Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 7 april 2021 (ABRvS 202005199/1/R4): Awb, Wro, Wabo; bpl/omgevingsvergunning voor bouwen, studentenwoningen, behoefte, geluid
* 7 april 2021 (ABRvS 202004814/1/R4): Awb, Wabo; buiten behandeling stellen aanvraag omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, gebruik woning voor kamerverhuur, Bor/Mor, onvoldoende gegevens (Rb Gelderland 19/443)
* 7 april 2021 (ABRvS 202004488/1/R1): Awb, Wro; bpl, appartementsgebouwen, geluid, privacy, schaduwwerking
* 7 april 2021 (ABRvS 202004338/1/R4, 202005375/1/R4, 202005772/1/R4, 202005895/1/R4, 202006074/1/R4, 202006242/1/R4, 202006277/1/R4, 202006355/1/R4 en 202006450/1/R4): Awb, Wm, Gmw; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, huisvuilzak/papier, afvalstoffenverordening, overtreder, herziening
* 7 april 2021 (ABRvS 202004054/1/R4): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, staken van fokken en verkoop van honden, strijd met bpl, ruimtelijke uitstraling (Rb Gelderland 20/887 en 20/890)
* 7 april 2021 (ABRvS 202003614/1/R4): Awb, Wro; niet vaststellen bpl, motivering
* 7 april 2021 (ABRvS 202003486/1/R1): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, opslag/bedrijfsmatige verhuur van fietsen, relatie bpl (Rb Zeeland-West-Brabant 19/1165)
* 7 april 2021 (ABRvS 202003148/1/R3): Awb; herziening, windpark, veel aspecten, geen nova
* 7 april 2021 (ABRvS 202002572/1/R3): Awb, Wro; bpl, woningen, provinciale omgevingsverordening, beeldkwaliteitsplan, hoogspanningsverbinding, magneetveld/relativiteit, ontsluiting, verkeer
* 7 april 2021 (ABRvS 202002279/1/A3): Awb, Opiumwet, Gmw; handhaving, sluiting bedrijfspand, hennepkwekerij, handhavingsmatrix (Rb Rotterdam 18/2865)
* 7 april 2021 (ABRvS 202002129/1/R4): Awb, Wabo; handhaving, herstelbesluit, belanghebbende, verharding, bomenkap, opslag, motivering
* 7 april 2021 (ABRvS 202001715/1/R2): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, afwijkend gebruik t.o.v. verleende vergunning, intrekking vergunning, herstel (Rb Zeeland-West-Brabant 19/4844 en 19/6087)
* 7 april 2021 (ABRvS 202001585/1/A3): Awb, Gmw; exploitatievergunning, horeca, APV< slecht levensgedrag, motivering (Rb Rotterdam 19/6118 en 19/6117)
* 7 april 2021 (ABRvS 202000763/1/A3): Awb, Hvw; handhaving, boete, zelfstandige woonruimten, geen vergunning (Rb Midden-Nederland 19/2884, 19/2939, 19/2942,19/2949, 19/2953 en 19/2956)
* 7 april 2021 (ABRvS 202000685/1/A3): Awb, Hvw; handhaving, boete, onttrekken woonruimte, verhuur toeristen (Rb Amsterdam 18/5408 en 18/5510)
# 7 april 2021 (ABRvS 202000615/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, afvalverbranding, uitbreiding verbranden (Rb Noord-Nederland 18/733)
* 7 april 2021 (ABRvS 202000532/1/R3): Awb, Tracéwet; Tracébesluit, vervangen spitsstroken door volwaardige rijstroken, Chw, geluid/ maximum snelheid, uitvoering geluidscherm, luchtkwaliteit
* 7 april 2021 (ABRvS 202000423/1/R4): Awb, Wabo; Gmw; handhaving, dwangsom, opslag avi-bodemassen, begunstigingstermijn (Rb Noord-Nederland 18/2695 en 19/115)
* 7 april 2021 (ABRvS 202000371/1/A3): Awb, Wnb; faunabeheerplan, vrijstelling doden vogels, gunstige staat van instandhouding, voorzorgsbeginsel (Rb Den Haag 18/4379 en 18/4487)
* 7 april 2021 (ABRvS 202000171/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor vellen bomen, APV, groenbeleidsplan (Rb Zeeland-West-Brabant 19/774 en 19/805)
* 7 april 2021 (ABRvS 202000118/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, woning/extra bouwlaag/aanbouw, peil, planregels (Rb Limburg 18/2826)
* 7 april 2021 (ABRvS 201908901/1/R3): Awb, Wro; bpl, parkeren/ontsluitingsweg, belanghebbende, verkeersmodel, motivering, geluid, indirecte hinder, tussenuitspraak
* 7 april 2021 (ABRvS 201907069/1/R2): Awb, Wro; bpl, grondverzetbedrijf/opslag zand, wijzigingsbevoegdheid, motivering
* 6 april 2021 (ABRvS 202004404/6/R1): Awb, Wm; vovo, plaatsingsplan ORAC’s, afvalstoffenverordening, divers, belangenafweging
* 6 april 2021 (CBb 19/1298, 19/1824, 19/1271, 19/1299, 19/1827, 19/1836 en 19/1821): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, EP/geen sprake van individuele en buitensporige last, knelgevallenregeling, startersregeling, jongvee, voorzienbaarheid, bevoegdheid, EVRM, peildatum, schadevergoeding/bevoegdheid
* 6 april 2021 (CBb 19/1699, 19/1620, 19/1776, 20/153en 19/1831): Awb, Lbw; heffing/bonus, fosfaatreductieplan, geen strijd EP/geen individuele buitensporige last, duur procedure/EVRM, knelgevallenregeling, hardheidsclausule/bijzondere omstandigheden
* 2 april 2021 (ABRvS 202004417/1/R4 en /2/R4): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen en OBM, vervangen pluimveestal en op andere wijze houden van kippen, m.e.r-plicht, gezondheid, fijn stof, bijzondere gevoeligheid (Rb Gelderland 19/1337)
* 1 april 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/8464 VEROR): Awb; afwijzing om panden aan te wijden als gemeentelijk monument, belanghebbenden, ontvankelijkheid
* 1 april 2021 (ABRvS 202005427/2/R2): Awb, Wro; vovo, bpl, woningen, belanghebbende, natuurwaarden
* 1 april 2021 (Rb Overijssel 84/056550-20 (FP) (P)): WSr, WED, Wm; opslag vuurwerk, geen vergunning, kennis en geschikte opslagruimte
* 1 april 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 21/465): Awb, Wabo; vovo, handhaving, bouwen in afwijking van verleende vergunning, woning, ophoging/peil
* 31 maart 2021 (ABRvS 202100036/1/R1 en /2/R1): Awb, Wro; vovo en kortsluiten, bpl, supermarkt
* 31 maart 2021 (Rb Overijssel AWB 21/362): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, kapschuur, beweiding/grondgebondenheid/relatie bpl
* 30 maart 2021 (Rb Den Haag SGR 20/5683): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning milieu, elektriciteitsproductie, verbranden van gevaarlijke afvalstoffen, maatwerkvoorschriften, Activiteitenbesluit, BBT-conclusies, emissie-eisen, meeverbranding
* 30 maart 2021 (Rb Rotterdam ROT 19/3197):Awb, Wro; planschade
* 29 maart 2021 (Rb Limburg AWB/ROE 21/656 en AWB/ROE 21/657): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid, evenredigheid
* 29 maart 2021 (Rb Limburg ROE 20/500 en ROE 20/501): Awb, Gmw; exploitatie- en terrasvergunningen, horeca, woon- en leefklimaat, APV, procedure
* 29 maart 2021 (Rb Limburg ROE 20/1311 en ROE 20/1312): Awb, Gmw; exploitatievergunningen, tijdelijke periode, APV, geen schaarse vergunningen, coffeeshop/gedogen, voorschriften/beveiligers
* 26 maart 2021 (Rb Limburg ROE 19/3355): Awb, Gmw; handhaving, planten haag, wegdoorgang, APV, bevoegdheid
* 26 maart 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/543 WABOA VV en BRE 20/6837 WABOA): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en gevolge Natura 2000-gebied, kampeerhuis met kelder, vvgb, toetsing aan verkeerd bpl
* 26 maart 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/5520 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, veranderen horeca, hoofdgebouw, Bor, geur, groepsrisico, provinciale verordening
* 25 maart 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/3716 GEMWT): Awb, Wm; handhaving, tennispark, lichthinder, zorgplicht, Activiteitenbesluit, roosters, NSVV-richtlijn
* 25 maart 2021 (Rb Noord-Holland HAA 20/3472 en HAA 20/3471): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, wijzigen voorschriften milieuvergunning, composteren/bewerken afvalhout, BBT-conclusies, Activiteitenbesluit, geur, IPPC, bevoegdheid, metingen/NTA 9065, motivering
* 24 maart 2021 (Hof Arnhem-Leeuwarden 21-006929-17): WSr, WED, Wm. Wabo; overtreding milieuvoorschrift, afvalstoffen, ontvangst/afzet, valsheid in geschrifte
* 12 maart 2021 (Rb Limburg ROE 20/873): Awb, Wabo; handhaving, airco-unit, vergunningplicht, Bor, geen “uitstekend deel van ondergeschikte aard”, geluid, Bouwbesluit
* 12 maart 2021 (Rb Limburg ROE 19/3168): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, dakterrassen met balustrades en dakopbouw, strijd met bpl, privacy, geluid
* 12 maart 2021 (Rb Limburg ROE 19/2927): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, dakkapel/overkapping, bevoegdheid, geen vergunning, strijd met bpl
* 11 maart 2021 (Rb Amsterdam AMS 18/6312): Awb, Gmw; ligplaatsvergunning, strijd met bpl, geen omgevingsvergunning
* 8 februari 2021 (Rb Limburg 20/923): Awb, Gmw; handhaving, belemmering openbare weg, APV, bevoegdheid
* 4 februari 2021 (Rb Limburg AWB 20/3264): Awb, Wnb; vovo, ontheffing, gebiedsontwikkeling, foerageer- en leefgebieden van de das, motivering, compensatie
* 7 oktober 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/5245 WET, BRE 19/5248 GEMWT en BRE 19/5249 GEMWT): Awb, Gmw; handhaving, bestuursdwang, kostenverhaal, binnentreden woning, geluidsoverlast ondanks herhaalde waarschuwingen
* 1 juli 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/6797): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, woonruimten, brandveiligheid, Bouwbesluit, vergunningvrij

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 7 april 2021 (ABRvS 202004814/1/R4): Awb, Wabo; buiten behandeling stellen aanvraag omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, gebruik woning voor kamerverhuur, Bor/Mor, onvoldoende gegevens (Rb Gelderland 19/443)
2.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit artikel 3.2, aanhef en onder b, van de Mor volgt dat [appellant] bij zijn aanvraag gegevens moet verstrekken over de gevolgen van het beoogde gebruik voor de ruimtelijke ordening, waaronder ook geluidsoverlast. Zoals de rechtbank ook terecht heeft overwogen, is juist bouwkundige informatie in dit geval relevant om die gevolgen goed te kunnen beoordelen. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college om aanvullende gegevens mocht vragen. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank nader had moeten motiveren waarom de wel aanwezige gegevens niet toereikend zijn. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellant] in hoger beroep niet heeft gewezen op concrete gegevens waarover het college al beschikte, op grond waarvan het college de geluidhinder voor omwonenden volledig kon beoordelen. Aangezien [appellant] de gevraagde aanvullende gegevens niet binnen de gestelde termijn heeft overgelegd, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college de aanvraag buiten behandeling mocht stellen.

De rechtbank heeft verder terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC6620, overwogen dat het college niet verplicht was om de aanvraag in bezwaar alsnog in behandeling te nemen op basis van stukken die [appellant] pas in bezwaar heeft overgelegd.

Het betoog slaagt niet.

* 7 april 2021 (ABRvS 201908901/1/R3): Awb, Wro; bpl, parkeren/ontsluitingsweg, belanghebbende, verkeersmodel, motivering, geluid, indirecte hinder, tussenuitspraak
6.2.    De huidige en verwachte verkeersintensiteiten in het gebied zijn in beeld gebracht aan de hand van het RVMH. In de technische rapportage behorend bij het RVMH staat op p. 6 dat het RVMH een statisch verkeersmodel is dat voornamelijk geschikt is voor de berekening van de verkeersvraag. Het gaat hier bijvoorbeeld om de hoeveelheid verkeer dat van een bepaalde weg gebruikt maakt of de hoeveelheid verkeer dat door een nieuwe woonwijk wordt gegenereerd. Een statisch verkeersmodel, zoals het RVMH, wordt afgezet tegen een dynamisch verkeersmodel dat voornamelijk geschikt is voor de berekening van de verkeersafwikkeling bij vertraging en doorstroming. In wat [appellante] heeft aangevoerd over de geschiktheid van het RVMH ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het RVMH als statisch verkeersmodel zodanige gebreken vertoont, dat de raad bij de vaststelling van het plan niet van dit model had mogen uitgaan. In het bijzonder heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat op de alternatieve routes van en naar de Goudse Schouw doorstroomproblemen bestaan waardoor de raad gebruik had moeten maken van een dynamisch model.

In de plantoelichting staat dat de intensiteit op de nieuwe ontsluitingsweg maximaal 1.700 mvt/etm zal bedragen. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de genoemde 1.700 mvt/etm zekerheidshalve ruim is genomen en dat het volgens het RVMH gaat om 1.580 mvt/etm op de nieuwe ontsluitingsweg. Dit aantal van 1.580 mvt/etm zal zich volgens de raad ter hoogte van de Renaissancelaan splitsen, waardoor op de Renaissancelaan een aantal van ongeveer 670 mvt/etm geldt. De eerder door de raad genoemde 1200 mvt/etm voor de Renaissancelaan is volgens de raad een worst case scenario.

Ter zitting heeft de raad erkend dat de gebruikte invoergegevens niet zijn overgelegd. [appellante] betoogt dan ook terecht dat niet kan worden gecontroleerd of de juiste invoergegevens zijn gebruikt en of de door de raad genoemde verkeersintensiteiten juist zijn. De vaststelling van het bestemmingsplan berust op dit punt niet op een deugdelijke motivering. De Afdeling komt niet toe aan een inhoudelijke bespreking van het betoog van [appellante] over de ongeschiktheid van de Renaissancelaan bij ontsluiting naar de Goudse Schouw als gevolg van een toename van het verkeer op de Renaissancelaan.

Het betoog slaagt.
7.3.    De Afdeling stelt vast dat de geluidsbelasting vanwege de verkeersaantrekkende werking van de ontsluitingsweg voor de woningen aan de Renaissancelaan in het akoestisch onderzoek niet is onderzocht. Naast de geluidsbelasting vanwege het parkeerterrein van het Archeon, is alleen de geluidsbelasting vanwege de verkeersaantrekkende werking vanwege het verkeer van en naar dit parkeerterrein op de Archeonlaan als indirecte hinder onderzocht. Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan is in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

* 7 april 2021 (ABRvS 202000371/1/A3): Awb, Wnb; faunabeheerplan, vrijstelling doden vogels, gunstige staat van instandhouding, voorzorgsbeginsel (Rb Den Haag 18/4379 en 18/4487)
4.3.    De Wnb is gericht op het beschermen en ontwikkelen van de natuur en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit, op het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies, en op het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies. Daarvoor geeft de Wnb verschillende instrumenten. Zo schept artikel 3.12, eerste lid, de bevoegdheid voor faunabeheereenheden om voor hun werkgebied een faunabeheerplan vast te stellen waarin het duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, de bestrijding van schadeveroorzakende dieren door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht nader kunnen worden uitgewerkt. Een faunabeheerplan is ook nodig om het gebruik van een door provinciale staten verleende vrijstelling voor het doden van soorten nader uit te werken. Als een faunabeheerplan is vastgesteld, moet het, ingevolge het zevende lid van dit artikel, eerst nog door het college worden goedgekeurd voordat het kan worden uitgevoerd.

De vrijstelling om soorten te mogen doden is een uitzondering op het in de Wnb geformuleerde uitgangspunt dat het verboden is soorten te doden. Ingevolge artikel 3.3, tweede lid, van de Wnb, dat de implementatie is van artikel 9 van de Vogelrichtlijn, kunnen provinciale staten voor aangewezen vogels vrijstelling verlenen in de provinciale verordening. Vrijstelling mag ingevolge het vierde lid van die bepaling alleen worden verleend als er geen andere bevredigende oplossing is, de vrijstelling nodig is in het kader van specifiek aangeduide belangen, waaronder voorkoming van belangrijke schade, en de vrijstelling niet leidt tot een verslechtering van de staat van instandhouding van de soort. In het kader van schadebestrijding mogen provinciale staten ingevolge artikel 3.15, derde lid, aanhef en onder b, van de Wnb bij verordening alleen vogels aanwijzen die niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen. Het gebruik van een vrijstelling moet gebeuren volgens een faunabeheerplan. Dit betekent dat de vrijstelling van het verbod om te doden pas na goedkeuring van het faunabeheerplan ook daadwerkelijk effect heeft.

4.4.    Het goedkeuringsbesluit van een faunabeheerplan moet voldoen aan de eisen die in de Wnb en de verordening zijn gesteld. Als de eisen die aan de uitvoering van de vrijstelling in een faunabeheerplan zijn gesteld in de verordening overeenkomen met de eisen die aan de verlening van een vrijstelling ingevolge artikel 3.3, vierde lid, van de Wnb worden gesteld, moet alleen worden getoetst of het faunabeheerplan en de goedkeuring daarvan aan de eisen uit de verordening voldoen.

Als de eisen die aan de uitvoering van de vrijstelling in een faunabeheerplan zijn gesteld in de verordening niet overeenkomen met de eisen die aan de verlening van een vrijstelling ingevolge artikel 3.3, vierde lid, van de Wnb worden gesteld, zal bij de beoordeling van de goedkeuring van een faunabeheerplan aan de hand van de voorwaarden uit artikel 3.3, vierde lid, van de Wnb moeten worden getoetst of aan de door provinciale staten verleende vrijstelling uitvoering kan worden gegeven. Daarbij is de door provinciale staten gegeven onderbouwing van de eisen voor het mogen verlenen van vrijstelling van belang en ook de eventuele nadere uitwerking daarvan in het faunabeheerplan en het goedkeuringsbesluit.

Op deze manier is afdoende gewaarborgd dat de vraag of de vrijstelling van het verbod om te doden en de wijze waarop daar uitvoering aan wordt gegeven, aan de voorwaarden van artikel 3.3, vierde lid, van de Wnb voldoen, aan de rechter kan worden voorgelegd.

* 2 april 2021 (ABRvS 202004417/1/R4 en /2/R4): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen en OBM, vervangen pluimveestal en op andere wijze houden van kippen, m.e.r-plicht, gezondheid, fijn stof, bijzondere gevoeligheid (Rb Gelderland 19/1337)
4.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat in het rapport VGO III 2018 is geconcludeerd dat de associatie tussen een verhoogd risico op longontsteking en het wonen in de buurt van een pluimveehouderij niet statistisch significant is en dat in het rapport VGO III 2019 staat dat de eerder, in 2009-2013, in Noord-Brabant en Limburg gevonden associatie tussen pluimveehouderijen en longontsteking niet wordt gezien in het nieuwe onderzoeksgebied, te weten Gelderland, Overijssel en Utrecht. In het rapport VGO III 2018 is daarbij opgemerkt dat monitoring van het voorkomen van longontsteking rondom pluimveehouderijen de komende jaren gewenst blijft en in het rapport VGO III 2019 staat dat vanwege de relatief hoge emissie van fijnstof, mogelijke gezondheidseffecten in regio’s met veel pluimveehouderijen een punt van aandacht blijven in vervolgonderzoek. Dat de associatie tussen een verhoogd risico op longontsteking en het wonen in de buurt van een pluimveehouderij niet volledig is uitgesloten en daarom beschouwd zal blijven in de vervolgonderzoeken, doet niet af aan de conclusie dat deze associatie sinds 2014 in geen van de onderzoeksgebieden is gevonden. Gelet op deze conclusie bestaat er op dit moment geen aanleiding voor het oordeel dat de wijziging van de veehouderij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben in de vorm van een verhoogd risico op longontsteking.
4.3.    De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat uit het aanvullend advies van de Omgevingsdienst Achterhoek van 4 januari 2019 volgt dat de fijnstofconcentratie ruim binnen de normen valt en dat de toename van fijnstof op de omliggende woningen gering is. In het advies staat dat in de aangevraagde situatie de hoogst berekende fijnstofconcentratie van PM10 bij de omliggende woningen 19,87 microgram/Nm3 bedraagt, waarbij de geldende grenswaarde 40 microgram/Nm3 is, en dat de bijdrage van de veehouderij op de omliggende woningen maximaal 1,87 microgram/Nm3 bedraagt. Gelet op deze geringe bijdrage en de ruime onderschrijding van de geldende grenswaarde bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat toename van de emissie van fijnstof belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben, die nopen tot het maken van milieueffectrapport.

De omstandigheid dat [appellant B] als EAA-patiënt grotere gezondheidsrisico’s loopt als gevolg van de toename van fijnstof van de pluimveehouderij, maakt het voorgaande niet anders. De enkele omstandigheid dat de geringe bijdrage van de veehouderij aan de fijnstofconcentratie mogelijk gezondheidsrisico’s meebrengt voor hem als individu ter plaatse van zijn woning, is onvoldoende voor het oordeel dat deze geringe bijdrage belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben die nopen tot het maken van milieueffectrapport.

In haar uitspraak van 22 mei 2019, waar [appellant] naar verwijst, heeft de Afdeling het oordeel van de rechtbank in die zaak bevestigd. Dat oordeel hield in dat het college, door te volstaan met de constatering van de voor geur geldende grenswaarden niet worden overschreden, ondeugdelijk had gemotiveerd dat zich wat betreft het aspect geur geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen voordoen die nopen tot het maken van een milieueffectrapport. Daarbij stond vast dat de aangevraagde wijziging een aanzienlijke toename van de geuremissie zou veroorzaken. Anders dan [appellant] veronderstelt, volgt uit deze uitspraak niet dat het college in dit geval rekening had moeten houden met zijn persoonlijke gezondheidssituatie in die zin dat het college had moeten besluiten dat een milieueffectrapport moet worden gemaakt vanwege de gezondheidsrisico’s die voor hem kunnen optreden als gevolg van de op zichzelf geringe bijdrage van de veehouderij aan de fijnstofconcentratie.

* 30 maart 2021 (Rb Den Haag SGR 20/5683): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning milieu, elektriciteitsproductie, verbranden van gevaarlijke afvalstoffen, maatwerkvoorschriften, Activiteitenbesluit, BBT-conclusies, emissie-eisen, meeverbranding
7.6  De DFB2 ketel is een bestaande grote stookinstallatie als bedoeld in artikel 5.1 Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit) waarin aardgas en biopropaan wordt verbrand. Als gevolg van het meeverbranden van de aangevraagde gevaarlijke afvalstoffen is de DFB2 ketel een afvalmeeverbrandingsinstallatie geworden als bedoeld in artikel 5.15 van het Activiteitenbesluit. Tussen partijen is niet in geschil dat bij Besluit van 15 april 2019 (Besluit) de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties zoals vastgesteld bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/1442 van 31 juli 2017 zijn omgezet in hoofdstuk 5, paragraaf 5.1. (Industriële emissies) van het Activiteitenbesluit. Partijen zijn het erover eens dat onderhavige gasgestookte meeverbrandingsinstallatie onder de reikwijdte valt van die paragraaf 5.1.2, en in het bijzonder de artikelen 5.20 en 5.23 van toepassing zijn. Verder gaat de voorzieningenrechter er met partijen van uit dat met dit Besluit beoogd is de BBT-conclusie 61 te implementeren in paragraaf 5.1.2., welke paragraaf ziet op afvalmeeverbrandingsinstallaties. De tabel met emissiewaarden in artikel 5.20 is blijkens het Besluit ook aangepast. Verder wordt in de bij het Besluit gevoegde transponeringstabel vermeld dat BBT-conclusie 61 (“Voorkomen toename emissie afvalverbranding”) is geïmplementeerd in bestaand/nieuwe wetgeving door aanpassing van artikel 5.23, met als toelichting: “Aanscherping van eisen aan het stoken van brandstoffen worden ook doorgevoerd bij meeverbranding”.

7.7    In de Nota van Toelichting is het volgende opgenomen:

“De Nederlandse milieuregelgeving voor grote stookinstallaties is met onderhavig wijzigingsbesluit in lijn gebracht met de BBT-conclusies. (……) Het aanscherpen van emissieniveaus in de vergunning blijft mogelijk, hoewel voor oude installaties over voorwaarden ook soepeler maatwerk in de vergunning mogelijk blijft. Dit neemt niet weg dat ook bestaande installaties één of een combinatie van best beschikbare technieken moeten toepassen om te voldoen aan de Richtlijn industriële emissies. De specifieke invulling daarvan is opgenomen in de BBT-conclusies. Het resulterende maximale emissie-niveau is met dit wijzigingsbesluit opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit kan lager liggen dan de soepele kant van de emissie-niveaus uit de BBT-conclusies. De algemene regels zijn daarmee afdoende voor het grootste deel van de installaties, zodat de bestuurlijke lasten voor de implementatie door aanpassen van vergunningen beperkt blijven. Maatwerk is alleen gereserveerd voor de uitzonderingen. Het gaat dan om installaties die technisch afwijken, bijvoorbeeld door een ander ontwerp, andere technieken of afwijkende brandstoffen. Maatwerk is niet bedoeld voor het opnieuw maken van de BBT-afweging. Die is al gemaakt bij het vaststellen van de BBT-conclusies.”

De voorzieningenrechter leidt hieruit af dat de wetgever op zich het aanscherpen van emissieniveaus in de vergunning niet heeft uitgesloten en heeft voorzien dat er installaties kunnen zijn waarin de algemene regels niet afdoende zijn en maatwerk geboden kan zijn. Het moet dan gaan om installaties die technisch afwijken, bijvoorbeeld door een ander ontwerp, andere technieken of afwijkende brandstoffen.

De door verweerder gegeven motivering om af te wijken van het Activiteitenbesluit is echter niet gebaseerd op de stelling dat het gaat om een technisch afwijkende installatie. Die motivering komt er immers op neer dat de vertaling door de wetgever van BBT-conclusie 61 in paragraaf 5.1.2. van het Activiteitenbesluit in de ogen van verweerder überhaupt niet correct heeft plaatsgevonden. Verweerder vindt immers dat te ruime emissie-eisen zijn gesteld en ten onrechte geen beperking is opgenomen in (het volume van) de mee te verbanden (vuile) afvalstoffen, waardoor in de praktijk elke afvalmeeverbrandingsinstallatie aan de normen zal kunnen voldoen. Dat de wetgever bij het omzetten van BBT-conclusie 61 geen rekening zou hebben gehouden met gasgestookte installaties wordt verder niet afdoende onderbouwd.

7.8  De voorzieningenrechter is op grond van het vorenoverwogene van oordeel dat het besluit van verweerder om op grond van artikel 2.22, vijfde lid, van de Wabo van de artikelen 5.20 en 5.23 van het Activiteitenbesluit afwijkende voorschriften niet berust op een draagkrachtige motivering.

* 25 maart 2021 (Rb Noord-Holland HAA 20/3472 en HAA 20/3471): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, wijzigen voorschriften milieuvergunning, composteren/bewerken afvalhout, BBT-conclusies, Activiteitenbesluit, geur, IPPC, bevoegdheid, metingen/NTA 9065, motivering
6.4   Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat afdeling 2.3 van het Activiteitenbesluit met ingang van 17 augustus 2018 niet langer op de bedrijfsactiviteiten van eiseres van toepassing is. Verweerder was derhalve op zich bevoegd om op grond van artikel 2.31, eerste lid, onder b en 2.31, tweede lid, onder b van de Wabo geurvoorschriften te stellen. Aan de orde is hierna de vraag of en in hoeverre verweerder van de hem toekomende bevoegdheid gebruik heeft mogen maken.

7.1    Eiseres heeft ter zitting in dit verband aangevoerd dat verweerder aan eiseres in 2017, onder het stellen van maatwerkvoorschriften, vergunning heeft verleend voor de activiteiten die binnen de inrichting plaatsvinden. Bij die vergunning hoorde een geurcontour en bepaalde maatregelen. Met het bestreden besluit wordt van de vergunde situatie teruggekomen, waarbij verweerder zich baseert op de rapporten van [bedrijf 3] , waarin is gesteld dat eiseres niet voldeed aan de normen die haar bij de revisievergunning in 2017 zijn opgelegd. Indien dat het geval was, had verweerder handhavend moeten optreden of de vergunning moeten intrekken. Het geeft verweerder niet de bevoegdheid om nu in afwijking van de resultaten en conclusies van het onderzoek van [bedrijf 4] extra voorschriften te stellen.

7.2    Eiseres kan worden gevolgd in haar stelling dat haar in 2017 omgevingsvergunning is verleend voor het verrichten van bepaalde activiteiten. Deze vergunde situatie was gebaseerd op de geursituatie zoals vastgesteld in het rapport van [bedrijf 4] . Na het verlenen van de omgevingsvergunning zijn door omwonenden echter geurklachten geuit die waren te herleiden naar de inrichting. Daarom én omdat door de vaststelling en publicatie van de BBT-conclusies de gelding van de aan de revisievergunning verbonden maatwerkvoorschriften was vervallen, heeft verweerder in verband met de hem toekomende bevoegdheid om voorschriften te stellen nader geuronderzoek uitgevoerd. Verweerder komt bij het stellen van voorschriften beleidsvrijheid toe, maar hij zal de noodzaak voor het stellen daarvan moeten onderbouwen. De rechter beoordeelt vervolgens of verweerder de voorschriften in redelijkheid aan de inrichting heeft kunnen stellen. Anders dan eiseres lijkt te stellen, is verweerder bij de vraag of hij van zijn bevoegdheid gebruik maakt niet gehouden om uit te gaan van (de resultaten van) eerder uitgevoerd en aan de vergunning ten grondslag gelegd onderzoek, wanneer recenter onderzoek leidt tot andere resultaten. De beroepsgrond slaagt niet.