Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 4 mei 2021 (ABRvS 202006101/1/R4): Awb, Wro; bpl, appartementencomplex, privacy, luchtkwaliteit, parkeren
* 4 mei 2021 (ABRvS 202004214/1/R1): Awb; handhaving, herstelwerkzaamheden aan dijk, bevoegdheid (Rb Den Haag 19/389)
* 4 mei 2021 (ABRvS 202004017/1/R3): Awb, Wro; bpl, veegplan
* 4 mei 2021 (ABRvS 202003081/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, zonnepark, belanghebbenden/arrest EH, alternatieve locatie, vvgb, Natura 2000/relativiteit (Rb Noord-Nederland 18/3398, 19/4391 tot en met 19/4395 en 19/4397 tot en met 19/4418)
* 4 mei 2021 (ABRvS 202002868/1/R4): Awb, Wro; bpl, woningen, boskamers, eerder bpl
* 4 mei 2021 (ABRvS 202000620/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, loopbrug/steiger, procesbelang, ontvankelijkheid (Rb Den Haag 17/5201)
* 4 mei 2021 (ABRvS 201908860/1/R1): Awb, Wro; bpl, woonwijk, uitwerkingsregels, bevoegdheid
* 4 mei 2021 (ABRvS 201908348/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, uitbreiding crematorium, herstelbesluit, belanghebbende, stedelijk ontwikkelingsproject/gebruik in planologisch opzicht
* 4 mei 2021 (ABRvS 201908129/1/A2): Awb, Wro; planschade, conservatoriumhotel, normaal maatschappelijk risico (Rb Amsterdam 18/3287 en 18/4072)
* 4 mei 2021 (ABRvS 201908073/1/R3): Awb, Wro; bpl, woningen, herstelbesluit, Natura 2000/relativiteit, Ladder/Bro, verkeer, lichthinder, waterhuishouding
# 4 mei 2021 (ABRvS 201906751/1/R4): Awb, Wm; maatwerkvoorschriften, belanghebbende, relativiteit, supermarkt, laden en lossen, geluid, maximale geluidniveaus, nieuw besluit op nieuwe aanvraag (Rb Midden-Nederland 17/3577)
* 4 mei 2021 (ABRvS 201806052/3/R1): Awb, Wro; bpl, woningen, herstelbesluit, structuurvisie, agrarische bestemming, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 3 mei 2021 (ABRvS 201900845/4/R2): Awb, Waterwet, Wro; vovo, projectplan en inpassingsplan, herstelbesluit, herstel hoogveen, hydrologische maatregelen, stuwpeilen
* 3 mei 2021 (ABRvS 202101238/2/R1): Awb, Wro; vovo, bpl, hertontwikkeling gebied, UNESCO-werelderfgoed, provinciale omgevingsverordening, relativiteit
* 30 april 2021 (ABRvS 202101268/2/R3): Awb, Wro; vovo, bpl, woningen, verkeer/parkeren
# 30 april 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 19/2694): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en milieu, vleesverwerking, geur, geluid, luchtkwaliteit, gezondheid
* 30 april 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 21/998): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, huisvesting arbeidsmigranten op vakantiepark, uitzendbureau, belanghebbende, COVID-19, quarantaine
* 29 april 2021 (EH C-617/19): Prejudiciële verwijzing , handel in broeikasgasemissierechten, installatie, exploitant, overdracht warmte-krachteenheid, aggregatieregel, optelling capaciteit, aanpassing vergunning”
* 29 april 2021 (ABRvS 202101859/1/R4): Awb, Wm, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, opslag mest, afvalstof
* 28 april 2021 (ABRvS 202004403/2/R2): Awb, Wro; vovo, bpl, appartementen, geen spoedeisend belang
* 26 april 2021 (Rb Overijssel AWB 20/979): Awb, Mnw; aanwijzing pand als gemeentelijk monument, deskundigenadvies, welstand, erfgoedverordening
# 26 april 2021 (Rb Overijssel AWB 20/840): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor dempen van een bestaande sloot/greppel en het graven van een nieuwe, vervangende sloot/greppel op bungalowpark, wateroverlast, voorstellen voor oplossing
* 23 april 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 21/1094): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid, evenredigheid
* 21 april 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 20/808): Awb, Wabo; tijdelijke omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, wonen op bedrijfslocatie, woon- en leefklimaat
* 21 april 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 20/734 en 20/757): Awb, Wabo; omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM), omschakeling melkrundveehouderij naar melkgeitenhouderij, grondgebondenheid, strijd met bpl, volksgezondheid, VGO-III, GGD, onderbouwde indicatie, m.e.r.-plicht, EVRM, geur, Activiteitenbesluit
#! 19 april 2021 (Rb Den Haag SGR 19/2628, SGR 19/2629, SGR 19/2989, SGR 19/3200, SGR 19/3201 en SGR 19/3202): Awb, Wabo; tijdelijke omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, opblaashal voor wintermaanden, sportvereniging, welstand, geluid/ventilator, licht/nachtperiode, alternatieven
* 19 april 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 20/2565): Awb, Wabo; handhaving, bewoning panden, bpl, overgangsrecht
* 16 april 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 20/1824T, SHE 20/1825): Awb, Waterwet; (intrekking) vergunning, afvoeren van hemelwater van verhard oppervlak, SOBEK-model, T=100-situatie, wateroverlast, tussenuitspraak
* 16 april 2021 (Rb Limburg ROE 20/1585): Awb, Wabo; handhaving, bouwwerken, diverse vergunningen, geen afwijkingen/overtredingen
* 15 april 2021 (Rb Den Haag SGR 20/780): Awb, Opiumwet, Gmw; handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid, geen bijzondere omstandigheden
* 8 april 2021 (Rb Noord-Holland HAA 20/2969): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor gewijzigd gebruik, bijgebouw naar woning, provinciale verordening, gewekte verwachtingen
* 8 april 2021 (Rb Gelderland 8512624 \ CV EXPL 20-4683 \ 398): BW; onrechtmatige hinder, bamboehaag, bezonning, hoogte/inkorting
* 6 april 2021 (Hof Den Bosch 200.266.913/01): BW; onrechtmatig handelen gemeente, carport, handhaving/dwangsom/invordering, wetswijziging, vergunningvrij, volharding verwijdering, dwaling, schadevergoeding
* 1 april 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/606 OPIUMW VV): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid, motivering
* 31 maart 2021 (Rb Amsterdam AMS 19/3085): Awb, Wm, Gmw; handhaving dwangsom, invordering, restaurant, geur, afvoerhoogte, Activiteitenbesluit/-regeling, bevoegdheid
* 26 maart 2021 (Rb Den Haag SGR 20/4970): Awb, Gmw; exploitatievergunning, horeca, terras, APV, bpl, woon- en leefklimaat
* 24 maart 2021 (Rb Amsterdam AMS 20/2865, AMS 20/2937 en AMS 20/3056): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, herbouw recreatiewoning, vloeroppervlak, strijd met bpl
* 25 februari 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 20/2892 en UTR 20/2649): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, tijdelijk zonnepark, belanghebbende, ontvankelijkheid
* 10 november 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/7603 WABOA,  BRE 20/7604 WABOA, 7605, 7606, 7613, 7918 en 7929): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, woningen, ontvankelijkheid
* 22 september 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/2795): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, woningsluiting, drugs, bevoegdheid, evenredigheid

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 4 mei 2021 (ABRvS 202003081/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, zonnepark, belanghebbenden/arrest EH, alternatieve locatie, vvgb, Natura 2000/relativiteit (Rb Noord-Nederland 18/3398, 19/4391 tot en met 19/4395 en 19/4397 tot en met 19/4418)
4.6.    Anders dan is bepaald in artikel 8:1 van de Awb leidt het arrest van het Hof ertoe, dat een niet-belanghebbende die op grond van een wettelijke bepaling op het terrein van het milieurecht een zienswijze naar voren heeft gebracht over een ontwerpbesluit, gelet op artikel 9, derde lid, van het verdrag niet kan worden tegengeworpen dat hij geen belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, als hij vervolgens tegen het besluit beroep instelt. Dit behoeft aanpassing door de wetgever.

……………………….

4.8.       Het Hof heeft in de punten 51 en 52 van het arrest overwogen dat de leden van het publiek toegang tot de rechter moeten kunnen krijgen om zich te beroepen op door het nationale omgevingsrecht van een lidstaat verleende ruimere rechten op inspraak in het besluitvormingsproces. Daaruit volgt echter niet eenduidig dat de beroepsgronden die naar voren gebracht kunnen worden bij de rechter slechts de procedurele aspecten van de inspraakprocedure mogen betreffen. Naar het oordeel van de Afdeling strookt zo’n enge uitleg niet met de achtergrond van het oordeel van het Hof op dit punt, namelijk de bevordering van de nuttige werking van de inspraakrechten. Daarbij is voor de Afdeling ook van belang dat een onderscheid tussen beroepsgronden over inspraakrechten en in het verlengde daarvan liggende materiële gronden niet altijd eenvoudig is te maken, zodat deze uitleg mede de rechtspraktijk dient.

4.9.    Ter voorlichting van de rechtspraktijk voegt de Afdeling hieraan toe dat te voorzien is dat de beroepsgronden van degene die aldus als niet-belanghebbende toegang tot de bestuursrechter verkrijgt, vaak vanwege het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste niet tot vernietiging van het bestreden besluit zullen kunnen leiden.

4.10.  Alle eisers in beroep hebben een zienswijze ingediend tegen het ontwerpbesluit. Omdat ingevolge artikel 3.12, vijfde lid, van de Wabo een ieder de mogelijkheid heeft een zienswijze naar voren te brengen over een ontwerpbesluit, valt het door eisers ingestelde beroep onder artikel 9, derde lid, van het verdrag. Het beroep van eisers was alleen al om deze reden ontvankelijk. De rechtbank heeft het beroep met de nrs. 19/4391, 19/4401, 19/4412, 19/4413, 19/4414 en 19/4418 daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het betoog van [appellant sub 1] en anderen in hoger beroep slaagt in zoverre. Het betoog van Powerfield in haar incidenteel hogerberoepschrift dat de rechtbank ten onrechte niet alle eisers niet-ontvankelijk heeft verklaard, slaagt dus niet.

# 4 mei 2021 (ABRvS 201906751/1/R4): Awb, Wm; maatwerkvoorschriften, belanghebbende, relativiteit, supermarkt, laden en lossen, geluid, maximale geluidniveaus, nieuw besluit op nieuwe aanvraag (Rb Midden-Nederland 17/3577)
4.4.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar overzichtsuitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 6.4 en 6.5, ligt in artikel 8:69a van de Awb besloten dat degene die vernietiging van een besluit beoogt zich in beginsel niet met succes kan beroepen op belangen van anderen. Indien een appellant zich beroept op overschrijding van een norm en betoogt dat deze overschrijding nadelige gevolgen voor zijn woonsituatie heeft, kan hij ter onderbouwing van de normoverschrijding wijzen op onderzoeksgegevens waaruit naar voren komt dat deze norm ter plaatse van een woning van een derde in zijn directe omgeving wordt overschreden (uitspraken van 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1379 en 19 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP1352). Hij kan bijvoorbeeld aannemelijk maken dat een besluit tot vergunningverlening zal leiden tot overschrijding van de geluidsnormen ter plaatse van woningen in zijn directe omgeving en daarmee tot nadelige geluidseffecten bij zijn woning. Het beroep op de normoverschrijding raakt dan niet alleen het belang van die derde, maar ook zijn eigen belang (uitspraak van 20 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2561).

4.5.    In dit geval zijn in het maatwerkvoorschrift hogere waarden voor het maximaal geluidsniveau vastgesteld voor andere woningen dan de woning van [appellant sub 1] en is het middelvoorschrift over de Quiet-truck certificering/PIEK-programma geschrapt. Dat leidt er echter niet toe dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan een eventuele vernietiging van dat besluit. Als gevolg van het schrappen van het middelvoorschrift met betrekking tot de Quiet-truck certificering/PIEK-programma, is aannemelijk dat het besluit niet alleen gevolgen heeft voor de geluidsbelasting op de directe omgeving wanneer de vrachtwagens de laad- en lossluis inrijden, maar ook wanneer zij er aan de achterzijde weer uitrijden. Daarom is niet uitgesloten dat dit besluit kan leiden tot nadelige geluidseffecten bij de woning van [appellant sub 1]. Het beroep van [appellant sub 1], waarin hij aanvoert dat het besluit voor hem zal leiden tot meer geluidsoverlast, raakt daarom niet alleen het belang van derden, maar ook zijn eigen belang. Daarmee doet zich een situatie voor die in lijn ligt met de hiervoor, onder 4.4., aangehaalde overzichtsuitspraak over de toepassing van artikel 8:69a van de Awb, ook wel genoemd: het relativiteitsvereiste.

Het betoog slaagt niet.

* 3 mei 2021 (ABRvS 202101238/2/R1): Awb, Wro; vovo, bpl, hertontwikkeling gebied, UNESCO-werelderfgoed, provinciale omgevingsverordening, relativiteit
6.3.    Niet in geschil is dat het bestemmingsplan nieuwe functies en uitbreiding van de bebouwing mogelijk maakt. Het bestemmingsplan moet dan ook voldoen aan artikel 22 van de PRV.

In paragraaf 5.2.2 van de plantoelichting is ingegaan op artikel 22 van de PRV. De plantoelichting vermeldt:

“Als Unesco-erfgoed staat het behoud van de waarde van de stelling voorop. In het algemeen is het zaak de waarden van de stelling te behouden en/of te versterken. De strategie is verder gericht op versterking van cultuurhistorische patronen en objecten door een (bescheiden) toevoeging van nieuwe functies en landschapselementen. Het accent ligt op combinaties met het blauwgroene en toeristisch-recreatieve programma in aansluiting op de stad. Ook kleinschalige stedelijke functies, zoals maatschappelijke en culturele voorzieningen en woon/werkmilieus in zeer lage dichtheden, kunnen hierbinnen een plek krijgen.”

Na een passage over de huidige situatie en de geschiedenis van Fort Kudelstaart is in de plantoelichting vervolgens gesteld dat met de beoogde herontwikkeling van het fort de kernkwaliteiten van de Stelling van Amsterdam niet worden aangetast en zelfs verbeteren.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat hieruit niet blijkt dat gewaarborgd is dat de kernkwaliteiten van de Stelling van Amsterdam behouden blijven of worden versterkt. Ter zitting heeft de raad gewezen op het rapport van Hylkema Erfgoed, dat als bijlage bij de plantoelichting behoort. Dat rapport betreft echter een bouwhistorische verkenning van het fort, waarin de huidige toestand van het fort en de monumentwaarden beschreven zijn. Het rapport gaat niet in op de met het plan mogelijk gemaakte herontwikkeling en de gevolgen daarvan voor de kernkwaliteiten bedoeld in artikel 22 van de PRV. De raad heeft ter zitting verder gewezen op de in artikelen 3.3 en 4.3 van de planregels aan het college van burgemeester en wethouders toegekende bevoegdheid om nadere eisen te stellen aan plaats en afmetingen van bebouwing ter waarborging van het behoud, herstel en versterken van de kernkwaliteiten van het bestaande fortgebouw en fortwal. Met het toekennen van een dergelijke bevoegdheid is naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter nog niet voldaan aan artikel 22 van de PRV. De voorzieningenrechter acht het daarom niet uitgesloten dat de Afdeling in de bodemzaak tot de conclusie zal komen dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 22 van de PRV of artikel 3:2 van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt.

* 30 april 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 21/998): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, huisvesting arbeidsmigranten op vakantiepark, uitzendbureau, belanghebbende, COVID-19, quarantaine
De gemeente Asten heeft aan Oostappen Prinsenmeer BV (OVP) een tweede last onder dwangsom opgelegd vanwege de huisvesting van arbeidsmigranten op vakantiepark Prinsenmeer. Een uitzendorganisatie die recreatieverblijven huurt, maakt bezwaar en dient een verzoek om voorlopige voorziening in. Zij wil de recreatieverblijven kunnen gebruiken totdat zij passende huisvesting heeft. OVP heeft de uitzendorganisatie aangeschreven de recreatieverblijven te verlaten. OVP en de uitzendorganisatie hebben een tegengesteld belang en daarmee is de uitzendorganisatie belanghebbende. Verzoekster wist hoe verweerder denkt over de huisvesting van arbeidsmigranten op het vakantiepark. De voorzieningenrechter denkt dat arbeidsmigranten kunnen worden ondergebracht in hotels of op grotere afstand. Deze vorm van huisvesting kost verzoekster meer geld en is financieel niet rendabel, maar dat heeft verzoekster aan zichzelf te wijten door in het nieuwe seizoen arbeidsmigranten te huisvesten op het vakantiepark. Iets wat verzoekster echter niet kan voorzien is de besmetting van arbeidsmigranten met COVID-19. Daarom ziet de voorzieningenrechter aanleiding het bestreden besluit te schorsen met betrekking tot de huisvesting van twee arbeidsmigranten in één recreatieverblijf op het vakantiepark die op 30 april 2021 positief zijn besmet met COVID-19 tot 1 juni 2021. De voorzieningenrechter kiest hierbij voor de datum van 1 juni 2021 omdat nu niet kan worden vastgesteld hoe ziek de mensen zijn en hoe lang zij nog in quarantaine moeten zitten. Het alsnog overleggen van testbewijzen maakt een inbreuk op de privacy van de betreffende mensen en gaat de voorzieningenrechter te ver. Omdat verzoekster niet kon aangeven in welk recreatieverblijf de twee arbeidsmigranten waren ondergebracht, verbindt de voorzieningenrechter hieraan de voorwaarde dat verzoekster dit uiterlijk 3 mei 2021 doorgeeft aan verweerder. Dan is ook meteen duidelijk op welk recreatieverblijf de schorsing betrekking heeft.

* 29 april 2021 (ABRvS 202101859/1/R4): Awb, Wm, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, opslag mest, afvalstof
3.       In hetgeen [verzoekers] hebben aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat de opgelegde last onder dwangsom niet in bezwaar stand zal houden. Gelet op de verklaring van [partij] en het ontbreken van bewijzen waaruit volgt dat de huurder van het perceel verantwoordelijk is voor de opslag van mest is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college terecht [verzoekers] als overtreders heeft aangemerkt. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat nu de opslag al geruime tijd plaatsvindt en [verzoekers] niet concreet hebben gemaakt dat zij voornemens zijn om de mest te gaan hergebruiken, heeft het college terecht de mest als afvalstof aangemerkt. Dat het mogelijk is om de mest, als gesteld, te hergebruiken maakt dat niet anders. Vaststaat dat er sprake is van een overtreding waartegen het college bevoegd is om handhavend op te treden. Nu de mest een afvalstof is, is er geen aanleiding voor het oordeel dat de last niet juist is omschreven. Ten aanzien van de afwijzing van het verzoek om verlenging van de begunstigingstermijn, overweegt de voorzieningenrechter dat het door het college ingenomen standpunt niet onredelijk is. Verlenging acht het college niet wenselijk omdat het hier gaat om een grondwaterbeschermingsgebied en de opslag zou kunnen leiden tot vervuiling. Het college heeft verder van belang geacht dat de in het verzoek genoemde termijn te onzeker is. Ook het standpunt van het college ten aanzien van de hoogte van de dwangsom acht de voorzieningenrechter niet onredelijk. Dit temeer nu [verzoekers] niet hebben gemotiveerd waarom de dwangsom te hoog zou zijn. Ten aanzien van de waarschuwing merkt de voorzieningenrechter op dat het college bij brief van 18 september 2020 aan [verzoekers] een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom heeft gestuurd waardoor zij de gelegenheid hadden oplegging van een last te voorkomen.

* 21 april 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 20/734 en 20/757): Awb, Wabo; omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM), omschakeling melkrundveehouderij naar melkgeitenhouderij, grondgebondenheid, strijd met bpl, volksgezondheid, VGO-III, GGD, onderbouwde indicatie, m.e.r.-plicht, EVRM, geur, Activiteitenbesluit
7.5.2.   De rechtbank overweegt daarnaast dat de bevindingen van de GGD Groningen in het advies van 29 april 2019 in lijn liggen met het landelijke standpunt van de GGD GHOR Nederland. Uit de bevindingen van voormeld advies van de GGD Groningen volgt dat uit meerdere onderzoeken blijkt van een (sterk) verhoogd risico op longontsteking voor omwonenden in de directe omgeving van een geitenhouderij. De bevindingen uit voormeld advies van de GGD Groningen worden onderschreven in het VGO-onderzoek en door onderzoeken van het RIVM.

De rechtbank stelt verder vast dat juist de omstandigheid dat (nog) niet voldoende wetenschappelijk vaststaat of er een (direct) verband bestaat tussen het houden van grote aantallen geiten en het significant vaker voorkomen van longontstekingen -en mogelijk andere (luchtweg)aandoeningen- bij omwonenden van een geitenhouderij, reden is voor nader onderzoek.

De rechtbank is van oordeel dat in het kader van een MER (-beoordelingsplicht) het weliswaar niet noodzakelijk is om te onderzoeken of er een verband bestaat in meergenoemde zin, maar zou, uitgaande van het bestaan van dat verband, kunnen worden onderzocht welke maatregelen kunnen worden getroffen om dit risico te beperken. Daarbij kunnen de resultaten van reeds in dat kader verricht onderzoek worden betrokken in de MER-rapportage. Ook de omstandigheid dat niet precies bekend is wat de oorzaak is van het significant hogere aantal longontstekingen in de omgeving van geitenhouderijen, kan in de MER worden betrokken, omdat daarin doorgaans (ook) onzekerheden worden beschreven.

Hoewel uit het voormelde advies van de GGD Groningen niet met zoveel woorden volgt dat een MER-rapport in dit geval is vereist, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een onderbouwde indicatie dat de aanwezigheid van een geitenhouderij tot effecten op de volksgezondheid voor omwonenden kan leiden. De rechtbank wijst in dat verband verder op de onduidelijkheid over de verspreiding van endotoxinen en micro-organismen. Dat de aanvraag niet voorziet in een toename van de emissies van ammoniak en fijnstof brengt naar het oordeel van de rechtbank niet met zich dat verweerder voorbij kan gaan aan de in voormelde onderzoeken beschreven aandachtspunten. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit die onderzoeken een onderbouwde indicatie kan worden afgeleid dat sprake kan zijn van een risico voor de volksgezondheid als gevolg van de verspreiding van endotoxinen. Gelet hierop kan verweerder bij het benutten van de hem toekomende beoordelingsruimte niet voorbij gaan aan de risico’s van de uitstoot daarvan, mede gelet op de (zeer) korte afstand tussen een van de stallen van de inrichting en de woning van eisers sub 1.

De voorgaande overwegingen brengen met zich dat de door middel van diverse rapporten onderbouwde indicatie dat er sprake kan zijn van gezondheidseffecten voor omwonenden van een geitenhouderij, verweerder aanleiding had moeten geven om een MER te verlangen (vgl. AbRvS, 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2496). Hieruit volgt dat het bestreden besluit van verweerder om een OBM te verlenen, in strijd met de wet is genomen. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Deze grond van eisers slaagt eveneens.
10.4.1.    Uit vaste jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2019: 3820, volgt dat het verbinden van voorschriften aan een OBM alleen mogelijk is indien die zijn te herleiden tot de mer-beoordelingsaanmeldnotitie.

10.4.2.   In hetgeen verweerder naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank geen aanleiding om van de in rechtsoverweging 10.4.1. vermelde vaste jurisprudentie van de AbRvS af te wijken. Dit brengt met zich dat het door verweerder ingenomen standpunt dat aan een omgevingsvergunning voor een activiteit die is aangewezen in artikel 2.2a van het Bor, gelet op het bepaalde in artikel 5.13a van het Bor geen voorschriften kunnen worden verbonden, onjuist is. Dit klemt naar het oordeel van de rechtbank te meer, aangezien uit de voormelde mer-beoordelingsaanmeldnotitie een algemeen verhaal voor wat betreft de geitenhouderijen valt af te leiden, terwijl het in dit specifieke geval gaat om de omschakeling naar een melkgeitenhouderij, waarbij een van de stallen op (zeer) korte afstand van de woning van eisers sub 1 komt te liggen. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder ondeugdelijk gemotiveerd heeft dat aan het bestreden besluit tot handhaving van de verleende OBM geen voorschriften konden worden verbonden. Dit brengt met zich dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb is genomen. Ook in zoverre komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Deze grond van eisers slaagt.

* 6 april 2021 (Hof Den Bosch 200.266.913/01): BW; onrechtmatig handelen gemeente, carport, handhaving/dwangsom/invordering, wetswijziging, vergunningvrij, volharding verwijdering, dwaling, schadevergoeding
5.12.   Het staat niet ter discussie dat [appellant 1] bij het maken van de afspraken de onjuiste voorstelling van zaken had dat de carport niet voldeed aan de wettelijke eisen. Het feit dat [appellant 1] het dak van de carport nog niet had afgebroken, zijn herhaalde en recente pogingen om de gemeente te bewegen de situatie te legaliseren en de kosten die waren verbonden aan de afbraak, maken het voldoende aannemelijk en voor de gemeente kenbaar dat [appellant 1] zich niet tot afbraak had verplicht in ruil voor het afzien van de dwangsommen, indien hij zou hebben geweten dat de carport op grond van een wetswijziging inmiddels was toegestaan.

5.13.   De gemeente wist of behoorde te weten dat [appellant 1] onbekend was met die wetswijziging. De gemeente had [appellant 1] daarvan immers niet op de hoogte gebracht en zij had geen reden om aan te nemen dat [appellant 1] op andere wijze daarvan op de hoogte was geraakt. De gemeente wist dat [appellant 1] hierover dwaalde. De gemeente had [appellant 1] wel van de wetswijziging op de hoogte moeten brengen. Zoals het hof hierna nog overweegt (zie 5.19), paste het een zorgvuldig handelende overheid niet om daarover te zwijgen. Dit maakt de overeenkomst vernietigbaar op grond van art. 6:228 lid 1, aanhef en onder b, BW.

Het hof is overigens van oordeel dat de overeenkomst ook vernietigbaar is op grond van art. 6:228 lid 1, aanhef en onder a, BW, omdat [appellant 1] mede dwaalde door de onjuiste, althans laakbaar onvolledige inlichtingen die de gemeente hem had verstrekt in haar brief van 14 januari 2015. Het hof verwijst naar hetgeen daarover wordt overwogen in 5.20 en 5.21.

5.14.   Hetgeen de gemeente heeft aangevoerd, rechtvaardigt ten slotte niet het oordeel dat in dit geval de dwaling in verband met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden voor rekening van [appellant 1] moet blijven.

Daarbij neemt het hof ook in aanmerking dat bij uitstek van de gemeente als overheidsorgaan mocht worden verlangd dat zij het geldende recht kende en zou toepassen en [appellant 1] ervoor zou behoeden een overeenkomst te sluiten, waarvan het voor haar kenbaar was of moest zijn dat [appellant 1] die sloot uit onwetendheid met dat geldende recht.

Samenvattingen van jurisprudentie op STAB-site

Op de website van STAB wordt recente jurisprudentie ook samengevat.
De volgende uitspraken zijn deze week nieuw geplaatst:
Rb Gelderland 9 april 2021 Maatwerkvoorschriften laagfrequent geluid kunnen niet op grond van zorgplicht worden opgelegd.
ABRvS 14 april 2021 Gevolgen van het arrest ‘Varkens in Nood’ (HvJEU) voor de toepassing van artikel 6:13 Awb.
Rb Oost-Brabant 9 april 2021 Rav-emissiefactoren, onderzoek rendement luchtwassers, motivering Wnb, geluid.