Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 28 april 2021 (ABRvS 202006170/1/R2): Awb, Wro; niet tijdig vaststellen bpl, dwangsom
* 28 april 2021 (ABRvS 202005549/1/R3): Awb, Wgh; HGW, ontvankelijkheid
* 28 april 2021 (ABRvS 202004716/1/R3): Awb, Wro; bpl, gebouw met woningen en kantoren, geurhinder, hoogte, motivering, geluid(cumulatie), tussenuitspraak
* 28 april 2021 (ABRvS 202004444/1/R3): Awb, Wro, Wabo; bpl/omgevingsvergunning voor bouwen, appartementencomplex, Ladder/doelgroep, parkeren/CROW/ASVV, verkeer, geluid, bezonning/TNO
* 28 april 2021 (ABRvS 202004219/1/R1): Awb, Wro, Wabo; bpl/omgevingsvergunning voor kappen en bouwen, woningen met parkeergarage/brug, inritten en kinderdagverblijf, molenbiotoop/draaiuren, cultuurhistorische waarde, parkeren, verkeer
* 28 april 2021 (ABRvS 202003024/1/R1): Awb, Wro, Wabo, Wgh; bpl, omgevingsvergunning voor bouwen en HGW, verbouwing Koepelgevangenis, Chw, bezonning, parkeren/CROW, motivering, fietsparkeren, verkeer, tussenuitspraak
* 28 april 2021 (ABRvS 202002474/1/R3): Awb, Wro; bpl met verbrede reikwijdte, gasverdeelstation, veiligheidszone, glastuinbouw, omgevingsdialoog, tussenuitspraak
* 28 april 2021 (ABRvS 202001192/1/R1): Awb, Wabo; brief geen aanvraag om omgevingsvergunning, geen vergunning van rechtswege (Rb Den Haag 18/5658)
* 28 april 2021 (ABRvS 202000973/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, kerk, klokgelui, Grondwet, Wom, Activiteitenbesluit, voorschrift, VNG-brochure, tussenuitspraak (Rb Zeeland-West-Brabant 19/1515)
* 28 april 2021 (ABRvS 202000748/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, winkel/kantoor naar restaurant, strijd met bpl, fietsparkeren, leefbaarheid en veiligheid(Rb Overijssel 19/655)
* 28 april 2021 (ABRvS 202000743/1/R4): Awb, Wm, Gmw; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, vrijkomen asbest na brand, kostenverhaal
* 28 april 2021 (ABRvS 202000565/1/R1): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, verwijderen hotelkamers begane grond, geen veergunning, strijd met bpl, bevoegdheid, monument/status interieur, duidelijkheid last (Rb Amsterdam 19/3639)
* 28 april 2021 (ABRvS 201908763/1/R1): Awb, Ww; Gmw; handhaving, dwangsom, vervangen zwarte glimmende dakpannen door rode dakpannen, welstandsexces, welstandsnota (Rb Noord-Holland 19/1302)
* 28 april 2021 (ABRvS 201908520/1/R1): Awb, Wro, Wabo; bpl/omgevingsvergunning voor bouwen, bedrijfsgebouw, Ladder/Bro/behoefte, verkeer, parkeren, motivering
* 28 april 2021 (ABRvS 201908422/1/R4): Awb, Wabo; handhaving/omgevingsvergunning voor bouwen, werk en afwijken bpl, uitkijkpunt op voormalige stortplaats, afdeklaag, verontreiniging/percolaat, Bouwbesluit(Rb Gelderland 18/3495 en 18/3764)
* 28 april 2021 (ABRvS 201907630/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor gewijzigd gebruik, detailhandel naar horeca, herstelbesluit, relatie bpl, gelijkheidsbeginsel, dwangsom
# 28 april 2021 (ABRvS 201907141/1/R3): Awb, Ontgrondingenwet; goedkeuring eindplan, boscompensatie
* 28 april 2021 (ABRvS 201906612/1/A2): Awb; schadevergoeding, hinder door werkzaamheden door aanleg tunnel, woongenot/inkomensschade, voorzienbaarheid
* 28 april 2021 (ABRvS 201905638/1/A2): Awb; schadevergoeding, waardevermindering woning door Tracébesluit, taxaties, woongenot, normaal maatschappelijk risico
* 28 april 2021 (ABRvS 201904459/2/R2): Awb, Wro; bpl, fruitboomgaard, gewasbeschermingsmiddelen, spuitzone, rapport, haag, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 28 april 2021 (ABRvS 201902308/2/A1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, chalets op verblijfsrecreatieterrein, welstand, belanghebbende, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak (Rb Zeeland-West-Brabant 18/6002)
* 28 april 2021 (ABRvS 201802310/1/A2): Awb; schadevergoeding, Wm/bevoegdheid, belanghebbende, verjaring (Rb Rotterdam 16/7299)
* 26 april 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 20/2556 en 20/2558 en UTR 20/2494): Awb, Wnb: ontheffing/vergunning, afschot edelherten/significante gevolgen Natura 2000-gebied, bevoegdheid, beheerplan, noodzaakscriterium, alternatieven, passende beoordeling, cumulatietoets
* 26 april 2021 (CBb 19/1844, 19/1970, 20/6, 19/1994, 20/343, 19/661 en 19/1897): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, EP/geen sprake van individuele en buitensporige last, knelgevallenregeling, startersregeling, jongvee, investeringsbeslissing, voorzienbaarheid, EVRM, peildatum, schadevergoeding/bevoegdheid, belanghebbende
* 26 april 2021 (ABRvS 202101370/2/R3 en 202101373/2/R3): Awb, Wgh, Wro; vovo, HGW/wijzigingsplan, woningen, wegverkeer, bedrijven, planregels, VNG-brochure, geluidschermen, relativiteit
* 23 april 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 21/616): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, motivering
* 23 april 2021 (Rb Limburg AWB/ROE 21/908 en AWB/ROE 21/411): Awb, Wnb; vovo en kortsluiten, ontheffing, ontwikkeling bedrijventerrein, afsluiten pijpen dassenburcht, compensatiegebied
* 23 april 2021 (Rb Limburg AWB 17/3841 en AWB 17/3843): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en milieu, nieuwe varkensstal, belanghebbenden, Aarhus, prejudiciële beslissing EH
* 23 april 2021 (Rb Overijssel AWB 21/567): Awb, Wlv; vovo, ontheffing, vertrek 3 Boeing-vliegtuigen, stalling, veiligheid
* 23 april 2021 (ABRvS 202101804/2/R4): Awb, Wro; vovo, bpl, woningen, geen spoedeisend belang
* 22 april 2021 (Rb Gelderland C/05/385416 / KG ZA 21-82): BW; kort geding, dwangsom, rechtmatigheid, voorschot schadevergoeding, pand niet kunnen gebruiken volgens bestemming, schorsing voorbereidingsbesluit
* 21 april 2021 (Rb Limburg ROE 20/2989 en ROE 20/3115): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, verwijderen bouwwerken, geen vergunning, strijd met bpl, vruchtgebruiker, motivering
* 21 april 2021 (Rb Amsterdam C/13/700277 / KG ZA 21-278): BW; kort geding, staken maken uitbouw, onrechtmatige hinder
* 21 april 2021 (Rb Gelderland ARN 21/1846 en 21/1964): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, chalet op voormalig recreatiepark, belanghebbende, toepassing kruimelgevallenregeling, Bouwbesluit
* 21 april 2021 (Rb Amsterdam AMS 19/6226): Awb, Wvw; verkeersbesluit, weren snorfietsers, belangenafweging, motivering
* 21 april 2021 (Rb Amsterdam AMS 21/1727): Awb, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, sluiting massagesalon, illegale prostitutie, APV
* 21 april 2021 (ABRvS 202100072/2/R3): Awb, Wro, Ontgrondingenwet; vovo, inpassingsplan/vergunning, Natura 2000-gebied, natuurwaarden, onomkeerbare gevolgen
* 20 april 2021 (Conclusie AG HR 19/04997): WSr, WED, Wm; particulier/normadressaat, art. 1.2.2, eerste lid, Vuurwerkbesluit, systematische specialis, onjuiste rechtsopvatting Hof Arnhem-Leeuwarden
* 20 april 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 20/1268): Awb; invordering dwangsom, beëindiging kamerverhuur, bewijslast, controlerapport
* 19 april 2021 (Rb Rotterdam ROT 21/1107,  ROT 21/1495, ROT 21/638 en ROT 21/1494): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor kappen bomen, bouwrijp maken grond, verplanten niet mogelijk, bomenstructuurvisie, uniciteit/monumentale bomen, motivering
* 16 april 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/7012 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en uitrit, bedrijfshal, parkeren, CROW
* 16 april 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 20/3107): Awb, Mbw; mijnbouwschade, aardbeving, gaswinning, bewijsvermoeden, deskundigenadvisering
* 14 april 2021 (Rb Overijssel C/08/253946 / HA ZA 20-370) BW; onrechtmatige handelen gemeente, schadevergoeding, varkenshouder, megastal, LOG/bpl, causaal verband, Correctie Langemeijer
* 14 april 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/6847 WET): Awb, Gmw; handhaving, verwijdering beukenhaag, verkeersveiligheid, APV, motivering
* 14 april 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/8421 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor kappen, bouwen en afwijken bpl, verbouwing woonboerderij
* 13 april 2021 (Rb Rotterdam ROT 21/1496): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, bevoegdheid, motivering
* 13 april 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/5486 WABO): Awb, Wabo; verzoek om intrekking bouw- en milieuvergunning, veehouderij, stal niet gebouwd, driejaarstermijn
* 13 april 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/4894 GEMWT): Awb, Wabo; verzoek om oplegging bouwstop, appartementengebouw, procesbelang, ontvankelijkheid
* 9 april 2021 (Rb Limburg ROE 20/1343): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor kappen bomen, belanghebbende, procesbelang, intrekking deel aanvraag, zelf in de zaak voorzien
* 9 april 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/689 GEMWT, BRE 19/690 GEMWT, BRE 19/692 GEMWT en BRE 19/693 GEMWT): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, huisvesten arbeidsmigranten op vakantiepark, strijd met bpl, VWEU, Dienstenrichtlijn, overtreder, begunstigingstermijn
* 6 april 2021 (Rb Overijssel AWB 21/385): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, verwijderen chalet, belanghebbenden, motivering
* 25 maart 2021 (Rb Limburg ROE 20/1243): Awb, Wabo; handhaving/omgevingsvergunning voor bouwen, huisvesting arbeidsmigranten, strijd met bpl, omvang aanvraag in relatie tot handhaving
* 17 maart 2021 (Rb Limburg ROE 20/1524): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, bedrijfswoning en loods, paardenhouderij, geen strijd met bpl, geen Nbw-vergunning nodig
* 15 maart 2021 (Rb Limburg AWB/ROE 20/276 en AWB/ROE 20/1695): Awb, Gmw; handhaving/exploitatievergunning, horeca met terras, warmtelamp, APV, parasol
* 2 februari 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 20/2521): Awb, Mbw; mijnbouwschade, aardbeving, gaswinning, bewijsvermoeden, deskundigenadvisering
* 18 december 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 20/2365): Awb, Mbw; mijnbouwschade, aardbeving, gaswinning, ontvankelijkheid
* 1 oktober 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/4891 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, splitsing bovenwoning in 2 appartementen, Bouwbesluit
* 12 september 2019 (Rb Midden-Nederland UTR 19/778): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, aanbouw woning, strijd met bpl

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 28 april 2021 (ABRvS 202004716/1/R3): Awb, Wro; bpl, gebouw met woningen en kantoren, geurhinder, hoogte, motivering, geluid(cumulatie), tussenuitspraak
5.5.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad onvoldoende weersproken dat de omgevingsvergunning uit 2013 is gebaseerd op waarneming van geur op ongeveer 1,5 m hoogte en dat Hunter Douglas een hogere schoorsteen heeft moeten bouwen om op deze hoogte te kunnen voldoen aan maatregelniveau 1. De raad heeft niet aannemelijk gemaakt dat als buiten de inrichting van Hunter Douglas op 1,5 m hoogte geen geur kan worden waargenomen er ook geen geur kan worden waargenomen bij de woningen die tot op 75 m hoogte in het plangebied mogen worden gebouwd. De raad heeft dan ook niet zonder nader onderzoek mogen aannemen dat het plan niet zal leiden tot een beperking in de bedrijfsvoering van Hunter Douglas. Het bestreden besluit is daarom in dit opzicht niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het betoog slaagt.
10.3.  De Afdeling stelt vast dat volgens het akoestisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan de vastgestelde hogere waarden voor het bronvermogen van schoorsteenpijpen op het terrein van Hunter Douglas een toeslag van +3 dB is toegepast om een “realistischer immissierelevant bronvermogen” te krijgen in relatie tot de hoogte van de nieuwbouw. De raad stelt in de zienswijzennota en het verweerschrift echter dat de toeslag niet nodig is op basis van de “Handleiding meten en rekenen industrielawaai”. Daarbij zijn echter geen duidelijke bronvermeldingen gegeven. Bovendien is in de notitie van LBP Sight van 16 juni 2019 uiteengezet waarom volgens die Handleiding de toeslag wel van belang is voor meerdere geluidbronnen op het terrein. Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat de raad in zoverre ontoereikend heeft gemotiveerd dat de vastgestelde hogere waarden in acht zijn genomen. Het betoog slaagt.

* 28 april 2021 (ABRvS 202000973/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, kerk, klokgelui, Grondwet, Wom, Activiteitenbesluit, voorschrift, VNG-brochure, tussenuitspraak (Rb Zeeland-West-Brabant 19/1515)
11.     De Afdeling overweegt, onder verwijzing naar haar uitspraak van 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1448, onder 2.3.1, dat er verschillende vormen van klokgelui zijn te onderscheiden. Regulier religieus klokgelui valt binnen de reikwijdte van artikel 6 van de Grondwet. Om die reden moet beperking ervan – gelet op de grondwettelijke beperkingssystematiek – zijn te herleiden tot dat grondwetsartikel. Er dient een specifieke wet in formele zin te zijn, die is bedoeld om deze vorm van godsdienstuitoefening te beperken. De in artikel 10, tweede volzin, van de Wom, omschreven bevoegdheid is niet aan te merken als een grondslag om het in artikel 6 van de Grondwet gewaarborgde recht tot het vrij belijden van godsdienst te beperken. Dat wil zeggen dat artikel 10 van de Wom niet heeft te gelden als delegatiegrondslag. Dit betekent dat regulier religieus klokgelui niet op gemeentelijk niveau mag worden beperkt. Daarentegen valt excessief religieus klokgelui niet binnen de reikwijdte van de vrijheid van godsdienst. Onder excessief klokgelui wordt verstaan klokgelui dat vanwege de duur, het geluidsniveau of het tijdstip redelijkerwijs niet meer als uitoefening van een door artikel 6 van de Grondwet beschermde handeling kan worden gezien. De vrijheid van godsdienst reikt niet zo ver dat zulk excessief klokgelui er nog onder valt. Deze vorm van klokgelui kan in een gemeentelijke verordening worden gereguleerd. Die gemeentelijke verordening kan zijn geïnspireerd op artikel 10 van de Wom, maar vindt haar wettelijke grondslag in de algemene, verordenende bevoegdheid van de raad op grond van de Gemeentewet. Artikel 10 van de Wom bevestigt immers de reeds bestaande reguleringsbevoegdheid van de gemeenteraad – en is in zoverre een ‘bepaling ten overvloede’. Niet-religieus klokgelui- bijvoorbeeld klokgelui in verband met het aangeven van de tijd – valt evenmin binnen de reikwijdte van de vrijheid van godsdienst. Ook valt niet-religieus klokgelui buiten het bereik van hetgeen in artikel 10 van de Wom is bepaald, aangezien dat artikel juist ziet op het reguleren van religieus geïnspireerd klokgelui.

Het voorgaande betekent dat artikel 6 van de Grondwet er niet aan in de weg staat dat het college excessief religieus klokgelui of niet-religieus klokgelui bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning betrekt.

  1. De Afdeling overweegt verder dat een bestaande situatie, waarin reeds een kerk met klok bestemd of aanwezig is, onderscheiden dient te worden van een nieuwe situatie, waarin het gaat om een nieuw te bouwen kerkgebouw. Het college heeft bij de aanvraag voor het in afwijking van het bestemmingsplan oprichten van een kerkgebouw ruimere mogelijkheden om klokgelui te reguleren dan bij bestaande kerkgebouwen. Bij een bestaand kerkgebouw heeft de ruimtelijke afweging al plaatsgevonden. Als daar religieus klokgelui plaatsvindt dat binnen de grenzen van een redelijke uitleg van de vrijheid van godsdienst van artikel 6 van de Grondwet blijft, kan het college daar geen beperkingen aan stellen zonder in strijd te komen met die grondwetsbepaling. In de situatie waarin het gaat om de oprichting van een nieuw kerkgebouw op een locatie waar nog geen kerkgebouw staat, is het college bevoegd om zo’n vergunning te weigeren indien de te verwachten overlast voor omwonenden, wegens klokgelui, een kerkgebouw ter plaatse onaanvaardbaar maakt. In zo’n geval mag het college – en hetzelfde geldt voor de bestemmingsplanwetgever – de mate van overlast als gevolg van klokgelui betrekken bij de afweging of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Die weigering komt pas in strijd met de vrijheid van godsdienst wanneer de weigering tot gevolg heeft dat er op geen enkele locatie voor de geloofsgemeenschap een mogelijkheid zou bestaan om gezamenlijk het geloof te belijden.
    15.2. Het college diende naar het oordeel van de Afdeling te beoordelen of het oprichten van een kerkgebouw, inclusief regulier religieus klokgelui, op de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft, planologisch aanvaardbaar was, gelet op de belangen van omwonenden. Het college mocht gelet hierop naar het oordeel van de Afdeling in het kader van een goede ruimtelijke ordening met het oog op het regulier gebruik van de kerk een geluidvoorschrift aan de vergunning verbinden.

Het betoog slaagt niet.
16.7.  Naar het oordeel van de Afdeling kon het college op zichzelf aansluiting zoeken bij de VNG-brochure. De Afdeling overweegt echter dat het geluidvoorschrift, verbonden aan de omgevingsvergunning, in dit geval geen duidelijkheid biedt over de geluidnormen waaraan de Hersteld Hervormde Gemeente moet voldoen. De VNG-brochure kent immers een stappenschema, waarbij in de stappen 2 en 3 verschillende geluidwaarden staan en stap 4 de ruimte biedt om gemotiveerd daarvan af te wijken. De Afdeling acht het geluidvoorschrift, gelet daarop, in dit geval in strijd met de rechtszekerheid. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat het voorschrift dat het college aan de omgevingsvergunning heeft verbonden niet in stand kan blijven. Het betoog slaagt.

* 28 april 2021 (ABRvS 201802310/1/A2): Awb; schadevergoeding, Wm/bevoegdheid, belanghebbende, verjaring (Rb Rotterdam 16/7299)
18.     Op grond van vaste rechtspraak is de bestuursrechter bevoegd kennis te nemen van een beroep tegen een besluit op een verzoek om schadevergoeding, indien de bestuursrechter ook bevoegd is kennis te nemen van een beroep tegen het besluit, genomen ter uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid die de schade zou hebben veroorzaakt. (Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 1997, ECLI:NL:RVS:1997:AA6762.)

  1. De besluiten van 9 november 1993 en 6 september 1994 zijn genomen op grond van de Wet milieubeheer. Hiertegen kon op grond van artikel 20.1 van de Wet milieubeheer alleen in eerste en enige aanleg bij de Afdeling beroep worden ingesteld. Hieruit volgt dat de rechtbank niet bevoegd was kennis te nemen van het tegen het besluit van 29 september 2016 ingestelde beroep en dit had moeten doorzenden naar de Afdeling.
    29. Het college heeft, in navolging van de commissie, gewezen op de Memorie van Toelichting bij titel 8.4 van de Awb. Volgens de commissie volgt daaruit dat een verzoek om schadevergoeding uitsluitend kan worden ingediend door een belanghebbende bij een schadeveroorzakend besluit. In dit geval is echter het recht van toepassing, zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Wns, althans van titel 8.4 van de Awb, waarmee een verzoekschriftprocedure is mogelijk gemaakt, waarin een belanghebbende de bestuursrechter kan verzoeken een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade. De door de commissie genoemde passage in de Memorie van Toelichting ziet niet op de onder het oude recht bestaande mogelijkheid om bij een bestuursorgaan een verzoek in te dienen om een zuiver schadebesluit te nemen. Het college heeft miskend dat T.S. Agro e.a. in dit geval in beginsel als belanghebbend zijn aan te merken bij het verzoek om schadevergoeding, nu zij gemotiveerd hebben gesteld schade te hebben geleden als gevolg van de vernietigde milieuvergunningen en niet blijkt van een grond om hen niet als belanghebbende aan te merken.
  2. Het college heeft ten onrechte het verzoek om schadevergoeding buiten behandeling gesteld en ten onrechte het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.

    * 23 april 2021 (Rb Limburg AWB 17/3841 en AWB 17/3843): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en milieu, nieuwe varkensstal, belanghebbenden, Aarhus, prejudiciële beslissing EH
    In deze zaken is beroep ingesteld tegen het besluit waarbij een omgevingsvergunning is verleend voor de uitbreiding van een varkensbedrijf (activiteiten bouwen en milieu). Een van de belangrijkste beroepsgronden hiertegen van eiseres en de stichtingen is dat de bekendmaking van het ontwerpbesluit van deze omgevingsvergunning onjuist heeft plaatsgevonden: daardoor hebben zij en anderen geen zienswijzen kunnen indienen en dus geen inspraak gehad. Van belang in deze procedure is of de toegang tot de rechter om op te komen tegen de verleende omgevingsvergunning afhankelijk mag worden gesteld van deelname aan de inspraakprocedure. Ook speelt de vraag of alleen ‘belanghebbenden’ in beroep mogen komen. Inspraak in de besluitvorming bij het bestuursorgaan en toegang tot de rechter bij grotere milieuactiviteiten (als waarover het in deze beroepen gaat) zijn geregeld in de artikelen 6 en 9 van het Verdrag van Aarhus. In Nederland gaat het vooral om de artikelen 1:2, 8:1 en 6:13 van de Awb, waarin de belanghebbendheid is geregeld (als het om toegang tot de rechter gaat) en artikel 3:12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) dat inspraak voor eenieder mogelijk maakt. De rechtbank heeft in de verwijzingsuitspraak een aantal vragen gesteld aan het Hof. Het Hof heeft naar aanleiding daarvan een oordeel gegeven over hoe die wetsartikelen in het licht van het Verdrag van Aarhus uitgelegd moeten worden. In de onderhavige uitspraak past de rechtbank dat oordeel toe op de beroepen. Zonder de uitspraak van het Hof zou de rechtbank in het licht van de artikelen 1:2, 8:1 en 6:13 van de Awb het beroep van eiseres niet-ontvankelijk hebben moeten verklaren, omdat zij geen belanghebbende is. Door de uitspraak van het Hof moet de rechtbank (bestuursrechter), die zich daarvoor bevoegd acht, het beroep van eiseres anders gaan bekijken en zal het oordeel over (de ontvankelijkheid van) het beroep van eiseres anders kunnen zijn. Ook voor de ontvankelijkheid van het beroep van de stichtingen heeft de uitspraak van het Hof gevolgen. Omdat zij belanghebbenden zijn, hebben zij toegang tot de bestuursrechter en laat de rechtbank in hun beroep artikel 6:13 van de Awb buiten toepassing. Het beroep van de stichtingen slaagt, omdat volgens de rechtbank de inspraak niet goed is verlopen door een gebrekkige bekendmaking van het ontwerpbesluit. Op het beroep van eiseres hoeft de rechtbank niet meer inhoudelijk in te gaan, omdat zij heeft aangegeven dat dat niet nodig is als het beroep van de stichtingen slaagt. 

    * 21 april 2021 (Rb Limburg ROE 20/2989 en ROE 20/3115): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, verwijderen bouwwerken, geen vergunning, strijd met bpl, vruchtgebruiker, motivering
    20.4. Door het ontbreken van toestemming van eigenaresse tot het verwijderen van de bouwwerken in combinatie met de onduidelijkheid over de vraag wie deze bouwwerken heeft opgericht – eiser, eigenaresse en [naam 2] wijzen immers allemaal naar elkaar – heeft verweerder gelet op het voorgaande onvoldoende gemotiveerd dat eiser het in zijn macht heeft de bouwwerken te verwijderen, nu dit juridisch een inbreuk op het eigendomsrecht van eigenaresse inhoudt of kan inhouden. Anders dan in de zaak die aan de orde was in de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2002 (ECLI:NL:RVS:2002:AE7213) heeft eiser bovendien van meet af aan aangegeven dat hij beëindiging van de overtreding niet in zijn (juridische) macht heeft. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat vanwege voorgaande (mogelijke maar niet onderzochte) juridische beletselen niet zonder meer de conclusie kan worden getrokken dat eiser het feitelijk in zijn macht heeft de bouwwerken af te breken. Verweerder verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2300), waaruit blijkt dat niet beslissend is of de overtreder eigenaar is van het betreffende bouwwerk, maar of hij het feitelijk in zijn macht heeft aan de lastgeving te voldoen. In de zaak die in die uitspraak aan de orde was, stond echter vast dat het bouwwerk door of in opdracht van de gestelde overtreder was geplaatst en heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat aannemelijk was dat deze overtreder wel de eigenaar was (of althans dat het tegendeel niet aannemelijk was gemaakt).

20.5.   In het licht van het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gemotiveerd waarom de keuze is gemaakt (enkel) eiser als vruchtgebruiker van het perceel aan te schrijven.

* 20 april 2021 (Conclusie AG HR 19/04997): WSr, WED, Wm; particulier/normadressaat, art. 1.2.2, eerste lid, Vuurwerkbesluit, systematische specialis, onjuiste rechtsopvatting Hof Arnhem-Leeuwarden
29. Art. 1.2.2, eerste lid, Vuurwerkbesluit, verbiedt ‘professioneel vuurwerk (…), indien bestemd voor particulier gebruik, binnen het grondgebied van Nederland te brengen, op te slaan, te vervaardigen, voorhanden te hebben of aan een ander ter beschikking te stellen’. De formulering van het artikel beperkt de werking van het verbod niet tot nader omschreven normadressaten, zo signaleert ook de steller van het middel. Die beperking zou kunnen worden ingelezen in de eis dat het professioneel vuurwerk ‘bestemd’ is voor particulier gebruik. Zodra het vuurwerk zich in handen van een particulier bevindt, is het niet meer daarvoor bestemd, zou de gedachte kunnen zijn. Die lezing laat zich evenwel lastig verenigen met het zevende lid. Daarin worden een aantal situaties omschreven waarin van ‘bestemd voor particulier gebruik als bedoeld in het eerste lid’ in ieder geval sprake is. Daartoe behoren onder meer het geval waarin het vuurwerk ‘tot ontbranding wordt gebracht door een particulier’ (a.), het geval waarin ‘het aangetroffen wordt bij een particulier’ (c.) en het geval waarin ‘het is voorzien van de aanduiding: Geschikt voor particulier gebruik’ (e.). Dat in deze gevallen voldaan is aan de eis dat het vuurwerk bestemd is voor particulier gebruik, duidt erop dat de werking van dit verbod niet is beperkt tot ‘de fabrikant, de importeur en de distributeur van professioneel vuurwerk’.

  1. De wettelijke basis van het huidige verbod die in art. 9.2.2.1 Wet milieubeheer te vinden is, brengt evenmin mee dat de werking van het verbod tot nader omschreven normadressaten is beperkt. Het artikel biedt heel in het algemeen de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen inzake het voorhanden hebben (etc.) van bij die maatregel aangewezen stoffen.
  2. Een lezing van art. 1.2.2 Vuurwerkbesluit waarbij het eerste lid zich slechts richt tot fabrikanten, importeurs en distributeurs en waarbij het derde lid zich slechts richt tot anderen dan personen met gespecialiseerde kennis, heeft voorts tot gevolg dat bij de eerstgenoemde groep normadressaten meer verboden is dan bij de tweede groep. Het binnen het grondgebied van Nederland brengen, vervaardigen en aan een ander ter beschikking stellen zou niet verboden zijn voor de particulier, maar wel voor respectievelijk de importeur, de fabrikant en de distributeur. Die lezing van de verhouding tussen het eerste en derde lid ligt niet voor de hand. De overweging van het hof laat zich ook aldus lezen dat het derde lid slechts waar het gaat om het opslaan en voorhanden hebben van professioneel vuurwerk als systematische specialis ten opzichte van het eerste lid is te beschouwen. Die lezing is evenwel lastig te verenigen met het – wetshistorische – argument dat de interpretatie van het hof draagt, en dat inhoudt dat het eerste lid zich (slechts) richt tot de fabrikant, de importeur en de distributeur van professioneel vuurwerk.
  3. De aandacht verdient voorts dat, zoals de steller van het middel signaleert, de ‘persoon met gespecialiseerde kennis’ (die geen fabrikant, importeur of distributeur is) in de lezing van het hof in het geheel niet strafbaar is als hij professioneel vuurwerk thuis opslaat of voorhanden heeft. Dat strookt niet met de in de toelichting op het besluit van 2009 verwoorde gedachte dat het eerste tot en met derde lid de ‘gehele keten’ bestrijken.
  4. Ook de voorgeschiedenis van het huidige art. 1.2.2 Vuurwerkbesluit duidt er niet op dat het ruime verbod van het eerste lid slechts van toepassing is op fabrikanten, importeurs en distributeurs. Het artikel zoals dat in 2002 werd ingevoerd, verbood in het tweede lid een reeks gedragingen met betrekking tot professioneel vuurwerk die bijna identiek is aan de gedragingen die het eerste lid thans noemt, zonder de reikwijdte van het verbod te beperken tot specifieke normadressaten. Bij de wijziging in 2009 is voorts aangegeven dat aan een gewijzigd art. 1.2.2 Vuurwerkbesluit behoefte is blijven bestaan vanuit ‘handhavingsoogpunt’ en dat door het nieuwe art. 1.2.2 Vuurwerkbesluit de ‘handhavingsmogelijkheden (…) hoewel op iets andere leest geschoeid, op gelijk niveau als voor de implementatie’ bleven (p. 48). En dat de strekking van art. 1.2.2 overeenkomt ‘met de artikelen 1.1.2 en 1.2.2 van het oude Vuurwerkbesluit zoals dat eerder is genotificeerd’ (p. 53).
    38. Al met al ligt het naar het mij voorkomt in de rede de passage in de toelichting op het besluit van 2009, voor zover inhoudend dat het verbod van het eerste lid zich richt op de fabrikant, de importeur en de distributeur, aldus te lezen dat dit verbod zich mede richt op de fabrikant, de importeur en de distributeur. Die toelichting brengt niet mee dat de particulier, indien deze zich schuldig maakt aan gedragingen die de fabrikant, de importeur en de distributeur (in beginsel) verboden zijn, vrijuit gaat.

* 14 april 2021 (Rb Overijssel C/08/253946 / HA ZA 20-370) BW; onrechtmatige handelen gemeente, schadevergoeding, varkenshouder, megastal, LOG/bpl, causaal verband, Correctie Langemeijer
Een varkenshouder vraagt in 2008 aan de gemeente Dinkelland om een principebesluit tot medewerking aan de vestiging van een megastal in een LOG-gebied in de gemeente. Dat principebesluit wordt gegeven. In 2012 wordt zijn aanvraag (tot medewerking aan wijziging van het bestemmingsplan zodat een en ander mogelijk wordt) echter afgewezen. Na bezwaar wordt dat besluit in 2015 herroepen maar in 2017 wordt opnieuw een negatief besluit gegeven. Dit laatste besluit wordt in hoogste instantie bevestigd.

De varkenshouder stelt de gemeente aansprakelijk voor geleden schade, stellende dat de gemeente in 2012 niet het negatieve besluit had mogen nemen maar een positief besluit had kunnen en moeten nemen.

Rechtbank: het primaire besluit uit 2012 was onrechtmatig. Weliswaar is later (in 2017) alsnog een negatief besluit op de aanvraag genomen dat wel rechtmatig is, maar dat kon alleen omdat er op dat moment nieuwe regelgeving bestond. Het besluit uit 2012 was in strijd met de op dat moment geldende regelgeving. Het beroep op formele rechtskracht gaat dus niet op.

Aan het relativiteitsvereiste is voldaan. De norm dat in een LOG gebied intensieve veehouderij moet worden toegestaan dient niet alleen een ruimtelijke-ordeningsbelang, maar ook het belang van de individuele agrariër die op zijn huidige locatie niet kan ontwikkelen en aanspraak maakt op een perceel in een LOG. Daarnaast is in casu voldaan aan de Correctie Langemeijer omdat de gemeente willens en wetens een negatief besluit had genomen terwijl dat in strijd met de regelgeving was.

Er is sprake van causaal verband (in de zin van conditio sine qua non verband) tussen het besluit uit 2012 en de gestelde schade. Het is aan de eiser om dat causaal verband aan te tonen maar de rechtbank heeft aangenomen dat op de gemeente een verzwaarde motiveringsplicht ten aanzien van haar verweer rust. De door de gemeente genoemde andere afwijzingsgronden die volgens haar in 2012 ook tot een negatief besluit hadden geleid, gaan niet op. Aangenomen moet daarom worden dat aan het vereiste van causaal verband wordt voldaan.

De door de varkenshouder gevorderde verklaring voor recht wordt toegewezen, evenals de verwijzing naar de schadestaatprocedure.

STAB verzorgt de jurisprudentie voor STAB OGR updates
Marieke Kaajan, advocaat bij ENVIR advocaten, schreef een noot bij de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 1 maart 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:415) over de stikstofbeoordeling die de gemeente Schagen ten behoeve van een bestemmingsplan had verricht. Zie STAB OGR Updates.

Samenvattingen van jurisprudentie op STAB-site
Op de website van STAB wordt recente jurisprudentie ook samengevat.

De volgende uitspraken zijn deze week nieuw geplaatst:
Rb Den Haag 30 maart 2021 Afwijken van het Activiteitenbesluit vanwege een strengere BBT-conclusie.
ABRvS 7 april 2021 Bestemmingsplan, verkeersmodel, invoergegevens moeten inzichtelijk zijn.
ABRvS 17 maart 2021 Biomineralenfabriek Roosendaal, geuronderzoek.