Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 17 maart 2021 (ABRvS 202004906/1/R4): Awb, Wro; bpl, woningen
* 17 maart 2021 (ABRvS 202004858/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor aanpassen monument, aanpassen dak, herstelbesluit, welstand
* 17 maart 2021 (ABRvS 202004411/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, bestaande bedrijfswoning naar burgerwoning, grens bebouwde kom (Rb Noord-Holland 19/5677)
* 17 maart 2021 (ABRvS 202004177/1/R1): Awb, Waterwet; projectplan, waterberging, Chw, bevoegdheid (Rb Oost-Brabant 19/2154)
* 17 maart 2021 (ABRvS 202003531/1/R1 en 202003994/1/R1): Awb, Wm; vaststellen locatie ondergrondse restafvalcontainer, divers
* 17 maart 2021 (ABRvS 202003139/1/R2): Awb, Wro; bpl, herstelbesluit, Minister, belanghebbende, obstakelbeheergebied van militaire luchtvaartterrein, Barro , motivering
* 17 maart 2021 (ABRvS 202003128/1/A3): Awb, Hvw; bestuurlijke boete, omzetting zonder vergunning, verordening (Rb Amsterdam 19/4156)
* 17 maart 2021 (ABRvS 202002842/1/R4): Awb, Wm; melding vuurwerkshow, brandweer, kans op natuurbrand, bestuurlijk rechtsoordeel, Vuurwerkbesluit, besluit, ontvankelijkheid
* 17 maart 2021 (ABRvS 202002830/1/A3): Awb, DHW, Gmw; intrekking DHW- en exploitatievergunning, Wet Bibob, samenwerkingsverband (Rb Rotterdam 18/3627)
* 17 maart 2021 (ABRvS 202002440/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en aanpassen monument, vervanging glas-in-loodraam, beleidskader, adviezen CRK en RCE, belang monumentenzorg (Rb Amsterdam 19/359 en 19/366)
* 17 maart 2021 (ABRvS 202002395/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl, maken uitrit en aanpassen monument, verbouwing/sloop postkantoor en nieuwebouw woningen, parkeren, beleidsregeling/bijzonder vrijstelling, hoogbouw, bezonning (Rb Rotterdam 19/3763 19/3799 19/3819)
* 17 maart 2021 (ABRvS 202001662/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, verbouwing woning met kelder, uitbouw en balkons, beleidsregel, welstand(Rb Amsterdam 19/2030)
* 17 maart 2021 (ABRvS 202000639/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, opslag in schuren, provinciaal beleid, motivering  (Rb Gelderland 18/4537 en 18/4540)
* 17 maart 2021 (ABRvS 202000284/1/R4): Awb, Wm; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, doos naast afvalcontainer, afvalstoffenverordening, overtreder
* 17 maart 2021 (ABRvS 202000193/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, moskee, Ladder/Bro, stedelijke ontwikkeling, hernieuwd besluit, parkeren, verkeersveiligheid (Rb Zeeland-West-Brabant 19/5042, 19/5043, 19/5065 19/5083)
* 17 maart 2021 (ABRvS 201909044/1/R3): Awb, Wabo; handhaving, schutting, voorgevelrooilijn, geringe overtreding (Rb Noord-Nederland 19/897)
* 17 maart 2021 (ABRvS 201908978/1/R1): Awb, Wro; bpl, camping, persoonsgebonden overgangsregeling, permanente bewoning, tussenuitspraak
* 17 maart 2021 (ABRvS 201908914/1/A2): Awb, Wro; planschade (Rb Midden-Nederland  18/3199)
* 17 maart 2021 (ABRvS 201908739/1/R1): Awb, Wm, Gmw; handhaving, stilleggen activiteit/dwangsom, aanbrengen leeflaag op saneringslocatie, bevoegdheid, Bbk, bodemvreemd materiaal, verbindendheid, Bouwbesluit, zorgplicht
* 17 maart 2021 (ABRvS 201908586/1/R3): Awb; invordering dwangsommen, afvalverwerking, overtreding milieuvergunning en Activiteitenbesluit en – regeling (Rb Noord-Nederland 19/1470)
* 17 maart 2021 (ABRvS 201908328/1/R3): Awb, Wro; weigering uitwerkingsplan vast te stellen, verplaatsen bedrijf en bouwen woningen, bevoegdheid uitwerken, vertrouwensbeginsel
* 17 maart 2021 (ABRvS 201908114/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken, bouwwerken op dierenweide, herstelbesluit, belanghebbenden, grondslag/Bor
* 17 maart 2021 (ABRvS 201907972/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning van rechtswege voor bouwen, kinderdagverblijf in voormalige kantoorruimte, geen strijd met bpl (Rb Midden-Nederland 19/170)
# 17 maart 2021 (ABRvS 201907328/1/R4): Awb, Wabo, Wm; handhaving, veehouderij, overtredingen milieu, spuiwater, asbest, luchtwasser (Rb Oost-Brabant 18/770)
* 17 maart 2021 (ABRvS 201907258/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, woning, relatie bpl, bouwhoogte, overkapping, nokrichting (Rb Overijssel 18/2306)
* 17 maart 2021 (ABRvS 201905907/1/R4): Awb, Wbr; vergunning, energielaadpunt bij tankstation, doelmatig en veilig gebruik
# 17 maart 2021 (ABRvS 201905866/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning (Rb Noord-Nederland 17/1918, 17/2020 en 19/735): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, werk en milieu, veehouderij, herstelbesluit, beheersverordening, geluid, loeien van koeien/maximale geluidniveaus, geur, welstand, inpassing sleufsilo’s
* 17 maart 2021 (ABRvS 201905823/1/R1): Awb, Wro; bpl, jachthaven met servicebedrijven, evenementen, parkeren, verkeersveiligheid, stofemissies, geluid, milieucategorie, stikstof/relativiteit, motivering, latere onderzoeken
* 17 maart 2021 (ABRvS 201903671/1/A2): Awb; schadevergoeding, Tracébesluit, hernieuwd besluit
* 17 maart 2021 (ABRvS 201902698/2/R3): Awb, Wro; bpl, zorginstelling/recreatiewoning, geluid, VNG-brochure, EVRM, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 17 maart 2021 (ABRvS 201807685/1/R2): Awb, Wro; bpl, buitengebied, logistiek centrum agrarische producten . provinciale verordening, structuurvisie, verkeer, geluid, gewasbescherming, compost, Ladder/Bro, Natura 2000/relativiteit
# 17 maart 2021 (ABRvS 201805632/1/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en milieu, biomineralenfabriek, IPPC/bevoegd gezag, vooringenomenheid, Nbw, m.e.r.-plicht, geur, hedonische waarde, beleidsregel, NTA 9065, luchtwassysteem, motivering  (Rb Zeeland-West-Brabant 17/8124, 17/8126, 17/8143, 17/8144, 17/8145, 17/8146, 17/8147, 17/8149, 18/333, 18/357 en 18/370)
* 16 maart 2021 (ABRvS 202003472/2/R2 en 202004196/2/R2): Awb, Wro; vovo, bpl-en, verkeersweg, geen spoedeisend belang, aandachtspunten
* 16 maart 2021 (ABRvS 202003999/3/R4): Awb, Mbw; vovo, instemming gaswinningsplan, belanghebbendheid, nadelige gevolgen voor het milieu
* 16 maart 2021 (CBb 19/1746, 19/1751, 19/1356, 19/1782, 19/803, 19/799, 19/348, 19/1854, 19/1829, 19/1313, 19/1768 en 19/1838): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, EP/geen sprake van individuele en buitensporige last, knelgevallenregeling, startersregeling, voorzienbaarheid, bevoegdheid, EVRM, peildatum, Nitraatrichtlijn, dierziekte, schadevergoeding, bedrijfsverplaatsing, zelf in de zaak voorzien
* 16 maart 2021 (CBb 19/1709, 19/1649, 20/711, 19/1601, 19/1631, 18/314, 19/1636, 19/1638, 19/1605, 19/1604, 19/1603, 19/1773 en 19/1853): Awb, Lbw; heffing/bonus, fosfaatreductieplan, geen strijd EP/geen individuele buitensporige last, duur procedure/EVRM, knelgevallenregeling, hardheidsclausule, MDV-certificaat, zelf in de zaak voorzien
* 15 maart 2021 (ABRvS 202004906/1/R4): Awb, Wro; vovo, bpl, dakopbouwen, omgevingsvergunningen
* 15 maart 2021 (Rb Overijssel 08-997040-18 en 08-994563-18): WSr, WED, Wm; dumpen gevaarlijk chemisch afval, productie van drugs, bodem, gezondheid
* 12 maart 2021 (Rb Amsterdam AMS 20/4800): Awb, Hvw; aanwijzingsbesluit, wijken met verbod op vakantieverhuur, verordening, geen onttrekkingsvergunningen, Wet Toeristische verhuur van woonruimte, bevoegdheid, leefbaarheid
* 12 maart 2021 (HR 19/05224): Awb, AWR; rioolheffing, berekening opbrengstlimiet, toerekenbare lasten, conclusie A-G
* 11 maart 2021 (ABRvS 202004896/2/R2): Awb, Wro; vovo, bpl, transport- en containerverhuurbedrijf, geluid
* 11 maart 2021 (ABRvS 202007050/2/R3): Awb, Wro; vovo, reactieve aanwijzing, bpl, detailhandel, provinciale omgevingsverordening, bouwmarkt/tuincentrum, bvo
* 11 maart 2021 (Rb Rotterdam ROT 19/6244): Awb; invordering dwangsom, overtreding APV, parkeren aanhanger langs de weg, geen uitzonderlijk geval
* 11 maart 2021 (Rb Rotterdam ROT 19/5641): Awb; spoedeisende bestuursdwang, ontmanteling hennepkwekerij, kosten, belanghebbende
* 11 maart 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 21/184 en 21/185): Awb Wnb; vovo en kortsluiten, vergunning, veehouderij, intern salderen, passende beoordeling, emissiefactoren/RAV, wetenschappelijke onderbouwing, bpl/toestemmingsbesluit, vervoersbewegingen
* 11 maart 2021 (Rb Overijssel ZWO 20/1588): Awb; invordering dwangsom, permanente bewoning recreatiewoonschip, strijd met bpl, overgangsrecht, verjaring, bevoegdheid, Wvvw
* 11 maart 2021 (Rb Overijssel AWB 20/1262): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor kappen bomen met herplantplicht, kapverordening, effect analyse, belangenafweging
* 10 maart 2021 (ABRvS 202100171/1/R4 en /2/R4): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor verplaatsen van in- en uitrit/handhaving, dwangsom, APV, beleidsregels, beschermd dorpsgezicht, bouwwerken zonder vergunning (Rb Midden-Nederland 19/5227 en 20/2294)
* 10 maart 2021 (ABRvS 202002344/2/R2): Awb, Wro; vovo, bpl, uitspraak in beroep gedaan
* 10 maart 2021 (Rb Overijssel AWB 20/571 en AWB 20/572): Awb; rauwelijks toepassen van bestuursdwang, spoedeisendheid, opslag afvalstoffen, bevoegdheid, ontbreken begunstigingstermijn, kosten, vervallen titel
* 10 maart 2021 (Rb Limburg AWB 21/611): Awb, Gmw; vovo, handhaving, last onder dwangsom, overtreding APV, parkeren te lange en te hoge oplegger, geen bijzondere omstandigheden
* 9 maart 2021 (Rb Overijssel 9019302 \ CV EXPL 21-542): BW; ontruiming huurwoning, voortdurende en onrechtmatige geluidsoverlast
* 9 maart 2021 (Rb Rotterdam ROT 21/518): Awb, Gmw; vovo, exploitatievergunning met openingstijden, coffeeshop, APV, nabijheid school, beleid, motivering
* 8 maart 2021 (Rb Limburg AWB/ROE 21/312): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting restaurant en woning, drugs, bevoegdheid, exploitatievergunning, strafrechtelijk onderzoek
* 8 maart 2021 (Rb Limburg AWB/ROE 21/319): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting schuur en woning, drugs, bevoegdheid, samenhangend geheel
* 8 maart 2021 (Rb Limburg AWB/ROE 21/279): Awb, Opiumwet; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid, samenhangend geheel
* 3 maart 2021 (Rb Den Haag SGR 19/4062, 19/4063, 19/2638, 19/4325 en 19/4327): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, studentenkamers, woon- en leefklimaat, huishoudelijk reglement/voorschriften vergunning, convenant/handhaving, motivering, dwangsom
* 3 maart 2021 (Rb Den Haag SGR 20/376): Awb, Gmw; handhaving, tuinderslaan, geen uitweg, APV. Wvw
* 2 maart 2021 (Rb Noord-Holland HAA 19/3994): Awb; aanwijzing als gemeentelijk monument, welstand
* 2 maart 2021 (Rb Den Haag SGR 19/4320 en 20/4201): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor kappen en bouwen, appartementencomplex, vellen en verplaatsen bomen, Chw niet van toepassing, geen strijd met bpl, privacy
* 1 maart 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 20/2049): Awb, AWR; zuiveringsheffing, verordening, NEN-normen, kenbaarheidsvereisten, verbindendheid
* 1 maart 2021 (Rb Amsterdam AMS 19/6137): Awb, Waterwet; vaststelling watergebiedsplan met bijbehorende peilbesluiten, waterkwaliteit
* 1 maart 2021 (Rb Den Haag SGR 19/8101): Awb, Gmw; terrasvergunning, APB, woon- en leefsituatie
* 25 februari 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 19/5343): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, stroken aan weerszijden rondweg, afwijkingsbevoegdheid, geen afwijking dubbelbestemming, Wnb, aanhaakverplichting
* 3 februari 2021 (Rb Den Haag SGR 19/875): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor kappen bomen, ontvankelijkheid
* 26 januari 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 19/1588): Awb, Hvw; splitsingsvergunning, verleende omgevingsvergunning, procesbelang/schade
* 18 januari 2021 (Rb Limburg AWB 20/3463 en AWB 20/2562): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, handhaving, staken huisvesten arbeidsmigranten op vakantiepark, strijd met bpl
* 24 december 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 19/3310): Awb, Wabo; tijdelijke omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, loodsen voor opslaan van toiletwagens, geluid, VNG-brochure, Activiteitenbesluit, welstand
* 11 december 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 20/3008 en 20/2985): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, bungalow, vrees voor schade, Bouwbesluit
* 4 december 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 19/3440): Awb; nadeelcompensatie, wateroverlast, verordening
* 4 december 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 20/69): Awb, Wabo; handhaving, kamerbewoning door arbeidsmigranten, bpl, planregels
* 5 maart 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/4311): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, fitnesscentrum, relatie bpl, bevoegdheid
* 19 november 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 20/1181): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, takel- en bergingsbedrijf en handel in auto’s, bpl, overgangsrecht, activiteiten op openbare weg, verkeersveiligheid, APV
* 5 november 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 19/2899): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, verbouwing zonder vergunning, zicht op legalisatie
* 6 oktober 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/3218 en UTR 20/3370): Awb, Gmw; vovo, exploitatievergunning, tussenuitspraak, levensgedrag/Dienstenrichtlijn
* 8 september 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/5122 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, tijdelijke barbecue in natuurgebied, geur- en geluidsoverlast
* 1 september 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/1590 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl, inrichten minicamping, inpassing
* 1 september 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/4476 ACTMIL): Awb, Wm; maatwerkvoorschriften, Activiteitenbesluit, strandbrasserie, geluid
* 26 augustus 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/5040): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, schutting, strijd met bpl
* 25 augustus 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/5894 HOREC): Awb, Gmw; exploitatievergunning, terrassen bij horeca, APV, bevoegdheid, woon- en leefklimaat, geluid, zelf in de zaak voorzien
* 24 augustus 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/4042 WET): Awb, Wvw; verkeersbesluit, instellen bushalte, belangenafweging
* 24 augustus 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/7117 GEMWT): Awb, Wm; handhaving, supermarkt, Activiteitenbesluit, geluid, niet tijdig nemen besluit, dwangsom
* 6 november 2019 (Rb Noord-Holland LEE 19/3634): Awb, Gmw; nieuwe vovo, inbeslagname hond, APV, bijtincidenten
* 13 september 2019 (Rb Noord-Nederland LEE 19/3083): Awb, Gmw; vovo, inbeslagname hond, APV, bijtincidenten
* 22 augustus 2019 (Rb Noord-Holland  HAA 19/675 en HAA 19/676): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen/handhaving, dwangsom, garage bij woning trekken, niet vergunningvrij, strijd met bpl

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 17 maart 2021 (ABRvS 202002842/1/R4): Awb, Wm; melding vuurwerkshow, brandweer, kans op natuurbrand, bestuurlijk rechtsoordeel, Vuurwerkbesluit, besluit, ontvankelijkheid
2.5.    Tegen een bestuurlijk rechtsoordeel kunnen slechts rechtsmiddelen worden aangewend indien het voor de betrokkene onevenredig bezwarend is om het geschil over de interpretatie van rechtsregels via een beroepsprocedure over een daadwerkelijk besluit bij de bestuursrechter aan de orde te stellen. Slechts in zeer uitzonderlijke situaties wordt een bestuurlijk rechtsoordeel met een besluit gelijkgesteld. De algemene lijn in de jurisprudentie is dat het indienen van een aanvraag voor een vergunning of het afwachten van een besluit omtrent handhaving niet als een onevenredig bezwarende weg kan worden aangemerkt (zie onder 11 van de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1356).

2.6.    Niet is geschil is dat in een geval als dit alleen door het uitlokken van een (preventief) handhavingsbesluit de vraag of sprake is van extreme droogte bij de bestuursrechter aan de orde kan worden gesteld. Naar het oordeel van de Afdeling is dat in dit geval onevenredig bezwarend. De discussie over de vraag of sprake is van extreme droogte zal zich vaak pas kort voor de dag waarop het vuurwerk tot ontbranding wordt gebracht, voordoen, omdat dit afhankelijk is van het weer ter plaatse. [appellante] heeft daarover ter zitting toegelicht dat normaal gesproken in goed overleg met het bevoegd gezag wordt besloten of vuurwerk tot ontbranding kan worden gebracht. Volgens haar zijn haar werknemers goed opgeleid en nemen zij geen onnodige risico’s. De Afdeling acht het gelet op die toelichting aannemelijk dat het probleem van het verkrijgen van duidelijkheid over de vraag of sprake is van extreme droogte zich met name voordoet in gevallen waarin daarover kort voor de geplande dag een reëel verschil van mening bestaat tussen het bevoegd gezag en degene die het vuurwerk tot ontbranding wil brengen. De vuurwerkshow zal in dat geval binnen zo’n korte termijn plaatsvinden dat er geen tijd meer is om een besluit tot handhaving uit te lokken, dat besluit af te wachten en vervolgens eventueel een voorlopige voorziening te vragen bij de bestuursrechter. In dit geval betrof die termijn slechts twee dagen. Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat de e-mail van 5 augustus 2019 moet worden gelijkgesteld met een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De minister heeft het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

* 17 maart 2021 (ABRvS 201908739/1/R1): Awb, Wm, Gmw; handhaving, stilleggen activiteit/dwangsom, aanbrengen leeflaag op saneringslocatie, bevoegdheid, Bbk, bodemvreemd materiaal, verbindendheid, Bouwbesluit, zorgplicht
3.4.    Artikel 87 van de Wet bodembescherming, zoals dit tot 1 januari 2013 luidde, maakt het mogelijk dat beroep wordt ingesteld bij de Afdeling tegen een besluit als bedoeld in artikel 44 van het bbk. Nu, zoals [appellant] onweersproken heeft gesteld, geen beroep is ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van de nota bodembeheer zijn de normen voor bodemvreemd materiaal onherroepelijk.

Naar het oordeel van de Afdeling volgt hieruit echter niet, dat het college bij het nemen van een besluit op bezwaar tegen de primaire besluiten van 9 november 2018 en 25 maart 2019 niet meer bevoegd was om te beoordelen of de normen voor bodemvreemd materiaal en asbest in de nota bodembeheer verbindend zijn te achten, dan wel buiten toepassing moeten worden gelaten. In dit verband is er een zekere overeenkomst met de situatie waarin in het kader van een beroep tegen een omgevingsvergunning de verbindendheid van de betrokken bestemmingsplanregeling aan de orde wordt gesteld (vergelijk de uitspraken van 17 januari 2018, nr. 201609524/1/R6 (ECLI:NL:RVS:2018:134) en 26 februari 2020, nr. 201808323/1/A1 (ECLI:NL:RVS:2020:595).

In de conclusie van Widdershoven is onder 5.7 aangegeven, en in de uitspraak van de Afdeling van 15 november 2006, nr.200600888/1 (ECLI:NL:RVS:2006:AZ2275), is overwogen dat de Awb noch enige andere rechtsregel er aan in de weg staat dat een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit op bezwaar tegen een daarvoor vatbaar besluit beoordeelt of een niet door de formele wetgever gegeven algemeen verbindend voorschrift tot toepassing waarvan het besluit mede strekt, verbindend is te achten, dan wel buiten toepassing moet worden gelaten. Dat standpunt brengt met zich dat het college in dit geval bevoegd is om te beoordelen of de normen voor bodemvreemd materiaal en asbest in de nota bodembeheer strijdig zijn met artikel 44 van het Bbk en deze normen zo nodig onverbindend te achten, dan wel buiten toepassing te laten.
4.2.    Naar het oordeel van de Afdeling biedt artikel 44 van het Bbk alleen de mogelijkheid om lokale maximale waarden vast te stellen voor de bodem, waarop of waarin grond of baggerspecie wordt toegepast. Er is geen grondslag om in aanvulling op het vaststellen van lokale maximale waarden andere normen te stellen. Het in de norm opgenomen beoordelingscriterium “en de functie dit toelaat” en de gestelde onderzoeksverplichting kunnen niet aan een op grond van artikel 44 vast te stellen lokale maximale waarde worden verbonden. Voorts is ook de norm voor asbest ten onrechte opgenomen in de nota bodembeheer. Het in de norm opgenomen criterium dat de toe te passen grond moet zijn ontdaan van visueel waarneembaar asbest kan niet op grond van artikel 44 worden gesteld.

Gezien het vorenstaande heeft het college de normen voor bodemvreemd materiaal en asbest in de nota bodembeheer terecht buiten toepassing gelaten. Daarom komt de Afdeling niet toe aan de vraag of de normen voor bodemvreemd materiaal en asbest op zich duidelijk zijn en zich verdragen met de rechtszekerheid.

* 16 maart 2021 (ABRvS 202003999/3/R4): Awb, Mbw; vovo, instemming gaswinningsplan, belanghebbendheid, nadelige gevolgen voor het milieu
5.2.    Artikel 34, eerste lid, van de Mijnbouwwet bepaalt dat het winnen van delfstoffen vanuit een voorkomen geschiedt overeenkomstig een winningsplan. Artikel 35, eerste lid, aanhef en onder c, bepaalt dat het winningsplan ten minste een beschrijving bevat van de wijze van winning alsmede de daarmee verband houdende activiteiten. In het winningsplan is voorzien in het boren van een side-track vanuit put NGA-06 en het winnen van gas daaruit. Indien het winningsplan geen gelding heeft, kan geen gas uit de sidetrack worden gewonnen. Daarmee zou het boren van de side-track en de daarmee samenhangende gedeeltelijke abandonnering van put NGA-06 illusoir worden. De voorzieningenrechter is, gelet hierop, van oordeel dat de stichting belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van het instemmingsbesluit.

Het betoog van de minister en Vermilion over het toetsingskader van een besluit tot instemming met een winningsplan en de invulling en reikwijdte van de term “nadelige gevolgen voor het milieu” in artikel 36, eerste lid, onder c, vergt nader onderzoek waar deze voorlopige voorzieningprocedure zich niet voor leent. Deze aspecten kunnen in de bodemprocedure aan de orde komen. De voorzieningenrechter gaat er in deze voorlopige voorzieningprocedure vanuit dat, gelet op de wettekst, het gaat om de nadelige effecten voor het milieu in brede zin, als gevolg van het winnen van gas en de daarmee onlosmakelijk verbonden activiteiten, zoals de aanleg en wijziging van boorgaten en putten. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat, zoals de Afdeling in haar uitspraak van 26 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2048 (r.o. 11.4), heeft overwogen, voor een beoordeling van een winningsplan aan de hand van de in artikel 36 van de Mijnbouwwet opgenomen gronden, het niet noodzakelijk is dat iedere reguliere handeling aan een installatie of een put tot in detail wordt beschreven. Dit betekent dat in een winningsplan evenmin de milieugevolgen van een dergelijke handeling aan een installatie of een put in detail behoeven te worden beoordeeld. De gronden van de stichting moeten in dit licht worden bezien.

5.3.    Ter zitting heeft Vermilion de gedeeltelijke abandonnering van put NGA-06 en het boren van de side-track als volgt toegelicht. Bij het abandonneren wordt de tubing (productiebuis) weggehaald en daar waar de casing niet vastzit aan het gesteente, wordt deze verwijderd en wordt een cementplug geplaatst. De put wordt afgesloten met twee mechanische en vier cementpluggen die over de gehele breedte van het boorgat worden geplaatst. De put wordt zodanig afgesloten dat geen lekkages of verontreinigingen optreden. Vanaf de aftakking, op ongeveer 550 m diepte, wordt tot aan het maaiveld een geheel nieuwe case aangelegd, die volledig is gecementeerd. Daarbij wordt voldaan aan de wettelijke eisen en de geldende ISO-normen.

De stichting heeft hier tegen in gebracht dat ter voorkoming van lekkages en verontreinigingen voorzieningen (packages) moeten worden aangebracht aan de buitenzijde van het boorgat, ter hoogte van de geologisch ondoordringbare bodemlagen. Met deze enkele stelling heeft de stichting echter niet aannemelijk gemaakt dat de afsluiting met mechanische en cementpluggen niet toereikend is om het risico van lekkages en verontreinigingen in voldoende mate te beperken. Verder heeft de stichting evenmin aannemelijk gemaakt dat ‘liquid loading’ van invloed is op de veiligheid van de put dan wel dat dat in dit geval tot relevante bodemdaling leidt.

Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat de gedeeltelijke abandonnering vanput NGA-06 en het boren van de side-track leiden tot onaanvaardbare nadelige milieugevolgen of veiligheidsrisico’s. Daarbij neemt de voorzieningenrechter ook in aanmerking dat in het Mijnbouwbesluit en de Mijnbouwregeling rechtstreeks werkende regels zijn opgenomen over de aanleg, onderhoud en buiten gebruik stellen van putten en boorgaten. Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) houdt toezicht op de naleving van die regels.

* 12 maart 2021 (Rb Amsterdam AMS 20/4800): Awb, Hvw; aanwijzingsbesluit, wijken met verbod op vakantieverhuur, verordening, geen onttrekkingsvergunningen, Wet Toeristische verhuur van woonruimte, bevoegdheid, leefbaarheid
6.4.   De bevoegdheid voor het invoeren van een vergunningstelsel is geregeld in artikel 21 van de Huisvestingswet 2014. Zoals volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling wordt met de vergunningplicht voor het onttrekken van woonruimte voorkomen dat de schaarste op de woningmarkt door verandering in de woonruimtevoorraad zal toenemen. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat voor de gehele woningvoorraad in Amsterdam voldoende is onderbouwd dat sprake is van schaarste en dat deze aan de vergunningplicht van artikel 21 van de Huisvestingswet 2014 mag worden onderworpen.13 Voor het beantwoorden van de rechtsvraag is dan ook niet van belang om wat voor soort woningen het gaat.

7.1.   Het is eveneens vaste jurisprudentie van de Afdeling dat de Huisvestingswet 2014 gemeenten een instrumentarium biedt om in te grijpen in de woonruimteverdeling en de samenstelling van de woonruimtevoorraad voor het bestrijden van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan goedkope woonruimte. Daarnaast beoogt de Huisvestingswet 2014 een instrumentarium te bieden ter bevordering van de leefbaarheid indien is voldaan aan de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit.14

7.2. Hieruit volgt dat het beschermen van de leefbaarheid een reden kan zijn om het onttrekken van woonruimte vergunningplichtig te maken. Dat heeft de gemeenteraad van Amsterdam dan ook gedaan. In de Verordening is een vergunningplicht in het leven geroepen voor het onttrekken van woonruimte ten behoeve van vakantieverhuur, namelijk in artikel 3.1.1., tweede lid. Verder zijn zoals gezegd in artikel 3.3.8b, eerste lid, de voorwaarden en voorschriften voor een onttrekkingsvergunning voor vakantieverhuur neergelegd. 15 In het derde lid is geregeld dat verweerder gebieden kan aanwijzen waar een verbod op vakantieverhuur geldt.

7.3.   Dit verbod op vakantieverhuur komt erop neer dat in bepaalde door verweerder aan te wijzen gebieden van Amsterdam per definitie geen onttrekkingsvergunning voor vakantieverhuur wordt verleend. Naar het oordeel van de rechtbank bood de Huisvestingswet 2014 zoals die gold tot 1 januari 2021 daarvoor geen ruimte. De Huisvestingswet 2014, zoals die gold ten tijde van belang, stelde enkel dat voor het onttrekken van woonruimte een vergunning nodig is en dat de gemeenteraad de weigeringsgronden en de voorwaarden waaronder een vergunning wordt verstrekt kan vaststellen. In de Memorie van Toelichting is in paragraaf 2.4.216 opgenomen:

“Een onttrekkingsvergunning kan slechts worden geweigerd als de gemeente het belang van het behoud van de woonruimtevoorraad zwaarder weegt dan het belang van de aanvrager bij de onttrekking. De gemeenteraad dient hiervoor in de verordening criteria op te nemen. Ook kan de gemeenteraad verdere voorwaarden en regels stellen ten aanzien van de vergunningverlening.”

Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat een verbod op vakantieverhuur in één of meerdere door verweerder te bepalen wijken Amsterdam, in welke wijken sowieso geen onttrekkingsvergunning wordt verleend, niet tot de mogelijkheden behoort. Een verbod in een (of meerdere) wijk(en) van Amsterdam is, anders dan verweerder kennelijk meent, naar zijn aard immers niet als vergunningsvoorwaarde of vergunningsvoorschrift bij een onttrekkingsvergunning aan te merken. Het is een algeheel verbod op vakantieverhuur in de door verweerder aangewezen wijken. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in het gegeven dat met de inwerkingtreding van de Wet toeristische verhuur van woonruimten deze mogelijkheid, zij het alleen in uiterste gevallen, wel is geschapen. Als dit al onder de Huisvestingswet 2014, zoals die gold ten tijde van belang, mogelijk was geweest, had de Wet toeristische verhuur van woonruimten hier niet expliciet in hoeven voorzien.

* 11 maart 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 21/184 en 21/185): Awb Wnb; vovo en kortsluiten, vergunning, veehouderij, intern salderen, passende beoordeling, emissiefactoren/RAV, wetenschappelijke onderbouwing, bpl/toestemmingsbesluit, vervoersbewegingen
6.3.4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op grond van artikel 2.7 en 2.8 Wnb en het onderliggende artikel 6 van de Habitatrichtlijn, volgt dat bij de beoordeling van emissies in de aangevraagde situatie niet zonder meer kan worden volstaan met de verwijzing naar de door de minister op grond van de Wav vastgesteld emissies per dier per stalsoort. Uit de genoemde bepalingen en de daarop gebaseerde jurisprudentie van het Hof van Justitie (HvJ), onder meer kenbaar uit ECLI:EU:C:2018:882 en ECLI:EU:C:2016:583, vloeit voort dat er voldoende wetenschappelijke zekerheid moet bestaan ten aanzien van deze emissies. Met de enkele vaststelling door de minister van de emissie is deze zekerheid niet gegeven. Dat is slechts anders indien aan deze vaststelling een kenbare wetenschappelijke onderbouwing is gegeven of zoals in het onderhavige geval, wanneer de juistheid van deze vaststelling wordt bestreden door verzoekers, verweerder mogelijke twijfel ten aanzien van deze vaststelling kan weerleggen. De rechtbank vindt steun voor dit toetsingskader in de PAS-vergunnings-uitspraak (ECLI:NL:RVS:2019:1603). Daarin overwoog de AbRvS met betrekking tot de ammoniakemissiedaling onder meer het volgende:

“Voorts dient het college bij de alsnog te nemen besluiten in te gaan op het betoog van de Werkgroep, dat is opgenomen in de nadere reactie van 28 januari 2019 (zie ook 20.10), dat voor het bepalen van de omvang van de emissie van de aangevraagde activiteiten niet zonder meer aansluiting kan worden gezocht bij de emissiefactoren die in de Regeling ammoniak en veehouderij voor bepaalde emissiearme stalsystemen zijn opgenomen. Volgens de Werkgroep volgt uit het rapport ‘Ontwikkelingen in emissies en concentraties van ammoniak in Nederland tussen 2005 en 2016’ van het RIVM, dat het emissiereducerende effect van bepaalde luchtwassers niet 85% maar 59% is. De emissie van de bedrijven aan de [locatie 5] te Someren (201600622), [locatie 6] te Someren (201600630) en Walsbergseweg 40 te Deurne (201600614) is volgens de Werkgroep hoger dan waarvan bij de vergunning-verlening is uitgegaan.”
6.3.6. De voorzieningenrechter stelt vervolgens vast dat de door verweerder gehanteerde RAV-code een indicatie geeft voor wat betreft de daadwerkelijke emissie van NH3 per omschreven stalsysteem. Verder dient te worden vastgesteld dat verzoeksters, onder verwijzing naar het CBS-rapport, de juistheid van de RAV-codes en de daaraan toegekende emissie betwisten. In dit verband hebben verzoeksters erop gewezen dat uit het CBS-rapport blijkt dat de emissiereductie van de daarin onderzochte stalsystemen wordt overschat. Weliswaar moet aan verweerder worden toegegeven dat het specifieke stalsysteem met de RAV-code A1.28 niet in het onderzoek is betrokken, maar daaruit volgt niet zonder meer dat de algemene conclusie uit het CBS-rapport dat de emissiereductie van emissiearme stalsystemen wordt overschat voor onjuist moet worden gehouden. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de verschillen tussen de wel onderzochte stalsystemen met de RAV-codes A.1.09, A1.10, A1.15 en A1.16 en het onderhavige stalsysteem met de RAV-code A1.28 niet zodanig groot zijn dat reeds om die reden aan het CBS-rapport kan worden voorbij gegaan. Gelet hierop ligt in de door verzoeksters ingebrachte grond besloten dat verweerder aannemelijk dient te maken dat de gestelde emissiereductie van meer dan 50% door toepassing van het stalsysteem met de RAV-code A1.28 daadwerkelijk aan de orde is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is verweerder daarin in dit geval niet geslaagd. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de door verweerder naar voren gebrachte stelling dat de RAV-code A1.28 berust op de meest recente wetenschappelijke inzichten niet is onderbouwd met verifieerbare stukken. Verder neemt de voorzieningenrechter hierbij in aanmerking dat uit de door verzoeksters genoemde onderzoeken volgt dat er twijfel bestaat over het daadwerkelijke rendement en daarmee de emissiereductie van emissiearme stalsystemen, zoals die ook in deze melkrundveehouderij wordt toegepast.

Alhoewel de door verzoeksters ingebrachte rapporten pas een eerste indicatie geven, kan uit die rapporten wel wetenschappelijk twijfel met betrekking tot de emissiefactoren van de RAV worden afgeleid. Aangezien het in dit geval gaat over de aanvraag van een Wnb-vergunning, is het aan verweerder om aannemelijk te maken dat geen redelijke weten-schappelijke twijfel bestaat dat het project geen schadelijke gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden (vgl. AbRvS, 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603). Gelet op het vorenstaande is het naar het oordeel van de voorzieningenrechter daarom niet zeker dat verweerder zonder meer van de emissiefactoren uit de RAV heeft mogen uitgaan. Het gevolg daarvan is dat niet zeker is dat het vergunde project niet leidt tot meer emissie dan in de referentiesituatie was toegestaan. Deze grond van verzoeksters slaagt.
6.4.4. De voorzieningenrechter constateert dat voor alle in het project vergunde stalsystemen moet worden beoordeeld wat de consequenties zijn van het beweiden. In de bestreden vergunning wordt daar in de motivering geen aandacht aan besteed, maar blijkt slechts uit de aan de vergunning ten grondslag gelegde Aeriusberekening dat voor de nieuwe stal wordt uitgegaan van beweiding en daarvoor een korting wordt toegepast van 5 procent op de emissie van de stal gegeven het aantal vergunde dieren en het vergunde stalsysteem zonder de beweiding.

Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat het niet op voorhand onwaarschijnlijk is dat bij het toepassen van beweiding de emissies van de stal als zodanig verminderen. De voorzieningenrechter is ook van oordeel dat niet op voorhand onaannemelijk is dat daarvoor een reductiefactor zou kunnen worden toegepast. De voorzieningenrechter mist echter in het bestreden besluit een onderbouwing waaruit met zekerheid blijkt in welke mate zal worden beweid en tot welke reductie die beweiding dan leidt. Daarbij mist de voorzieningenrechter zowel een onderbouwing van het effect van de afwezigheid van het vee in de stal op de emissie van de stal, als een onderbouwing van de emissies die het vee in de wei veroorzaakt. De enkele verwijzing van verweerder in het verweerschrift naar het rapport-Remkes acht de voorzieningenrechter daarbij onvoldoende. De commissie-Remkes, zo blijkt ook uit de door verweerder weergegeven passages, gaat bij zijn oordeel dat het beweiden een gunstig effect heeft op de totale ammoniakemissie van een bedrijf, uit van de totale mesthuishouding en betrekt daarom in zijn overwegingen ook dat ten gevolge van het beweiden het land minder bemest hoeft te worden met de mest uit de stal. In de onderhavige vergunning echter wordt het bemesten niet vergund en moet slechts worden beoordeeld wat de emissie ten gevolge van deze vergunning, dat wil zeggen van de emissies van de stal en de emissies van het vee in de wei, zijn. De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat juist bij de toepassing van stalsystemen als het onderhavige waarbij een zeer grote reductie van de emissie wordt gerealiseerd, het de vraag is of de emissie van het vee in de wei niet de emissiefactor van de stal overtreft. Dit brengt met zich dat niet zonder wetenschappelijke twijfel vaststaat dat verweerder de daadwerkelijke emissie van het onderhavige project en daarmee de depositie op de betrokken Natura 2000-gebieden niet heeft onderschat. Nu verweerder bij de onderbouwing van zijn besluit niet op de deze vragen is ingegaan acht de voorzieningenrechter het besluit op dit punt in strijd met artikel 3:46 van de Awb ontoereikend gemotiveerd. Deze grond van verzoeksters slaagt.

STAB verzorgt de jurisprudentie voor STAB OGR updates

Jan-Eelco Dijk, advocaat bij Vos & Vennoten Advocaten, schreef een noot bij het arrest van het Europese Hof van Justitie van 14 januari 2021(ECLI:EU:C:2021:7) over de vraag of de voorwaarden die artikel 6:13 Awb aan ontvankelijkheid stelt voldoen aan het Verdrag van Aarhus. Hij gaat in op de uitspraken van Nederlandse rechters die tot nu toe zijn gevolgd en de vraag wat de consequenties van het arrest zullen zijn. Zie STAB OGR Updates.