Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 20 januari 2021 (ABRvS 202002719/1/R2): Awb, Wabo; handhaving, toename permanente bewoning recreatieterrein, strijd met bpl, evenredigheid (Rb Gelderland 18/34)
* 20 januari 2021 (ABRvS 202002715/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor tijdelijk afwijkend gebruik, woning als wijkkantoor, procesbelang, ontvankelijkheid (Rb Midden-Nederland 19/2480)
* 20 januari 2021 (ABRvS 202000628/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor gewijzigd gebruik, bedrijfswoning naar plattelandswoning (Rb Noord-Holland 18/5111)
* 20 januari 2021 (ABRvS 202000377/1/R2): Awb, Wro; bpl, bedrijf/bouwvlak, strijd met provinciale verordening
* 20 januari 2021 (ABRvS 202000165/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, bijgebouw met overkapping en schutting, welstand (Rb Oost-Brabant 19/857 E)
* 20 januari 2021 (ABRvS 202000139/1/R1): Awb, Wabo; handhaving, veranderingen t.o.v. vergunning zijn vergunningsvrij, geen bouwstop (Rb Noord-Holland 18/2910 en 18/3267)
* 20 januari 2021 (ABRvS 201909112/1/R2): Awb, Wro; bpl, autobedrijf, functieaanduiding, woningen, bebouwingspercentage
* 20 januari 2021 (ABRvS 201907608/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, woningen, vvgb, behoefte (Rb Zeeland-West-Brabant 18/5738 en 18/5741)
* 20 januari 2021 (ABRvS 201907146/1/R2): Awb, Nbw; verzoek om intrekking vergunning, varkenshouderij, geen passende maatregel, goede procesorde, PAS, intrekkingsgrond (Rb Oost-Brabant 19/899)
* 20 januari 2021 (ABRvS 201907144/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu en natuur, varkenshouderij, samenhang met intrekkingsbesluiten, PAS, vvgb, provinciale verordening, geluid, gezondheid/endotoxine (Rb Oost-Brabant 18/1693, 18/1695 en 18/1712)
* 20 januari 2021 (ABRvS 201907142/1/R2): Awb, Wabo, Nbw; verzoeken om intrekking vergunningen, varkenshouderij, belanghebbende, bevoegdheid, beleidsruimte, Rgv (Rb Oost-Brabant 18/481, 19/504 en 19/505, alsmede)
* 20 januari 2021 (ABRvS 201906766/1/R4): Awb, Ww, Gmw; handhaving, dwangsom/bestuurlijke boete, gebreken in pand, Bouwbesluit, waterdicht, NEN 2778 (Rb Midden-Nederland 18/4775)
* 20 januari 2021 (ABRvS 201906567/1/A3): Awb, Wvw; handhaving, fout parkeren, boa’s, zitting achter gesloten deuren (Rb Oost-Brabant 19/567)
* 20 januari 2021 (ABRvS 201904702/1/R2): Awb, Wro; bpl, bedrijventerrein, ecologische verbindingszone, verkeer, ongeoorloofde staatssteun
* 20 januari 2021 (ABRvS 201904646/1/A2): Awb, Tracéwet; nadeelcompensatie/planschade, geluid, uitzicht, lichthinder, normaal maatschappelijk risico
* 20 januari 2021 (ABRvS 201903372/1/R3): Awb, Wro; reactieve aanwijzing, bpl, functiewijziging/stedelijke ontwikkeling, provinciale verordening
* 20 januari 2021 (ABRvS 201807567/1/R2): Awb, Wro; bpl, buitengebied, bouwwerken, zelf in de zaak voorzien
* 20 januari 2021 (ABRvS 201803867/3/R1): Awb, Wro; bpl, supermarkt, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 20 januari 2021 (ABRvS 201702813/1/R3): Awb, Tracéwet; Tracébesluit, PAS, wijzigingsbesluit, NRM 2017, ontvankelijkheid, procedure, nut en noodzaak, alternatieven, MER, Natuur, gebieds- en soortenbescherming, Natura 2000-geiden/stikstofdepositie, water, geluid, gezondheid, EVRM, tussenuitspraak
* 19 januari 2021 (Rb Den Haag SGR 18/3608): Awb, Wro; planschade, ontvankelijkheid
* 19 januari 2021 (ABRvS 202006452/2/R4): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning milieu, mestverwerkingsinstallatie, opslagcapaciteit, geur/beleidsregels
* 19 januari 2021 (CBb 19/837, 19/1190, 19/1274, 19/86, 19/902, 19/1241,en 19/1203): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, EP/geen sprake van individuele en buitensporige last, knelgevallenregeling, voorzienbaarheid, bevoegdheid, EVRM
* 19 januari 2021 (CBb 19/1504, 18/2077, 19/209, 19/1443, 19/1425, 18/2995, 19/1573 en 18/186, 18/187, 18/188 en 18/1900): Awb, Lbw; heffing/bonus, fosfaatreductieplan, geen strijd EP/geen individuele buitensporige last, referentieaantal, voorzienbaarheid, knelgevallenregeling, hardheidsclausule, redelijke termijn
* 18 januari 2021 (ABRvS 202006481/2/R1): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, staken gebruik woning als logiesvoorziening, strijd met bpl, bewijslast, betaling (Rb Amsterdam 19/4304)
* 15 januari 2021 (Rb Overijssel AWB 19/1474, AWB 19/1473, AWB 19/1582 en AWB 19/1583): Awb, Msw; handhaving, bestuurlijke boete, mesttransporten
* 15 januari 2021 (ABRvS 202006219/2/R4): Awb, Wro; vovo, bpl, bouwmarkt, gebruikswijziging, geen spoedeisend belang
* 15 januari 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 19/5231): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, appartementencomplex met parkeergarage, welstand, parkeren/ontheffing
* 15 januari 2021 (Rb Limburg   AWB 20/2993 en AWB 20/3014, AWB 20/2994 en AWB 20/3056): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor afwijken van bpl, herinrichten van agrarische percelen naar bos en natuur, vvgb, belanghebbende, bosaanplant
* 14 januari 2021 (EH C-744/19): Niet-nakoming, basisnormen voor de bescherming van de gezondheid tegen de gevaren van blootstelling aan ioniserende straling, niet-omzetting binnen de gestelde termijn, Italië
* 14 januari 2021 (EH C-286/18): Prejudiciële verwijzing, Verdrag van Aarhus, toegang  tot de rechter, geen toegang tot de rechter voor ander publiek dan het betrokken publiek, ontvankelijkheid van een beroep, afhankelijk gesteld van voorafgaande deelname aan het besluitvormingsproces, Nederland, Awb
* 14 januari 2021 (ABRvS 202002672/2/R2): Awb, Wro; vovo, uitwerkingsplan, woningen, autoshowroom en garagebedrijf, geen spoedeisend belang
* 14 januari 2021 (Rb Overijssel ZWO 20/2467): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting bedrijfspand, drugslab
* 13 januari 2021 (EH T-873/19): Arrest, gefluoreerde broeikasgassen, elektronisch quotaregister, annulering van de registratie van onderneming, verzuim om vereiste informatie te verstrekken
* 13 januari 2021 (ABRvS 202006952/2/A3): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, Damoclesbeleid (Rb Limburg 20/2853 en 20/2851)
* 13 januari 2021 (Rb Amsterdam AMS 20/6522 tot en met AMS 20/6546  en AMS20/6463 tot en met AMS 20/6478): Awb, Wbr; vovo, vergunningen, laadpalen bij tankstations, alternatieve werkwijze
* 11 januari 2021 (Rb Limburg AWB 19/3106): Awb; invordering dwangsommen, verwijderen overkapping, bevoegdheid verjaard
* 8 januari 2021 (Rb Zeeland-Wets-Brabant BRE 19/6597 WET en BRE 20/325 WET): Awb, Wro; planschade, normaal maatschappelijk risico
* 8 januari 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/4881 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor samenvoegen panden, kamerbewoning, strijd met beheersverordening, beleidsregels
* 7 januari 2021 (CBb 19/1281): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, mondelinge uitspraak na eerder gegrond verklaard verzet
* 7 januari 2021 (Rb Rotterdam ROT 18/4908): Awb, Ww, Wm, Gmw; handhaving, last onder bestuursdwang, niet verwijderen van asbestresten ten gevolge van brand
* 6 januari 2021 (Rb Rotterdam C/10/589069 / HA ZA 20-5): BW; onrechtmatige geluidhinder, schadevergoeding, bedrijf/woning, laagfrequent en tonaal geluid, Activiteitenbesluit
* 5 januari 2021 (Rb Den Haag SGR 19/374): Awb, Wnb; ontheffing, doden vossen, bescherming weidevogels, faunabeheerplan, noodzakelijkheid, motivering
* 5 januari 2021 (Rb Den Haag SGR 19/1509): Awb, Wnb; ontheffing, doden van konijnen, noodzakelijkheid, motivering
#! 5 januari 2020 (Rb Den Haag SGR 19/4665 en SGR 19/4671): Awb, Wnb; goedkeuring faunabeheerplan, bestrijding knobbelzwaan, belanghebbende, verordening, schade gewassen, provinciale vrijstelling, bewijslast, noodzakelijkheid, motivering, verstoring kleine zwaan, preventieve maatregelen/escalatieladder
* 31 december 2020 (Rb Noord-Holland HAA 20/521): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, tiny houses, strijd met bpl, kruimelgeval, tijdelijkheid, geluidzone, geen goed woon- en leefklimaat
* 31 december 2020 (Hof Den Bosch 19/00647): Awb, AWR; leges, omgevingsvergunning, eerdere aanvraag, vertrouwensbeginsel
* 24 december 2020 (Rb Amsterdam 81/240436-20): WSr, WED, Wm; handel in professioneel vuurwerk, Vuurwerkbesluit
# 22 december 2020 (CBb 18/2891): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, beslissing tot heropening, benoeming STAB als deskundige, Pw- en PAL-waarde
* 4 december 2020 (Rb Limburg ROE 20/267): Awb, Opiumwet, Gmw; handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid
* 24 september 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/3897): Awb, Wvw; handhaving, plaatsing paal, geen verkeersbesluit genomen
* 11 maart 2020 (Rb Noord-Holland HAA 18/4824): Awb, Wnb; ontheffing, woningbouw, compensatie natuurwaarden

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 20 januari 2021 (ABRvS 201907146/1/R2): Awb, Nbw; verzoek om intrekking vergunning, varkenshouderij, geen passende maatregel, goede procesorde, PAS, intrekkingsgrond (Rb Oost-Brabant 19/899)
De Afdeling bestuursrechtspraak gaat in de uitspraak van vandaag uitgebreid in op de omstandigheden die een rol spelen bij een verzoek om intrekking van een natuurvergunning. Het gaat dan specifiek over een situatie waarbij de natuurwaarden in het Natura 2000-gebied in de omgeving achteruit (dreigen te) gaan en de vergunde activiteit invloed heeft op die natuurwaarden.

  • Als de natuurwaarden achteruit dreigen te gaan, dan moeten het provinciebestuur maatregelen treffen om die achteruitgang te voorkomen.
  • Intrekking van de natuurvergunning kan dan zo’n maatregel zijn, maar het is aan het provinciebestuur om hier al dan niet voor te kiezen. Het provinciebestuur mag ook andere maatregelen treffen. Alleen als intrekken van de natuurvergunning de enige maatregel is om de verslechtering van de natuur te voorkomen, moet het provinciebestuur de vergunning intrekken.
  • Als het provinciebestuur ervoor kiest om andere maatregelen te treffen om de achteruitgang van de natuurwaarden tegen te gaan, bijvoorbeeld in de vorm van een pakket of programma, dan zal het die keuze goed moeten onderbouwen. Namelijk door ‘uit te leggen welke andere maatregelen zijn of zullen worden getroffen, binnen welk tijdpad de maatregelen worden uitgevoerd en wanneer verwacht wordt dat deze effectief zijn’.

Dit alles heeft voor de natuurvergunning voor deze veehouderij geen gevolgen. Die vergunning is verleend op basis van ‘intern salderen’, waarbij er geen significante gevolgen zijn voor het Natura 2000-gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen. Door een wijziging van de Wet natuurbescherming is voor zulke gevallen geen vergunning meer nodig. Het provinciebestuur kan hierdoor schade aan de natuurwaarden niet meer voorkomen met een intrekking van de vergunning. De Afdeling bestuursrechtspraak laat het besluit van het provinciebestuur daarom in stand.

* 20 januari 2021 (ABRvS 201906766/1/R4): Awb, Ww, Gmw; handhaving, dwangsom/bestuurlijke boete, gebreken in pand, Bouwbesluit, waterdicht, NEN 2778 (Rb Midden-Nederland 18/4775)
4.2.    De eis van artikel 3.25, eerste lid, van het Bouwbesluit dat de vorming van allergenen door vocht in verblijfsruimten, toiletruimten en badruimten voldoende wordt beperkt, is voor een geval als dit nader uitgewerkt in artikel 3.26. Uit de artikelen 3.25 en 3.26 van het Bouwbesluit volgt dat wanneer de uitwendige scheidingsconstructie waterdicht is, bepaald volgens NEN 2778, in elk geval wordt voldaan aan de eis van artikel 3.25, eerste lid, van het Bouwbesluit. Dit betekent dat niet kan worden vastgesteld dat er een overtreding van artikel 3.25, eerste lid, van het Bouwbesluit heeft plaatsgevonden, voordat is vastgesteld of de scheidingsconstructie waterdicht is, bepaald volgens NEN 2778. Het is dus, anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, niet voldoende om vast te stellen dat een dakpan ontbreekt. Niet in geschil is dat het college niet aan de hand van NEN 2778 heeft bepaald of door het ontbreken van een dakpan de uitwendige scheidingsconstructie waterdicht is. Het systeem van de artikelen 3.25 en 3.26 van het Bouwbesluit sluit weliswaar op zichzelf niet uit dat in het geval toepassing van artikel 3.26 praktisch niet uitvoerbaar is, aan de hand van een andere bepalingsmethode wordt bepaald of een bestaand bouwwerk voldoet aan artikel 3.25. Uit die andere bepalingsmethode moet dan wel onmiskenbaar volgen dat niet aan artikel 3.25 is voldaan (vergelijk 5.1 van de uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:817). Het college heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat toepassing van artikel 3.26 in dit geval praktisch niet uitvoerbaar is. Bovendien volgt uit de enkele visuele waarneming dat ergens een dakpan ontbreekt niet onmiskenbaar dat niet aan artikel 3.25 wordt voldaan. Dit geldt temeer, aangezien tussen partijen niet in geschil is dat er verschillende controles zijn geweest en dat tijdens geen enkele controle een lekkage is vastgesteld. Gelet hierop heeft het college zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat [appellant] artikel 3.25, gelezen in samenhang met artikel 3.26, van het Bouwbesluit heeft overtreden. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Indien het college van oordeel is dat de regeling van het Bouwbesluit niet goed aansluit bij de praktijk, zal het zich tot de wetgever moeten richten.

* 20 januari 2021 (ABRvS 201906567/1/A3): Awb, Wvw; handhaving, fout parkeren, boa’s, zitting achter gesloten deuren (Rb Oost-Brabant 19/567)
2.       Ter zitting heeft [appellante] de Afdeling verzocht om de behandeling ter zitting met gesloten deuren te laten plaatsvinden.

2.1.    Artikel 8:62, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt: “De zitting is openbaar.”

Het tweede lid, aanhef en onder c, luidt: “De bestuursrechter kan bepalen dat het onderzoek ter zitting geheel of gedeeltelijk zal plaatshebben met gesloten deuren indien de belangen van minderjarigen of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eisen.”

2.2.    Voor een behandeling met gesloten deuren is een situatie vereist waarin de persoonlijke levenssfeer van een of meer partijen bijzondere bescherming verdient. In deze zaak gaat het om vermeend fout parkeren in de woonwijk van [appellante] en een verzoek van [appellante] om daartegen op te treden. In deze zaak zijn behalve het woonadres geen verdere persoonlijke gegevens van [appellante] aan de orde. De enkele niet geconcretiseerde en onderbouwde stelling van [appellante] dat zij repercussies vreest als haar naam en adresgegevens openbaar worden als gevolg van het feit dat de ter zitting aanwezige pers over de zaak zal schrijven, geeft geen grond voor het oordeel dat haar persoonlijke levenssfeer bijzondere bescherming verdient. Gelet hierop wordt het verzoek afgewezen.

* 20 januari 2021 (ABRvS 201702813/1/R3): Awb, Tracéwet; Tracébesluit, PAS, wijzigingsbesluit, NRM 2017, ontvankelijkheid, procedure, nut en noodzaak, alternatieven, MER, Natuur, gebieds- en soortenbescherming, Natura 2000-geiden/stikstofdepositie, water, geluid, gezondheid, EVRM, tussenuitspraak
Het Tracébesluit maakt het mogelijk de A15 door te trekken en aan te sluiten op de A12. De beide snelwegen worden ook verbreed. De minister wil hiermee de files op de bestaande wegen in de regio Arnhem-Nijmegen aanpakken en de bereikbaarheid, verkeersveiligheid en de doorstroming van het verkeer verbeteren. Tegen het Tracébesluit zijn 44 beroepschriften ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Het merendeel van de bezwaarmakers zijn bewoners en bedrijven die in de buurt van de snelwegen wonen of gevestigd zijn.

Bij het berekenen van de stikstofuitstoot op beschermde natuurgebieden heeft de minister gebruikgemaakt van het rekenmodel SRM2 in de AERIUS Calculator. De AERIUS Calculator is het programma dat overheden gebruiken bij onder meer tracébesluiten. Het SRM2-rekenmodel in dit programma gaat uit van een zogenoemde afkap voor verkeer. Hierbij wordt stikstofuitstoot van verkeer dat terechtkomt op meer dan 5 kilometer afstand van de weg niet meegenomen in de berekeningen. Dit wijkt af van de berekeningen die de AERIUS Calculator maakt voor andere bronnen van stikstofuitstoot zoals veehouderijen of scheepvaart. Daarbij wordt zo’n afkap niet gebruikt en kan op veel grotere afstanden worden berekend waar stikstof terechtkomt. Naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak heeft de minister geen goede verklaring gegeven voor dit verschil.

Daarom heeft de minister niet goed genoeg gemotiveerd dat uit de berekeningen die met dit SRM2-model zijn gemaakt volledig, precies en definitief kan worden geconcludeerd dat het Tracébesluit geen nadelige gevolgen heeft voor omliggende Natura 2000-gebieden. Europese natuurwetgeving vereist wel die mate van volledigheid en duidelijkheid.

Het is in dit geval vooral onduidelijk of de berekeningen wel volledig zijn. Een deel van het tracé en omliggende wegen waarop naar verwachting meer verkeer gaat rijden, ligt buiten de 5-kilometergrens. De invloed van dat verkeer op de hoeveelheid stikstof die neerkomt in natuurgebieden is door de afkap buiten beschouwing gebleven. Verder is onduidelijk hoe groot die invloed is. Op dit punt moet de minister haar besluit dus beter motiveren of aanpassen. Voor twee bezwaarmakers, waaronder de Gelderse Natuur en Milieufederatie, die op dit onderdeel bezwaren hadden aangevoerd heeft de Afdeling bestuursrechtspraak een tussenuitspraak gedaan. Als de minister een nieuw besluit heeft genomen, zal de Afdeling bestuursrechtspraak een einduitspraak doen over het Tracébesluit.

Tegen het Tracébesluit werden naast bezwaren over de stikstofuitstoot, ook veel andere bezwaren aangevoerd. Het gaat dan bijvoorbeeld om bezwaren over geluid, flora en fauna en luchtkwaliteit, maar ook over aspecten zoals alternatieven voor het doortrekken van de A15 en de vrees dat het Tracébesluit het woongenot van bezwaarmakers zal aantasten. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft in de uitspraak van 200 pagina’s nagenoeg al deze bezwaren ongegrond verklaard.

* 14 januari 2021 (EH C-286/18): Prejudiciële verwijzing, Verdrag van Aarhus, toegang  tot de rechter, geen toegang tot de rechter voor ander publiek dan het betrokken publiek, ontvankelijkheid van een beroep, afhankelijk gesteld van voorafgaande deelname aan het besluitvormingsproces, Nederland, Awb
30      Daarop heeft de rechtbank Limburg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

” 1)      Moet het Europese recht en in het bijzonder artikel 9, tweede lid, van het Verdrag van Aarhus zo worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat het recht op toegang tot de rechter voor het publiek (public) (eenieder), voor zover dit niet het betrokken publiek (public concerned) (belanghebbenden) is, in volle omvang wordt uitgesloten?

Als vraag 1 bevestigend wordt beantwoord:

2)      Moet het Europese recht en in het bijzonder artikel 9, tweede lid, van het Verdrag van Aarhus zo worden uitgelegd dat hieruit voortvloeit dat het publiek (public) (eenieder) bij gestelde schending van voor dit publiek geldende procedurele vereisten en inspraakrechten, zoals opgenomen in artikel 6 van dit verdrag, toegang tot de rechter dient te hebben?

Is daarbij van belang dat het betrokken publiek (public concerned) (belanghebbenden) op dit punt toegang tot de rechter heeft en daarnaast ook materiële klachten bij de rechter naar voren kan brengen?

3)      Moet het Europese recht en in het bijzonder artikel 9, tweede lid, van het Verdrag van Aarhus zo worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de toegang tot de rechter voor het betrokken publiek (public concerned) (belanghebbenden) afhankelijk wordt gesteld van het gebruikmaken van inspraak in de zin van artikel 6 van dit verdrag?

Als vraag 3 ontkennend wordt beantwoord:

4)      Moet het Europese recht en in het bijzonder artikel 9, tweede lid, van het Verdrag van Aarhus zo worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationaalrechtelijke bepaling, die de toegang tot de rechter tegen een besluit uitsluit voor het betrokken publiek (public concerned) (belanghebbenden) aan wie redelijkerwijs verweten kan worden geen zienswijzen tegen (onderdelen van) het ontwerpbesluit naar voren te hebben gebracht?

Als vraag 4 ontkennend wordt beantwoord:

5)      Is het volledig aan de nationale rechter om op basis van de omstandigheden van het geval een oordeel te geven over wat moet worden verstaan onder ‚aan wie redelijkerwijs kan worden verweten’ of is de rechter gehouden daarbij bepaalde Europeesrechtelijke waarborgen in acht te nemen?

6)      In hoeverre is de beantwoording van de vragen 3, 4 en 5 anders als het gaat om het publiek (public) (eenieder), voor zover dit niet het betrokken publiek (public concerned) (belanghebbenden) is? ”
52      Gelet op voorgaande overwegingen moet op de eerste en de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 9, lid 2, van het Verdrag van Aarhus aldus moet worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat de leden van het in artikel 2, punt 4, van dit verdrag bedoelde „publiek” als zodanig geen toegang tot de rechter hebben om op te komen tegen een besluit dat binnen de werkingssfeer van artikel 6 van dat verdrag valt. Daarentegen verzet artikel 9, lid 3, van dat verdrag zich er wel tegen dat deze personen geen toegang tot de rechter kunnen hebben om zich te beroepen op ruimere rechten op inspraak in het besluitvormingsproces die alleen door het nationale milieurecht van een lidstaat worden verleend.
69      Gelet op het voorgaande moet op de derde tot en met de zesde vraag worden geantwoord dat artikel 9, lid 2, van het Verdrag van Aarhus aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de ontvankelijkheid van het daarin bedoelde beroep in rechte, dat wordt ingesteld door niet-gouvernementele organisaties die deel uitmaken van het in artikel 2, punt 5, van dat verdrag bedoelde „betrokken publiek”, afhankelijk wordt gesteld van hun deelname aan de voorbereidingsprocedure voor het bestreden besluit, ook al is deze voorwaarde niet van toepassing wanneer hun redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij daar niet aan hebben deelgenomen. Daarentegen verzet artikel 9, lid 3, van dat verdrag zich er niet tegen dat de ontvankelijkheid van een daarin bedoeld beroep in rechte afhankelijk wordt gesteld van de deelname van de verzoeker aan de voorbereidingsprocedure voor het bestreden besluit, tenzij hem, gelet op de omstandigheden van de zaak, redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij hier niet aan heeft deelgenomen.

#! 5 januari 2020 (Rb Den Haag SGR 19/4665 en SGR 19/4671): Awb, Wnb; goedkeuring faunabeheerplan, bestrijding knobbelzwaan, belanghebbende, verordening, schade gewassen, provinciale vrijstelling, bewijslast, noodzakelijkheid, motivering, verstoring kleine zwaan, preventieve maatregelen/escalatieladder
4.1   Voor zover verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat tegen het besluit tot goedkeuring van het faunabeheerplan geen rechtsmiddelen openstaan, volgt de rechtbank dit niet. In navolging van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:875, overweegt de rechtbank dat de bestrijding van schadeveroorzakende dieren slechts kan plaatsvinden voor zover deze een basis vindt in een goedgekeurd faunabeheerplan. Een goedgekeurd faunabeheerplan is daarmee een voorwaarde voor het gebruik kunnen maken van de vigerende provinciale vrijstelling voor schadebestrijding. Het goedkeuringsbesluit wijzigt in zoverre de rechtspositie van belanghebbenden en heeft dan ook rechtsgevolg. Dit rechtsgevolg is zelfstandig en niet slechts procedureel, omdat geen nader besluit nodig is om van de vrijstelling gebruik te mogen maken. Daarom is het goedkeuringsbesluit een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb dat vatbaar is voor bezwaar en beroep. Dit betekent dat eiseressen ontvankelijk zijn in hun beroepen tegen de bestreden besluiten.
4.3   Ten aanzien van het verzoek van de Natuur en Milieufederatie Zuid Holland en andere organisaties om hen in de onderhavige beroepsprocedure als derde-belanghebbende aan te merken, overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 8:26 van de Awb geeft de rechtbank de bevoegdheid om tot de sluiting van het onderzoek ter zitting belanghebbenden in de gelegenheid te stellen als partij aan het geding deel te nemen. Tot het geding kan onder meer worden toegelaten de derde wiens belang tegengesteld is aan dat van degene die in beroep komt en die door toewijzing van het beroep in een nadeliger positie zou komen te verkeren. In het onderhavige geval heeft de Natuur en Milieufederatie Zuid Holland (e.a.) echter een parallel belang aan dat van eiseressen. Vanwege dit parallelle belang staat artikel 8:26 in samenhang met artikel 1:2 van de Awb er aan in de weg dat de Natuur en Milieufederatie Zuid Holland als derde-belanghebbende in deze beroepsprocedure wordt toegelaten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 8:26 van de Awb (Kamerstukken II, 1991/92, 22 495, nr. 3, p. 117/118) en vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 december 2010, nr. 201004728/1/H3) volgt dat een partij die verwijtbaar geen bezwaar heeft gemaakt tegen een besluit, in de regel niet kan worden toegelaten tot een lopende beroepsprocedure tegen dat besluit. In de onder rechtsoverweging 4.6 genoemde uitspraak van 13 februari 2020 is vastgesteld dat de Natuur en Milieufederatie Zuid Holland ten tijde van het primaire besluit al reden had om bezwaar te maken, maar heeft nagelaten dit te doen. Gelet hierop kan zij ook op grond hiervan niet als derde-partij tot dit geding worden toegelaten.
10.3   De rechtbank stelt vooreerst vast dat het faunabeheerplan alleen beheermaatregelen bevat ten aanzien van de knobbelzwaan en niet ten aanzien van de kleine zwaan. In beginsel kan aan gevolgen voor andere diersoorten zoals de kleine zwaan dan ook niet worden toegekomen. Dit wordt evenwel anders, indien de wijze waarop de zwanensoorten voorkomen, zou maken dat de beheermaatregelen jegens de knobbelzwaan eveneens de kleine zwaan zullen treffen. Daarvan kan sprake zijn, indien zij leven in gemengde groepen. In dat kader is van belang dat de kleine zwaan een strikt te beschermen diersoort is, die voorkomt op bijlage II bij het Verdrag van Bern. Op grond van artikel 3.5 van de Wnb is in een dergelijk geval het opzettelijk doden, vangen of verstoren van de diersoort verboden. Daarnaast wordt de kleine zwaan beschermd op grond van de Vogelrichtlijn en artikel 3.1 van de Wnb.

10.6   Uit het vorenstaande volgt dat afschot van knobbelzwanen, zoals toegestaan op grond van het goedgekeurde faunabeheerplan, kan leiden tot het verstoren van of zelfs tot afschot van kleine zwanen, hetgeen op grond van artikel 3.5, eerste en tweede lid, van de Wnb verboden is. Hierbij is van belang dat de staat van instandhouding van de kleine zwaan blijkens de website van Sovon zeer ongunstig is. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Beleidsregel uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland onthoudt verweerder goedkeuring aan het faunabeheerplan, indien het niet voldoet aan het bij de wet en de verordening bepaalde. Nu uitvoering van het faunabeheerplan kan leiden tot overtreding van een wettelijk voorschrift is de rechtbank van oordeel dat het besluit om dit plan goed te keuren onvoldoende is gemotiveerd en op onvoldoende zorgvuldig onderzoek berust.

* 31 december 2020 (Rb Noord-Holland HAA 20/521): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, tiny houses, strijd met bpl, kruimelgeval, tijdelijkheid, geluidzone, geen goed woon- en leefklimaat
8.2   De rechtbank vermag voorts, anders dan eiseres, niet in te zien dat het bestemmingsplan niet geldig zou zijn voor zover voor het perceel is bepaald dat het een geluidszone – industrie betreft waarvoor nog andere bouwbeperkingen gelden. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen is een hulpmiddel voor het opstellen van bestemmingsplannen, maar geen algemeen verbindend voorschrift dat de door eiseres gewraakte formulering kan verbieden. Dat in een bestemmingsplan regels worden opgenomen om bepaalde bestemmingen en bepaald gebruik te waarborgen is juist in overeenstemming met het doel van het opstellen van bestemmingsplannen. Onder meer in artikel 41 van de Wet geluidshinder, genoemd in het bestemmingsplan, wordt juist aan de vaststelling van geluidszones in een bestemmingsplan gerefereerd. Dit wijst er op dat regels met betrekking tot dergelijke zones in een bestemmingsplan niet misstaan. Aangezien dus sprake is van geldige regels in verband met de geluidszone waarin nieuwbouw wordt verboden, en eiseres niet heeft weerlegd dat de bouw van de tiny houses daarmee niet in overeenstemming is, is het bouwplan ook op dit punt in strijd met het bestemmingsplan. Uit artikel 39.2.2 volgt immers duidelijk en ondubbelzinnig dat op het perceel, waar geen woning staat en dus van vervanging geen sprake is, geen nieuwe woning mag worden gebouwd, aangezien een woning – zo is niet in geschil – een geluidsgevoelig gebouw is. De stelling van eiseres dat dit niet zo bedoeld kan zijn, volgt de rechtbank daarom niet.