Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 10 februari 2021 (ABRvS 202003132/1/R4, 202003529/1/R4, 202003571/1/R4, 202003617/1/R4, 202003992/1/R4, 202004832/1/R4, 202005018/1/R4, 202005240/1/R4 en 202005616/1/R4): Awb, Wm, Gmw; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, niet juist aanbieden huisvuilzak/doos, afvalstoffenverordening, overtreder
* 10 februari 2021 (ABRvS 202002716/1/R4): Awb, Wro; bpl, woning/bedrijventerrein, geluid, VNG-brochure
* 10 februari 2021 (ABRvS 202001639/1/A3): Awb, Opiumwet, Gmw; handhaving, sluiting, drugs, bevoegdheid (Rb Midden-Nederland 16/2499)
* 10 februari 2021 (ABRvS 202001185/1/R4): Awb, Wro; provinciaal inpassingsplan, verkeersweg, geluidsaneringswoning
* 10 februari 2021 (ABRvS 202001180/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, arbeidsmigrantenhuisvesting (Rb Zeeland-West-Brabant 18/4651)
* 10 februari 2021 (ABRvS 202000810/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor omzetten van zelfstandige naar onzelfstandige woonruimten, strijd met bpl (Rb Amsterdam 19/98)
* 10 februari 2021 (ABRvS 202000753/1/R1): Awb, Wbb, Gmw; handhaving, dwangsommen en invordering, indienen bodemsaneringsplan en starten met sanering, bevoegdheid, LHS
* 10 februari 2021 (ABRvS 201909213/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, extra kapverdieping/appartementen, bezonning, welstand, constructie/fundering (Rb Amsterdam 19/1711)
* 10 februari 2021 (ABRvS 201908400/1/R3): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, aantal wooneenheden, bouwvergunning/beheersverordening, bevoegdheid (Rb Rotterdam 18/4121)
* 10 februari 2021 (ABRvS 201908237/1/R1): Awb, Gmw; invordering dwangsom, lozing afvalwater, geen uitzonderlijk geval (Rb Oost-Brabant 19/534)
* 10 februari 2021 (ABRvS 201907694/1/R1): Awb, Gmw; invordering dwangsom, permanente bewoning recreatiewoning, bijzondere omstandigheden (Rb Midden-Nederland 19/2464 en 19/2687)
* 10 februari 2021 (ABRvS 201906818/1/R3): Awb, Wro; bpl, extra parkeerplaatsen bij supermarkt, noodzaak/CROW, geluid, lichthinder, tussenuitspraak
* 10 februari 2021 (ABRvS 201906690/2/A2): Awb, Wvw; verkeersbesluit, parkeerstrook, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak (Rb Gelderland 18/6825)
* 10 februari 2021 (ABRvS 201905910/1/R2): Awb, Wro; bpl, woning, gewasbeschermingsmiddelen, gezondheid, tussenuitspraak
# 10 februari 2021 (ABRvS 201905298/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en milieu, veehouderij, nieuwe stallen, geurgevoelig object, luchtwasser/rendement, Wgv, BBT/geurbeheersplan, rendementsmeting (Rb Overijssel 18/2211)
* 10 februari 2021 (ABRvS 201904957/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, mestbassin en hekwerk bij veehouderij, belanghebbende, vvgb, provinciale omgevingsverordening, landschappelijke inpassing  (Rb Noord-Nederland 18/3096)
* 10 februari 2021 (ABRvS 201808944/1/R1): Awb, Wro; bpl, stadscentrum, actualisatie, wonen, horeca, kantoor, binnentuinen, hotel
* 9 februari 2021 (ABRvS 202002829/2/R2): Awb, Wro; vovo, bpl, landhuiskavels/nieuwe natuur, belanghebbenden, NNB/provinciale verordening
* 9 februari 2021 (ABRvS 202100041/2/R4): Awb, Wm, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, niet melden ongewoon voorval, biomassacentrale, overtreder
* 9 februari 2021 (CBb 19/1414, 19/345, 19/1395, 19/1424, 19/1405, 19/1361, 19/1288, 19/880 en 19/1362): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, EP/geen sprake van individuele en buitensporige last, knelgevallenregeling, voorzienbaarheid, bevoegdheid, EVRM, Nitraatrichtlijn, startersregeling, herstart, melding
* 9 februari 2021 (CBb 19/274, 19/1686, 20/385, 19/1602, 19/518, 19/1360, 19/320, 18/1860 en 19/1610): Awb, Lbw; heffing/bonus, fosfaatreductieplan, geen strijd EP/geen individuele buitensporige last, duur procedure/EVRM
* 8 februari 2021 (Rb Rotterdam ROT 20/2045 en ROT 20/2265): Awb, Ww, Gmw; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, sluiting pand en staken bewoning, belanghebbenden, brandveiligheid, Bouwbesluit, EVRM
* 5 februari 2021 (Rb Rotterdam ROT 20/2066): Awb, Opiumwet, Gmw; handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid
* 5 februari 2021 (Rb Gelderland AWB 20/6572): Awb, Wabo; vovo, handhaving, preventieve last onder dwangsom, bewerken van grond, geen vergunning, terrein van hoge archeologische waarde
* 4 februari 2021 (Rb Amsterdam AMS 18/6401): Awb, Gmw; ligplaatsenvergunningen, aantal exploitatievergunningen/schaarsheid, verordening
* 4 februari 2021 (Rb Noord-Holland HAA 19/5282): Awb, Opiumwet, Gmw; handhaving, sluiting woning, hennepplantage, woning en gebouw /e/en geheel, bevoegdheid
* 4 februari 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 21/166): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, hennepteelt in schuurtje, bevoegdheid
* 4 februari 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 21/186): Awb, Gmw; vovo, handhaving, inbeslagname van twee herdershonden, openbare orde, bevoegdheid
* 4 februari 2021 (ABRvS 202006426/2/R2): Awb, Wro; vovo, bpl, woningen nabij spoorlijn en verkeersweg, Bro/Ladder/behoefte, NNB/bomen, soortenbescherming/Wnb, m.e.r.-plicht
* 3 februari 2021 (Rb Den Haag SGR 21/455 BESLU en SGR 21/456 BESLU): Awb, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom/invordering, plaatsing puincontainer op openbare weg, APV, geen vergunning, overtreder
* 3 februari 2021 (Rb Noord-Holland HAA 19/5067): Awb, DHW, Gmw; DHW- en exploitatievergunning, horeca, slecht levensgedrag, Dienstenrichtlijn, niet tijdig beslissen
* 3 februari 2021 (EH C-637/18): Niet-nakoming, luchtkwaliteit, systematische en aanhoudende overschrijding van grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) in bepaalde zones in Hongarije, passende maatregelen
* 2 februari 2021 (CBb 18/2948): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, EP/geen sprake van individuele en buitensporige last
* 2 februari 2021 (Hof Amsterdam 23-001955-18, 23-001956-18, 23-001957-18 en 23-004269-18 ): WSr, Ffw, Wwm, WED; doden, vervoeren en onder zich hebben van wild zwijn/vos, verhouding Ffw/Wnb, kleurloze opzet
* 2 februari 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 20/1055, 20/1318, 20/1215, 20/1177, 20/1167 en 20/1169): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, tijdelijke geldkiosk, parkeren, privacy, verkeersveiligheid
* 2 februari 2021 (Rb Amsterdam AMS 20/7044 en AMS 21/442): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor kappen bomen, bomenverordening, natuurwaarde, leefbaarheid
* 1 februari 2021 (Rb Amsterdam AMS 20/625): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken van bouw- en bestemmingsregels, uitbreiding hotel, overnachtingsbeleid, motivering
* 28 januari 2021 (Rb Limburg AWB 20/829): Awb, Opiumwet, Gmw; handhaving, sluiting woning, hennepteelt, Damoclesbeleid, motivatie
* 27 januari 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 20/1227): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, kantoor/atelier/opslagruimte, parkeren
* 26 januari 2021 (Hof Arnhem-Leeuwarden 19/01320): Awb, AWR; leges, omgevingsvergunning, bij termijn bpl/beheersverordening wordt niet naar inhoud gekeken
* 20 januari 2021 (Rb Den Haag SGR 19/5135): Awb, Ww, Gmw; handhaving, zeer spoedeisende bestuursdwang, woning vol met spullen, brandveiligheid, vuurbelasting, Bouwbesluit, kostenverhaal
* 15 januari 2021 (Rb Rotterdam 8679810 CV EXPL 20-26521): BW; ernstige en structurele overlast, ontbinding huurovereenkomst
* 12 januari 2021 (Rb Den Haag SGR 20/6479 en SGR 20/6776): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en maken uitweg, woningen en brug met uitwegen
* 21 december 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 19/4329): Awb; aanwijzing als gemeentelijk monument, erfgoedverordening
* 21 december 2020 (Rb Den Haag SGR 20/6597): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, bakkerij, intensivering, functiemengingsstrategie, woon- en leefklimaat, VNG-brochure, geluid, motivering
* 18 december 2020 (Rb Amsterdam 81.169149.20 en 81.274881.20): WSr, Wvvs, WED; varen met schip, gebruik van brandstofolie met te hoog zwavelgehalte, MARPOL, ISO-methode 8754 (2003) of EN ISO 14596:2007, Bvvs
* 16 december 2020 (Rb Den Haag SGR 20/7426): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, uitbreiding dierenkliniek, welstand, bezonning, parkeren
* 27 november 2020 (Rb Limburg AWB 18/2167): Awb, Msw; boete, mestverwerkingsplicht, bevoegdheid
* 26 november 2020 (Rb Den Haag SGR 20/2504): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, woningen, vvgb
* 22 oktober 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/4920): Awb, Wro; planschade, overgangsbepalingen, compensatie in natura of anderszins verzekerd
* 8 september 2020 (Hof Den Haag 200.250.354/01): BW; onrechtmatig handelen gemeente, onjuiste mededelingen over noodzakelijkheid vrijstellingsprocedure bij aanvragen van bouwvergunning, vergoeding kosten
* 31 augustus 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/2693 en UTR 20/2694): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen, geen strijd met provinciale verordening
* 31 augustus 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/4531): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, onderkeldering woning, geen strijd met bpl

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

# 10 februari 2021 (ABRvS 201905298/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en milieu, veehouderij, nieuwe stallen, geurgevoelig object, luchtwasser/rendement, Wgv, BBT/geurbeheersplan, rendementsmeting (Rb Overijssel 18/2211)
3.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 13 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ1290), is voor de kwalificatie van een gebouw als geurgevoelig object bepalend of sprake is van langdurige blootstelling van personen in dat gebouw aan geurhinder.
3.3.    Het betoog faalt. Daargelaten of in het StAB-advies een volledig beeld is gegeven van het gebruik van het verenigingsgebouw, is ook in het door Mob en anderen aangevoerde gebruik geen grond gelegen voor het oordeel dat langdurig in dat gebouw wordt verbleven. De vergelijking met de tijdelijke leegstand van woningen kan Mob en anderen voorts niet baten, omdat Mob en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat het verenigingsgebouw ten tijde van belang door omstandigheden tijdelijk minder intensief werd gebruikt. Gelet daarop heeft de rechtbank terecht overwogen dat het verenigingsgebouw geen geurgevoelig object is als bedoeld in de Wgv en dat de geurbelasting ter plaatse om die reden niet relevant is voor de beoordeling van het geschil. Omdat het betoog faalt, gaat de Afdeling voorbij aan de ter zitting door [appellante sub 2] opgeworpen vraag of Mob en anderen zich, gezien het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste, kunnen beroepen op geurnormen voor het gebouw van de hondendressuurvereniging, indien dat gebouw een geurgevoelig object zou zijn.
6.1.    De StAB is met haar conclusie dat BBT 28 aanleiding geeft om in elke situatie een eenmalige geurrendementsmeting te verlangen, omdat de bedrijfsomstandigheden in elke stal uniek zijn, voorbijgegaan aan de in BBT 28 vermelde uitzondering op de eenmalige rendementsmeting in het geval al een controle heeft plaatsgevonden in combinatie met een soortgelijk stalsysteem in soortgelijke bedrijfsomstandigheden. De op de website van Kenniscentrum Infomil gepubliceerde toelichting bij de BBT-conclusies vermeldt dat de in onderdeel a van BBT 28 beschreven techniek niet is gericht tot de individuele veehouder, omdat die techniek wordt uitgevoerd ten aanzien van alle luchtzuiveringsinstallaties voordat ze in onder meer de Regeling ammoniak en veehouderij worden opgenomen. Door meerdere stallen met luchtzuiveringsinstallaties volgens standaardmethoden te bemeten en de bemeten luchtzuiveringsinstallatie gedetailleerd te beschrijven in de stalbeschrijving, zijn de metingen representatief voor andere stallen met luchtzuiveringsinstallaties, aldus die toelichting. Het voor het houden van varkens vergunde stalsysteem is opgenomen in bijlage 1 van de Regeling ammoniak en veehouderij. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de in BBT 28 genoemde uitzondering op de eenmalige rendementsmeting in dit geval niet van toepassing is. De rechtbank heeft ten onrechte onder verwijzing naar het StAB-advies geoordeeld dat aan de omgevingsvergunning alsnog het voorschrift moet worden verbonden dat een eenmalige rendementsmeting aan de luchtwasser moet plaatsvinden.

* 10 februari 2021 (ABRvS 201904957/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, mestbassin en hekwerk bij veehouderij, belanghebbende, vvgb, provinciale omgevingsverordening, landschappelijke inpassing  (Rb Noord-Nederland 18/3096)
3.5.    Met artikel 1:2, derde lid, van de Awb heeft de wetgever blijkens de totstandkomingsgeschiedenis (Kamerstukken II 1988/1989, 21 221, nr. 3, p. 32-35) veilig willen stellen dat organisaties als belanghebbende kunnen opkomen, mits een algemeen of collectief belang dat zij zich statutair ten doel stellen te behartigen en waarvoor zij zich daadwerkelijk inzetten, bij het besluit rechtstreeks is betrokken. Het belang dat de Vereniging blijkens haar statuten ten doel stelt te behartigen, is het in stand houden en bevorderen van de leefbaarheid in de ruimste zin van het woord in de dorpen Nieuw Scheemda en ’t Waar. Deze doelstelling is gericht op het behartigen van algemene belangen als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb. Verder stelt de Afdeling vast dat het gebied waarop het bestreden besluit betrekking heeft, namelijk het perceel achter Hoofdweg 22 te ’t Waar, binnen het in de statuten omschreven werkgebied van de Vereniging valt. Voor zover het college in dit kader heeft aangevoerd dat het bestreden besluit hier niet binnen zou vallen, omdat het perceel buiten de bebouwde kom van ’t Waar ligt, neemt de Afdeling aan dat het in de doelstelling genoemde werkgebied van de Vereniging zich niet beperkt tot de bebouwde kom. Daarbij stelt de Afdeling vast dat het plaatsen van een mestbassin en de bouw van een hekwerk ook binnen de reikwijdte van de statutaire doelstelling valt.

Naast het doel van de Vereniging is van belang of de Vereniging feitelijke werkzaamheden verricht met het oog op de behartiging van haar doelstelling. Gebleken is dat de feitelijke werkzaamheden bestaan uit het op reguliere basis voeren van overleg met de gemeente over allerlei onderwerpen die de leefbaarheid in de dorpen in algemene zin betreffen, zoals vormgeving van burgerparticipatie en de werkwijze bij vergunningverlening en handhaving, maar ook over onderwerpen als de dorpsschouw, verpaupering, de formulering van een omgevingsvisie en de bespreking van een concept-bestemmingsplan. Daarnaast voert de Vereniging specifieke werkzaamheden met een landschappelijk element uit, zoals een jaarlijkse schoonmaakronde en het realiseren van wandel- en fietsmogelijkheden in en om het dubbeldorp.

Gelet op het doel van de Vereniging in samenhang met de hiervoor beschreven feitelijke werkzaamheden die zij verricht, is de Afdeling van oordeel dat zij belanghebbende is bij het bestreden besluit, omdat aannemelijk is dat het daarbij vergunde project nadelige gevolgen kan hebben voor de leefbaarheid in het dorp ‘t Waar. Daarbij merkt de Afdeling op dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit de statuten van de Vereniging noch uit de door de Vereniging feitelijk verrichte werkzaamheden blijkt dat het procederen tegen de verlening van individuele omgevingsvergunningen een belang is dat de Vereniging in het bijzonder behartigt. Een dergelijke eis kan niet worden gesteld aan de statutaire doelstelling en de feitelijke werkzaamheden van een vereniging of een stichting. Vergelijk ook de door de Vereniging genoemde uitspraken van de Afdeling van 27 januari 2016 en 15 februari 2012. Gelet op het voorgaande is de Vereniging belanghebbende bij het bestreden besluit, zodat niet van belang is op welke afstand de dichtstbijzijnde individuele omwonende woont.

* 4 februari 2021 (Rb Amsterdam AMS 18/6401): Awb, Gmw; ligplaatsenvergunningen, aantal exploitatievergunningen/schaarsheid, verordening
2.3.   De rechtbank overweegt als volgt. In de uitspraak van 2 november 2016 heeft de Afdeling overwogen dat zij de conclusie van de staatsraad advocaat-generaal van 25 mei 2016 deelt, dat in het Nederlands recht een rechtsnorm geldt die ertoe strekt dat bij de verdeling van schaarse vergunningen door het bestuur op enigerlei wijze aan potentiële gegadigden ruimte moet worden geboden om naar de beschikbare vergunningen mee te dingen. Uit deze rechtsnorm vloeit voort dat schaarse vergunningen in beginsel niet voor onbepaalde tijd, maar alleen tijdelijk kunnen worden verleend. In de conclusie van de staatsraad advocaat-generaal wordt onder schaarse vergunningen het volgende verstaan:

“Schaarse vergunningen zijn een species van het genus schaarse publieke rechten. Tot de groep van schaarse publieke rechten behoren behalve vergunningen, andere schaarse overheidstoestemmingen, zoals concessies, ontheffingen of vrijstellingen, schaarse verhandelbare publieke rechten, zoals emissierechten of quota, en schaarse subsidies of andere financiële aanspraken. […]

Volgens een algemeen (en ook door mij) gehanteerde definitie is sprake van schaarse publieke rechten “als de som van de omvang van de aanvragen het aantal beschikbare publieke rechten overtreft”. […] Deze definitie impliceert dat het aantal beschikbare publieke rechten beperkt is en dat voor wat betreft het aantal te verlenen rechten een maximum of plafond bestaat. Dat plafond kan voortvloeien uit de schaarste aan beschikbare natuurlijke hulpbronnen (fysieke schaarste) of aan bruikbare technische mogelijkheden (technische schaarste), maar kan ook om beleidsmatige redenen worden vastgesteld.”

Voorts heeft de Afdeling verder overwogen in de uitspraak van 2 november 2016 dat doorgaans dit plafond in een getal zal worden uitgedrukt dat kan zijn neergelegd in een wettelijk voorschrift of op basis van dat wettelijk voorschrift worden vastgesteld. Een plafond kan echter ook zijn ‘verstopt’ en dus niet expliciet worden genoemd.

2.4.   De rechtbank stelt vast dat in de hiervoor door verweerder genoemde uitspraken van de Afdeling (rov. 2.2.), de Afdeling heeft geoordeeld dat uit het Instellingsbesluit volgt dat voor het aantal te verlenen ligplaatsvergunningen in vergunningengebied [locatie] (het [naam] is daar onderdeel van) een plafond bestaat en dat het college zich reeds om die reden op het standpunt heeft gesteld dat er sprake is van beleidsmatige schaarste en dat de aangevraagde ligplaatsvergunning dus een schaarse vergunning is. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat de beleidsmatige schaarste niet geldt voor passagiersvaartuigen omdat hiervoor een uitzondering is opgenomen in het Instellingsbesluit onder III. De rechtbank is van oordeel dat uit het Instellingsbesluit volgt dat ook een plafond bestaat voor ligplaatsvergunningen voor passagiersvaartuigen. Daarbij is van belang dat op basis van de conclusie van de staatsraad advocaat-generaal een plafond ook meer ‘verstopt’ kan zijn en dus niet expliciet wordt genoemd in een wettelijk voorschrift. In het Instellingsbesluit is onder nummer III weliswaar een uitzondering gemaakt voor passagiersvaartuigen, maar er staat ook dat ligplaatsvergunningen voor passagiersvaartuigen alleen kunnen worden verleend indien ook een exploitatievergunning is verleend. In samenhang gelezen met artikel 3.1.1, eerste lid, van de Regeling op het binnenwater 2020, waarin staat dat verweerder ten hoogste 550 exploitatievergunningen kan verlenen, volgt hieruit dat ook voor passagiersvaartuigen een maximum aantal ligplaatsvergunningen kan worden verleend, nu deze twee typen vergunningen onder nummer III aan elkaar zijn gekoppeld. Als er een plafond is voor de exploitatievergunningen, dan is deze er ook voor de ligplaatsvergunningen voor passagiersvaartuigen, nu slechts een ligplaatsvergunning kan worden verleend als er een exploitatievergunning is verleend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de aangevraagde ligplaatsvergunningen schaarse vergunningen zijn. Nu de rechtbank van oordeel is dat er een beleidsmatige schaarste is voor ligplaatsvergunningen voor passagiersvaartuigen, kunnen de gronden over de fysieke schaarste buiten bespreking blijven, waaronder de vraag of verweerder de fysieke schaarste voldoende heeft onderbouwd en het argument over de privaatrechtelijke gebruiksovereenkomst.
3.3.  De rechtbank overweegt dat in de conclusie van de staatsraad advocaat-generaal van 25 mei 2016 staat dat er voor de tijdelijkheid van een vergunning principieel minder reden bestaat indien een vergunning geen betrekking heeft op een economische activiteit, omdat van een onevenredige bevoordeling van gegadigden in economische zin geen sprake is. Op grond van artikel 2.4.1, eerste lid, van de Verordening op het Binnenwater 2010 (Vob) is het verboden, zonder of in afwijking van een vergunning van verweerder met een bedrijfsvaartuig ligplaats in te nemen. De vergunning is persoons-, ligplaats-, bedrijfs- en vaartuiggebonden. In de toelichting op artikel 2.4.1 van de Vob staat dat bedrijfsvaartuigen gericht moeten zijn op het uitoefenen van watergebonden activiteiten om voor vergunning in aanmerking te komen. Vaststaat dat de rondvaartboten van eiseres worden ingezet voor het vervoeren van passagiers tegen betaling. Omdat uit de toelichting op artikel 2.4.1 van de Vob volgt dat een ligplaatsvergunning alleen voor een economische activiteit wordt verleend en met de rondvaartboten van eiseres economische activiteiten worden verricht, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de ligplaatsvergunningen, vergunningen zijn voor een economische activiteit. Nu de aangevraagde ligplaatsvergunningen schaarse vergunningen zijn voor een economische activiteit, heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat die in beginsel niet voor onbepaalde duur kunnen worden verleend. Deze grond faalt dan ook.

* 4 februari 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 21/186): Awb, Gmw; vovo, handhaving, inbeslagname van twee herdershonden, openbare orde, bevoegdheid
3.2.   De voorzieningenrechter overweegt dat ten tijde van de inbeslagname geen sprake was van een actuele overtreding van een wettelijk voorschrift. Wel had zich een onaanvaardbare inbreuk op de orde en rust voorgedaan, te weten het opjagen door de herdershonden van schapen en het ernstig verwonden van deze dieren door de herdershonden (zie 2.4). Veel omwonenden hebben dit ook als een ernstige inbreuk ervaren (zie 2.5).

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder op goede gronden aangenomen dat de vrees bestond voor een nieuwe verstoring van de openbare orde. Verzoekers hebben de herdershonden immers veelvuldig buiten het eigen erf los laten lopen (zie 2.3) terwijl gesprekken over incidenten met honden van verzoekers en maatregelen daartegen er niet toe hebben geleid dat dergelijke incidenten zich niet meer hebben voorgedaan (zie 2.2, 2.3 en 2.4). Dit laatste betekent voorts dat een lichtere maatregel, zoals een aanlijn- een muilkorfgebod, naar verwachting niet doeltreffend zou zijn. De voorzieningenrechter merkt de inbeslagname daarom aan als subsidiair en proportioneel.

3.3.   Het voorgaande betekent dat verweerder bevoegd was tot inbeslagname over te gaan. Hetgeen verzoekers verder hebben aangevoerd, vormt evenmin grondslag voor het treffen van een voorlopige voorziening.

  1. De voorzieningenrechter overweegt voorts dat de AbRS in bovengenoemde uitspraak van 20 mei 2020 ook heeft uitgesproken dat blijvende inbeslagname van een hond niet gebaseerd kan worden op de lichte bevelsbevoegdheid van artikel 172, derde lid, van de Gmw. Dit betekent dat verweerder voortvarend op zoek moet gaan naar een definitieve oplossing voor het probleem met de twee herdershonden. De uitkomsten van het gedragsonderzoek dat verweerder wil laten uitvoeren, kunnen hiervoor een goede basis vormen. Vervolgens dienen partijen in overleg te treden, waarbij verzoekers, anders dan voorheen, de daadwerkelijke bereidheid dienen te tonen om nu wel een einde te maken aan incidenten met hun honden en de benodigde maatregelen te treffen.

    * 2 februari 2021 (Hof Amsterdam 23-001955-18, 23-001956-18, 23-001957-18 en 23-004269-18 ): WSr, Ffw, Wwm, WED; doden, vervoeren en onder zich hebben van wild zwijn/vos, verhouding Ffw/Wnb, kleurloze opzet
    Ten tijde van de ten laste gelegde feiten was de Ffw van toepassing. De strafbaarstelling van de in de artikelen 9, 12, 13, 16 en 72, vijfde lid, Ffw neergelegde verboden was in 2015 als volgt geregeld. Een overtreding van artikel 9 Ffw (doden en vangen van inheemse beschermde diersoorten) was strafbaar gesteld in artikel 1a, aanhef en onder 2° van de Wet op de economische delicten (hierna: WED). Overtreding van artikel 13, eerste lid, Ffw (bezit van en handel in beschermde inheemse en uitheemse diersoorten) en artikel 12 Ffw (rapen van eieren van dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort) was strafbaar gesteld in artikel 1a, aanhef en onder 1° WED. Voor zover zij opzettelijk waren begaan, waren deze economische delicten op grond van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, WED misdrijven. Overtreding van het in artikel 16 Ffw neergelegde verbod (dragen van een geweer tenzij degene daartoe gerechtigd was) en overtreding van het verbod van artikel 72, vijfde lid, Ffw (vangen/doden van dieren met niet toegelaten middelen) was strafbaar gesteld in artikel 1a, aanhef en onder 3° van de WED. Op grond van het bepaalde in artikel 2, vierde lid, WED waren die delicten overtredingen.

De Ffw is per 1 januari 2017 vervangen door – voor zover voor deze zaak van belang – de Wnb. Ten aanzien van wat strafbaar was gesteld in de artikelen 9, 12, 13, 16 en 72, vijfde lid, Ffw is het volgende van belang.

De Wnb kent drie beschermingsregimes, te weten:

  • vogels (artikel 3.1-3.4 Wnb),
  • diersoorten, genoemd in bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn (artikel 3.5-3.9 Wnb) en
  • nationale diersoorten opgenomen in bijlage 1, onderdeel A bij de Wnb (artikel 3.10-3.11 Wnb).

Het verbod van doden en vangen van artikel 9 Ffw is ondergebracht in artikel 3.1, eerste lid, Wnb (vogels), 3.5 eerste lid, Wnb (diersoorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn) en 3.10, eerste lid, aanhef en onder a Wnb (nationale diersoorten van bijlage 1 van de Wnb). Het verbod op het rapen van eieren van artikel 12 Ffw en het onder zich hebben van eieren van artikel 13 Ffw zijn thans opgenomen in artikel 3.1, derde lid, Wnb. Het verbod van bezit en handel van artikel 13 Ffw (met uitzondering van het verbod op het onder zich hebben van eieren) is ondergebracht in artikel 3.2, eerste en zesde lid, Wnb (vogels), artikel 3.6, eerste en tweede lid, Wnb (diersoorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn) en artikel 3.38 Wnb juncto artikel 3.25 Besluit natuurbescherming (diersoorten opgenomen in bijlage 1 bij dit besluit).

Het verbod op het dragen van een geweer tenzij degene daartoe gerechtigd was van artikel 16 Ffw is thans opgenomen in artikel 3.27 Wnb. Tot slot is het verbod van artikel 72, vijfde lid, Ffw, juncto artikel 7 Besluit beheer en schadebestrijding dieren, het verbod op het vangen of doden van dieren met andere dan de bedoelde middelen of in strijd met de toestemming of regels, opgenomen in artikel 3.26 Wnb juncto artikel 3.13, vierde lid, Besluit natuurbescherming.

In de artikelen 3.1 (met uitzondering van het derde lid: het verbod op rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid van dat artikel), 3.5 en 3.10 van de Wnb, de bepalingen met betrekking tot het doden en vangen van alle voornoemde diersoorten, is “opzettelijk” opgenomen in de delictsomschrijvingen. Deze artikelen zijn thans strafbaar gesteld in artikel 1a, aanhef en onder 1° WED. Voor zover zij opzettelijk zijn begaan, zijn deze economische delicten op grond van artikel 2, eerste lid, WED misdrijven. Nu opzet in de delictsomschrijvingen is opgenomen, is niet opzettelijk handelen in strijd met deze bepalingen niet langer strafbaar. Dit blijkt ook uit de memorie van toelichting, die inhoudt dat alleen opzettelijke handelingen zijn verboden. Anders gezegd is de overtredingsvariant in de nieuwe wet niet meer strafbaar. Ten aanzien hiervan is dan ook sprake van een gewijzigd inzicht van de wetgever, maar ten aanzien van de misdrijfvariant niet.

In de artikelen 3.1, derde lid, 3.2, eerste en zesde lid, 3.6, eerste en tweede lid, 3.26, 3.27 en 3.38 Wnb en de artikelen 3.13, vierde lid, en 3.25 van het Besluit natuurbescherming, is opzet – net als in de Ffw – niet opgenomen in de delictsomschrijvingen. Schending van deze artikelen is strafbaar gesteld in artikel 1a, aanhef en onder 1°, 2° en 3° WED. Voor de economische delicten onder 1° en 2° geldt op grond van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, WED dat zij misdrijven zijn voor zover zij opzettelijk zijn begaan. Voor de economische delicten onder 3° geldt dat zij overtredingen zijn op grond van het bepaalde in artikel 2, vierde lid, WED. Voor deze feiten blijft zowel de overtredingsvariant als de misdrijfvariant dus strafbaar en is geen sprake van gewijzigd inzicht van de wetgever ten aanzien van de strafbaarheid.

Vervolgens is de vraag aan de orde of het woord “opzettelijk” in de voornoemde bepalingen de betekenis heeft van “boos opzet”, zoals de rechtbank heeft overwogen, of van “kleurloos opzet”.

De onderhavige delicten zijn economische delicten. Dit brengt mee dat voor het bewijs van opzet “kleurloos opzet” voldoende is. Hieronder wordt verstaan opzet op de ten laste gelegde gedraging. Opzet op de wederrechtelijkheid behoeft slechts te bestaan indien in de tenlastelegging is opgenomen dat de verdachte “opzettelijk wederrechtelijk” heeft gehandeld. Dat is in deze zaak niet ten laste gelegd. Er is geen aanwijzing dat de wetgever heeft beoogd bij de invoering van de Wnb van dit systeem af te wijken. Integendeel, in de memorie van toelichting is opgemerkt dat aansluiting is gezocht bij de internationale wetgeving, dat niet opzettelijke handelingen niet langer strafbaar zijn, maar dat geen sprake is van een breuk met de systematiek van de overige milieudelicten in de WED.

STAB verzorgt de jurisprudentie voor STAB OGR updates

Peter Willems, adviseur bij STAB, schreef een noot bij twee uitspraken van de Afdeling van 23 december 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:3066 en ECLI:NL:RVS:2020:3068) over passieve risicoaanvaarding bij planschade. Zie STAB OGR Updates.

Samenvattingen van jurisprudentie op STAB-site
Op de website van STAB wordt recente jurisprudentie ook samengevat.
De volgende uitspraken zijn deze week nieuw geplaatst:
ABRvS 20 januari 2021 Toetsingskader voor intrekking van een natuurvergunning.
ABRvS 13 januari 2021 Toetsingskader voor een projectplan op grond van artikel 5.5 van de Waterwet.
Rb Rotterdam 24 december 2020 Beoordeling van verrichte geluidmetingen, representativiteit, tonaal karakter, stoorgeluid.