Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 30 december 2020 (ABRvS 202001802/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en uitweg, bedrijfsgebouw voor houtstookoven, strijd met bpl (Rb Den Haag 18/6579)
* 30 december 2020 (ABRvS 202001068/1/R1): Awb, Wro, Wabo; bpl en omgevingsvergunning voor bouwen, supermarkt/appartementen, concullega’s/relativiteit, verkeer, m.e.r.-beoordeling, parkeerplaatsen
* 30 december 2020 (ABRvS 202000151/1/R1): Awb, Gmw; ligplaatsvergunning, verordening, belanghebbenden, ontvankelijkheid (Rb Amsterdam 18/4850)
* 30 december 2020 (ABRvS 201907622/1/R4): Awb, Wm, Gmw; handhaving, dwangsom, Activiteitenbesluit, geen melding, begrip inrichting (Rb Noord-Nederland  19/322 en 19/326)
* 30 december 2020 (ABRvS 201900677/1/R3): Awb, Tracéwet; Tracébesluit, Chw, MER, alternatieven, verkeer, geluid, geluidsbelastingskaart/indicatie geluidkwaliteit, cumulatie, rekenmodel, water, luchtkwaliteit, natuur, PAS, Habitatrichtlijn
* 30 december 2020 (ABRvS 201805270/5/R3): Awb, Wro; bpl, staldering, provinciale verordening, dierenverblijf voor hokdieren, BZV, cumulatieve geurhinder, GGD-rapport, BBT, omgevingsvisie, geluid, stiltegebieden, provinciale milieuverordening, interim omgevingsverordening, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 30 december 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 20/3373): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting pand, drugslab, bevoegdheid, evenredigheid
* 24 december 2020 (ABRvS 202002889/2/R3): Awb, Wro; vovo, bpl, multifunctionele accommodatie, geluid, spelende kinderen/brandweer, VNG-brochure, parkeren, geen verkeersonderzoek
* 24 december 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 20/2654 en SHE 20/3258): Awb, Wabo, Gmw; vovo en kortsluiten; handhaving, dwangsom, staken strijdig gebruik bpl, exploitatie parkeerterrein, commercieel autoparkeren luchthaven, planregels
* 23 december 2020 (Rb Overijssel AWB 19/1371): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, uitbreiding geitenhouderij, planregels, provinciale omgevingsverordening, geitenstop, motivering
* 23 december 2020 (ABRvS 201902207/2/R2): Awb, Wro; vovo, bpl, supermarkt
* 23 december 2020 (ABRvS 202003906/2/R2): Awb, Wro; vovo, bpl, bouwvlak, veehouderij/bedrijf, geur
* 23 december 2020 (ABRvS 202004862/2/R1): Awb; vovo, invordering dwangsom, afvalstoffen in mestkelders, belangenafweging
* 23 december 2020 (ABRvS 202006241/1/R4): Awb, Wm, Gmw; vovo, lasten onder dwangsom, manege, met drugsresten verontreinigde mest, niet uitrijden/afvoeren als afvalstof, verkoop bedrijf
* 23 december 2020 (Rb Limburg AWB 20/3141 en AWB 20/3132): Awb, Gmw; vovo, handhaving, preventieve last onder bestuursdwang, verwijderen caravans, APV, belanghebbende, eigenaar caravan, betoging, brief geen besluit, ontvankelijkheid
* 23 december 2020 (Rb Rotterdam ROT 19/921): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, verwijderen bouwwerk, uitrolbaar doek over hele breedte tuin, geen tuinmeubilair, geen vergunning, strijd met bpl
* 21 december 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 20/1283): Awb, Wabo; handhaving, minicamping, beheersverordening, afwijking omgevingsvergunning, evenementen
* 21 december 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 20/962): Awb, Wabo; handhaving, bedrijfsmatig gebruik ruimte woning, niet in strijd met bpl
* 21 december 2020 (Rb Limburg AWB 20/3149): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, hennepteelt, gezondheid, evenredigheid
* 21 december 2020 (Rb Limburg AWB 20/3063 en AWB 20/3064): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, oneigenlijk gebruik mantelzorgwoning, strijd met omgevingsvergunning en vergunningvrij huisvesting en strijd met bpl, Bor/bijgebouwen
* 21 december 2020 (Rb Rotterdam ROT 19/5821): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor gewijzigd logistiek gebruik perceel, procedure, Dienstenrichtlijn, ontvankelijkheid
* 18 december 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 19/3321): Awb, Wabo; handhaving, milieuvergunning, veehouderij, te veel dieren, legaliseringstraject, onzekere uitkomst, motivering
* 18 december 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 20/888): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, onvolledigheid opgelegde last, wisselende hoeveelheden pluimvee
* 18 december 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 20/614, SHE 20/1877, SHE 20/1871, SHE 20/1063 en, SHE 20/1874, SHE 20/1870, SHE 20/857): Awb, Wabo; verzoek ok intrekking (deel) milieuvergunning, veehouderij, motivering verzoek, onderzoek, bevoegdheid, begin van bewijs
* 18 december 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 20/276): Awb, Wabo; handhaving, intrekking OBM, veehouderij,  procesbelang, ontvankelijkheid, zelf in zaak voorzien
* 18 december 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 20/543): Awb, Wabo; intrekking milieuvergunning, veehouderij, lange tijd geen dieren meer gehouden, belangenafweging
* 18 december 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 20/1879): Awb, Wabo; verzoek om intrekking milieuvergunning, veehouderij, geen OBM/vergunning van rechtswege vervallen, procesbelang, ontvankelijkheid
* 18 december 2020 (Rb Oost-Brabant  SHE 20/1875): Awb, Wabo; verzoek om intrekking milieuvergunning, veehouderij, bevoegdheid, schadevergoeding
* 17 december 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 18/3300, LEE 18/3304, LEE 18/3308, LEE 18/3310 en LEE 18/3311): Awb, AWR; zuiveringsheffing, tabelbedrijf/afvalwatercoëfficiënt, meer vervuiling/naheffing, NEN, verbindendheid verordeningen ,
* 16 december 2020 (Rb Den Haag SGR 20/6990): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, last onder bestuursdwang, gebruik rijksmonument, strijd met bpl, belangenafweging
* 16 december 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/5335 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, tijdelijke logiesverblijven, procedure, vertrouwensbeginsel
* 11 december 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 19/4323 V): Awb; verzet, belanghebbendheid omgevingsvergunning zonnepark
* 9 december 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 20/755): Awb; handhavingsverzoek, (ecologische) toestand riviertje, belanghebbende, ontvankelijkheid
* 2 december 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 20/515): Awb, Wabo; wijziging omgevingsvergunning voor bouwen, kruimelgevallenregeling, bevoegdheid
# 2 december 2020 (Rb Limburg AWB 19/647): Awb; handhaving, wateroverlast van perceel, causaal verband infiltratie water en niet conform vergunning uitvoeren, strijd met bpl
* 1 december 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 18/2583 en 18/2584): Awb, lasten onder bestuursdwang ,et kostenverhaal, verwijderen afval na faillissement, drijvers van inrichting/kostenverhaal, motivering, relatie bpl
* 10 november 2020 (Hof Amsterdam 200.270.596/01): BW; burenrecht, ramen op minder dan twee meter van kadastrale erfgrens, steeg tussen percelen is geen openbare weg, onrechtmatig handelen, strijd met BW
* 2 juni 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 19/2347 en LEE 19/1937): Awb; mijnbouwschade, termijnoverschrijding, ontvankelijkheid

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 24 december 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 20/2654 en SHE 20/3258): Awb, Wabo, Gmw; vovo en kortsluiten; handhaving, dwangsom, staken strijdig gebruik bpl, exploitatie parkeerterrein, commercieel autoparkeren luchthaven, planregels
4.4  De voorzieningenrechter is van oordeel dat het aanbieden van bagagekluizen voor een langere periode dan één dag in combinatie met het aanbieden van een parkeerplaats, met het oog op het reizen van of naar Eindhoven Airport, moet worden beschouwd als het bedrijfsmatig aanbieden van parkeerplaatsen anders dan voor werknemers en bezoekers van het eigen bedrijf. Gelet op de informatie op de eigen website en de omstandigheid dat parkeerplaatsen kunnen worden gereserveerd via de website van derden, ligt het accent volgens de voorzieningenrechter in dit geval op het uitoefenen van een parkeerbedrijf bij Eindhoven Airport. Dit wordt bevestigd door de reclame op de website en rondom het terrein. Ook al wordt op de website een hele reeks van diensten aangeboden in combinatie met het gebruik van de parkeerplaatsen, dat leidt niet tot een verschuiving van dit accent. De voorzieningenrechter vindt het niet belangrijk of klanten hun autosleutels kunnen of moeten achterlaten bij verzoekers. Of dit nu wel of niet gebeurt, leidt niet tot een ander oordeel. Wellicht is de huur van een bagagekluis in combinatie met een gratis parkeerplaats laag in verhouding tot de prijzen voor parkeerplaatsen bij Schiphol of elders. Het is dan wellicht een goedkoop parkeerbedrijf maar nog steeds een parkeerbedrijf. De voorzieningenrechter neemt verder in aanmerking dat het de eigen verantwoordelijkheid is van verzoekers om er voor te zorgen dat de informatie over hun bedrijf op de websites van derden klopt. Als het niet klopt, zullen zij deze derden hierop moeten aanspreken. De voorzieningenrechter hecht geen waarde aan de uitlatingen van partijen tijdens de plaatsopneming in de onteigeningsprocedure en ook niet aan het gebruik in het verleden of het gebruik van andere plekken bij Eindhoven Airport. Het gaat om het gebruik door verzoekers op dit terrein ten tijde van het primaire besluit.

4.5  De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat het aanbieden van de mogelijkheid van flexwerken in combinatie met het aanbieden van een parkeerplaats niet kan worden beschouwd als het uitoefenen van een parkeerbedrijf, mits de flexwerkplek wordt gebruikt. Het aanbieden van een flexwerkplek in combinatie met parkeren waarbij de klant de auto langer laat staan en de flexwerkplek niet gebruikt, beschouwt de voorzieningenrechter wel als het uitoefenen van een parkeerbedrijf omdat in dat geval het accent van de aangeboden dienst ligt op parkeren en niet op flexwerken. Het los aanbieden van bagagekluizen (zonder parkeren buiten het vullen of legen van de kluis) of het gebruik van een wachtruimte is evenmin in strijd met de planregels.

4.6  Verweerder heeft terecht vastgesteld dat het aanbieden van bagagekluizen en andere diensten (met uitzondering van flexwerkplekken) in combinatie met parkeerplaatsen op de wijze als beschreven op de website van verzoekers (dus ook parkeren in afwezigheid van bezoekers) een gebruik is dat in strijd is met de planregels. Door het perceel te (laten) gebruiken in strijd met de planregels, plegen verzoekers een overtreding van artikel 2.1, eerste lid onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Verweerder is in beginsel verplicht hiertegen op te treden.

* 23 december 2020 (Rb Rotterdam ROT 19/921): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, verwijderen bouwwerk, uitrolbaar doek over hele breedte tuin, geen tuinmeubilair, geen vergunning, strijd met bpl
6.1  Uitgangspunt is dat artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo voorschrijft dat voor het bouwen van een bouwwerk een omgevingsvergunning vereist is. Uit artikel 2.3, tweede lid, van het Bor, in samenhang gelezen met artikel 2, aanhef en tiende lid, van Bijlage II bij het Bor, volgt dat geen omgevingsvergunning vereist is als het om tuinmeubilair gaat, mits niet hoger dan 2,5 meter. De constructie in de tuin van eisers is tijdens de controle op 12 januari 2018 niet opgemeten. Dit geding beperkt zich in zoverre dan ook tot de vraag of de constructie als tuinmeubilair kan worden aangemerkt.

6.2 Het Bor geeft geen definitie van tuinmeubilair. Volgens de artikelsgewijze toelichting op Bijlage II bij het Bor (Stb. 2010, 43) zou bij tuinmeubilair gedacht kunnen worden aan een pergola of een zonnewijzer. In het normale spraakgebruik heeft meubilair de betekenis van (stuk) huisraad of een samenstel van meubels. Volgens het Etymologisch woordenboek van het Nederlands ligt in het woord meubel de betekenis besloten van ‘roerend, verplaatsbaar’. De constructie in de tuin van eisers bestrijkt de grenzen van de gehele achtertuin, is hoger dan de schutting en is breder dan de woning waardoor de constructie voorbij de zijgevel uitsteekt. Dat het zonnescherm het merendeel van de tijd opgerold zal zijn, doet er niet aan af dat de constructie een overheersend visueel gewicht heeft en niet als ondergeschikt aan de tuin kan worden aangemerkt. Daarbij is de constructie aan de achtergevel van de woning bevestigd en duidelijk bedoeld om te plaatse te functioneren, terwijl meubilair in de regel verplaatsbaar is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de constructie in de tuin van eisers niet als tuinmeubilair kan worden aangemerkt. Voor zover eisers in dit verband hebben gewezen op de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 16 maart 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BP7790)  en van 7 mei 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1629), overweegt de rechtbank dat de overwegingen in die uitspraken eisers niet kunnen baten. Daargelaten dat in beide zaken sprake was van een ander wettelijk kader dan hier het geval is, ging het in die zaken om de vraag of een pergola een aanbouw is, onderscheidenlijk de vraag of een tunnelkas een gebouw is.

6.3 Uit het voorgaande volgt dat de uitzondering genoemd in artikel 2, aanhef en tiende lid, van Bijlage II bij het Bor in dit geval toepassing mist. Dat betekent dat voor de constructie in de tuin van eisers een omgevingsvergunning vereist is en dat verweerder in beginsel bevoegd was over te gaan tot handhaving.

* 18 december 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 20/614, SHE 20/1877, SHE 20/1871, SHE 20/1063 en, SHE 20/1874, SHE 20/1870, SHE 20/857): Awb, Wabo; verzoek ok intrekking (deel) milieuvergunning, veehouderij, motivering verzoek, onderzoek, bevoegdheid, begin van bewijs
5.1  Op wie rust de bewijslast dat er gedurende een bepaalde periode geen handelingen zijn verricht met gebruik van de omgevingsvergunning en waar moet een verzoek om intrekking op deze grondslag in ieder geval aan voldoen?

De rechtbank is van oordeel dat eisers verweerder niet lukraak kunnen verzoeken om de omgevingsvergunning van een willekeurige veehouderij in te trekken. Dat hebben eisers ook niet gedaan. Zij hebben de meeste verzoeken onderbouwd met de resultaten van meitellingen uit het verleden. of zij hebben de verzoeken op een andere wijze onderbouwd Meitellingen zijn onderdeel van de gecombineerde opgave die agrariërs omstreeks de maand mei van ieder kalenderjaar moeten indienen bij de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (RVO) (of de voorloper van deze organisatie) in verband met mestregelgeving en andere agrarische onderwerpen. Hierbij geven zij onder andere het aantal dieren aan dat wordt gehouden. Dit is een momentopname. Maar ook momentopnames over meerdere jaren kunnen een aanwijzing zijn dat er gedurende een periode minder dieren zijn gehouden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft hierover in het verleden onder het regime van de voormalige Hinderwet geoordeeld dat meitellingen een begin van bewijs kunnen opleveren dat er minder dieren zijn gehouden en dat (onder het regime van artikel 27, derde lid, van de Hinderwet) de Hinderwetvergunning gedeeltelijk is vervallen. Als sprake is van zo’n begin van bewijs, dan komt de bewijslast van het tegendeel bij verweerder te liggen. De Afdeling heeft deze lijn doorgetrokken in de uitspraken van 20 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1587) en 22 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:768). Dit zijn zaken over een vergunning op basis van de Natuurbeschermingswet 1998, waarbij gebruik werd gemaakt van zogenoemde externe saldering met de rechten van andere veehouderijen en waarbij in geschil was of deze rechten waren vervallen op grond van artikel 27, derde lid, van de Hinderwet. De rechtbank is van oordeel dat eisers in ieder geval hun verzoek om intrekking voldoende hebben onderbouwd indien zij meitellingen over een periode van drie jaar of langer hebben overgelegd waaruit blijkt dat in de inrichting tijdens de momentopnames omstreeks de maand mei over een periode van drie jaar of langer geen of minder dieren aanwezig zijn geweest dan vergund. In dat geval hebben zij een begin van bewijs geleverd dat gedurende een periode van drie jaar niet of gedeeltelijk geen gebruik is gemaakt van de geldende omgevingsvergunning. Op verweerder rust (als hij stelt dat hij niet bevoegd is omdat de periode niet is verstreken) de bewijslast van het tegendeel.

5.2  Kan en mag verweerder de omgevingsvergunning gedeeltelijk intrekken als een omgevingsvergunning gedeeltelijk niet is gebruikt?

Als de stallen van een bedrijf niet zijn gebouwd, dan is verweerder bevoegd de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo na drie jaar in te trekken. Daarover verschillen partijen niet van mening. Maar kan verweerder de vergunning ook gedeeltelijk intrekken, bijvoorbeeld als de ene stal er wel staat en de andere niet? De Afdeling heeft in een uitspraak van 4 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2610) overwogen dat de bevoegdheid tot intrekken ook bestaat wanneer van een deel van de vergunning gedurende drie jaar geen gebruik is gemaakt.

De tweede vraag is of verweerder ook bevoegd is om in te trekken als een stal er wel staat maar er gedurende drie jaren geen dieren zijn gehouden. Verweerder heeft zich in het verweerschrift met betrekking tot een aantal zaken afgevraagd of eisers wel een verzoek als het onderhavige kunnen indienen. Volgens verweerder geeft een omgevingsvergunning voor het oprichten en/of in werking hebben van een agrarische inrichting het recht om op een bepaalde plek gebouwen en dierenverblijven te hebben, maar verplicht de omgevingsvergunning niet om dieren te houden. Het recht om dieren te houden is volgens verweerder slechts een afgeleid recht. Een verzoek tot intrekking op basis van artikel 2.33, tweede lid, onder a, van de Wabo kan volgens verweerder slechts betrekking hebben op het rechtsvaststellende deel van de omgevingsvergunning, maar niet op het afgeleide recht om dieren te houden. Verweerder maakt hierbij een vergelijking met de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1528), waarin de Afdeling overwoog dat een vergunning krachtens de Wet natuurbescherming ook niet een bepaalde stikstofdepositie vergunt. De rechtbank is het niet eens met verweerder. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo geeft het recht om de inrichting in werking te hebben en te houden. De werking van de inrichting omvat niet alleen de boerderij met de stallen, maar ook de dieren in die stallen. Als er geen dieren worden gehouden, dan worden geen handelingen in die stal verricht met gebruikmaking van de vergunning. Dit kan blijken uit een ontmanteling van de hokken of een ander gebruik van de stal, bijvoorbeeld voor opslag. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:996).

Stel nu dat er wel dieren worden gehouden, maar minder dieren dan is toegestaan op grond van de omgevingsvergunning? Eisers zijn van mening dat ook in dat geval verweerder bevoegd is om in te trekken op grond van artikel 2.33, tweede lid, onder a, van de Wabo. Zij vinden hiervoor steun in de oude rechtspraak van de Afdeling over artikel 27, derde lid, van de Hinderwet. Verweerder stelt, onder verwijzing naar rechtspraak onder het voormalige artikel 8.18, eerste lid, van de Wet milieubeheer, dat hij alleen bevoegd is om in te trekken als de hele stal niet wordt gebruikt.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder alleen bevoegd is om in te trekken als er drie jaar of langer helemaal géén dieren van een bepaalde diercategorie in de betreffende stal worden gehouden. Dit moet per stal worden bekeken. Als er wel een deel van de dieren van de juiste diercategorie zijn gehouden in de stal, dan is verweerder niet bevoegd. De rechtbank beschouwt een stal als een zelfstandig onderdeel van een inrichting. Onder het oude artikel 8.18, eerste lid, van de Wet milieubeheer kon een milieuvergunning voor een stal en het houden van dieren in die stal namelijk vervallen als dat gedeelte niet binnen drie jaren na het onherroepelijk worden van de vergunning in werking was gebracht (zie onder meer de uitspraak van 2 juli 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD6107). Daarom bekijkt de rechtbank het gebruik per stal. Als in de stal wel dieren van de juiste diercategorie worden gehouden, ook al zijn dat er minder dan het aantal dat is vergund, dan worden er wel handelingen verricht met gebruikmaking van de omgevingsvergunning. De vergunninghouder kan op ieder moment besluiten om meer dieren te gaan houden tot het vergunde aantal. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in enkele uitspraken van de Afdeling over gevallen waarin een agrariër minder dieren ging houden. Als door het feitelijk minder houden van dieren binnen de inrichting de krachtens artikel 8.40 van de Wet milieubeheer gestelde regels van toepassing worden, leidt dit niet tot het vervallen van een omgevingsvergunning. Zolang de vergunning niet wordt ingetrokken, bestaat het recht om wederom de vergunde en onverminderd vergunningplichtige activiteiten te gaan uitvoeren (zie de uitspraken van de Afdeling van 29 oktober 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BG1831) en 29 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:857 onder aan rechtsoverweging 6.2). Een andere uitleg zou ertoe leiden dat verweerder bij iedere vermindering van het aantal dieren na drie jaar zou moeten bezien of de omgevingsvergunning voor dat deel moet worden ingetrokken. Gelet op de veel voorkomende fluctuaties in het aantal dieren dat wordt gehouden in een veehouderij die inherent zijn aan de bedrijfsvoering van een veehouder, is dit een (te) zware bestuurlijke taak.

* 18 december 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 20/276): Awb, Wabo; handhaving, intrekking OBM, veehouderij,  procesbelang, ontvankelijkheid, zelf in zaak voorzien
3.1  De rechtbank overweegt ambtshalve het volgende. De rechtbank houdt het ervoor dat op 1 mei 1996 het bedrijf van vergunninghouder gedeeltelijk in werking was en dat niet in geschil is dat op dat moment 71 guste en dragende zeugen en zes volwassen paarden aanwezig waren. Op 1 mei 1996 was uitsluitend artikel 8.18 van de Wm van toepassing en niet artikel 27 van de Hinderwet. Dat betekent dat rechten op basis van de geldende milieuvergunning niet meer konden vervallen omdat er gedurende drie jaar geen gebruik van werd gemaakt (wat was bepaald in artikel 27 van de Hinderwet). Er konden op basis van artikel 8.18 van de Wm alleen van rechtswege rechten op basis van de geldende milieuvergunning vervallen als de inrichting niet binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van de milieuvergunning was voltooid of in werking was gebracht. Deze situatie deed zich op 1 mei 1996 niet voor. Er waren immers 71 guste en dragende zeugen en zes volwassen paarden aanwezig.

3.2  Dat betekent dat de milieuvergunning op 1 mei 1996 niet is vervallen. Deze milieuvergunning is na 1 oktober 2010 gelijkgesteld met een omgevingsvergunning op basis van artikel 2.1, eerste lid, onder e, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Na 1 januari 2013 viel het bedrijf onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer als type B-inrichting en werd de omgevingsvergunning gelijkgesteld met een omgevingsvergunning op basis van artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo (een omgevingsvergunning beperkte milieutoets, verder OBM). Eiseres stelt terecht dat er nog steeds een vergunning is die verweerder desgevraagd zou kunnen intrekken. Dit heeft eiseres ook gevraagd. Zij had dus wel degelijk een procesbelang.

* 18 december 2020 (Rb Oost-Brabant  SHE 20/1875): Awb, Wabo; verzoek om intrekking milieuvergunning, veehouderij, bevoegdheid, schadevergoeding
6.1  Eiseres verzoekt om vergoeding van de schade die zou zijn geleden doordat verweerder in het bestreden besluit geen gebruik heeft gemaakt van zijn intrekkingsbevoegdheid. Als hij dat wel had gedaan, dan had stal B er nu niet gestaan en zou de omliggende natuur geen schade kunnen leiden (of hebben geleden).

6.2  De rechtbank verstaat dit verzoek als een verzoek als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. De rechtbank wijst het verzoek af. De enkele omstandigheid dat verweerder in het vernietigde bestreden besluit heeft miskend dat hij niet bevoegd was om de omgevingsvergunning uit 2013 in te trekken, leidt niet tot schade. Verweerder was ten tijde van het bestreden besluit wel bevoegd maar niet verplicht om de omgevingsvergunning uit 2013 in te trekken. Verweerder had ook kunnen besluiten om geen gebruik te maken van zijn bevoegdheid na een belangenafweging (zoals verweerder uiteindelijk in het nadere besluit heeft gedaan). Reeds hierom is er geen verband tussen het onrechtmatige bestreden besluit en de door eiseres gestelde schade. Bovendien zijn in de directe omgeving van de inrichting géén Natura 2000-gebieden. De rechtbank is van oordeel dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de omliggende natuur schade zal lijden doordat de inrichting nu in werking is conform de vergunning uit 2013. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat moet worden uitgegaan van de rechtmatigheid van de vergunning uit 2013 en dus ook van de hierin vervatte conclusie dat deze vergunning is verleend zonder dat sprake is van onaanvaardbare milieugevolgen.

* 2 juni 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 19/2347 en LEE 19/1937): Awb; mijnbouwschade, termijnoverschrijding, ontvankelijkheid
3.2  In artikel 3, tweede en derde lid, van het Besluit mijnbouwschade Groningen (het Besluit) heeft verweerder een bevoegdheid bij de deelcommissie mijnbouwschade neergelegd om op aanvragen tot vergoeding van schade te beslissen en bij de deelcommissie bezwaar om beslissingen op bezwaar tegen dergelijke beslissingen te nemen. In het Besluit is geen verwijzing opgenomen naar een specifieke wettelijke bepaling op grond waarvan verweerder zich bevoegd acht tot het vaststellen van dit Besluit. In de toelichting is opgenomen dat dit Besluit een vorm van onverplicht, buitenwettelijk beleid vastlegt. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat er geen wettelijke grondslag is aan te wijzen voor deze regelgeving en dat de regels, zoals die in het Besluit zijn opgenomen, moeten worden aangemerkt als beleid in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Awb.

3.3  Met deze beleidsregel geeft verweerder een nadere invulling en concretisering van zijn algemene bevoegdheid tot het doen van financiële uitkeringen ten laste van de publieke middelen. Op grond van artikel 4:84 van de Awb is verweerder verplicht om overeenkomstig deze beleidsregel op aanvragen om schadevergoeding te beslissen. Aldus verbindt artikel 4:84 van de Awb aan de beslissing tot het al dan niet vergoeden van mijnbouwschade op grond van het Besluit het rechtsgevolg dat verweerder, indien er recht bestaat op schadevergoeding, die schade dan ook moet vergoeden. In die zin is er sprake van een rechtsgevolg.

3.4  Het publiekrechtelijk karakter van het Besluit en daarmee van de beslissingen die op basis van het Besluit worden genomen is naar het oordeel van de rechtbank gelegen in een samenstel van factoren. Zo wordt de vergoeding van de mijnbouwschade gefinancierd uit de publieke middelen. Voorts is de mijnbouwschade mede het gevolg van de lang door de overheid gevoelde noodzaak om de gaswinning maximaal te faciliteren om aldus de energievoorziening in Nederland veilig te stellen en te voorzien in extra publieke middelen om bij te dragen aan de algemene welvaart in Nederland. Aldus is de schade een gevolg van de behartiging van een groot algemeen, publiek, belang en wordt met de vergoeding van die schade hetzelfde publieke belang behartigd. Ook doet de door de gaswinning veroorzaakte schade, die het directe gevolg is van dit door de overheid bevorderde algemene belang, door de beschadiging van woningen, voorts ernstig afbreuk aan de bewoonbaarheid van het land en het leefmilieu van degenen die in het aardbevingsgebied wonen. Aldus voorziet het Besluit in de invulling van de in artikel 21 van de Grondwet gewaarborgde zorgplicht van de overheid. Tot slot kan nog worden gewezen op de inmiddels door de wetgever aangenomen Wet Instituut mijnbouwschade Groningen waarin dit publiekrechtelijke karakter ook wordt vastgelegd in een wet in formele zin.

3.5  Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder met het Besluit een beleidsregel heeft vastgesteld waarin hij zijn algemene bevoegdheid tot het doen van financiële uitkeringen nader heeft geconcretiseerd. Het Besluit heeft gezien de context waarbinnen die regeling is opgesteld, een publiekrechtelijk karakter zodat beslissingen op basis van het Besluit naar het oordeel van de rechtbank moeten worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dit oordeel sluit aan bij een ontwikkeling in de rechtspraak die mede vorm heeft gekregen in de zogenaamde Metroschade uitspraak (ECLI:NL:RVS:1986:AM9085 (AB 1986, 568)) en de Silicose uitspraak (ECLI:NL:RVS:1995:ZF1850 (AB 1996, 136)).

3.6  Uit het voorgaande volgt dat de beslissing, waarbij verweerder de aanvraag van eiser om een eenmalige vergoeding heeft afgewezen, dient te worden aangemerkt als een besluit, waartegen eiser ingevolge artikel 8:1, eerste lid, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, van de Awb bezwaar kon maken.