Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 14 april 2021 (ABRvS 202003788/1/R4): Awb, Wro; bpl, evenementenregeling, gewijzigd inzicht, landgoed, bedrijfsbelang, natuurwaarden
* 14 april 2021 (ABRvS 202003712/1/R1): Awb, Wbb; handhaving, rubbergranulaat, kunstgrasvelden, ontvankelijkheid, elektronische bereikbaarheid, expliciet/impliciet kenbaar maken
* 14 april 2021 (ABRvS 202003629/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning, omzetten bedrijf, opfokgeiten, beslistermijn, milieueffectrapport, moment aanvraag, provinciale verordening (rechtbank Oost-Brabant 19/1677)
* 14 april 2021 (ABRvS 202003548/1/R3): Awb, Wro; bpl, woningbouw, stedenbouwkundige opzet, inspraak, overgangsrecht, relatie planregel en verbeelding, flora- en fauna, privacy, voorzienbaarheid, verkeer, vaarrecht
* 14 april 2021 (ABRvS 202003416/1/R1 en 202003418/1/R1): Awb, Wabo, Wm; handhaving,
illegaal bouwen in en gebruik van de achtertuin, geluidsoverlast, begrip inrichting (rechtbank Noord-Holland 19/197 en 19/217)
* 14 april 2021 (ABRvS 202002714/1/R1): Awb, Wabo, Chw; omgevingsvergunning, woningbouw, toepassing Chw, buiten beschouwing laten gronden, woon- en leefklimaat, onlosmakelijke samenhang (rechtbank Noord-Holland 19/1473)
* 14 april 2021 (ABRvS 202002673/1/R4): Awb, Wro; bpl, paraplubestemmingsplan, beperken woningen en supermarkten, binnenplanse afwijkingsbevoegdheid
* 14 april 2021 (ABRvS 202002116/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning, bezwaar niet‑ontvankelijk (Rb Overijssel 19/1373)
* 14 april 2021 (ABRvS 202000050/1/R1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, invordering, permanente bewoning recreatiewoning, controlerapporten, betalingsregeling (Rb Zeeland-West-Brabant 18/7132)
* 14 april 2021 (ABRvS 201909014/1/R1): Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, invordering strijd met bpl, gebruik van meer dan 5% vloeroppervlak voor verkoop souvenirs, overgangsrecht (Rb Amsterdam 19/2798)
* 14 april 2021 (ABRvS 201908564/2/R4): Awb, Wm; handhaving, hoogte dwangsom, uitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 14 april 2021 (ABRvS 201908437/1/R4): Awb, Wro; bpl, paardenfokkerij, geur, afstandsnorm Wgv en Activiteitenbesluit, bedrijfswoning, tussenuitspraak
* 14 april 2021 (ABRvS 201908374/1/R3): Awb, Wro; bpl, zienswijzen, 6:13 Awb, arrest Varkens in Nood, relativiteit, gebruik als kantoor, opnieuw onder overgangsrecht, bewoning door meer dan één huishouden, nadere inzichten
* 14 april 2021 (ABRvS 201908163/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning, afmeren bunkerstation, weigering afwijken bestemmingsplan (Rb Amsterdam 18/6115)
* 14 april 2021 (ABRvS 201905525/1/R1): Awb, Wro; bpl, paraplubestemmingsplan kamerwoningen, afwijkingsbevoegdheid
* 13 april 2021 (ABRvS 201904761/4/R3): Awb, Wro; vovo, bpl, eerdere tussenusp, woningen op plek van agrarisch bedrijf, strijd met provinciale verordening, omgevingsvergunning verleend op basis van bpl, spoedeisend belang
* 13 april 2021 (ABRvS 202100303/2/R3): Awb, Wro; vovo, bpl, overkapping, relatie met bouwvergunning
* 13 april 2021 (ABRvS 202100773/2/R3): Awb, Wro; vovo, bpl, woningen, herontwikkeling gebied, eerdere beheersverordening, goothoogte
* 13 april 2021 (ABRvS 202100848/2/R3): Awb, Wro; vovo, bpl, zorgwoningen, koppeling met omgevingsvergunning voor bouwen
* 13 april 2021 (CBb 19/1861, 19/1866, 19/1843, 19/1759, 19/1857, 19/1867, 19/1877, 19/1888, 19/1878,en 19/1963): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, EP/geen sprake van individuele en buitensporige last, knelgevallenregeling, startersregeling, jongvee, I&R-systeem, voorzienbaarheid, EVRM, peildatum, schadevergoeding/bevoegdheid
* 13 april 2021 (CBb 18/2925 en 19/784, 19/1549, 19/1518, 19/1701, 19/1771, 20/920 en 20/710): Awb, Lbw; heffing/bonus, fosfaatreductieplan, geen strijd EP/geen individuele buitensporige last, duur procedure/EVRM, knelgevallenregeling, I&R-systeem, hardheidsclausule/bijzondere omstandigheden
* 12 april 2021 (ABRvS 202000528/2/R2): Awb, Wro; vovo, bpl, landhuiskavels in buitengebied
* 9 april 2021 (Rb Rotterdam ROT 20/446): Awb, Opiumwet, Gmw; handhaving, sluiting woning, bevoegdheid, drugs
* 9 april 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 20/2735T): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, milieu en natuur, nieuwe vervangende stal, interne saldering, geur, geluid, Handreiking/IBS, luchtwasser, Rav, natuur/vvgb, motivering, tussenuitspraak
* 9 april 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 20/4061): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, verbouwen pand tot woning, strijd met bpl, niet van rechtswege verleend
* 9 april 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 20/1903): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, gebruik van woning door twee huishoudens, strijd met bpl, overtreder
* 8 april 2021 (Rb Rotterdam ROT 21/1527): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, bevoegdheid, drugs, bijzondere omstandigheid
* 8 april 2021 (ABRvS 202101732/2/A3): Awb, Wabo; vovo, intrekking milieuvergunningen varkensbedrijven, Wet Bibob (Rb Oost-Brabant 20/1603)
* 7 april 2021 (ABRvS 202002270/1/R2 en /2/R2): Awb, Wro; vovo en kortsluiten, bpl, park, horeca, woon- en leefklimaat, geur, geluid, VNG-brochure, parkeren
* 7 april 2021 (ABRvS 202101193/1/R1 en /2/R1): Awb, Wm; vovo en kortsluiten, plaatsingsbesluit locatie ondergrondse afvalcontainers, afvalstoffenverordening, loopafstand, verkeersveiligheid
* 7 april 2021 (Rb Gelderland AWB 21/1766): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, permanente bewoning recreatiewoning, strijd met bpl, bijzondere omstandigheid, studie
* 2 april 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/1183 WABOA VV): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor uitvoeren werk, aanplanten bos, aantasting natuurwaarden
* 1 april 2021 (Rb Den Haag SGR 21/1310 en SGR 21/1287): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, dakterras op uitbouw onderburen, evidente privaatrechtelijke belemmering
* 31 maart 2021 (Rb Rotterdam ROT 21/1331): Awb, Gmw; vovo, handhaving, sluiting panden, APV, openbare orde, ‘voor het publiek openstaand gebouw’, noodzaak, motivering
* 31 maart 2021 (Rb Rotterdam ROT 20/133): Awb, Gmw; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, wegslepen autowrak, APV, bevoegdheid, weg/Wvw
* 30 maart 2021 (Rb Den Haag SGR AWB 20/4538): Awb, Gmw; handhaving, overlast camper, parkeren, ontsiering straatbeeld, APV, procesbelang, ontvankelijkheid
* 29 maart 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/561 GEMWT VV): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, overkapping, geen vergunning, geen zicht op legalisatie, gelijkheidsbeginsel
* 26 maart 2021 (Rb Noord-Holland HAA 20/2486): Awb; handhaving, verweiden koeien, geen strijd met Wegenverordening of Wvw
* 19 maart 2021 (Rb Den Haag SGR 20/2882): Awb, Gmw; exploitatievergunning, gedoogverklaring, coffeeshop, maximumbeleid, procesbelang, ontvankelijkheid
* 16 maart 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/1094 VV): Awb, Wabo; vovo, niet tijdig beslissen op verzoek bouwstop, bevoegdheid, zorgwoning, verleende vergunning
* 10 maart 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/64 WABOA VV en BRE 20/10254 WABOA): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, appartementen, vvgb, behoefte, motivering
* 18 december 2020 (Rb Limburg AWB 20/875): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen zonnepanelenpark, strijd met bpl, structuurvisie
* 29 september 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/5687 GEMWT): Awb, Wabo; handhaving, minicamping, belanghebbende, ruimtelijke kwaliteit, inpassing, ontheffing, bevoegdheid, noodontsluiting, geluid
* 24 september 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/5939 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor vellen houtopstand, aanwijzingsbesluit, waarde boom
* 9 juni 2020 (Rb Overijssel 8038712 EJ VERZ 19-226): Rv; Overijsselse overlegrechter, burengeschil inzake coniferenhaag, herstel haag/schadevergoeding

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 14 april 2021 (ABRvS 201908374/1/R3): Awb, Wro; bpl, zienswijzen, 6:13 Awb, arrest Varkens in Nood, relativiteit, gebruik als kantoor, opnieuw onder overgangsrecht, bewoning door meer dan één huishouden, nadere inzichten
4.2.    [appellante sub 1] en anderen betogen dat aan hen niet kan worden tegengeworpen dat zij geen zienswijzen over het ontwerpplan naar voren hebben gebracht. Volgens [appellante sub 1] en anderen is de voorwaarde dat eerst een zienswijze naar voren moet worden gebracht over het ontwerpplan om toegang tot de rechter te krijgen, in strijd met artikel 9, tweede lid, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden van 25 juni 1998 (het Verdrag van Aarhus, hierna ook: het verdrag). Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, Stichting Varkens in Nood, ECLI:EU:C:2021:7 (hierna: het arrest Varkens in Nood), betogen zij dat artikel 6:13 van de Awb in zoverre buiten toepassing moet blijven.

4.4.    De Afdeling leidt uit de bewoordingen van het arrest van het Hof, in het bijzonder de punten 58 tot en met 60 van het arrest, af dat het oordeel van het Hof over toegang tot de rechter bij besluiten die binnen de werkingssfeer van artikel 6 van het verdrag vallen (hierna: “Aarhus-besluiten”) niet alleen geldt voor non-gouvernementele organisaties, maar voor “het betrokken publiek” in het algemeen. De Afdeling concludeert daarom dat op basis van dit arrest in ieder geval het recht van belanghebbenden om beroep in te stellen tegen “Aarhus-besluiten”, niet afhankelijk mag worden gesteld van deelname aan de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. Dit betekent dat voor belanghebbenden het beroepsrecht tegen dit soort besluiten niet afhankelijk mag worden gesteld van de in artikel 6:13 van de Awb neergelegde regel die inhoudt dat geen beroep kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijze als bedoeld in artikel 3:15 van de Awb naar voren heeft gebracht. Dit geldt niet alleen voor het beroepsrecht als zodanig, maar ook voor de – tot dusverre in de rechtspraak toegepaste – zogenoemde onderdelentrechter bij “Aarhus-besluiten” die met toepassing van de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure tot stand zijn gekomen en die uit verschillende besluitonderdelen bestaan. De Afdeling concludeert dus dat wat in artikel 6:13 van de Awb is bepaald in zoverre voor belanghebbenden bij “Aarhus-besluiten” niet in overeenstemming is met artikel 9, tweede lid, van het verdrag en aanpassing behoeft door de wetgever.

4.5.    Zolang zo’n wijziging van de wet er niet is, moet worden voorzien in een oplossing. Artikel 6:13 van de Awb mag aan belanghebbenden bij “Aarhus-besluiten” niet worden tegengeworpen, omdat artikel 9, tweede lid, van het verdrag zich daartegen verzet. Welke besluiten “Aarhus-besluiten” zijn en dus in een concreet geval onder de werkingssfeer van artikel 6 van het verdrag vallen, is niet in algemene zin aan te geven. Het gaat om besluiten over het al dan niet toestaan van activiteiten vermeld in bijlage I bij het verdrag (artikel 6, eerste lid, onder a) en om besluiten over niet in bijlage I vermelde activiteiten die een aanzienlijk effect op het milieu kunnen hebben (artikel 6, eerste lid, onder b).

4.7.    De Afdeling stelt vast dat het toepassingsbereik van artikel 6 van het verdrag niet gemakkelijk op voorhand is af te bakenen. Om het toepasselijke procedurele regime vast te kunnen stellen en op basis daarvan te beoordelen of een beroep van een belanghebbende ontvankelijk is, moet eerst worden beoordeeld of het aangevochten besluit onder het bereik van artikel 6 van het verdrag valt. Dat zal soms bewerkelijk zijn, omdat tot in detail moet worden bekeken of dat besluit onder een van de vermelde categorieën valt. Dat kan onder omstandigheden ook het stellen van prejudiciële vragen noodzakelijk maken. Bovendien kan het bij bepaalde typen besluiten, zoals besluiten tot vaststelling van ruimtelijke plannen, voorkomen dat bepaalde onderdelen wel en bepaalde onderdelen niet onder de werkingssfeer van artikel 6 van het verdrag vallen. Dit kan ook aan de orde zijn bij gecoördineerde besluitvorming, waarbij in dezelfde procedure zowel besluiten moeten worden getoetst die onder de werkingssfeer van voormeld artikel 6 van het verdrag vallen als besluiten waarbij dat niet het geval is.

4.8.    De Afdeling verwacht dat er in de praktijk zo veel situaties zullen zijn waarin zo’n inhoudelijke en soms zeer gecompliceerde beoordeling moet worden verricht om na te gaan of het besluit onder de werkingssfeer van artikel 6 van het verdrag valt, dat de Afdeling het afbakenen van situaties waarin artikel 6:13 van de Awb niet mag worden tegengeworpen aan belanghebbenden, voor de rechtspraktijk onwerkbaar acht. In afwachting van een oplossing door de wetgever kiest de Afdeling daarom voor een uit oogpunt van rechtsbescherming ruimhartige uitleg van het verdrag, vooral ook om te verzekeren dat het uit het verdrag voorvloeiende recht op toegang tot de rechter niet een te beperkte invulling krijgt. Daarom zal in alle gevallen waarin in omgevingsrechtelijke zaken de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure is toegepast, artikel 6:13 van de Awb niet worden tegengeworpen aan belanghebbenden.
4.9.    Daarbij beschouwt de Afdeling als omgevingsrechtelijke zaken de zaken over besluiten op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, Wet milieubeheer, Wet ruimtelijke ordening, Tracéwet, Wet geluidhinder, Wet natuurbescherming, Ontgrondingenwet, Waterwet, Wet bodembescherming, Wet luchtvaart, Mijnbouwwet, Kernenergiewet, Wet inzake de luchtverontreiniging, Wet bescherming Antarctica en andere wetten en regelingen op het gebied van het milieu en de ruimtelijke ordening.

* 14 april 2021 (ABRvS 202003712/1/R1): Awb, Wbb; handhaving, rubbergranulaat, kunstgrasvelden, ontvankelijkheid, elektronische bereikbaarheid, expliciet/impliciet kenbaar maken

5.1.    Het college stelt zich op het standpunt dat de stichting impliciet kenbaar heeft gemaakt dat het langs  elektronische weg bereikbaar is. Het college wijst daarbij op de uitspraak van de Afdeling van 17 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3392, waarin de Afdeling heeft overwogen dat het kenbaar maken in de zin van artikel 2:14, eerste lid, van de Awb zowel impliciet als expliciet kan geschieden en dat uit de tekst van de memorie van toelichting bij dit artikel, gezien de sterke ontwikkeling van het elektronisch verkeer met de overheid, niet kan worden afgeleid dat kenbaarmaking nu nog altijd uitdrukkelijk zou moeten geschieden. Het college stelt, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 19 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1967, dat gelet op het feit dat de gemachtigde een professioneel rechtsbijstandverlener is, die zijn bezwaarschrift elektronisch heeft ingediend en in het briefhoofd een e-mailadres heeft vermeld, het redelijkerwijs heeft mogen aannemen dat de gemachtigde – al dan niet impliciet – kenbaar heeft gemaakt dat hij elektronisch bereikbaar is.

5.2.    De Afdeling overweegt dat het college, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 17 oktober 2018, terecht heeft gesteld dat kenbaar maken in de zin van artikel 2:14, eerste lid, van de Awb zowel expliciet als impliciet kan geschieden. De Afdeling stelt vast dat de stichting niet expliciet kenbaar heeft gemaakt dat zij bereikbaar was voor het ontvangen van berichten via de elektronische weg.

De Afdeling overweegt voorts dat uit de gegeven omstandigheden niet kan worden afgeleid dat de stichting impliciet kenbaar heeft gemaakt dat zij bereikbaar was via de elektronische weg. Uit de uitspraak van de Afdeling van 17 oktober 2018 volgt dat het vermelden van een e-mailadres op briefpapier op zichzelf niet doorslaggevend is voor de vraag of iemand impliciet kenbaar heeft gemaakt dat hij bereikbaar is via de elektronische weg. De Afdeling neemt in het nu voorliggende geval ook in aanmerking dat het door het college gebruikte e-mailadres niet overeenkomt met het e-mailadres dat in het briefhoofd staat op het per post ingediende bezwaar. In de uitspraak van 17 oktober 2018 was door de Afdeling aangenomen dat wel sprake was van het impliciet kenbaar maken van bereikbaarheid via  elektronische weg omdat de gemachtigde in andere bezwaarzaken bij dezelfde gemeente al meerdere malen via e-mailberichten had gecommuniceerd. Anders dan in die uitspraak is in deze zaak van eerdere communicatie via de elektronische weg tussen de stichting en het college niet gebleken. De enkele omstandigheid dat in dit geval het bezwaarschrift ook elektronisch, met gebruikmaking van DigiD, is ingediend is onvoldoende voor het oordeel dat impliciet kenbaar is gemaakt dat sprake is van bereikbaarheid via de elektronische weg. De verwijzing door het college naar het arrest van de Hoge Raad van 19 oktober 2018 maakt het voorgaande niet anders, omdat in die zaak sprake was van verzending van het bezwaarschrift per e-mail.

Uit het bovenstaande volgt dat het college niet heeft mogen volstaan met het per e‑mailbericht in de gelegenheid stellen om de gronden van bezwaar in te dienen. De stichting heeft niet de gelegenheid gehad om het verzuim, omdat niet is voldaan aan artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb, te herstellen. Het college heeft derhalve in strijd met artikel 6:6 van de Awb bij besluit van 6 mei 2020 het bezwaar van de stichting niet-ontvankelijk verklaard.

* 14 april 2021 (ABRvS 202003548/1/R3): Awb, Wro; bpl, woningbouw, stedenbouwkundige opzet, inspraak, overgangsrecht, relatie planregel en verbeelding, flora- en fauna, privacy, voorzienbaarheid, verkeer, vaarrecht

  1. [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] betogen dat de verbeelding bij het plan één woning te veel mogelijk maakt. Uit de planregels blijkt dat er in het plangebied maximaal 100 woningen gebouwd mogen worden, terwijl op de verbeelding meer dan 100, namelijk 101, nieuw te bouwen woningen zijn ingetekend. Volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] is de verbeelding leidend.
    7.3. De Afdeling overweegt dat in het plan de planregels, die de meest beperkende mogelijkheid bevatten, prevaleren boven de verbeelding (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO3374). Dat brengt met zich dat in het plangebied maximaal 100 woningen gebouwd mogen worden. Op grond van artikel 7.1 van de planregels zal een omgevingsvergunning voor de bouw van meer dan 100 woningen geweigerd moeten worden.

13.2.  De Afdeling overweegt dat een eventueel vaarrecht een privaatrechtelijke aangelegenheid is. Een privaatrechtelijke belemmering kan pas aan de vaststelling van een bestemmingsplan in de weg staan als de belemmering zo duidelijk is dat verwezenlijking van het plan daardoor niet mogelijk is. Er is gesteld noch gebleken dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] een privaatrechtelijk vaarrecht hebben. Daarin is derhalve geen evidente privaatrechtelijke belemmering gelegen. Ook overweegt de Afdeling dat uit de nota van zienswijzen blijkt dat de raad ter zake een belangenafweging heeft gemaakt. Hierbij heeft de raad in redelijkheid kunnen stellen dat de belangen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] niet onevenredig worden aangetast door het verliezen van vaarmogelijkheden. De raad heeft verder van belang mogen achten dat voor de demping van een sloot nabij bestaande woonpercelen, die een verbinding vormde met open water, al een vergunning is verleend door het Hoogheemraadschap van Rijnland.

* 9 april 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 20/2735T): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, milieu en natuur, nieuwe vervangende stal, interne saldering, luchtwasser, Rav, motivering, tussenuitspraak
Gaat over een veehouderij die een paar oude stallen sloopt en een nieuwe stal bouwt met wat meer dieren. De biologische combiluchtwassers van de gesloopte stallen worden aangesloten op de nieuwe stal. Daardoor zou het bedrijf een lagere ammoniakemissie hebben en komt er minder stikstofdepositie op het nabijgelegen Natura2000 gebied. De provincie heeft hiervoor een verklaring van geen bedenkingen verleend. Eisers voeren aan dat de provincie hierbij niet zomaar mocht uitgaan van de emissiefactoren in de Regeling ammoniak en veehouderij. Zij hebben hiervoor een aantal rapporten die ook in andere zaken zijn gebruikt.

De rechtbank ziet in de door eisers overgelegde rapporten geen aanleiding voor het oordeel dat de emissiefactoren in de (bijlage bij de) Rav voor wat betreft dit luchtwassysteem dan wel voor andere luchtwassystemen in de Rav in zijn algemeenheid onjuist zijn. Op basis van de onderzoeken ten behoeve van de vaststelling van de ammoniakemissie per dierplaats per jaar van een stalsysteem, is voldoende aannemelijk dat het betreffende stalsysteem in staat is om deze emissiefactor te halen onder de omstandigheden waarbij de proefmetingen zijn uitgevoerd. De rechtbank vraagt zich wel af of een biologische combiluchtwasser in iedere stal op dezelfde wijze zal presteren. De daadwerkelijke prestaties van de biologische combiluchtwasser hangen af van het ontwerp, het onderhoud en het gebruik van het stalsysteem in het afzonderlijke bedrijf. De provincie had zelf iets moeten vinden van het ontwerp van de toe te passen combiluchtwasser in de stallen waar de dieren worden gehouden en de mogelijke invloed van het gebruik en onderhoud. Nu staat onvoldoende vast dat geen sprake is van een toename van stikstofdepositie.

De rechtbank biedt wel de gelegenheid om dit gebrek te herstellen en reikt hiervoor meerdere oplossingsrichtingen aan zoals het verbinden van een grenswaarde voor de ammoniakdepositie in de vergunning en een monitoringsverplichting om te controleren of de luchtwasser goed wordt gebruikt en wordt onderhouden.

* 9 april 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 20/1903): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, gebruik van woning door twee huishoudens, strijd met bpl, overtreder
12.   De rechtbank stelt voorop dat het college beoordelingsruimte heeft bij het bepalen of qua uiterlijke verschijningsvorm sprake is van één woonhuis. De rechtbank toetst of het college die beoordelingsruimte in redelijkheid heeft ingevuld. Het college heeft beoordeeld dat nummer [adres 1] en [adres 2] qua uiterlijke verschijningsvorm wel een eenheid zijn, omdat als je erlangs rijdt het heel duidelijk één wooneenheid is. [derde-partij] bevestigt dat en wijst erop dat het voor de architect bij de verbouwing in 2003 en 2004 een belangrijk uitgangspunt is geweest dat de bebouwing een eenheid zou vormen, onder meer qua kleurgebruik. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in redelijkheid kunnen beslissen dat in dit geval qua uiterlijke verschijningsvorm sprake is van een eenheid.

  1. Er is sprake van één woonhuis. Dat woonhuis wordt gebruikt als twee woningen, en dat is in strijd met artikel 18.5 van de planregels. Gebruik in strijd met het bestemmingsplan zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning is verleend is in strijd met artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Er is dus sprake van een overtreding.
    15. De grondslag van de handhaving is artikel 18.5 van de planregels, waarin is bepaald dat een woonhuis niet voor meer dan één woning gebruikt mag worden. De rechtbank heeft al beoordeeld dat nummer [adres 1] en nummer [adres 2] samen één woonhuis zijn. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet op basis van het deel van de bebouwing dat bewoond wordt bepaald worden wie de overtreder is. Het bestemmingsplan maakt geen onderscheid tussen de verschillende delen van een woonhuis. Het geheel mag voor één woning gebruikt worden en dus door één huishouden bewoond worden. Welke ruimten van het woonhuis feitelijk gebruikt worden en of dat het hoofdgebouw is of niet, maakt daarvoor geen verschil. Ook de gebruiksfuncties die in de omgevingsvergunningen aan de verschillende ruimten zijn toegewezen, zijn voor de toepassing van artikel 18.5 van de planregels niet relevant.
  2. Voordat [eiser] naar nummer [adres 2] verhuisde woonde er in het woonhuis maar één huishouden, het gezin [derde-partij] . Op dat moment was er dus geen sprake van strijd met artikel 18.5 van de planregels. De overtreding is ontstaan op het moment dat [eiser] in nummer [adres 2] ging wonen. Het college heeft [eiser] daarom als overtreder aangemerkt, en de rechtbank kan dat volgen. 

    Samenvattingen van jurisprudentie op STAB-site

Op de website van STAB wordt recente jurisprudentie ook samengevat.
De volgende uitspraken zijn vorige week nieuw geplaatst:
ABRvS 24 februari 2021 Uitleg van het in het Burgerlijk Wetboek opgenomen bewijsvermoeden bij gaswinningsactiviteiten in Groningen.

ABRvS 24 maart 2021 Omvang van invloedsgebied voor externe veiligheid in een bestemmingsplan.

Rb Noord-Nederland 11 maart 2021 Bij beoordeling van stikstofdepositie op grond van Wnb kan niet zonder meer worden volstaan met verwijzing naar emissiefactoren uit de Regeling ammoniak en veehouderij.