brandstofmengsel (hoogovengas aangevuld met cokesovengas) voldoet aan deze door BBT-conclusie 65 voorgeschreven techniek, maar desalniettemin niet kan voldoen aan het met BBT-conclusie 65 geassocieerde emissieniveau. Om die reden is in het bestreden besluit een ruimere emissiegrenswaarde bepaald (140 mg/Nm³). Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder echter niet deugdelijk gemotiveerd waarom van dit uitgangspunt uitgegaan mag worden en waarom de vaststelling van deze ruimere emissiegrenswaarde (140 mg/Nm³) noodzakelijk is. Het onderzoek van DNV-GL Oil & Gas dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, is daartoe niet toereikend. Dit onderzoek heeft (zoals eiser terecht heeft gesteld) slechts betrekking op de vraag wat de oorzaak is van de hogere NOx-emissie bij HO7 en of die emissie met bepaalde NOx-reducerende maatregelen kan worden verminderd. Alleen zijdelings komen enkele andere brandstofmengsels (wat variaties in de verhouding van hoogovengas en cokesovengas en een variant waarbij het cokesovengas is vervangen door aardgas) aan de orde. Het onderzoek heeft dus geen betrekking op de vraag of een brandstofmengsel bruikbaar is waarmee aan de emissiewaarde van BBT-conclusie 65 wordt voldaan, en wanneer dat niet het geval is, met welk brandstofmengsel deze norm zo dicht mogelijk wordt benaderd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit ten behoeve van het bestreden besluit ten onrechte niet heeft onderzocht. Het bestreden besluit is op dit punt dan ook in strijd met artikel 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb (onderzoeksplicht en deugdelijke motivering) tot stand gekomen. De beroepsgrond slaagt.
2.3.4 De stellingen van verweerder inhoudende dat de inzet van een dergelijk ander brandstofmengsel in de praktijk niet mogelijk is, geven geen aanleiding voor een ander oordeel. Voor wat betreft de stelling van verweerder (zoals aangevuld ter zitting) dat voor de inzet van een gevarieerd gebruik van oxystaalovengas en aardas als menggas, een kostbare en ingrijpende wijziging in de inrichting van Tata Steel nodig is, geldt dat de kosteneffectiviteit van de techniek opgenomen in BBT-conclusie 65 (het gebruik van de vier gassen) is meegewogen bij de vaststelling ervan. Zoals verweerder heeft onderkend (zie overweging 2.2) betekent dit dat de kosteneffectiviteit van deze techniek bij de uitvoering ervan binnen de inrichting van Tata Steel in beginsel geen rol kan spelen. Verweerder heeft de stelling dat dit niet kosteneffectief kan bovendien niet onderbouwd. Voor wat betreft de stelling dat oxystaalovengas niet in voldoende mate beschikbaar is, geldt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat dit op zichzelf aan het gebruik ervan in de weg staat. Zoals volgt uit overweging 2.3.1 kan een brandstofmengsel bestaan uit een combinatie van meerdere in BBT-conclusie 65 genoemde gassen. Verder doet de omstandigheid dat de inzet van aardgas niet in lijn is met het landelijk beleid, niet af aan de toepasselijkheid van BBT-conclusie 65. Inzet van aardas maakt onderdeel uit van de daarin omschreven techniek. De rechtbank volgt verweerder niet in de stelling dat het landelijk beleid gebruik van aardgas categoriaal uitsluit, zeker niet als dat uiteindelijk een schonere optie is dan verbranding van een ander (vervuilender) gas. Verweerder heeft in dat licht niet gemotiveerd waarom hij voorrang geeft aan het beleid om minder aardgas te gebruiken, boven de in BBT-conclusie 65 genoemde optie van een brandstofmengsel met aardgas. Het doel is immers niet het niet meer gebruiken van aardgas, maar een lagere emissie. De stelling van verweerder dat de inzet van een ander brandstofmengsel niet leidt tot een daadwerkelijk milieuvoordeel doet evenmin af aan het feit dat BBT-conclusie 65 bij het proces van de windverhitters van HO7 in acht genomen moet worden. Verweerder heeft deze stelling bovendien niet deugdelijk uitgewerkt en onderbouwd. Zonder nadere motivering is het naar het oordeel van de rechtbank niet uitgesloten dat dit anders is. Tot slot heeft verweerder niet inzichtelijk gemaakt waarom BBT-conclusie 3 (of de ter zitting genoemde BBT-conclusie 74) aan een wijziging van het door Tata Steel gebruikte brandstofmengsel in de weg staat. Verweerder heeft niet duidelijk gemaakt hoe de verschillende BBT-conclusies zich tot elkaar verhouden en wat de consequentie daarvan moet zijn.

  1. Gezien het voorgaande is het beroep van eiser gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover het betreft de vaststelling van de ruimere emissiegrenswaarde voor NOx voor HO7 (emissiecode EL 15.7) van 140 mg/Nm³ als daggemiddelde concentratie bij een zuurstofgehalte van 3 %, welke grenswaarde acht dagen per jaar overschreden mag worden, en waarbij een jaargemiddelde grenswaarde van toepassing is van 115 mg/Nm³, als daggemiddelde concentratie bij een zuurstofgehalte van 3 %.# 18 november 2020 (Rb Limburg ROE 16/1605, ROE 19/1019 en ROE 19/1020): Awb, Wabo, Wm; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl en maatwerkvoorschriften, bedrijfslood transportbedrijf, geluid, laden en lossen/openbare weg, akoestische onderzoeken, bronvermogens, remlucht, bedrijfsvoering, woon- en leefklimaat
    8. Zoals de StAB aangeeft, gelden voor het transportbedrijf de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidsniveau van artikel 2.17, derde lid, van het Abm. In het eerste lid van dat artikel is bepaald dat deze grenswaarden betrekking hebben op geluid veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting. In de toelichting bij de eerste versie van het Abm, het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, is hierover aangegeven: “Wanneer net buiten het terrein van de inrichting, bijvoorbeeld op de openbare weg in de onmiddellijke nabijheid van het pand, laad- en losactiviteiten plaatsvinden ten behoeve van de inrichting zijn de normen ook hierop van toepassing” (Stb. 2007, nr. 415, p. 203). In het Abm is daarmee aangesloten bij de jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 mei 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF8291).

De StAB heeft geconstateerd dat bij het transportbedrijf sprake is van een bedrijfsvoering met zogenoemde ‘cross-docking’ waarbij goederen vanuit de ene vrachtwagen worden gelost en direct in een andere vrachtwagen worden geladen. Omdat de ruimte bij de laaddocks te krap is om de deuren van de vrachtwagens pas te openen wanneer de vrachtwagens naast elkaar in de laaddocks staan, stoppen vrachtwagens eerst op de openbare weg om hun deuren te openen en vast te zetten voordat ze achteruit de laadkuil inrijden om aan het laaddock aan te sluiten. Dat geldt andersom ook bij het wegrijden: dan wordt op de openbare weg gestopt om de deuren weer te sluiten. De geluiden van deze activiteiten op de openbare weg, die direct verbonden zijn met het laden en lossen en plaatsvinden in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, moeten tot de directe hinder van de inrichting worden gerekend. Het gaat dan om openen en dichtslaan van de deuren van de cabine en laadbak van vrachtwagens, remmen en optrekken inclusief luchtafblaasgeluiden van het remsysteem. Deze (piek)geluiden moeten getoetst worden aan de grenswaarden voor het maximale geluidsniveau op grond van artikel 2.17 van het Abm.

In de rapporten HMB en Kragten 2018 is alleen uitgegaan van piekgeluiden door vrachtverkeer nabij een laaddock, achter het geluidscherm. Er zijn geen piekbronnen gemodelleerd voor de aan het laden en lossen gerelateerde activiteiten op de openbare weg. Dat betekent volgens de StAB dat in deze rapporten niet op de juiste wijze rekening is gehouden met de directe geluidhinder door piekgeluiden op de openbare weg ter hoogte van de woning van eisers (relevant voor de hiervoor onder 2.1 onder b en de onder 2.2 onder e samengevatte beroepsgronden). Dat geldt ook voor activiteiten die de vorkheftruck op de openbare weg verricht. Verweerder heeft zich volgens de StAB gelet op het voorgaande niet kunnen baseren op de rapporten HMB en Kragten 2018.

9. Voor zover verweerder zich, in de reactie op het deskundigenverslag, op het standpunt stelt dat de bedrijfsvoering met cross-docking niet eerder door het transportbedrijf is aangegeven en dat daarmee dus ook geen rekening is gehouden, overweegt de rechtbank het volgende. Uit het deskundigenverslag van de StAB blijkt dat deze bedrijfsvoering noodzakelijk voortvloeit uit de (aangevraagde en feitelijke) inrichting van het bedrijf: de ruimte bij de laaddocks is te krap om de deuren bij het laaddock te openen en te sluiten zodat deze activiteit noodzakelijkerwijs op de openbare weg plaatsvindt. Verweerder had dit naar het oordeel van de rechtbank dus moeten onderkennen bij zijn besluitvorming.
11. Zowel verweerder als het transportbedrijf hebben in hun reactie op het verslag van de StAB aangegeven dat vanwege ABS- en EBS-systemen op de vrachtwagens geen remlucht meer wordt afgeblazen (remmen vindt niet meer conventioneel pneumatisch plaats, maar via een elektronisch systeem) en hebben twijfels geuit over de verwijzing naar de publicaties van Peutz, omdat deze publicaties gelet op de snelle technologische ontwikkelingen niet meer actueel zijn. De StAB heeft in haar reactie hierover opgemerkt dat zij ervan uitgaat dat ABS- en EBS-systemen geen effect hebben op het laten ontsnappen van lucht na het remmen en verwoordt dit als volgt: “Het indrukken van het rempedaal zorgt ervoor dat gecomprimeerde lucht uit de ketels naar het remsysteem wordt gestuurd. Als het rempedaal wordt losgelaten, ontsnapt deze door ABS/EBS via pneumatiek gedoseerde luchtdruk, dat is het sissend geluid/afblaasgeluid.” ABS- en EBS-systemen zorgen er dus niet voor dat er na het remmen geen lucht meer wordt afgeblazen. De StAB geeft verder aan dat in het verslag is verwezen naar de onderzoeken van Peutz, waarbij uit het meest recente onderzoek is gebleken dat de technologische ontwikkelingen wel hebben geleid tot stillere motoren, maar dat de optredende piekniveaus bij het optrekken van de vrachtwagens niet of nauwelijks zijn veranderd. Ook de piekgeluiden van de remlucht zullen in ongedempte situatie, waarvan hier sprake is, naar verwachting niet zijn afgenomen, aldus de StAB. De bandbreedte voor het bronvermogen van 107-110 dB(A) waarvan de StAB is uitgegaan, is volgens de StAB in haar reactie nog steeds een gangbare bandbreedte. Het door Kragten bepaalde bronvermogen van 103 dB(A), waarnaar verweerder verwijst, heeft alleen betrekking op het loskoppelen van de handrem, aldus de StAB in haar reactie. Ook de door verweerder genoemde waarde van 92-93 dB(A) heeft betrekking op het piekgeluid van het loskoppelen van de handrem. Dit geluid is niet hetzelfde als het afblaasgeluid van de remlucht bij het remmen. In de actualisatie van het verslag geeft de StAB daarnaast aan dat vrachtwagens nog steeds moeten remmen door lucht te laten ontsnappen. Omdat ook bij een EBS-systeem de remcilinders nog steeds met luchtdruk worden bediend, zal er sprake zijn van een afblaasgeluid, aldus de StAB, en is het door de StAB gehanteerde bronvermogen correct.