Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 6 januari 2021 (ABRvS 202002445/1/R1): Awb, Wro; bpl, uitbreiding hotel, bouwmassa, uitzicht/bezonning, parkeren
* 6 januari 2021 (ABRvS 202001792/1/R4): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, opvang personen met gedrags- of verslavingsproblemen, bijzondere woonvorm/bpl, maatschappelijke opvang met therapeutische behandeling, bevoegdheid (Rb Gelderland 20/13)
* 6 januari 2021 (ABRvS 202001311/1/A3): Awb, Gmw; exploitatievergunning, horeca in casino, Wok/APV/bevoegdheid, Dienstenrichtlijn/-wet, openingstijden (Rb Amsterdam 19/91)
* 6 januari 2021 (ABRvS 201908619/1/R4): Awb, Wabo; handhaving, reparatiebesluit, recreatiepark naast bedrijventerrein, bouwwerken, geen vergunning/strijd met bpl, mogelijke verplaatsing/bijzondere omstandigheden (ECLI:NL:RBGEL:2018:4251)
* 6 januari 2021 (ABRvS 201908317/1/R1): Awb, Wro; bpl, speelpark, Natura 2000-gebied, NNN, overloopparkeerterrein, belanghebbenden, hoogte attracties/speeltoestellen, aardkundig monument/provinciale verordening, lichthinder/soortenbescherming, geluid, VNG-brochure, tussenuitspraak
* 4 januari 2021 (Rb Overijssel 08.206498.20 en 08-263502-18): WSr, WED, Wm; opslaan en voorhanden hebben van grote hoeveelheid illegaal vuurwerk, Vuurwerkbesluit
* 31 december 2020 (ABRvS 202003451/2/R2): Awb, Wro; vovo, bpl, woon-werk percelen en gemengd gebied, VNG-brochure, geluid, representatieve bedrijfssituatie
* 31 december 2020 (ABRvS 202004317/2/R2): Awb, Wro, Wabo; vovo, bpl en omgevingsvergunning voor bouwen, woningen en parkeervoorziening, beschermd stadsgezicht, privacy, bezonning
* 31 december 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 20/3811): Awb, Gmw; vovo, handhaving/ontheffingen voor parkeren en carbidschieten, APV, overlast, bevoegdheid Rb, traditie, motivering, nadere afspraken
* 30 december 2020 (ABRvS 202004900/2/R4): Awb, Wro; vovo, bpl, appartementencomplex, inmiddels ontheffing Wnb verleend
* 30 december 2020 (ABRvS 202005343/2/R2): Awb, Nbw; vovo, intrekking vergunning , veehouderij, bevoegdheid, nieuw besluit (Rb Limburg 18/1015, 18/1016 en 18/1017)
* 30 december 2020 (ABRvS 202005987/2/R1): Awb, Wro; vovo, bpl, fruitteeltbedrijf, volwaardig agrarisch bedrijf
* 30 december 2020 (ABRvS 202006579/1/R1): Awb, Gmw; vovo, invordering dwangsom, verwijderen wal van afvalstoffen
# 24 december 2020 (Rb Rotterdam ROT 19/3852 en ROT 19/3913): Awb, Wm; handhaving, geluid koelinstallaties, supermarkt, Activiteitenbesluit, stoorgeluid, tonaal karakter, representatieve bedrijfssituatie
* 23 december 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 20/308): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, B&B en boerengolf, vvgb, ondergeschiktheid van nevenactiviteit(en), motivering, (geluid)zone
* 22 december 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 19/3086): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, bowlingbaan met restaurant, ontvankelijkheid
* 17 december 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 19/3309, AWB/ROE 19/3322, AWB/ROE 19/3290 en AWB/ROE 19/3307, AWB/ROE 19/3292 en AWB/ROE 19/3213): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor slopen, bouwen, afwijken van bpl en wijzigen beschermd monument, hotel, belanghebbenden, laden en lossen, behoefte/Bro, parkeren, bezonning, bouwmassa, provinciale verordening, betalingsonmacht, vvgb
*17 december 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 20/3074 en LEE 20/3053): Awb, Wabo, Gmw; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsom, reclame in wisselframe, veranderen bouwwerken, geen vergunning
* 15 december 2020 (Rb Limburg ROE 20/900): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, wintertuin met schuifdeuren vóór restaurant, cultuurhistorie
* 15 december 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/9635 HOREC VV): Awb, Gmw; vovo, intrekking exploitatievergunning, coffeeshop, Wet Bibob, APV, bevoegdheid
* 14 december 2020 (Rb Limburg AWB 20/104): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, lasten onder dwangsom, invordering, boerderijwoning, afwijken van omgevingsvergunning, Bor, bevoegdheid, overtreder, motivering, evenredigheid
* 10 december 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 20/686): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, studentenhuisvesting, geluid
* 9 december 2020 (Rb Limburg AWB 20/1776): Awb, Wm, Gmw; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, onjuiste wijze aanbieden van (grof) huishoudelijk afval, nalaten bieden van mogelijkheid tot beëindiging overtreding
* 9 december 2020 (Rb Limburg AWB 19/3402): Awb, Waterwet; handhaving, Keur, ophoging terrein voor sportvelden, inundatiegebied, zicht op legalisatie
* 7 december 2020 (Rb Amsterdam AMS 19/3954): Awb, Waterwet; projectplan, dijkversterking, Chw, damwandconstructie/alternatieven, trillingen
* 3 december 2020 (Rb Amsterdam AMS 19/1684): Awb, Hvw; handhaving, boete, onttrekking, tweede woning, geen permanente bewoning, gebruik om niet, geen toeristen aangetroffen, hotelmatige inrichting
* 16 november 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 20/2736): Awb, Gmw; vovo, handhaving, preventieve last onder bestuursdwang, verwijderen woonwagen/caravan, APV, bevoegdheid
# 25 september 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 19/3147, 19/3150, 19/3152, 20/1511 en 20/1513): Awb, Wabo; handhaving, dwangsommen/invordering, milieuvergunningen, houtverwerkend bedrijf, stofhinder, BBT, Activiteitenbesluit, zorgplicht, bronemissies, norm diffuse stofverspreiding, maatregelen, good housekeeping
* 1 september 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/2166): Awb, Waterwet; opgelegde onderhoudsverplichtingen, watergang/kantzone, legger, kosten, einduitspraak na eerder tussenuitspraak

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 6 januari 2021 (ABRvS 201908317/1/R1): Awb, Wro; bpl, speelpark, Natura 2000-gebied, NNN, overloopparkeerterrein, belanghebbenden, hoogte attracties/speeltoestellen, geluid, VNG-brochure, aardkundig monument/provinciale verordening, lichthinder/soortenbescherming, tussenuitspraak
8.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in haar uitspraak van 20 juli 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT9632), kan de omstandigheid dat beroep wordt ingesteld namens een persoon of personen van wie tijdens de beroepstermijn de identiteit niet kenbaar is, niet worden beschouwd als een vormverzuim dat op grond van artikel 6:6 van de Awb kan worden hersteld. In dat geval staat tijdens de beroepstermijn namelijk in het geheel nog niet vast wie beroep heeft willen instellen. De artikelen 6:5 en 6:6 van de Awb strekken er niet toe het mogelijk te maken beroep in te stellen namens nog onbekende personen. De in artikel 8:1, in samenhang met de artikelen 6:7 en 6:11 van de Awb, neergelegde regeling met betrekking tot de beroepstermijn brengt met zich dat de identiteit van degene(n) namens wie beroep wordt ingesteld, voor afloop van de beroepstermijn kenbaar moet zijn.

8.2.    Door De Limiten en anderen is beroep ingesteld mede namens bewoners van het Valkeveense gebied. Uit het beroepschrift blijkt niet de identiteit van deze bewoners. Pas na de beroepstermijn is een lijst met de namen en adressen van de bewoners overgelegd. Gelet hierop voldoet het beroep, voor zover dat is ingesteld door de bewoners van het Valkeveense gebied, niet aan de vereisten van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. Het beroep van De Limiten en anderen, voor zover dit is ingediend door de bewoners van het Valkeveense gebied, is daarom niet-ontvankelijk.
13.1.    Het grootste deel van de gronden in het speelpark is in de PRV aangewezen als aardkundig monument. Dit monument wordt beschermd door de PMV dat ter zake een verbod- en ontheffingsstelsel bevat. Alleen het noordelijke deel van het plangebied is in de PRV aangewezen als aardkundig waardevol gebied. Ingevolge artikel 8 van de PRV moet de raad in de plantoelichting toelichten hoe met de voorkomende bijzondere aardkundige waarden van het aardkundig monument en het aardkundig waardevol gebied rekening is gehouden. In paragraaf 2.1.2.1 van de plantoelichting is aan de hand van de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie 2018 ingegaan op de aardkundige waarden van het gebied.

13.2.    Wat betreft de aanwezigheid van aardkundige waarden heeft de raad toegelicht dat gezien de aanwezigheid van het speelpark de oorspronkelijke aardkundige waarden binnen het grootste deel van het plangebied vermoedelijk al zijn verstoord, maar dat dit niet betekent dat er geen beschermingswaardig monument meer is. De hoogtekaart die is opgenomen in paragraaf 2.1.2.1 van de plantoelichting laat zien dat het speelpark nog steeds reliëf als gevolg van de stuwwal (het aardkundig monument) en de klifkust kent. De raad heeft zich gelet hierop in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er nog te beschermen aardkundige waarden aanwezig zijn.

Echter, het grootste deel van de gronden is aangewezen in de PRV als aardkundig monument en wordt beschermd door het in de PMV opgenomen verbod- en ontheffingsstelsel. In dit geval is niet gebleken waarom naast deze bescherming ook een vergunningstelsel in het plan moet worden opgenomen om te voorzien in de bescherming van het aardkundig monument. De raad heeft onvoldoende gemotiveerd dat het opnemen van de dubbelbestemming in het bestemmingsplan nodig is ter bescherming van andere belangen dan die al door de PMV worden beschermd. Het plan in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Awb.
23.2.    In het ecologisch rapport staat op p. 10 dat een norm van 0,1 lux voor de verlichting van de natuurlijke omgeving met zekerheid leidt tot het afwezig zijn van effect. Om de norm bruikbaar te maken kan er volgens het rapport gekozen worden om alleen verlichting toe te staan op lage paaltjes, omdat er dan weinig tot geen strooilicht is.

23.3.    In de planregels is opgenomen dat bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor verlichting maximaal 1 m hoog mogen zijn. Er is geen beperking voor het aantal lux opgenomen. De Afdeling is van oordeel dat met het opnemen van alleen deze hoogte niet zonder meer vaststaat dat de verlichting onder de norm van 0,1 lux zal blijven en geen effect zal hebben op aanwezige soorten. Het besluit is op dit punt dan ook onzorgvuldig voorbereid.

* 31 december 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 20/3811): Awb, Gmw; vovo, handhaving/ontheffingen voor parkeren en carbidschieten, APV, overlast, bevoegdheid Rb, traditie, motivering, nadere afspraken
7.2.  In het licht van die feiten en omstandigheden is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, anders dan verweerder in de brieven van 22 december 2020 meent, in dit geval voldoende concreet welke potentiële overtredingen en potentiële overtreders er zouden kunnen zijn. Uit de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 30 december 2019 (ECLI:NL:RBNNE:2019:5427) en van deze rechtbank van 18 december 2020 (ECLI:NL:RBNNE:2020:4500) volgt dat verweerder gehouden is om een besluit te nemen op een handhavingsverzoek als dat is gebaseerd op mogelijke overtreding van  artikel 4:4, tweede lid, van de APV bij carbidschieten. Nu in het onderhavige geval ten tijde van beide handhavingsverzoeken concrete meldingen waren gedaan gericht op carbidschieten nabij de woningen van verzoekers en nog geen ontheffingen op grond van artikel 4:4, derde lid, van de APV waren verleend, bestond de dreiging dat de derde-partijen met het carbidschieten het verbod van artikel 4:4, tweede lid, van de APV zouden gaan overtreden. Anders dan in het geval genoemd in de uitspraak van de AbRS van 4 maart 2020 betroffen de handhavingsverzoeken van 1 november 2020 daarmee verzoeken om een besluit tot oplegging van een bestuurlijke sanctie te nemen. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter moeten verweerders reacties op die handhavingsverzoeken, te weten zijn brieven van 22 december 2020, als besluiten als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb worden aangemerkt waartegen verzoekers als belanghebbenden bezwaar konden maken. Het had op verweerders weg gelegen om de handhavingsverzoeken inhoudelijk te onderzoeken en beoordelen.
10.  Teneinde effectieve rechtsbescherming te bieden, het feit dat verzoekers reeds bezwaar hebben gemaakt tegen de ontheffingen van 30 december 2020 en het feit dat de jaarwisseling snel nadert, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening mede gericht te achten tegen die ontheffingen. Daarover overweegt hij het volgende.
…………………….
10.3.  De voorzieningenrechter ziet in de geconstateerde gebreken echter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Hij overweegt daarbij dat partijen na de zitting hebben aangegeven dat in onderling overleg door derde-partij [naam 2] is besloten dat het carbidschieten in Noordbarge de komende jaarwisseling niet doorgaat. Daarmee valt geen geluidsoverlast door carbidschieten meer te verwachten in de nabijheid van de percelen van de verzoekers die in Noordbarge wonen. Tevens heeft dat overleg er in geresulteerd dat derde-partij [naam 1] het carbidschieten in Zwartemeer zal laten plaatsvinden op een aanmerkelijk grotere afstand van de woning van verzoekster [verzoeker 5] dan oorspronkelijk de bedoeling was. Die afstand zal 265 meter bedragen en het carbidschieten zal plaatsvinden in noordelijke richting, weg van het perceel van verzoekster [verzoeker 5] . De voorzieningenrechter gaat er, mede omdat het carbidschieten in de tijd beperkt is, vooralsnog van uit dat daarmee de geluidsoverlast voor verzoekster [verzoeker 5] hiermee tot aanvaardbare porporties is teruggebracht.

In het licht van het voorgaande wegen naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter de belangen gemoeid met het kunnen gebruiken van de verleende ontheffing door derde-partij [naam 1] zwaarder dan de belangen van verzoekers bij het niet gebruiken daarvan.

# 24 december 2020 (Rb Rotterdam ROT 19/3852 en ROT 19/3913): Awb, Wm; handhaving, geluid koelinstallaties, supermarkt, Activiteitenbesluit, stoorgeluid, tonaal karakter, representatieve bedrijfssituatie
17.1  De StAB concludeert in haar verslag van 5 oktober 2020 dat ten tijde van het nemen van de bestreden besluiten niet met zekerheid kon worden gesteld dat het geluid van de koelinstallaties de geluidnormen van het Activiteitenbesluit niet overschreed. Weliswaar zijn, zoals verweerder stelt, vanaf 2014 regelmatig geluidmetingen uitgevoerd waaruit blijkt dat de geluidnormen niet worden overschreden, maar een groot deel van deze metingen is ongeldig vanwege een te hoog stoorgeluidniveau of het onjuist bepalen van het stoorgeluidniveau. Uiteindelijk hebben slechts drie valide geluidmetingen plaatsgevonden, waarbij uit het meetresultaat van één daarvan een overschrijding van de geluidnormen blijkt. In de nachtperiode is geen enkele valide geluidmeting uitgevoerd.
18.1.  Verder heeft de StAB geconcludeerd dat het geluid van de koelinstallaties een duidelijk hoorbaar tonaal karakter heeft. Op de meetresultaten zou daarom steeds een straftoeslag van 5 dB moeten worden toegepast. Met die straftoeslag is aannemelijk dat de geluidnormen van het Activiteitenbesluit ter plaatse worden overschreden, in zowel de dag-, avond- als nachtperiode. De StAB oordeelt dat niet mag worden afgezien van de straftoeslag zonder voorafgaande uitsluiting van het tonale karakter van het geluid in een nadere spectrale analyse van de meetresultaten.

18.2.1.  De rechtbank overweegt dat de StAB het, gelet op de laatste zin, in geval van twijfel op zich niet ongebruikelijk acht om tonaliteit vast te stellen aan de hand van een smalbandige spectrale analyse zoals de kritische bandbreedte methode. Omdat de beoordeling van tonaal geluid vaak subjectief is, verdient het volgens de StAB aanbeveling om die door twee representanten van het bevoegd gezag te laten doen. Anderzijds heeft de StAB in haar rapport en ter zitting aangegeven dat bij haar geen sprake is van twijfel en dat zij zelf heeft vastgesteld dat het tonaalgeluid duidelijk hoorbaar en voortdurend waarneembaar is, dat de meting van 27 augustus 2020 daarom in tertsbanden is vastgelegd, en dat het tonale (brom)geluid zeker niet afkomstig is van het transformatorhuisje dat op de grond naast de supermarkt staat, zodat op de gemeten geluidniveaus in alle gevallen overeenkomstig de HMRI een straftoeslag van 5 dB moet worden toegepast.

18.2.2.  In wat Lidl heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding de StAB hierin niet te volgen. Dat de kritische bandbreedte methode (meer) objectief is, maakt nog niet dat het inzake het tonaalgeluid door de StAB op basis van de HMRI uitgevoerde onderzoek en de daarop gebaseerde onderbouwing gebrekkig is te achten. Lidl stelt dat de conclusie van de StAB voorbarig zou zijn, onder meer omdat uit de geluidsrapporten van Ardea van 2014 en 2015 blijkt dat er in het geheel geen tonaalgeluid is waargenomen. De rechtbank volgt die stelling niet omdat in het StAB-rapport uitvoerig gemotiveerd wordt gesteld dat deze geluidsrapporten niet deugen. De rechtbank acht – gelet op de onderzoeksvraag en hetgeen door de StAB in haar verslag en ter zitting over het tonaalgeluid is verklaard – de conclusie dat ten tijde van de bestreden besluiten de geluidnorm(en) van het Activiteitenbesluit (mede) als gevolg van tonaalgeluid worden overschreden ook overigens niet voorbarig. De StAB heeft slechts voor eventueel nader onderzoek gewezen op de mogelijkheid om de kritische bandbreedte methode toe te passen. Naast het feit dat ventilatoren en condensors in koelinstallaties bekende bronnen van tonaal geluid zijn overweegt de rechtbank dat ook de OZHZ in de rapportage van de meting op 14 november 2014 heeft vermeld dat ter plaatse sprake is van tonaal geluid.
19.2.  Over de stelling van verweerder dat de geluidmeting die bij hoge buitentemperatuur is uitgevoerd buiten beschouwing moet blijven, omdat deze hoge temperaturen niet representatief zijn, heeft de StAB in haar rapport opgemerkt dat de jaren 2019 en 2020 meer dan 12 van zulke warme dagen kenden. Omdat het op grond van meteorologische gegevens aannemelijk is dat ook in de toekomst sprake zal zijn van minimaal 12 van zulke warme dagen per jaar, zijn de geluidmetingen onder zeer warme omstandigheden (met de koelinstallaties op vol vermogen) daarom volgens de StAB wel representatief. Uit die geluidmetingen blijkt een overschrijding van de geluidnormen.

Lidl merkt op dat er gedurende de meting die door de StAB is uitgevoerd op 11 augustus tussen 15:00 en 16:00 uur geen sprake is geweest van een representatieve bedrijfssituatie, omdat de buitentemperatuur 33 °C bedroeg, iets wat zich blijkens ‘weerstatistieken.nl’ in 2019 en 2020 maximaal vijf keer per jaar voordeed. De rechtbank overweegt daarover dat de StAB ter zitting heeft verklaard dat de uitslag van een geluidsmeting bij 29 °C niet wezenlijk zal verschillen van het resultaat van die meting bij 33 °C en overigens gelijke omstandigheden.

De StAB heeft daarbij in haar verslag ter zake van de meting op die dag aangegeven dat de gehele dagperiode van 7:00 uur tot 19:00 uur loopt, dat de koelinstallaties in de ochtenduren minder vermogen hoeven te leveren en dus ook een lagere geluidemissie hebben waardoor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in de dagperiode daarom enkele dB’s lager zal zijn dan de 57 dB(A) zoals door de StAB is bepaald, maar dat het op basis van deze meting wel aannemelijk is dat de koelinstallaties in de dagperiode de geluidnorm van 50 dB(A) uit het Activiteitenbesluit overschrijden. De rechtbank volgt ook die redenering.

*17 december 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 20/3074 en LEE 20/3053): Awb, Wabo, Gmw; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsom, reclame in wisselframe, veranderen bouwwerken, geen vergunning
6.2.  Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan het aanbrengen van één of meerdere wisselframes op bijvoorbeeld een netwerkkast of elektriciteitshuisje van Enexis worden aangemerkt als het maken of wijzigen van een constructie. Het aanbrengen van een of meerdere wisselframes kan dan ook worden aangemerkt als het bouwen van een bouwwerk. Gelet op vorenstaande kan een wisselframe worden aangemerkt als bouwwerk, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo.

  1. De vraag is vervolgens of sprake is van een vergunningplichtig bouwwerk.

7.1.  Uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo volgt dat voor het bouwen een bouwwerk een omgevingsvergunning is vereist. Ingevolge het derde lid van artikel 2.1 van de Wabo kan bij algemene maatregel van bestuur categorieën gevallen worden aangewezen, waarbij uitzonderingen op de vergunningplicht worden aangebracht. Deze algemene maatregel van bestuur is het Besluit omgevingsrecht (Bor).

Ingevolge artikel 2.3, eerste lid, van het Bor — voor zover hier van belang — is in afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo geen omgevingsvergunning vereist voor categorieën gevallen genoemd in artikel 3 van bijlage II behorende bij het Bor.

Uit artikel 3, aanhef en onder 8, van bijlage II behorende bij het Bor volgt dat geen omgevingsvergunning is vereist voor een verandering van een bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende vier eisen:

  1. geen verandering van de draagconstructie,
  2. geen verandering van de brandcompartimentering of beschermende sub brandcompartimentering,
  3. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte, en
  4. geen uitbreiding van het bouwvolume.

7.2.  Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is onderhavig geval – anders dan namens verweerder is betoogd – sprake van een verandering van een bouwwerk. De netwerkkasten of elektriciteitshuisjes moeten worden aangemerkt als bouwwerken, het aanbrengen van de frames hieraan als het veranderen van die bouwwerken. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 november 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG4740.

7.2.1  De voorzieningenrechter stelt verder vast dat het aanbrengen van een of meerdere wisselframes geen gevolgen heeft voor de draagconstructie of (sub-) brandcompartimentering.

7.2.2. De voorzieningenrechter ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of sprake is van een uitbreiding van de bebouwde oppervlakte of een uitbreiding van het bouwvolume. In artikel 1, tweede lid, onder c, van Bijlage II behorende bij het Bor is bepaald dat bij de wijze van meten maten buitenwerks worden gemeten, alsmede dat uitstekende delen van ondergeschikte aard tot maximaal 0,5 meter buiten beschouwing blijven. Nu een wisselframe hooguit enkele centimeters uitsteekt ten opzichte van het bouwwerk waarop het wordt aangebracht, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van een bouwdeel van ondergeschikte aard dat bij de berekening van de bebouwde oppervlakte en het bouwvolume buiten beschouwing moet blijven.

7.2.3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter wordt aldus aan de vier eisen van artikel 3, aanhef en onder 8, van Bijlage II behorende bij het Bor voldaan. Dit betekent dat voor het aanbrengen van een wisselframe geen omgevingsvergunning is vereist voor de activiteit bouwen van een bouwwerk, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Verweerder heeft zich dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat de wisselframes zijn aangebracht zonder de vereiste omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo.