Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 13 januari 2021 (ABRvS 202002967/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, aanpassing bedrijfswoning, belanghebbende, ontvankelijkheid (Rb Gelderland 18/5446 en 18/5476)
* 13 januari 2021 (ABRvS 202002713/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, walbeschoeiing, strijd met bpl (Rb Noord-Holland 19/3902)
* 13 januari 2021 (ABRvS 202002569/1/A3): Awb, Gmw; handhaving, dwangsom, staken kamerverhuur, APV, geen vergunning, bevoegdheid (Rb Gelderland 20/889 en 20/927)
* 13 januari 2021 (ABRvS 202002523/1/R1): Awb, Wro; bpl, verzorgingstehuis en zorggerelateerde appartementen, behoefte, geluid/relativiteit
* 13 januari 2021 (ABRvS 202001379/1/A3): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, commercieel uitstallen van fietsen in de openbare ruimte, strijd met bpl/APV (Rb Amsterdam 18/442)
* 13 januari 2021 (ABRvS 202000351/1/R4); Awb, Wm, Gmw; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, aanbieden afval, afvalstoffenverordening, overtreder, ontvankelijkheid
* 13 januari 2021 (ABRvS 202000321/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, zonnepark, belanghebbenden, ontvankelijkheid (Rb Overijssel 18/2127, 18/2184 en 18/2200)
* 13 januari 2021 (ABRvS 201908435/1/R1): Awb, Wm; plaatsingsplan ondergrondse restafvalcontainers, afvalstoffenverordening, locatiekeuze
* 13 januari 2021 (ABRvS 201908392/1/R3): Awb, Wro; bpl, begrenzing woonfunctie
* 13 januari 2021 (ABRvS 201907378/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor kappen van boom (Rb Overijssel 19/272)
* 13 januari 2021 (ABRvS 201907224/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, dakopbouw, beslistermijn (Rb Overijssel 19/501)
* 13 januari 2021 (ABRvS 201906912/1/R3): Awb, Wro; bpl, woning, vertrouwensbeginsel, structuurvisie, verkeersveiligheid
* 13 januari 2021 (ABRvS 201906623/1/R2): Awb, Wro; bpl, woningen, bedrijfsvoering veehouderij, geur/Wgv, woon- en leefklimaat, gezondheid/endotoxinen
* 13 januari 2021 (ABRvS 201906483/1/R3): Awb, Wro; bpl, loskoppeling melkveehouderij en zuivelmachinebedrijf, belanghebbende, provinciale verordening
* 13 januari 2021 (ABRvS 201906316/1/R1): Awb, Waterwet; vergunning, boomkwekerij, dempen oppervlaktewater/compensatiewater, vaarfunctie, privaatrechtelijke belemmering (Rb Den Haag 18/5649, 18/5764, 18/5766 en 18/5889)
* 13 januari 2021 (ABRvS 201906303/1/R2): Awb, Wro; bpl, woningen, woon- en leefklimaat, natuur/quickscan
* 13 januari 2021 (ABRvS 201904826/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, bedrijfsgebouw, belanghebbenden, ontvankelijkheid (Rb Oost-Brabant 18/2378)
* 13 januari 2021 (ABRvS 201904609/1/R1): Awb, Wbb; beschikking ernst en spoed bodemverontreiniging/sanering, vliegbasis, belanghebbende, ontvankelijkheid
# 13 januari 2021 (ABRvS 201902192/1/R3): Awb, Wro; bpl, geluidverkaveling, sloopregeling
* 13 januari 2021 (ABRvS 201900845/1/R2): Awb, Waterwet, Wro; projectplan en inpassingplan, herstellen hoogveen, hydrologische maatregelen/stikstofdepositie, belanghebbenden, MER, alternatieven, grondwatermodel, mitigerende maatregelen, vuilstort, tussenuitspraak
* 12 januari 2021 (ABRvS 201908074/5/R3): Awb; verzet, bpl/HGW
* 12 januari 2021 (ABRvS 202000002/3/R3): Awb; verzet, omgevingsvergunningen
* 12 januari 2021 (CBb 19/1209, 19/1238 , 19/960 , 19/646, 19/1245, 19/1273, 19/124, 19/1123, 19/1116, 19/1127, 19/1188, 19/1149, 19/1146, 19/1223 en 20/97): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, EP/geen sprake van individuele en buitensporige last, knelgevallenregeling, voorzienbaarheid, bevoegdheid, Nitraatrichtlijn, diergezondheidsproblemen
* 12 januari 2021 (CBb 19/234, en 19/523): Awb, Lbw; heffing/bonus, fosfaatreductieplan, referentieaantal, voorzienbaarheid, startersregeling, knelgevallenregeling
* 12 januari 2021 (CBb 19/1444, 19/1445 en 19/1446 en 19/1650): Awb, Wet dieren; handhaving, dwangsongsom/lasten onder bestuursdwang/invordering, hondenfokkerij, Bhd, welzijn dieren, verjaring
* 12 januari 2021 (CBb 19/1803): Awb, Msw; weigering om gemelde overgang van varkenseenheden te registreren, verwerking en markt voor dierlijke mest
* 12 januari 2021 (CBb 19/1406, 19/1812 en 19/1811): Awb, Msw; boete, transport van mest, bemonstering (Rb Overijssel AWB 19/117, AWB 18/2346 en AWB 18/2103)
* 12 januari 2021 (CBb 19/1368): Awb, Msw; boete, mesttransport, vervoersbewijzen (Rb Noord-Nederland LEE 18/3117)
* 12 januari 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 19/4591): Awb, Wabo; omgevingsrecht voor wijzigen bestemming van adressen, horeca naar wonen, parkeren/norm
* 8 januari 2021 (Rb Overijssel  AWB 19/2386 en 19/2387): Awb, Gmw; handhaving, opschorting toestemming voor incidentele festiviteiten in café, op rechtsgevolg gericht besluit, bevoegdheid, geen dwangsom opgelegd
* 8 januari 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 20/2132 en SHE 20/2133): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en aanleggen uitrit, woningen, garage met spuitwerkzaamheden, beoordeling woon- en leefklimaat, VNG-brochure, motivering
* 7 januari 2021 (Rb Amsterdam 8913678 KK EXPL 20-836): BW; kort geding, huurmatiging, te hoog loodgehalte in drinkwater van gehuurd appartement
* 5 januari 2021 (Rb Overijssel AWB 18/2096): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, uitbreiden afvalwaterzuiveringsinstallatie, geur/handhaving
* 29 december 2020 (Rb Overijssel AWB 20/119): Awb, Wabo; handhaving, pallethandel, brandveiligheid, Bouwbesluit, restrisico’s, brandbestrijding/repressieve maatregelen, brandcompartiment, bluswaterhoeveelheid, kapstokartikel
* 29 december 2020 (Rb Noord-Holland HAA 20/5268): Awb, Wabo, Gmw; niet tijdig beslissen om handhavend op te treden, lichtmasten rond ijsbaan, geen vergunning, dwangsom
* 29 december 2020 (Hof Arnhem-Leeuwarden 20/00388, 20/00389 en 20/00390): Awb, AWR; leges, omgevingsvergunning, één of drie aanvragen
* 29 december 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 20/1587 en 20/2571): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, alternatief bouwplan bedrijfsgebouw, eerdere bouwstop/dwangsom, afwijking verleende vergunning, weigering intrekking bouwstop, vertrouwensbeginsel
* 28 december 2020 (Rb Limburg AWB/ROE 19/3013 en 19/3016): Awb, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, supermarkt, structuurvisie, Dienstenrichtlijn
* 24 december 2020 (Rb Noord-Holland HAA 19/4453); Awb, Gmw; handhaving, verwijderen hekwerk, geen openbare weg, APV/Wegenwet, getuigenverklaringen
* 23 december 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 20/609): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl, activiteiten in maatschappelijke ruimte/terras, onduidelijkheid, zelf in de zaak voorzien
* 23 december 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 19/188E en SHE 19/192): Awb, Wro; planschade, rondweg, geluid, herstelbesluit
* 23 december 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 20/720 en SHE 20/721): Awb, Wabo; omgevingsvergunning  voor bouwen en afwijken bpl, huisvesting arbeidsmigranten, belanghebbenden, woon- en leefklimaat, verkeer, parkeren, beleidsregel, tussenuitspraak
* 22 december 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/3439 en UTR 20/3797): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsom, verwijderen privacyscherm van kunststof bladeren aan de stokkenconstructie van bomenhaag, welstand
* 22 december 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/3818); Awb, Wabo; vovo, wijzigen van vergunningvoorschriften, beschikbare hoeveelheid parkeerplaatsen
* 18 december 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/4507): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, gebouwen/lichtmasten, geen vergunning, herstelbesluit, achtererfgebied, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 14 december 2020 (Rb Amsterdam AMS 20/5966): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, vervangende woonruimte voor moeder en baby
* 11 december 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/4704): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, bedrijfs- naar woonunits, erfdienstbaarheid, parkeren
* 10 december 2020 (Hof Den Bosch 20-001907-13): WSr, WED, WMS, Wm; onttrekking containers vuurwerk aan politie en justitie, gevaar, Vuurwerkbesluit, witwassen, valsheid in geschrifte
* 10 december 2020 (Rb Den Haag SGR 19/7170): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, vervanging kiosk, oppervlakte
* 4 december 2020 (Rb Den Haag SGR 19/6749): Awb; niet tijdig nemen besluit, ingebrekestelling, maximale dwangsom
* 2 december 2020 (Rb Limburg ROE 20/2548): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, uitbreiding school, kinderopvang, relatie met bpl/planregels/parkeren
* 30 november 2020 (Rb Den Haag SGR 19/6745): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor omzetten van bedrijfswoning naar plattelandswoning, belanghebbende, ontvankelijkheid.
* 3 september 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/3377): Awb, Wabo; omgevingsvergunning boor bouwen, chalets voor arbeidsmigranten, strijd met bpl
* 3 september 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/2733): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, buitentrap,
* 7 augustus 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/1916): Awb, Wabo, Hvw, Gmw; handhaving, dwangsom, kamerverhuur en splitsing woning, geen vergunning, van rechtswege verbeuring, invordering/geen bijzonder omstandigheden
* 6 augustus 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/1902): Awb, Wabo; aanwijzing als gemeentelijk monument, geen dwangsom/ingebrekestelling

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 13 januari 2021 (ABRvS 201907224/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, dakopbouw, beslistermijn (Rb Overijssel 19/501)
2.1.    Ingevolge artikel 3.9, eerste lid, van de Wabo beslist het bevoegd gezag op de aanvraag om een omgevingsvergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Hieruit volgt al dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de beslistermijn is gestart op 25 augustus 2018 en eindigde op 19 oktober 2018. De kamerstukken en jurisprudentie waarop [appellante] wijst bieden geen aanknopingspunten voor een andere uitleg van de wettekst. De bedoeling van de wetgever om aan te sluiten bij 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht kan allereerst niet afdoen aan die tekst. Aan de memorie van antwoord komt daarnaast niet de waarde toe die [appellante] hieraan hecht en de memorie van toelichting zegt uitsluitend iets over de duur van die beslistermijn, maar niet wanneer deze begint. Ook de door haar genoemde uitspraak van de Afdeling van 18 oktober 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BO2903) en de uitspraak van de CRvB van 16 september 1997 (ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7214) bieden geen grond voor een ander oordeel. In deze uitspraken gaat het namelijk niet om de uitleg van artikel 3.9, eerste lid, van de Wabo. Ook wijst het college in de schriftelijke uiteenzetting terecht op diverse uitspraken van de Afdeling waarin over deze rechtsvraag gelijkluidend is geoordeeld. Dat, zoals [appellante] betoogt, geen sprake is van een bestendige lijn kan al daarom niet worden gevolgd. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat de beslistermijn op de aanvraag pas eindigde op 19 oktober 2018, zodat het op 19 oktober 2018 genomen bestreden besluit aldus bevoegd genomen is. Daarom faalt dit betoog.

* 13 januari 2021 (ABRvS 201904609/1/R1): Awb, Wbb; beschikking ernst en spoed bodemverontreiniging/sanering, vliegbasis, belanghebbende, ontvankelijkheid
3.2.    Gezien het beroepschrift en de gegeven toelichting ter zitting heeft de staatssecretaris het beroep uitsluitend namens zichzelf ingesteld. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de staatssecretaris echter geen belang dat rechtstreeks bij het besluit van 6 mei 2019 is betrokken. Ter zitting heeft het college in dat verband toegelicht dat ervoor is gekozen in het besluit niet aan te wijzen wie voor de sanering verantwoordelijk is, dat op grond van artikel 43 van de Wbb later een saneringsbevel kan worden opgelegd en dat de geadresseerde van een dergelijk bevel in dat geval niet de staatssecretaris, maar de Staat zou zijn. Voor zover er een financieel belang aanwezig is op basis van artikel 10, zevende lid, van de koopovereenkomst, is ter zitting door de staatssecretaris toegelicht dat deze kosten voor rekening van de Staat zullen komen. Naar het oordeel van de Afdeling wordt het belang van de staatssecretaris onder deze omstandigheden in zoverre niet rechtstreeks geraakt door het besluit van 6 mei 2019. Niet is gebleken dat de staatssecretaris anderszins een belang heeft dat rechtstreeks bij dit besluit is betrokken. De conclusie is dat de staatssecretaris geen belanghebbende is bij het bestreden besluit. De uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1733, waarop de staatssecretaris ter zitting heeft gewezen, leidt niet tot een ander oordeel. De Afdeling moet ambtshalve beoordelen of de staatssecretaris belanghebbende is bij een besluit en is niet gebonden aan een in een andere procedure met andere feiten en omstandigheden (impliciet) gegeven oordeel hierover (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:780, ro 3.4). Voor zover de staatssecretaris, onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 12 mei 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO9213, en van 19 augustus 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ5511, stelt dat de Staat en de Staatssecretaris van Defensie in deze procedure moeten worden vereenzelvigd, overweegt de Afdeling dat hiervan alleen sprake is wanneer vaststaat dat de belangen van de één identiek zijn aan de belangen van de ander en daarover voor andere betrokkenen geen enkele onduidelijkheid of onzekerheid kan hebben bestaan. Gelet op wat hiervoor is overwogen, bestaat echter geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris en de Staat in dit geval identieke belangen hebben.

# 13 januari 2021 (ABRvS 201902192/1/R3): Awb, Wro; bpl, geluidverkaveling, sloopregeling
7.3.    In de situatie voorafgaand aan het voorliggende bestemmingsplan was de geluidverdeling op het Zwijndrechtse deel van industrieterrein Groote Lindt/Dordt-West vastgelegd in een zonebeheerplan en een bijbehorend zonebeheermodel. Omdat borging van de geluidruimte in een zonebeheerplan juridisch niet houdbaar is gebleken (zie de reeds aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:237), is de verdeling van de geluidruimte voor het Zwijndrechtse deel met het voorliggende plan vastgelegd. In hoofdstuk 3 van het akoestisch onderzoek “Geluidverkaveling industrieterrein Groote Lindt” van 10 oktober 2018 is vermeld dat voor de geluidverdeling in het bestemmingsplan is uitgegaan van de geluidverdeling zoals deze was opgenomen in het zonebeheerplan en -model uit 2007. Omdat zich sinds 2007 wijzigingen hebben voorgedaan in de feitelijke geluidbelasting van op het bedrijventerrein gevestigde bedrijven, moest het model uit 2007 wel worden aangepast aan de daarvoor verleende milieuvergunningen en meldingen ingevolge het Activiteitenbesluit.

7.4.    De Afdeling overweegt dat het betoog van Stichting Bewonerscomité Lindtwind en [appellant sub 2] dat het plan leidt tot een verhoging van de geluidgrenswaarden op diverse toetspunten in de woonwijk niet juist is. Het voorliggende plan leidt niet tot een toename van geluid ten opzichte van de bestaande geluidruimte, zoals die voortvloeit uit de vastgestelde geluidzone, hogere waarden en MTG’s. Uit het akoestisch rapport blijkt dat de met het plan vastgelegde immissiewaarden op de relevante toetspunten als etmaalwaarde lager zijn of gelijk zijn aan de in het verleden vastgestelde MTG’s, hogere waarden en zonegrenswaarden op die punten. Het deskundigenbericht bevestigt dit. De raad heeft naar aanleiding van de ingestelde beroepen met recht aangegeven dat het weliswaar juist is dat de geluidbelasting in de woonwijk de afgelopen jaren feitelijk is toegenomen, maar dat dit komt door opvulling van op toetspunten nog aanwezige geluidruimte waar die geluidruimte nog niet volledig was opgevuld. De raad wijst er ook op dat de geluidbelasting op de toetspunten een etmaalwaarde is. Volgens de raad kan dit ook met zich brengen dat de geluidruimte in de dagperiode weliswaar was opgevuld, maar dat er nog ruimte was voor meer geluid in de avond- en/of nachtperiode. De Afdeling overweegt dat de Wgh er in voorziet dat nog aanwezige geluidruimte wordt opgevuld. Ook heeft de raad ter zitting verklaard dat de bestaande geluidruimte met het voorliggende plan niet volledig wordt opgevuld, omdat de Wgh nog ruimte laat voor het produceren van meer geluid op de relevante toetspunten. De raad heeft een volledige benutting van die geluidruimte in het voorliggende plan niet bij recht mogelijk willen maken, maar hij heeft daarin willen voorzien met de in de bijlage bij deze uitspraak opgenomen afwijkingsbevoegdheid van artikel 17 van de planregels, waartegen rechtsmiddelen openstaan. In dit artikel zijn ook voorwaarden opgenomen die bij toepassing van die afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen.

Over de cumulatieve geluidbelasting overweegt de Afdeling het volgende. Het plan heeft niet tot gevolg dat wordt voorzien in een groter bedrijventerrein of een intensivering van de bedrijvigheid op het bedrijventerrein ten opzichte van wat reeds mogelijk was op grond van het bestemmingsplan “Groote Lindt” van 4 februari 2014. Zoals hiervoor is overwogen leidt het plan ook niet tot meer geluidruimte voor de bedrijven op het Zwijndrechtse deel van het bedrijventerrein dan al op grond van de bestaande Wgh-grenswaarden mogelijk was. In zoverre zal het cumulatieve geluidniveau niet wijzigen. De Afdeling overweegt dat de raad dus terecht stelt dat hij geen onderzoek naar cumulatie hoefde te verrichten. Voor zover Stichting Bewonerscomité Lindtwind en [appellant sub 2] betogen dat een beoordeling van de binnenwaarden had moeten plaatsvinden, overweegt de Afdeling dat dit ook niet hoefde. Op grond van artikel 111b van de Wgh moet een beoordeling van de binnenwaarde plaatsvinden bij de vaststelling van een hogere waarde vanwege een industrieterrein, maar dat is voor de woningen van appellanten in het verband met het voorliggende plan niet aan de orde. Omdat met het plan geen extra geluidruimte wordt gecreëerd, hoefden ook geen geluidreducerende maatregelen te worden getroffen of onderzoek te worden verricht naar de gevelbelastingen in de situatie voor en na de vaststelling van het plan.

* 12 januari 2021 (CBb 19/1803): Awb, Msw; weigering om gemelde overgang van varkenseenheden te registreren, verwerking en markt voor dierlijke mest
3.1  Appellanten voeren aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat niet is aangetoond dat de als gevolg van de overgang van de varkenseenheden geproduceerde mest buiten de markt voor dierlijke mest wordt gehouden, zoals vereist in artikel 26, zevende lid, van de Msw.

3.2  In de eerste plaats stellen zij daartoe dat de na verwerking resterende mestkorrels niet meer zijn aan te merken als ‘dierlijke mest’ in de zin van dit artikellid. Zij voeren in dit verband aan dat, anders dan verweerder meent, dit begrip niet gelijkgesteld kan worden aan het begrip ‘dierlijke meststoffen’ zoals gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, van de Msw. Door de verwerking tot een hoogwaardig eindproduct heeft de door de varkens op haar bedrijf geproduceerde mest niet langer het karakter van dierlijke mest, aldus appellanten.

3.3  Voorts betogen appellanten dat, voor zover het door appellante 2 geproduceerde eindproduct al als dierlijke mest kan worden aangemerkt, het niet op de markt voor dierlijke mest wordt gebracht. Met de markt voor dierlijke mest wordt in artikel 26, zevende lid, van de Msw de Nederlandse markt bedoeld. Nu de mestkorrels zullen worden geëxporteerd naar het buitenland, blijven zij buiten deze markt en wordt voldaan aan dit artikellid.
6.1  Het College stelt vast dat het in artikel 26, zevende lid, van de Msw gebezigde begrip ‘dierlijke mest’ – anders dan het begrip ‘dierlijke meststoffen’ – in deze wet niet is gedefinieerd. Het begrip ‘dierlijke mest’ wordt ook elders in de wet niet gebezigd. Het College ziet in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 26, zevende lid, van de Msw – dat bij amendement in de wet is opgenomen – geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de opstellers hebben beoogd een ander begrip te introduceren dan het begrip ‘dierlijke meststoffen’. Met name voor de opvatting van appellanten dat in artikel 26, zevende lid, van de Msw uitsluitend wordt gedoeld op (de markt voor) onbewerkte mest ontbreekt enig aanknopingspunt in de wetsgeschiedenis. Nu appellanten voorts niet betwisten dat de verwerking van varkensmest door middel van vergisting en hygiënisering door appellante 2 niet ertoe leidt dat het eindproduct zich in wezen niet meer onderscheidt van kunstmest, is ook dit eindproduct aan te merken als dierlijke mest in de zin van artikel 26, zevende lid, van de Msw. Deze beroepsgrond van appellanten slaagt niet.

6.2  Het College is voorts van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat de markt voor dierlijke mest, zoals bedoeld in artikel 26, zevende lid, van de Msw, niet beperkt is tot Nederland.

6.2.1  In de eerste plaats biedt de tekst van artikel 26, zevende lid, van de Msw, geen aanknopingspunt voor de door appellanten voorgestane beperkte uitleg. Er wordt in artikel 26, zevende lid, van de Msw immers in algemene zin gesproken van ‘de markt’ (voor dierlijke mest) in plaats van ‘de Nederlandse markt’. Anders dan appellanten menen, zou een uitleg waarbij het begrip ‘de markt’ niet slechts tot ‘de Nederlandse markt’ wordt beperkt, voorts niet meebrengen dat aan dit voorschrift extraterritoriale werking toekomt. De daarin vervatte norm richt zich immers uitsluitend tot in Nederland (in een concentratiegebied) gevestigde varkenshouderijen. Het betoog van appellanten, erop neerkomende, dat extraterritoriale werking van wetgeving niet lichtvaardig mag worden aangenomen, kan dan ook niet tot het door hen gewenste gevolg leiden.

6.2.2  Ook de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 26, zevende lid, van de Msw biedt onvoldoende aanknopingspunten voor de door appellanten bepleite uitleg. Appellanten hebben in dit verband gewezen op het zogenoemde tienpuntenplan mestbeleid, opgesteld door de Tweede Kamerfracties van de toenmalige regeringscoalitie, waarin actiepunten voor het mestbeleid zijn uiteengezet en waarnaar wordt verwezen in de toelichting op het amendement dat heeft geleid tot opneming van artikel 26, zevende lid, van de Msw.
……………………….
Uit deze toelichting kan inderdaad worden afgeleid dat de opstellers mede hebben bedoeld het amendement te laten strekken tot uitwerking van het tienpuntenplan. Anders dan appellanten menen, blijkt daaruit echter niet dat is beoogd een versoepeling van de compartimentering tot stand te brengen te maken door het mogelijk te maken dat mestoverschotten die ontstaan als gevolg van de overgang van productierechten, buiten die compartimentering worden gehouden, als deze naar het buitenland worden geëxporteerd. Een specifiek onderdeel van het tienpuntenplan ter uitwerking waarvan het amendement zou dienen, wordt in de toelichting niet genoemd. Gelet op de nadruk die in de toelichting bij het amendement wordt gelegd op de mogelijkheden die mestverwerking biedt als middel tot versoepeling van de compartimentering ligt het veeleer voor de hand dat gedacht moet worden aan punt 4 van het tienpuntenplan. Daarbij is verder van belang dat punt 5 van het tienpuntenplan – waarin appellanten steun zien voor hun opvatting – kennelijk betrekking heeft op de aanpassing van bestaande exportbelemmerende regelgeving. Met het amendement wordt evenwel geen bestaande belemmering van de export van meststoffen weggenomen.

6.2.  Ook de parlementaire behandeling van het amendement en de daaraan voorafgegane motie bieden onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen aannemen dat, in weerwil van de algemene bewoordingen van artikel 26, zevende lid, van de Msw en de hiervoor reeds door verweerder aangehaalde doelstellingen van de (her)invoering van het compartimenteringsregime, een beperkte uitleg van het begrip ‘markt’ is beoogd (Handelingen II 2010-2011, 21 juni 2011, 85, item 4, p. 28-50, en Handelingen II 2010-2011, 13 juli 2011, 92, item 11, p. 22).

* 18 december 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/4507): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, gebouwen/lichtmasten, geen vergunning, herstelbesluit, achtererfgebied, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
10.  Het achtererfgebied is op grond van artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Bor het erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat het achtererfgebied kan worden bepaald door vast te stellen wat de voorgevel van het hoofdgebouw is. Als er discussie ontstaat over de vraag welke gevel de voorgevel is, moet primair worden afgegaan op de ligging van de voorgevelrooilijn zoals die in het bestemmingsplan of de bouwverordening is aangegeven, zoals artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Bor bepaalt. Als ook dan nog twijfel bestaat, zal de feitelijke situatie doorslaggevend zijn voor de vraag waar zich de voorgevel bevindt.1

  1. Niet in geschil is dat het clubhuis het hoofdgebouw vormt, en dat het geldende bestemmingsplan en de bouwverordening geen bepalingen kennen over de voorgevelrooilijn. Er moet dus naar de feitelijke situatie worden gekeken. Die situatie is weergegeven op de hieronder opgenomen luchtfoto van ruimtelijkeplannen.nl, waarop de rechtbank ter verduidelijking van de hierna volgende oordelen gekleurde lijnen heeft aangebracht.
  2. De rechtbank oordeelt dat de zuidoostelijke gevel (de rode lijn) van het clubhuis als de voorkant van het gebouw moet worden aangemerkt. Dat volgt uit de uiterlijke verschijningsvorm van het gebouw en de gerichtheid van deze gevel op de ontsluiting van het terrein naar de weg. De noordoostelijke gevel (de blauwe lijn) is niet de voorkant van het gebouw, ondanks dat de hoofdingang van het clubgebouw in deze gevel ligt. Deze gevel ligt immers het verst van de ingang van het clubterrein aan de parkeerplaats. In tegenstelling tot het standpunt van [eiser] is de zuidwestelijke (de groene lijn) evenmin de voorkant. Hoewel deze gevel nog dichterbij de ontsluiting van het perceel ligt, is het aanzicht van deze gevel niet zodanig dat deze als voorzijde moet worden aangemerkt. Daarbij is van belang dat de toegangsdeur in deze gevel van ondergeschikte aard is en alleen wordt gebruikt voor bevoorrading.
  3. Het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied wordt gevormd door de weg met parkeerplaatsen die het clubgebouw ontsluit. De rechtbank volgt dus niet het standpunt van het college dat het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied het verderop gelegen, daar haaks op staande, gedeelte van de [straat] is. Het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied maakt ter plaatse van het clubgebouw een rechte hoek. De rechtbank heeft het verloop van het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied weergegeven met de paarse lijnen. Uit de toelichting bij de totstandkoming van de bepaling in het Bor volgt dat de lijn van het achtererfgebied evenwijdig met de bocht in de weg ‘meeloopt’.2

14. Uit het voorgaande volgt dat de schuur en containers aan de zuidwestzijde van het clubgebouw in ieder geval in het achtererfgebied liggen. Het college heeft aan de afwijzing van het handhavingsverzoek terecht ten grondslag gelegd dat deze bouwwerken vergunningsvrij zijn en dat hij niet bevoegd is hiertegen handhavend op te treden. De beroepsgrond van [eiser] slaagt niet.