Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 3 februari 2021 (ABRvS 202004105/1/R3): Awb, Wro; bpl, actualisering
* 3 februari 2021 (ABRvS 202002712/1/R4): Awb, Wro; bpl, woningen
* 3 februari 2021 (ABRvS 202001641/1/A2): Awb, Wro; planschade, normaal maatschappelijk risico/drempel (Rb Gelderland 18/1731)
* 3 februari 2021 (ABRvS 202001427/1/A2): Awb, Wro; planschade (Rb Limburg 18/3016)
* 3 februari 2021 (ABRvS 202000725/1/A3): Awb, DHW, Gmw; handhaving, sluiting pand, intrekking vergunningen, Cash Center, incidenten, openbare orde, APV (Rb Zeeland-West-Brabant 19/5833, 19/5835, 19/5837)
* 3 februari 2021 (ABRvS 202000617/1/R2): Awb, Wro; bpl, buitengebied, paardenhouderij/-bak, geen bestaand recht, tussenuitspraak
* 3 februari 2021 (ABRvS 202000341/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, splitsen pand in twee bedrijfswoningen en bedrijfsruimtes, strijd met bpl (Rb Noord-Holland 19/1472)
* 3 februari 2021 (ABRvS 201909199/1/A3): Awb, Gmw, DHW; handhaving, sluiting, intrekking vergunningen, woon- en leefklimaat/openbare orde, slecht levensgedrag, APV, Dienstenrichtlijn (Rb Rotterdam 18/6419, 18/6420 en 18/6421)
* 3 februari 2021 (ABRvS 201908913/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, stalling voor winkelwagens, privaatrechtelijke belemmering, belanghebbende, buiten behandeling stellen aanvraag (Rb Den Haag 18/5768)
* 3 februari 2021 (ABRvS 201907556/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, antennemast, vrijheid van meningsuiting/EVRM, welstand, belangenafweging (Rb Zeeland-West-Brabant 18/5999)
* 3 februari 2021 (ABRvS 201907414/1/R1): Awb, Wabo, Gmw; omgevingsvergunning voor bouwen/handhaving/dwangsom, invordering, verbouwde berging/garage tot woning, strijd met bpl (Rb Noord-Holland 19/675 en 19/676)
* 3 februari 2021 (ABRvS 201906949/1/R4): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsommen, invordering, stallen voor houden vee, geur, in overeenstemming brengen met vergunning en Beh, dierplaatsen, ammoniak        (Rb Oost-Brabant 19/1359 en 19/1360)
* 3 februari 2021 (ABRvS 201906069/1/A3): Awb, Gmw; invordering dwangsom, aanbieden diensten aan de weg, APV, bewijslast (Rb Amsterdam 18/6431)
* 3 februari 2021 (ABRvS 201904144/1/R3): Awb, Wro; bpl, afvalverwerkingslocatie, belanghebbenden, landschappelijke inpassing/stortheuvels, voorwaardelijke verplichting/overgangstermijn, schermwallen, tussenuitspraak
* 3 februari 2021 (ABRvS 201903793/2/R3): Awb, Wro; bpl, dubbelbestemmingen, gasleiding, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 2 februari 2021 (CBb 19/1384, 19/469, 18/2947, 18/2949, 19/963, 19/968, 19/562, 19/367, 19/1369, 19/1178, 19/1371, 19/1379, 19/899, 19/472, 20/747, 19/916, 19/1385, 19/1374, 19/1364, 19/1382 en 19/1381): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, EP/geen sprake van individuele en buitensporige last, knelgevallenregeling, voorzienbaarheid, bevoegdheid, EVRM, Nitraatrichtlijn, startersregeling, herstart
* 2 februari 2021 (CBb 19/1572): Awb, Lbw; heffing/bonus, fosfaatreductieplan, geen strijd EP/geen individuele buitensporige last
* 2 februari 2021 (Rb Gelderland ARN 21/205): Awb, Wnb; vovo, ontheffing, soortenbescherming, bomenkap, vleermuizen, belanghebbende
* 2 februari 2021 (Rb Limburg AWB 20/3533): Awb, Wpg, Gmw; vovo, handhaving, sluiting horeca- en hotelinrichting, Covid-19 regeling, bevoegdheid, waarschuwing
* 1 februari 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 20/4317): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor slopen van monument in beschermd dorpsgezicht, bouwen en afwijken bpl, nieuwe woning, stikstofdepositie
* 29 januari 2021 (Rb Overijssel AWB 20/842): Awb, Gmw; handhaving, dwangsom, verwijderen winterterras, geen terrasvergunning, APV
* 29 januari 2021 (ABRvS 202006870/2/R3): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, verwijderen bouwwerken bij voordeur, geen vergunning, hoogte/Bor/peil, motivering
* 29 januari 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 20/1982 en SHE 20/2021): Awb, Wnb; vergunning, motorcrosscircuit, Natura 2000, verkeerde emissie-eisen voor crossmotoren in de referentiesituatie, interne saldering/beleidsregel, geluid, stortplaats/waterkwaliteit
* 29 januari 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 20/1444): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor milieuneutraal wijzigen, motorcrosscircuit, verlegging, geluid, fijn stof, geur, m.e.r.-(beoordelings)plicht
* 29 januari 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 19/2719 en SHE 19/2957): Awb, Wnb; handhaving, motorcrosscircuit, belanghebbenden, stikstofdepositie, zicht op legalisatie
* 28 januari 2021 (ABRvS 202004423/3/R4): Awb, Wro, Wabo; verzoek om opheffing vovo, bpl/omgevingsvergunning voor bouwen, logistiek centrum
* 28 januari 2021 (Rb Limburg AWB 20/3495): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid
* 28 januari 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 20/3406): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning met erven, drugslab, bevoegdheid
* 28 januari 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 20/3821): Awb, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, illegaal vuurwerk, bevoegdheid, noodzaak herstel openbare orde, motivering
# 28 januari 2021 (Rb Overijssel AWB 19/1123): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en OBM, veehouderij, mestopslag en pluimveestal, buitenren, fijn stof, Skal-certificaat, volksgezondheid
* 27 januari 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/10281 VV): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid, Damoclesbeleid, gezondheid bewoner
* 27 januari 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 20/1302): Awb, Opiumwet, Gmw; handhaving, sluiting voormalige varkensstal, drugslab, bevoegdheid
* 27 januari 2021 (ABRvS 202006526/1/R1 en /2/R1): Awb, Wabo; vovo en korstluiten, omgevingsvergunning voor vellen boom, bomenverordening, bijzondere waarde, herplantplicht
* 27 januari 2021 (ABRvS 202006536/2/A3): Awb; vovo, ontruiming woning, schorsing door verweerder, terugbetaling griffierecht
* 27 januari 2021 (EH T‑699/17): Arrest, milieu, grote stookinstallaties, conclusies over de beste beschikbare technieken (BBT), nietig verklaring vaststellingsbesluit
* 27 januari 2021 (EH T-9/19): Arrest, milieu, financiering biomassacentrale, besluit Europese Investeringsbank, Aarhus, ontvankelijkheid
* 26 januari 2021 (Rb C/13/694915 / KG ZA 20-1158 HH/MAH): BW; kortgeding, Wabo/strijdig gebruik, dwangsom, dwangbevel, invorderingsbevoegdheid/verjaring, aanmaning, verzending
* 26 januari 2021 (Rb Amsterdam AMS 20/6734): Awb, Wvw; vovo, tijdelijke verkeersmaatregelen, Covid-19, inspraak, bevoegdheid
* 22 januari 2021 (Rb Limburg AWB 19/950): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, chalets op recreatiepark, huisvesting arbeidsmigranten, parkeren, relatie bpl
* 22 januari 2021 (Rb Noord-Holland HAA 20/6088 en HAA 20/6087): Awb; vovo en kortsluiten, verwerping van initiatiefvoorstel raadsleden, geen besluit, ontvankelijkheid
* 22 januari 2021 (Rb Amsterdam AMS 20/6373 en AMS 20/6374): Awb, Wegc; vovo en kortsluiten, afwijzing als teler, gesloten coffeeshopketen, problemen ICT overheid
* 22 januari 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/10246 OPIUMW VV en BRE 20/10247 OPIUMW): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo en kortsluiten, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid
* 20 januari 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 20/471): Awb, Msw; handhaving, boete, overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm, transporten mest
* 20 januari 2021 (Rb Limburg AWB 20/3474 en AWB 20/3585): Awb, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, fout geparkeerde oplegger, APV
* 19 januari 2021 (Rb Gelderland ARN 20/6586): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning met bijgebouwen, hennepkwekerij, bevoegdheid, beleid
* 15 januari 2021 (Rb Limburg AWB 20/1155): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, zorgappartementen in kantoorgebouw, motiveringsgebrek
* 15 januari 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 19/2914): Awb, Msw; handhaving, boete, mesttransporten
* 14 januari 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 20/374): Awb, Opiumwet, Gmw; handhaving, sluiting loodsen, strafbare voorbereidingshandelingen, bevoegdheid
* 14 januari 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 20/831): Awb, Msw; handhaving, boete, niet voldaan overgenomen mestverwerkingsplicht
* 14 januari 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 20/362): Awb, Svw; ontheffing, ligplaats, BPR, invloed veiligheid en vlotte doorloop van het scheepvaartverkeer, motivering
# 12 januari 2021 (Rb Oost-Brabant 19/908E, 19/912E, 19/914E en 19/911E): Awb, Wro; planschade, bpl buitengebied, provinciale verordening, beperking bouwmogelijkheden, intensieve veehouderijen, taxaties, normaal maatschappelijk risico, drempel, zelf in de zaak voorzien, einduitspraak na eerdere tussenspraak
* 31 december 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 18/5115 WET en BRE 18/5226 WET): Awb, Wro; planschade, normaal maatschappelijk risico
* 15 december 2020 (Rb Limburg AWB 19/1047): Awb, Waterwet; handhaving, projectplan, afwijkende dijkverhoging, belanghebbende
* 11 december 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 20/3298 en LEE 20/3299): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo en kortsluiten, handhaving, sluiting woning, bevoegdheid, evenredigheid duur sluiting

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 3 februari 2021 (ABRvS 201908913/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, stalling voor winkelwagens, privaatrechtelijke belemmering, belanghebbende, buiten behandeling stellen aanvraag (Rb Den Haag 18/5768)
3.1 ………………………
Verder staat vast dat de grond waar de opstelplaats is voorzien niet in eigendom is van Detailconsult Supermarkten B.V., maar van de gemeente Westland. Vaststaat tevens dat de concept-gebruiksovereenkomst op basis waarvan Detailconsult Supermarkten B.V. gebruik zou mogen maken van de grond in eigendom van de gemeente Westland, nooit is ondertekend en aldus niet definitief is geworden. De vraag of, zoals Detailconsult Supermarkten B.V. betoogt, desalniettemin sprake is van een gebruiksovereenkomst, omdat de gemeente Westland in het besluit van 12 december 2017 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud toestemming heeft verleend voor het gebruik van haar grond, kan hier niet aan de orde komen. Het is namelijk aan de civiele rechter om te beoordelen of daarmee een gebruiksovereenkomst tussen partijen tot stand gekomen is. Daarom en omdat de gemeente Westland Detailconsult Supermarkten B.V. in de e-mail van 13 februari 2018 uitdrukkelijk heeft laten weten geen toestemming meer te verlenen voor het gebruik van haar grond, moet het er nu voor worden gehouden dat er geen gebruiksovereenkomst tussen partijen is gesloten. De rechtbank heeft aldus terecht overwogen dat zich een privaatrechtelijke belemmering voordoet in verband waarmee het bouwplan van Detailconsult Supermarkten B.V. niet kan worden gerealiseerd.

De stelling van Detailconsult Supermarkten B.V. dat sprake is van misbruik van bevoegdheden, kan hier evenmin aan de orde komen. De vraag of het college misbruik maakt van privaatrechtelijke bevoegdheden, om daarmee bestuursrechtelijke toestemming te onthouden, is namelijk eveneens voorbehouden aan de civiele rechter.

3.2.    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwplan van Detailconsult Supermarkten B.V. niet worden aangemerkt als een verzoek van een belanghebbende en om die reden niet als een aanvraag om een besluit te nemen in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat het college de aanvraag om een omgevingsvergunning te verlenen terecht buiten behandeling heeft gesteld.

* 3 februari 2021 (ABRvS 201907556/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, antennemast, vrijheid van meningsuiting/EVRM, welstand, belangenafweging (Rb Zeeland-West-Brabant 18/5999)
7.2.    Tussen partijen is niet in geschil, en ook de Afdeling gaat ervan uit, dat de weigering van de omgevingsvergunning een inmenging inhoudt in de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van het EVRM.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraken van 12 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX7114 en 5 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2616), kunnen redelijke eisen van welstand worden aangemerkt als een reëel maatschappelijk belang dat een beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting op de voet van het tweede lid van artikel 10 van het EVRM rechtvaardigt, vanwege het voorkomen van wanordelijkheden en om de rechten van anderen te beschermen. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 26 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4253) is bij de beoordeling of deze inmenging – zoals het tweede lid van deze bepaling vereist – noodzakelijk is, van belang of de mate van inmenging evenredig is aan het daarmee gediende doel – in dit geval de bescherming van de rechten van anderen. Het college heeft bij de beoordeling van de noodzaak van de beperking bij de afweging van de in de concrete zaak betrokken belangen beoordelingsruimte (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 14 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN1135). Verder moet bij de beantwoording van de vraag of een bouwwerk onevenredig bezwarend is voor omwonenden en daarmee afbreuk doet aan de rechten van anderen, aandacht worden geschonken aan onder meer de vormgeving van het bouwwerk en de aard van zijn omgeving.

7.3.    Anders dan de rechtbank, is de Afdeling van oordeel dat het college met de hiervoor onder 5 weergegeven motivering, het besluit van 2 augustus 2018 van een deugdelijke motivering heeft voorzien. De Afdeling ziet, ook anders dan de rechtbank, geen grond voor het oordeel dat een zwaardere motiveringsplicht geldt, dan die waaraan het college heeft voldaan.

Het college heeft zich, mede gelet op de beoordelingsruimte die het bij dit besluit heeft, op grond van deze motivering in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de antenne-installatie onevenredig bezwarend is voor omwonenden en daarmee afbreuk doet aan de rechten van anderen. Het college heeft daarbij niet alleen de twee uitgebrachte negatieve welstandsadviezen in aanmerking genomen, maar ook het negatieve stedenbouwkundig advies waaruit blijkt dat de antenne-installatie gelet op zijn hoogte, in combinatie met het open karakter van het landschap ter plaatse, storend is in de omgeving. Het college heeft verder gelet daarop, de belangenafweging in het voordeel van het algemeen belang en het belang van [appellanten] kunnen doen uitvallen. Die belangen hangen samen met de visuele kwaliteit van de omgeving, waaraan volgens de eerdergenoemde adviezen afbreuk wordt gedaan. Ook is van belang dat – zoals ter zitting is bevestigd – de antenne-installatie op een afstand van slechts ongeveer 8,5 m van de woning en tuin van [appellanten] is voorzien. Aan deze belangen mocht het college naar het oordeel van de Afdeling een zwaarder gewicht toekennen dan aan het belang van [partij]. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [partij] het actief zijn als zendamateur niet onmogelijk wordt gemaakt. Hij heeft daartoe – zoals eveneens ter zitting is bevestigd – andere mogelijkheden, zoals een kleinere antenne-installatie.

De conclusie is dat de in het besluit gegeven motivering volstaat voor het standpunt van het college dat de inmenging in het recht op de vrijheid van meningsuiting gerechtvaardigd is als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van het EVRM. De weigering van de vergunning is dus niet in strijd met artikel 10 van het EVRM. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

* 29 januari 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 20/1982 en SHE 20/2021): Awb, Wnb; vergunning, motorcrosscircuit, Natura 2000, verkeerde emissie-eisen voor crossmotoren in de referentiesituatie, interne saldering/beleidsregel, geluid, stortplaats/waterkwaliteit
5.3   De rechtbank stelt vast dat verweerder bij de berekening van de emissie in de vergunde situatie in navolging van het rapport bij de aanvraag uitgaat van een lagere emissie van 0,15 g NOx/km in plaats van 0,30 g NOx/km, de emissie in de referentiesituatie. Verweerder heeft onvoldoende onderbouwd waarom hij dit uitgangspunt heeft gevolgd.

Als er geen latere algemene regels zijn die verplichten tot gebruik van motoren met een lagere emissie dan de motoren in de referentiesituatie (iets wat verweerder zelf stelt), dan moet in de vergunde situatie worden uitgegaan van de dezelfde emissie voor motoren als de motoren in de referentiesituatie. Immers, als er wel nadere regels zouden zijn gesteld aan motoren die leiden tot een lagere stikstofemissie, zou dit ook betekenen dat niet zonder meer kan worden uitgegaan van de stikstofemissie van motoren op de referentiedatum gelet op de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1891). In het bestreden besluit zijn geen emissie-eisen aan motoren gesteld. In de aanvraag staat evenmin dat uitsluitend het gebruik van motoren met een lagere emissie van 0,15 g NOx/km wordt aangevraagd. Het gebruik van motoren met een hoge emissie van 0,30 g NOx/ km is niet verboden in het bestreden besluit. Onder deze omstandigheden kan niet op voorhand worden uitgesloten dat in de vergunde situatie motoren met een emissie van 0,30 g NOx/km worden gebruikt, zoals bijvoorbeeld de motoren in de referentiesituatie. Volgens de rechtbank had verweerder er daarom van moeten uitgaan dat de emissies van motoren in de vergunde situatie gelijk moeten zijn aan de emissies van motoren in de referentiesituatie. Dat betekent dat het aangevraagde geïntensiveerde gebruik van het motorcrosscircuit zonder meer leidt tot een hogere stikstofemissie. Verweerder heeft dit onvoldoende onderkend. Onder deze omstandigheden is ook geen aanleiding voor interne saldering ingevolge artikel 2.1, onder c, van de Beleidsregel natuurbescherming Noord-Brabant van 9 april 2020 (de Beleidsregel) noch is sprake van interne saldering op de wijze die wordt voorgestaan in de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:71).

* 29 januari 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 20/1444): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor milieuneutraal wijzigen, motorcrosscircuit, verlegging, geluid, fijn stof, geur, m.e.r.-(beoordelings)plicht
4.5   De rechtbank stelt vast dat in de Hinderwetvergunning de totale geluidsbelasting van het motorcrosscircuit maar gedeeltelijk is beperkt. Er golden slechts middelvoorschriften voor crossmotoren tijdens wedstrijden, maar niet tijdens trainingen. Bovendien is het totale aantal crossmotoren tijdens wedstrijden niet beperkt. Verweerder heeft rekening gehouden met de afname van het bronvermogen van crossmotoren in de loop der tijd. Hiermee heeft verweerder de feitelijke milieubelasting betrokken bij de besluitvorming. Om te beoordelen of sprake is van een milieuneutrale wijziging, is echter van belang, zoals hiervoor al is gesteld, om de wijziging van de vergunde milieubelasting te bepalen ten opzichte van de oude vergunde situatie en niet ten opzichte van de feitelijke situatie. Het blijft onduidelijk wat de totale geluidsbelasting was van het motorcrosscircuit onder de Hinderwetvergunning. Verweerder had de totale geluidsbelasting vanwege de inrichting in kaart moeten brengen om daarna te beoordelen of de aangevraagde wijziging tot een hogere geluidsbelasting op de omgeving leidt. Dat heeft verweerder niet gedaan. Het bepalen van de omvang van de totale geluidsbelasting onder de oude Hinderwetvergunning is weliswaar ingewikkeld , maar dan had verweerder maar eerder invulling moeten geven aan zijn actualiseringsverplichting. Daar was in dit geval, gelet op de datum van verlening van de Hinderwetvergunning, alle aanleiding voor. Verweerder volstaat met het stellen van geluidseisen aan bepaalde motoren. Verweerder heeft onvoldoende onderbouwd of daarmee ook de andere negatieve effecten als gevolg van de verlegging van het circuit (bijvoorbeeld vanwege de overige emissies van de motoren) worden gecompenseerd. Vergunninghouder heeft de stillere motoren niet aangevraagd. De rechtbank vindt het opmerkelijk dat verweerder het beoogde milieuneutrale karakter pas tracht te borgen in het bestreden besluit nadat de voorbereiding van het primaire besluit al langs de gewone voorbereidingsprocedure is doorlopen. Dit staat op gespannen voet met artikel 3.10, derde lid van de Wabo. Gelet op bovenstaande redenen is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven omdat het onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Deze beroepsgrond slaagt.

* 27 januari 2021 (EH T699/17): Arrest, milieu, grote stookinstallaties, conclusies over de beste beschikbare technieken (BBT), nietigverklaring vaststellingsbesluit
HET GERECHT (Derde kamer – uitgebreid), rechtdoende, verklaart:

1)      Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/1442 van de Commissie van 31 juli 2017 tot vaststelling van BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad, voor grote stookinstallaties, wordt nietig verklaard.

2)      De gevolgen van het krachtens punt 1 van dit dictum nietig verklaard uitvoeringsbesluit worden gehandhaafd totdat, binnen een redelijke termijn van ten hoogste twaalf maanden na de uitspraak van het onderhavige arrest, een nieuwe handeling ter vervanging daarvan in werking treedt die wordt vastgesteld volgens de regels van de gekwalificeerde meerderheid die zijn neergelegd in artikel 3, lid 3, van Protocol (nr. 36) betreffende de overgangsbepalingen.

* 22 januari 2021 (Rb Noord-Holland HAA 20/6088 en HAA 20/6087): Awb; vovo en kortsluiten, verwerping van initiatiefvoorstel raadsleden, geen besluit, ontvankelijkheid
De verwerping van het initiatiefvoorstel op 11 mei 2020 is geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De beslissing van de raad om niet over te gaan tot herziening van het bestemmingsplan, althans de beslissing om het college van burgemeester en wethouders daartoe geen opdracht te geven, brengt geen wijziging teweeg in de rechtspositie van enig persoon. Anders gezegd: als gevolg van deze beslissing ontstaat geen bevoegdheid, recht of verplichting voor een of meer anderen en wordt ook geen bevoegdheid, recht of verplichting teniet gedaan. Er wordt immers door de verwerping van het voorstel juist geen verplichting aangegaan of opgelegd. Ook wordt daarmee niet de juridische status van een persoon of een zaak vastgesteld. Hetzelfde geldt voor de verwerping van het voorstel om het college van burgemeester en wethouders op te dragen om te stoppen met inventariserende voorbereidingshandelingen ten behoeve van de bouw van het stadskantoor. De voorzieningenrechter merkt daar nog bij op dat artikel 1:3, tweede lid, Awb geen aanleiding kan geven voor een andere beoordeling. In dat artikelonderdeel wordt met een besluit gelijkgesteld de afwijzing van een aanvraag. In die situatie verandert er weliswaar ook niets in de rechtspositie van een ander, maar het verworpen initiatiefvoor-stel kan niet worden aangemerkt als een aanvraag tot bijvoorbeeld het nemen van een voorbereidingsbesluit in de zin van artikel 3.7, eerste lid, Wro. Het initiatiefvoorstel is geen aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, Awb, omdat een door een aantal fracties in de raad binnen dit politiek orgaan ingediend voorstel niet kan worden aangemerkt als een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen. Een aanvraag kan enkel worden gedaan door een belanghebbende die geen onderdeel is van dat bestuursorgaan. Fracties in de gemeenteraad maken onderdeel uit van dat bestuursorgaan en zijn daarom geen belanghebbende in de zin van dat artikelonderdeel. De verwerping van het initiatiefvoorstel kan derhalve ook niet als afwijzing met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht worden gelijkgesteld. De voorzieningenrechter merkt voorts nog op, dat, hoewel de raad dat ter zitting heeft bestreden, zeer goed verdedigbaar is dat het eerste onderdeel van het initiatiefvoorstel moet worden opgevat als een voorstel om een voorbereidingsbesluit in de zin van artikel 3.7 Wro te nemen. Als dat voorstel wel was aangenomen, dan was (bezwaar en) beroep daartegen – ook – uitgesloten op grond van artikel 8.5 Awb in verband met artikel 1 van Bijlage 2 bij die wet, waarin artikel 3.7 Wro ook is opgenomen. In artikel 8.5 Awb is beroep tegen de besluiten die zijn genoemd in die bijlage uitgesloten van beroep. A fortiori zou beroep tegen de afwijzing van een verzoek om een voorbereidingsbesluit te nemen daarom ook niet zijn onderworpen aan bezwaar en beroep. […] Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de beslissing van de raad tot verwerping van het initiatiefvoorstel geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Nu uitsluitend bezwaar kan worden gemaakt tegen besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet in haar bezwaren kan worden ontvangen. Verweerder heeft derhalve het bezwaar op goede gronden niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom ongegrond.

# 12 januari 2021 (Rb Oost-Brabant 19/908E, 19/912E, 19/914E en 19/911E): Awb, Wro; planschade, bpl buitengebied, provinciale verordening, beperking bouwmogelijkheden, intensieve veehouderijen, taxaties, normaal maatschappelijk risico, drempel, zelf in de zaak voorzien, einduitspraak na eerdere tussenspraak
11.5   Het minimumforfait van 2% uit artikel 6.2, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is niet van toepassing op waardevermindering van het eigen perceel van de aanvrager ten gevolge van een planologische wijziging (directe planschade). De algemene regel van 6.2, eerste lid, van de Wro (binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade blijft voor rekening van de aanvrager) geldt wel voor directe planschade. Directe planschade kan op grond van artikel 6.2, eerste lid, van de Wro geheel of gedeeltelijk voor rekening van de aanvrager blijven, indien de desbetreffende planologische ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag en de schade, bestaande uit waardevermindering van de desbetreffende onroerende zaak, niet onevenredig is in verhouding tot de waarde van die onroerende zaak. Hierbij moet onder meer worden bezien of de planologische ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd waarmee de aanvrager rekening had kunnen houden, in die zin dat die ontwikkeling in de lijn der verwachting lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop deze ontwikkeling zich zou voordoen. In dit verband komt betekenis toe aan de mate waarin de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het in een reeks van jaren gevoerde planologische beleid past.

11.6   De rechtbank is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat in opvolgende provinciale verordeningen op basis van artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) beperkingen werden gesteld aan de uitbreidingsmogelijkheden van de intensieve veehouderij nog niet wil zeggen dat iedere verdere beperking in de lijn der verwachting lag. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat in drie opeenvolgende provinciale verordeningen dezelfde beperkingen werden gesteld aan de uitbreidingsmogelijkheden van intensieve veehouderijen in verwevingsgebieden en landbouwontwikkelingsgebieden, namelijk dat de omvang van bouwvlakken werd beperkt tot een oppervlakte van 1,5 hectare. Dat neemt echter niet weg dat enige beperking van de verdere uitbreidingsmogelijkheden wel in de lijn der verwachting lag. Dit alleen rechtvaardigt echter niet de vaststelling van het normaal maatschappelijk risico op 5%.
12.2   Het normaal maatschappelijk risico wordt uitgedrukt in een percentage en moet in mindering worden gebracht op de waarde van de onroerende zaak direct voor de peildatum. Uit het feit dat zowel in artikel 6.1 als in artikel 6.2 van de Wro de woorden ‘de waarde van een onroerende zaak’ zijn gebruikt, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat aan deze woorden in beide bepalingen een gelijke betekenis toekomt in die zin dat de planschade en het normaal maatschappelijk risico betrekking dienen te hebben op dezelfde ‘“onroerende zaak”. De rechtbank beschouwt een “onroerende zaak” als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wro, als een gebouwd eigendom of gedeelte daarvan dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt. De rechtbank hecht hierbij betekenis aan de kadastrale situatie en de op de onroerende zaak rustende bestemming(en). Verder dienen de functionaliteit, de inrichting en het gebruik te worden betrokken bij de vraag wat de onroerende zaak is waarop de aanvraag om tegemoetkoming in planschade betrekking heeft.

12.3   De rechtbank stelt voorop dat eisers slechts hebben verzocht om een tegemoetkoming in de schade van het bedrijfsgedeelte, niet in die van het woongedeelte of de bedrijfswoning. In dit kader merkt de rechtbank wel op dat de planologische herziening ook een wijziging aanbrengt in de planregels met betrekking tot de vervangende nieuwbouw van bedrijfswoningen (in artikel 10, lid 10.2.1.f van de planregels), maar dat eisers niet hebben verzocht om een tegemoetkoming in de planschade als gevolg van deze planologische wijziging. Noch de gemeentelijke planschadebeoordelings-commissie, noch de deskundigen van eisers of de StAB hebben de waarde van de bedrijfswoning vastgesteld. Noch in het primaire besluit, noch in het bestreden besluit heeft verweerder de waarde van de bedrijfswoning betrokken. In zoverre betrekt verweerder met zijn stelling dat de waarde van de bedrijfswoning bij de aftrek van het normaal maatschappelijk risico moet worden betrokken een nieuw element in het geschil dat tot de inschakeling van de StAB nog niet aan de orde was.

12.4   In deze zaak heeft het woongedeelte dezelfde bestemming als het bedrijfsgedeelte, namelijk de bestemming ‘bedrijfs-agrarisch’. De bedrijfswoning kan niet worden aangemerkt als ‘intensieve veehouderijbebouwing’ omdat hierin geen dieren kunnen worden gehouden. De bedrijfswoning heeft duidelijk een andere functie dan het bedrijfsgedeelte. Het woongedeelte is duidelijk afgescheiden van het bedrijfsgedeelte. Beide gedeeltes zijn anders ingericht. De bedrijfswoning op het perceel [adres] is gesitueerd op een ander kadastraal perceel dan het bedrijfsgedeelte op het perceel [adres] Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de bedrijfswoning niet kan worden gerekend tot de onroerende zaak waarop de aanvraag om tegemoetkoming in planschade betrekking heeft. De rechtbank ziet geen aanleiding om het onderzoek te heropenen en de StAB te verzoeken de waarde van de bedrijfswoning vast te stellen.