Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 27 januari 2021 (ABRvS 202004073/1/A3): Awb, Wob; verzoeken om informatie, PAS-meldingen, milieu-informatie, belangenafweging, geheimhouding, schade (Rb Noord-Nederland 20/300 en 20/301)
* 27 januari 2021 (ABRvS 202002499/1/A3): Awb, Opiumwet; handhaving, sluiting woning, hennepplantage, bevoegdheid (Rb Limburg 19/1705)
* 27 januari 2021 (ABRvS 202002273/1/A3): Awb, Hvw; omzettingsvergunning, kamerverhuur, overdraagbaarheid/tenaamstelling/rechtsfiguur (Rb Rotterdam  18/6148)
* 27 januari 2021 (ABRvS 202001509/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, tuinkamer, Bor/oppervlakte, strijd met bpl (Rb Zeeland-West-Brabant 19/195)
* 27 januari 2021 (ABRvS 202001126/1/R1): Awb, Wro; bpl. Buitengebied, bedrijventerrein, aanpassing, Ladder/Bro/behoefte, stikstof/Natura 2000/relativiteit
* 27 januari 2021 (ABRvS 202000801/1/R4): Awb, Wm, Gmw; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, onjuist aanbieden afval, overtreder, ontvankelijkheid
* 27 januari 2021 (ABRvS 202000059/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, trap/dakopbouw met terras en zonnepanelen/wijzigen zijgevel, procesbelang, peil, welstand (Rb Amsterdam 19/268)
* 27 januari 2021 (ABRvS 201909291/1/R4): Awb, Wro; bpl, buitengebied, loonwerkbedrijf, buitenopslag/oppervlak
* 27 januari 2021 (ABRvS 201908583/1/R4): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, (bedreiging van) dwangsom, staken bewoning bouwwerk, strijd met bpl (Rb Gelderland 19/746)
* 27 januari 2021 (ABRvS 201908214/1/R1): Awb, Wm; aanwijzing locatie afvalsorteerstraatje, afvalstoffenverordening, verlies parkeerplaatsen, verkeersveiligheid, alternatieve locatie
* 27 januari 2021 (ABRvS 201907460/1/R3): Awb; handhaving, dempen sloot, Keur, gemeente niet bevoegd, struiken/herhaald verzoek (Rb Rotterdam 18/2960)
* 27 januari 2021 (ABRvS 201907450/1/R3): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, strijdig gebruik perceel, cateringbedrijf (Rb Den Haag 18/1414)
* 27 januari 2021 (ABRvS 201906971/1/R1 en 201906973/1/R1): Awb, Wabo, Gmw; omgevingsvergunning voor afwijken gebruik/handhaving/dwangsom, bewoning in strijd met bpl, overgangsrecht (Rb Noord-Holland 19/1632 en 19/1634)
* 27 januari 2021 (ABRvS 201906700/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor kappen bomen, APV, strijd met bpl/onlosmakelijkheid, aanvraag te beperkt (Rb Den Haag 19/3584 en 19/4390)
* 27 januari 2021 (ABRvS 201906605/1/R1): Awb, Wro, Wabo; bpl/omgevingsvergunning voor bouwen, torn met appartementen en parkeergarage, herstelbesluit, parkeren, verkeer
* 27 januari 2021 (ABRvS 201906461/1/R3): Awb, Ww, Gmw; handhaving, bestuursdwang, gebruik woning, gevaar voor omgeving, vluchtroutes ontdoen van obstakels en keuring en alsmede hoeveelheid elektrische apparaten (Rb Noord-Nederland 19/1182)
* 27 januari 2021 (ABRvS 201904440/1/R4): Awb, Ww, Gmw; handhaving, dwangsom , gebreken in pand/kamerverhuur, brandveiligheid, Bouwbesluit, brandblusmiddelen, vluchtroute, rookmelders, NEN-normen (Rb Midden-Nederland 18/2694 en 18/3257)
* 27 januari 2021 (ABRvS 201903862/1/R3): Awb, Wro; niet vaststellen bpl, recreatiewoningen, beleidsstukken, belangenafweging, (nadere) motivering
* 27 januari 2021 (ABRvS 201903828/1/R2): Awb, Wnb; vergunning, veehouderij, ongewijzigde voortzetting van een activiteit of wijziging, Habitatrichtlijn, referentiesituatie. Standstill (Rb Limburg 18/165)
* 27 januari 2021 (ABRvS 201903771/1/R4): Awb, Wabo; handhaving, gebruik perceel, tuincentrum/verkoop aan hoveniers, belanghebbende, bpl, ondergeschikte activiteiten (Rb Gelderland 16/7045)
* 27 januari 2021 (ABRvS 201903087/2/R3): Awb, Wro; bpl, doortrekken weg, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 27 januari 2021 (ABRvS 201900720/1/R4): Awb, Kew; ambtshalve aanpassing vergunning, kerncentrale, safety Reference Levels (RLs)/Bbs/Rnvk, m.e.r.-plicht
* 27 januari 2021 (ABRvS 201810211/1/R3 en 201810212/1/R3): Awb. Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, bijgebouw meubelmakerij, Bor/categorie/vvgb, wijziging aanvraag, geluid/VNG-brochure/akoestisch onderzoek (Rb Rotterdam 17/5667 en 17/5770)
* 26 januari 2021 (ABRvS 202006648/2/R4): Awb, Wro; vovo, bpl, LPG-tankstation, verplaatsing
* 26 januari 2021 (CBb 19/806, 19/986, 19/808, 19/884, 19/805, 19/1331, 19/1329, 19/1318, 19/1343, 19/1354, 19/1326, 19/335, 19/829, 19/376, 19/340 en 19/341, 19/336, 19/337 en 19/453): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, EP/geen sprake van individuele en buitensporige last, knelgevallenregeling, voorzienbaarheid, bevoegdheid, EVRM, Nitraatrichtlijn, faillissement, starter
* 26 januari 2021 (CBb 19/1502, 18/1572, 19/1483, 18/1338 en 19/1511): Awb, Lbw; heffing/bonus, fosfaatreductieplan, geen strijd EP/geen individuele buitensporige last, referentieaantal, voorzienbaarheid, knelgevallenregeling, hardheidsclausule, redelijke termijn
* 26 januari 2021 (CBb 19/623): Awb, Wtw; ontheffing, onbepaalde tijd/tijdelijke periode, winkeltijdenverordening, Dienstrichtlijn
* 25 januari 2021 (Rb Gelderland AWB 20/5803 en 20/5804): Awb, Gmw; vovo en kortsluiten, handhaving, verwijderen pannaveld, geluidsoverlast, proportionele maatregel
* 25 januari 2021(Rb Overijssel AWB 19/2451); Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, zonneweide, belanghebbende, ontvankelijkheid
* 25 januari 2021 (Rb Overijssel AWB 20/567): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, bed- en breakfast in bijgebouw bij woning, parkeren, ruimtelijke onderbouwing
* 22 januari 2021 (ABRvS 202006081/1/R4 en /2/R4): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsom, schuur geen vergunning, strijd met bpl (Rb Midden-Nederland 20/2775 en 20/3012)
* 22 januari 2021 (Rb Amsterdam AMS 19/2433): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en wijzigen van beschermd monument, gevelreclame, welstand, kleurzetting
* 21 januari 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 20/710 en 20/733): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, commerciële ruimtes en appartementen/ wijzigen voorschrift, parkeren, exploitatiebijdrage
* 21 januari 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 20/2334 en UTR 20/3898): Awb, Wnb; wijzigen voorschrift vergunning, garnalenvisserij, visserijdruk/visuren
* 21 januari 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 20/4554): Awb, Gmw; vovo, handhaving, nachtsluiting tankstation, overlast, APV, hangjeugd/lachgas/muziek, bevoegdheid, onderzoek maatregelen
* 20 januari 2021(Rb Noord-Nederland LEE 18/3704): Awb, AWR; rioolheffing, verordening, opbrengstlimiet, toerekening overhead
* 20 januari 2021 (ABRvS 202004610/1/R2 en /2/R2): Awb, Wro; bpl, woningen, ontsluitingsweg, verkeer, beschermd dorpsgezicht, m.e.r.-beoordeling, VNG-brochure
* 20 januari 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 20/1361): Awb, Wnb; wijziging tenaamstelling vergunning, gebruiksrecht geëindigd, ontvankelijkheid
* 20 januari 2021 (EH C-619/19): Prejudiciële verwijzing, Aarhus, toegang van het publiek tot milieu-informatie, afwijzing, begrip ‘interne mededelingen’, beperking in de tijd
* 20 januari 2021 (Hof Den Bosch 20-002440-17): WSr, Ffw, WED; opstellen van reeënstrikken, voorhanden hebben van (dode) dieren behorende tot beschermde inheemse diersoorten, Wnb/Regeling Natuurbescherming
* 20 januari 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 20/1763): Awb; schadevergoeding, mijnbouwactiviteiten in het Groningenveld, verhuiskosten
* 20 januari 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 20/2087): Awb; schadevergoeding, mijnbouwactiviteiten in het Groningenveld, trillingen, bodemgesteldheid, verweking, deskundigenonderzoek, bewijsvermoeden
* 19 januari 2021 (Hof Arnhem-Leeuwarden 19/00632): Awb, AWR; zuiveringsheffing, NEN-normen, inzage bibliotheek NNI, kenbaarheidsvereiste
* 15 januari 2021 (Rb Overijssel AWB 19/1492, AWB 20/856, AWB 19/2223, AWB 20/1585, AWB 20/1624 en AWB 20/946): Awb, Msw; handhaving, bestuurlijke boete, mesttransport, redelijke termijn
* 15 januari 2021 (Rb Gelderland 8701392 \ CV EXPL 20-2640 \ 610 \ 41245): BW; ontbinding huurovereenkomst, opslag lachgas in berging, PGS 15
* 15 januari 2021 (Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba BON2019H00124, BON2019H00125, BON2019H00126, BON2016H00127, BON2019H00128 en BON2019H00129): LAR; natuur-, bouw- en aanlegvergunning, creëren van een permanent waterpeil, Eilandsbesluit natuurbeheer, ontbreken MER natuurvergunning, gevolgen bouw- en aanlegvergunning
* 8 januari 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 20/1709): Awb; schadevergoeding, mijnbouwactiviteiten in het Groningenveld, bewijsvermoeden, deskundigen
* 7 januari 2021 (Rb Amsterdam 13-994042-18, 13-994014-20 en 13-994015-20): WSr, WED, Wm, Wabo, MONG (Matter Organic Non Glycerine), afgifte en voorhanden hebben van (gevaarlijke) afvalstof, KRA, Euralcode lijst, overtreding/misdrijf, verjaring, AWZI, omgevingsvergunning
* 31 december 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 18/5040 WET en BRE 18/5222 WET): Awb, Wro; planschade, heropening onderzoek, benoeming STAB
* 22 december 2020 (Rb Den Haag SGR 18/3607): Awb, Wro; planschade, hoogspanningsverbinding, dubbelbestemming onherroepelijk, aanvraag te laat ingediend
* 22 december 2020 (Rb Den Haag SGR 18/505 en SGR 17/8737 en SGR 18/2429 en SGR 18/1699): Awb, Wro; planschade, hoogspanningsverbinding, BP/gedoogverplichting, onjuiste planvergelijking
* 19 november 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/6749 GEMWT): Awb; invordering dwangsom, met bpl strijdig gebruik van woongebruik pand

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 27 januari 2021 (ABRvS 202004073/1/A3): Awb, Wob; verzoeken om informatie, PAS-meldingen, milieu-informatie, belangenafweging, geheimhouding, schade (Rb Noord-Nederland 20/300 en 20/301)
Tussen 2015 en 2019 was op grond van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) voor activiteiten met een beperkte stikstofuitstoot geen vergunning nodig. Bedrijven konden met een melding volstaan. MOB vroeg de minister om alle PAS-meldingen die in deze periode zijn gedaan openbaar te maken om zo een volledig beeld te krijgen van de stikstofuitstoot. De minister heeft zo’n 3.500 meldingen openbaar gemaakt, met uitzondering van de locatiegegevens. Daartegen kwam MOB eerder in beroep bij de rechtbank Noord-Nederland. Uit praktische overwegingen besloot de rechtbank eerst uitspraak te doen over tien meldingen van agrarische bedrijven uit Friesland, Groningen, Drenthe en Overijssel. Daarover oordeelde de rechtbank in juli 2020 dat de minister ook de locatiegegevens van de bedrijven openbaar moest maken. Tegen die uitspraak kwamen de minister en LTO Noord in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de gevraagde locatiegegevens niet alleen milieu-informatie, maar in het bijzonder ook emissiegegevens zijn. Dit is belangrijk, omdat de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) in vergelijking met andere soorten informatie minder mogelijkheden biedt om het verstrekken van milieu-informatie te weigeren, in het bijzonder bij emissiegegevens. De Wob heeft namelijk als doel om zoveel mogelijk informatie openbaar te maken over (stikstof)uitstoot in het milieu. Daarom bepaalt de Wob bijvoorbeeld dat als om emissiegegevens wordt gevraagd, de privacy van belanghebbenden geen rol mag spelen bij de beslissing om deze openbaar te maken. De minister heeft in dit geval wel rekening gehouden met de privacy van belanghebbenden en de emissiegegevens mede om die reden geweigerd. Dat is dus onterecht.

De minister hoeft emissiegegevens niet openbaar te maken als de veiligheid van bedrijven daardoor in het geding komt of als daarmee sabotage wordt voorkomen. Maar volgens de Afdeling bestuursrechtspraak moeten daar dan wel concrete aanknopingspunten voor bestaan. De enkele vrees daarvoor is onvoldoende. Kortom; aan een besluit om emissiegegevens om deze reden niet openbaar te maken worden hogere motiverings- en bewijseisen gesteld. Het besluit van de minister voldoet hier niet aan. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat de tien bedrijven waar het in deze uitspraak om gaat, “in de gevarenzone belanden” als hun locatiegegevens openbaar worden gemaakt.

* 27 januari 2021 (ABRvS 201903828/1/R2): Awb, Wnb; vergunning, veehouderij, ongewijzigde voortzetting van een activiteit of wijziging, Habitatrichtlijn, referentiesituatie. Standstill (Rb Limburg 18/165)
9.2.    De Afdeling heeft in haar recente uitspraak van 20 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:71) overwogen dat zij geen aanleiding ziet om de hiervoor omschreven rechtspraak bij te stellen. De Afdeling is daarbij ook ingegaan op de door GLMN en MOB genoemde jurisprudentie van het Hof.

Kort gezegd leidt de Afdeling uit die jurisprudentie van het Hof af dat op het moment waarop geen sprake meer is van de voortzetting van één en hetzelfde project beoordeeld moet worden of de wijziging van het bestaande project significante gevolgen kan hebben. De bestaande activiteit gaat door de wijziging niet in zijn geheel onder artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn vallen, zoals GLMN en MOB stellen. De wijziging van de bestaande activiteit is in dat geval het project als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, waarvan beoordeeld moet worden of die significante gevolgen kan hebben. In deze uitspraak overweegt de Afdeling verder dat zij in de rechtspraak van het Hof van Justitie geen aanknopingspunten ziet voor het oordeel dat de referentiesituatie niet betrokken mag worden bij de vraag of op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat de wijziging van een bestaande activiteit significante gevolgen heeft.

De Afdeling ziet gelet op het voorgaande in het door GLMN en MOB aangevoerde geen grond voor het oordeel om de rechtspraak bij te stellen.
11.1.  De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het vergunningenregime zoals opgenomen in artikel 2.7, tweede en derde lid, onder b, van de Wnb, zoals dat luidde ten tijde van belang, voorziet in de algemene beschermingsverplichting op grond van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn (uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, onder 5.1-5.2 (ECLI:NL:RVS:2019:1604)).

Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 8 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1063) kan het bevoegd gezag, om te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn, beleid voeren dat inhoudt dat een vergunning slechts wordt verleend indien maatregelen worden getroffen om een verdere reductie van de stikstofdepositie te bewerkstelligen. De Afdeling ziet echter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat een verplichting bestaat om dergelijke maatregelen in individuele vergunningen voor te schrijven indien geen zodanig beleid door het bevoegd gezag wordt gevoerd.

Ter zitting heeft het college toegelicht dat ten tijde van de vergunningverlening geen beleid werd gevoerd dat inhoudt dat een vergunning alleen wordt verleend als maatregelen worden getroffen gericht op verdere reductie van de stikstofdepositie. Voor vergunningverlening werd uitgegaan van “standstill”-beleid, wat betekent dat vergunningverlening kon plaatsvinden zolang de stikstofdepositie niet toeneemt ten opzichte van de referentiesituatie. In dit geval is overeenkomstig dat beleid de vergunning verleend.

Gelet op het voorgaande voerde het college geen beleid dat inhoudt dat een vergunning slechts wordt verleend indien maatregelen worden getroffen om een verdere reductie van de stikstofdepositie te bewerkstelligen. Het college was daarom dan ook niet gehouden om aanvullende maatregelen op te nemen. Het betoog onder verwijzing naar het rapport “Effecten van gelijkblijvende N-depositie op N2000-habitats in de Groote Peel”, dat het college de Wnb-vergunning in strijd met artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn heeft verleend, waar GLMN en MOB ook bij de rechtbank op hebben gewezen, kan daarom niet leiden tot de conclusie dat er een verplichting bestond om in dit geval aanvullende maatregelen tot reductie van de stikstofdepositie op te nemen in de vergunning.

De rechtbank is daarom terecht tot de conclusie gekomen dat het college met deze vergunningverlening niet in strijd met artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn heeft gehandeld.

* 27 januari 2021 (ABRvS 201900720/1/R4): Awb, Kew; ambtshalve aanpassing vergunning, kerncentrale, safety Reference Levels (RLs)/Bbs/Rnvk, m.e.r.-plicht
5.3.    De Afdeling stelt voorop dat in deze procedure, net als in de vorige procedure, geen wijziging van de levensduur van de KCB is vergund. Die levensduur is vastgelegd in artikel 15a van de Kernenergiewet. Met de verleende vergunning zijn uitsluitend de WENRA RLs die nog niet waren overgenomen opgenomen in de vergunning. Dat betekent dat alleen een set van extra veiligheidsvoorschriften als voorschrift wordt opgenomen. Zoals nader toegelicht door de Autoriteit ter zitting van de Afdeling vinden er géén fysieke wijzigingen aan de KCB plaats en heeft het besluit evenmin gevolgen voor de straling van de KCB.

5.4.    Als een van de nieuwe feiten en omstandigheden wordt met name verwezen naar het advies van 4 oktober 2018 van de Aarhus Compliance Committee (hierna: de ACCC) over de LTO-vergunning verleend bij besluit van 18 maart 2013. De Afdeling ziet, net als in de uitspraak van 2 mei 2018, in het advies van 4 oktober 2018 geen aanleiding voor het oordeel dat de Autoriteit bij een besluit waarbij voorwaarden aan de vergunning worden toegevoegd verplicht is tot het maken van een milieueffectrapport. In dit advies wordt weliswaar geadviseerd om bij het heroverwegen of updaten van de duur van elke nucleaire activiteit de artikelen 6 en de voorzieningen van paragraaf 2 tot en met 9 bij dit artikel van het Verdrag toe te passen, maar die situatie is hier niet aan de orde. Ook in het door Greenpeace overgelegde “First progress review of the implementation of the Committee’s findings and recommendations on communication ACCC/C/2014/104 (Netherlands)” van februari 2020 ziet de Afdeling geen grond voor een ander oordeel. Daarin wordt eveneens gesproken over besluiten waarbij de levensduur van een nucleaire activiteit wordt verlengd of geüpdatet en hier gaat het om het verbinden van een set extra veiligheidsvoorschriften.

5.5.    Ook het arrest van het Hof van Justitie van 29 juli 2019, ECLI:EU:C:2019:622, over de kernenergiecentrales Doel 1 en Doel 2 in België geeft geen grond voor het oordeel om anders te denken over de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2018 en dat de Autoriteit een milieueffectrapportage had moeten opstellen voorafgaand aan het besluit van 4 december 2018. In dit arrest wordt een uitleg gegeven aan het begrip project en wordt een oordeel gegeven over fysieke renovatiewerkzaamheden die niet los van de verlenging van het gebruik van de centrale kunnen worden gezien en de vraag of dit een project als bedoeld in de m.e.r.-richtlijn betreft. In het in deze procedure aan de orde zijnde besluit worden geen fysieke werkzaamheden vergund en evenmin wordt de loopduur van de KCB verlengd. Alleen al om die reden gaat een vergelijking met dit arrest niet op.

Voor zover WISE betoogt dat in C.22.2 (lees: C.22.3) van de bijlage bij het Besluit m.e.r. ten onrechte niet is opgenomen dat bij een wijziging of uitbreiding van een kerncentrale en andere kernreactoren een milieueffectrapport moet worden opgesteld is in dit geval geen sprake van een wijziging of uitbreiding van een kerncentrale. Los van de vraag of dit betoog juist is komt de Afdeling alleen al daarom niet toe aan de beantwoording van de vraag of in het Besluit m.e.r. sprake is van een onjuiste implementatie van de m.e.r.-richtlijn.

5.6.    Al met al ziet de Afdeling in hetgeen door Greenpeace en WISE is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het besluit waarbij de WENRA RLs zijn verwerkt in de bestaande vergunning van EPZ niet kon worden verleend zonder daaraan voorafgaand een milieueffectrapport op te stellen. Evenmin zijn door Greenpeace en WISE nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd die maken dat het oordeel in de eerdere uitspraak van 2 mei 2018 niet zou kunnen worden gevolgd. De betogen slagen niet.

Er bestaat gelet op het arrest van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI;EU:CL1982:335, punt 16, voor de Afdeling dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen over de reikwijdte van het project-begrip, zoals is verzocht. Daarnaast ziet de Afdeling evenmin reden om over de verlenging van de levensduur en de daarbij door het bevoegd gezag uit te voeren inspraak prejudiciële vragen te stellen omdat in deze procedure een dergelijk besluit niet aan de orde is.

* 20 januari 2021 (EH C-619/19): Prejudiciële verwijzing, Aarhus, toegang van het publiek tot milieu-informatie, afwijzing, begrip ‘interne mededelingen’, beperking in de tijd
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 4, lid 1, eerste alinea, onder e), van richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van richtlijn 90/313/EEG van de Raad moet aldus worden uitgelegd dat het begrip „interne mededelingen” alle informatie omvat die binnen een overheidsinstantie circuleert en die op het tijdstip van de indiening van het verzoek om toegang niet buiten de muren van deze instantie is terechtgekomen, in voorkomend geval nadat die instantie deze informatie heeft ontvangen en voor zover deze informatie daarvóór niet aan het publiek beschikbaar is of had moeten worden gesteld.

2)      Artikel 4, lid 1, eerste alinea, onder e), van richtlijn 2003/4 moet aldus worden uitgelegd dat de toepasselijkheid van de uitzondering op het recht van toegang tot milieu-informatie waarin deze bepaling voorziet voor interne mededelingen, beperkt is in de tijd. Deze uitzondering is evenwel slechts van toepassing gedurende de periode waarin de bescherming van de opgevraagde informatie gerechtvaardigd is.

* 7 januari 2021 (Rb Amsterdam 13-994042-18, 13-994014-20 en 13-994015-20): WSr, WED, Wm, Wabo, MONG (Matter Organic Non Glycerine), afgifte en voorhanden hebben van (gevaarlijke) afvalstof, KRA, Euralcode lijst, overtreding/misdrijf, verjaring, AWZI, omgevingsvergunning
3.4 ………………………….
De rechtbank overweegt als volgt.

In 2000 is een Europese afvalstoffenlijst opgesteld. Deze lijst is opgenomen in Beschikking 2000/532/EG. In deze beschikking is tevens beschreven hoe de verschillende afvalstoffen worden gedefinieerd. Vervolgens is in 2008 de Kaderrichtlijn Afvalstoffen van kracht geworden. In deze richtlijn is in overweging 14 opgenomen dat het systeem waarbij afvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen zijn ingedeeld conform de bij voornoemde beschikking van de Commissie opgestelde lijst van afvalstoffen worden gehandhaafd. Deze lijst is in gewijzigde vorm overgenomen in het Besluit 2014/955/EU. Hier wordt ook herhaald dat afvalstoffen met een asterisk (*) beschouwd worden als gevaarlijk afval overeenkomstig richtlijn 2008/98/EG (zijnde de Kaderrichtlijn Afvalstoffen).

Artikel 7 van de KRA betreft de lijst van afvalstoffen. Hierin wordt onder meer gesteld dat de lijst van afvalstoffen bindend is waar het erom gaat te bepalen welke afvalstoffen als gevaarlijke afvalstoffen moeten worden aangemerkt.

Naar het oordeel van de rechtbank houdt dit in dat voor het bepalen of een afvalstof een gevaarlijke afvalstof is of niet, eerst moet worden gekeken of een afvalstof voorkomt op de afvalstoffenlijst (Eural). Om dit te bepalen dient het stappenplan uit de handreiking Eural te worden gevolgd. Daarbij wordt aan de hand van het proces waarin het afval is ontstaan gekeken bij welk hoofdstuk het afval hoort. Vervolgens wordt gekeken welk sub-hoofdstuk van toepassing is. Hierna wordt in het subhoofdstuk gekeken naar de juiste afvalstofcategorie.

Het NFI heeft aan de hand van haar beschikbaar gestelde documenten geoordeeld dat de afvalstof MONG is ontstaan uit een organisch chemisch proces, en daarmee in hoofdstuk 07 ondergebracht kan worden. Aan de hand van dezelfde overgelegde documenten heeft het NFI vastgesteld dat MONG een reactieresidu dan wel een destillatieresidu is. Het NFI concludeert dat reactie- en destillatieresiduen altijd onder “overige destillatieresiduen en reactieresiduen” vallen en dus altijd een Euralcode met een asterisk krijgen en daarmee gevaarlijk afval is.8

De verdediging heeft, kort samengevat, betoogd dat MONG geen gevaarlijke stof is omdat het geen gevaarseigenschappen bezit die vermeld zijn in bijlage III van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen.

Hiermee gaat de verdediging voorbij aan de prioriteit die moet worden gegeven aan de Europese afvalstoffenlijst, de daarin opgenomen Euralcodes en het stappenplan zoals dat is vastgelegd in de Handreiking Eural. Uit die regelgeving volgt dat alleen onderzoek noodzakelijk is naar de gevaarseigenschappen van een afvalstof als die afvalstof behoort tot een complementaire categorie. MONG valt niet in die categorie.

Dit oordeel maakt dat de rechtbank geen noodzaak ziet tot het benoemen van een deskundige zoals voorwaardelijk verzocht door de verdediging.
Is MONG een destillatieresidu?

De verdediging heeft betoogd dat geen sprake is van een destillatieresidu en dat MONG daarmee niet onder de Euralcodes eindigend op 08* valt.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

In de aanvraag Wet milieubeheervergunning van verdachte van 24 juli 2006 wordt in het overzicht prognose afvalstoffen MONG omschreven als destillatieresidu.9 Op 13 maart 2015 heeft verdachte een wijziging van de omgevingsvergunning aangevraagd inhoudende dat de in de tabel prognose afvalstoffen de Euralcodes niet meer zouden worden genoemd, welke aanvraag is goedgekeurd. Echter, ook na die wijziging staat in het overzicht prognose afvalstoffen MONG nog steeds genoemd als “destillatieresidu”.10 Ook de ILT constateert in zijn rapport van 22 juli 2016: ‘tijdens het inspectierapport is ook niet gebleken dat het productieproces in die zin zou zijn gewijzigd dat thans geen sprake meer zou zijn van een destillatieresidu’.11

Op grond van bovenstaande en het eerder aangehaalde rapport van het NFI is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een destillatieresidu waaraan dus de Euralcode 07.01.08* had moeten worden toegekend

* 22 december 2020 (Rb Den Haag SGR 18/505 en SGR 17/8737 en SGR 18/2429 en SGR 18/1699): Awb, Wro; planschade, hoogspanningsverbinding, BP/gedoogverplichting, onjuiste planvergelijking
Verzoek om planschade vanwege een rijksinpassingsplan dat een hoogspanningsverbinding mogelijk maakt. De rechtbank volgt Tennet niet in het betoog dat planschade alleen via de weg van de Belemmeringenwet Privaatrecht kan worden gevorderd indien een gedoogverplichting is opgelegd. In geschil is welk planologisch kader als het oude planologisch regime heeft te gelden. Volgens Tennet had een vergelijking moeten worden gemaakt tussen het rijksinpassingsplan (planologisch kader 3) en de agrarische bestemming die de betrokken percelen hadden toen Bedrijvenschap Harnaschpolder deze verkreeg (planologisch kader 1). Volgens verweerder moet worden gekeken naar de redelijke verwachting van de invulling van de uit te werken bestemmingen in het bestemmingsplan “Harnaschpolder Weteringzone” (planologisch kader 2), welk plan is gevolgd op planologisch kader 1. De rechtbank volgt Tennet in haar betoog dat verweerder een onjuiste planvergelijking heeft gemaakt. Verweerder is er ten onrechte aan voorbijgegaan dat de waardestijging van de percelen als gevolg van de uit te werken bedrijfsbestemming uit het bestemmingsplan “Harnaschpolder Weteringzone” slechts theoretisch van aard was, nu nooit een uitwerkingsplan in werking is getreden waarmee het bouwverbod werd opgeheven en daadwerkelijk ruimere bouw- en gebruiksmogelijkheden aan de gronden zijn toegekend. Verweerder had een vergelijking moeten maken tussen planologisch kader 1 en planologisch kader 3. De rechtbank verklaart de beroepen gegrond en draagt verweerder op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

Samenvattingen van jurisprudentie op STAB-site

Op de website van STAB wordt recente jurisprudentie ook samengevat.
De volgende uitspraken zijn deze week nieuw geplaatst:
HvJ EU 14 januari 2021 Beantwoording van prejudiciële vragen van de rechtbank Limburg over eventuele strijdigheid van artikel 6:13 van de Awb met het verdrag van Aarhus

ABRvS 20 januari 2021 Tracébesluit voor aansluiting van de A15 op de A12, onvoldoende duidelijk waarom de gevolgen van wegverkeer op een grotere afstand dan 5 km bij een stikstofberekening op basis van AERIUS buiten beschouwing kunnen worden gelaten

ABRvS 23 december 2020 Planschade, passieve risicoaanvaarding en voorzienbaarheid