Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 12 mei 2021 (ABRvS 202100913/1/A2): Awb, Wro; planschade, herstelbesluit, inkomensschade, tankstation met shop, normaal maatschappelijk risico, voorzienbaarheid, zelf in de zaak voorzien
* 12 mei 2021 (ABRvS 202004540/1/R1): Awb, Wabo; handhaving, gebruik scoutingterrein, jaarlijks kamp, overgangsrecht, bevoegdheid (Rb Zeeland-West-Brabant 19/1983)
* 12 mei 2021 (ABRvS 202004387/1/R3): Awb, Wro, Wgh, Wabo; bpl/HGW verkeers- en industrielawaai en omgevingsvergunning voor bouwen, vervangende woningen, bevoegdheid, geluidmodel, zeehavennorm, maatregelen, BBT, geluidruimteverdeelplan, provinciale omgevingsverordening, behoefte, externe veiligheid/Bevi, cumulatief geluid, parkeren
* 12 mei 2021 (ABRvS 202004217/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, balustrade, herstelbesluit, (door)valbeveiliging, motivering
* 12 mei 2021 (ABRvS 202003858/1/R1): Awb, Wro; bpl, wijziging exploitatie agrarisch bedrijf, VNG-brochure, geluid, motivering, tussenuitspraak
* 12 mei 2021 (ABRvS 202003195/1/A3): Awb, Gmw, Wm, DHW; handhaving, vergunning, ontheffing, overlast kampvuuravonden op camping, procesbelang, ontvankelijkheid (Rb Rotterdam 18/5229, 18/5231, 18/6586 en 19/753)
* 12 mei 2021 (ABRvS 202001365/1/R3): Awb, Wro; bpl, belanghebbenden, passende invulling van kerklocatie, bezonning, privacy, motivering, tussenuitspraak
* 12 mei 2021 (ABRvS 202001270/1/R4): Awb, Wro, Wabo; bpl/omgevingsvergunning voor bouwen, appartementen, Ladder/Bro/behoefte, woon- en leefklimaat, parkeerdruk/-norm, welstand
* 12 mei 2021 (ABRvS 202001060/1/R1 en 202001165/1/R1): Awb, Wegenwet, Wabo; vergunningen, aanleggen van parkeerplaatsen en verbreden weg, Keur, CROW, verkeersveiligheid, geen beperking bestaande rechten (Rb Rotterdam 19/46 en 18/6289)
* 12 mei 2021 (ABRvS 202000758/1/R2): Awb, Wabo; handhaving, aarden wal langs recreatiewoning, geen bouwwerk, geen strijd met planregels (Rb Zeeland-West-Brabant 19/1519)
* 12 mei 2021 (ABRvS 202000700/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, plaatsen zonwering en buitenruimte met terras, geen goede ruimtelijk ordening (Rb Noord-Nederland 19/1959)
* 12 mei 2021 (ABRvS 202000595/1/R3): Awb, Ontgrondingenwet; vergunning, aanvullende ontgronding, belanghebbende, cultuurhistorische, archeologische en natuurwaarden
* 12 mei 2021 (ABRvS 202000413/1/R2): Awb, Wro; uitwerkingsplan, woongebouwen met parkeerplaatsen, Chw
* 12 mei 2021 (ABRvS 201908963/1/R3): Awb, Wro; niet tijdig nemen besluit op aanvraag, vaststellen wijzigingsplan, dwangsom

* 12 mei 2021 (ABRvS 201908786/1/R3): Awb, Wro; bpl, windturbines, belanghebbenden, geluid, slagschaduw, bosgebied, bodem/relativiteit
* 12 mei 2021 (ABRvS 201908401/1/R1): Awb, Wro, Wabo, Waterwet en Wnb; bpl/vergunningen voor bouwen, milieu en maken uitweg en ontheffing, windturbines, natuur/relativiteit, geluid, slagschaduw, externe veiligheid/mitigerende en veiligheidsmaatregelen/motivering, vuilstort/grondwater/motivering, landschappelijke inpassing, dassenburcht
* 12 mei 2021 (ABRvS 201908115/1/A2): Awb, Wro; planschade, woonboten, geen onroerende zaken (Rb Amsterdam 19/2062)
* 12 mei 2021 (ABRvS 201907327/1/A2): Awb, Wro; planschade, taxaties (Rb Gelderland 18/5912)
* 12 mei 2021 (ABRvS 201906459/1/R4): Awb; verhaal kosten toepassing bestuursdwang, drugsafval in mestkelder, Wbb/Wm, overtreder, evenredigheid
* 12 mei 2021 (ABRvS 201906397/1/A3): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, stallen (beschadigde) voertuigen op de openbare weg, bpl, APV, motivering (Rb Rotterdam 18/1457)
* 12 mei 2021 (ABRvS 201906190/9/R4): Awb, Wro; bpl, buitengebied, camping, water, woonboten
* 12 mei 2021 (ABRvS 201906190/8/R4): Awb, Wro; bpl, buitengebied, chalet, recreatie, Wnb/relativiteit
* 12 mei 2021 (ABRvS 201906190/10/R4): Awb, Wro; bpl, buitengebied, woning
* 12 mei 2021 (ABRvS 201905108/1/A2, 201905114/1/A2 en 201905115/1/A2): Awb, Wro; planschade, woningen, bezonning, normaal maatschappelijk risico, RvR-regeling, drempel (Rb Oost-Brabant 19/95, 19/307 en 19/308)
* 12 mei 2021 (ABRvS 201903001/1/R3): Awb, Wro; bpl, natuurgebieden veenweiden, ontwikkeling van natuur en duurzaam watersysteem, vertrouwensbeginsel, NNN, amendement, projectMER versus inrichtingsMER met aanvullingen, invloed op bedrijfsvoeringen, tussenuitspraak
* 12 mei 2021 (ABRvS 201902663/1/A2): Awb, Waterwet; schadevergoeding, aanpassing waterkering bij woning, voorzienbaarheid, klepstuw/aanleg boot, normaal maatschappelijk risico, motivering (Rb Noord-Nederland 18/286)
* 12 mei 2021 (ABRvS 201810191/2/R2): Awb, Wro; bpl, manege, landschapsmaatregelen, inrichtingsplan, voorwaardelijke verplichting/handhaafbaarheid, zelf in de zaak voorzien, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 12 mei 2021 (ABRvS 201802120/2/R2): Awb, Wro; bpl, landgoed, provinciale ruimtelijke verordening/structuurvisie, das, NNN-saldering, compensatie, Wnb-vergunning, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 11 mei 2021 (ABRvS 202101624/1/R2 en /2/R2): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen, woning, geen strijd met bpl (Rb Limburg 20/2837 en 20/2839)
* 11 mei 2021 (CBb 19/1778, 19/1267, 19/1961, 19/1819, 19/2000, 19/1801 en 20/4): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, EP/geen sprake van individuele en buitensporige last, knelgevallenregeling, startersregeling, jongvee, voorzienbaarheid, bevoegdheid, EVRM, peildatum
* 11 mei 2021 (HR 19/04149 E): WSr, WED, Wvgs; overtreding, parkeren binnen bebouwde kom van vrachtwagen waarin gevaarlijke stoffen waren vervoerd en die geleegd was maar niet gereinigd

* 10 mei 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 19/2559 en UTR 19/5538): Awb, Gmw; exploitatievergunningen speelautomatenhal, schaarse vergunning, passende mate van openbaarheid, verdelingsprocedure, belanghebbende, ontvankelijkheid
* 10 mei 2021 (Rb Rotterdam ROT 19/2999 en ROT 21/261): Awb, Wabo; handhaving, afwijking bouwvergunning garageboxen, welstandsexces, gewijzigde tekening, vaststellingsovereenkomst, bevoegdheid
* 7 mei 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 21/1343): Awb, Nbw; vovo, handhaving, herstel badstrand, Natura 2000-gebied, vogels, bestuurlijk rechtsoordeel, broedseizoen, geen besluit genomen op aanvraag
* 6 mei 20121 (Rb Gelderland AWB 21/2274): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, overtreding milieuvergunning, meer geiten houden dan vergund, begunstigingstermijn
* 6 mei 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 21/1219): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, schuur, geen spoedeisend belang
* 4 mei 2021 (Rb Noord-Holland HAA 20/71 en 20/103): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, renoveren en uitbreiden van school, verkeer, parkeren/CROW
* 4 mei 2021 (Rb Noord-Holland HAA 20/2816): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, serre, erf/Bor/NvT, vergunningvrij, strijd met bpl, schadevergoeding
* 4 mei 2021 (ABRvS 202006341/1/R2 en /2/R2): Awb, Wro; vovo en kortsluiten, bpl, appartementencomplex, structuurvisie, woon- en leefklimaat
* 4 mei 2021 (ABRvS 202100797/1/R1 en /2/R1): Awb, Wabo, Gmw; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsom, staken bewoning van bijgebouw, strijd met bpl, bevoegdheid (Rb Noord-Holland 19/5291)
* 4 mei 2021 (Hof Arnhem-Leeuwarden 200.252.676): BW; geluidsoverlast in appartementencomplex, huishoudelijk reglement, vloer, isolatie-index voor contactgeluid
* 4 mei 2021 (CBb 19/1880, 19/1896, 19/1442, 20/8, 19/1882, 20/606, 19/1366, 20/11, 20/7, 19/1976, 20/63, 20/9, 20/871 en 19/1729): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, EP/geen sprake van individuele en buitensporige last, knelgevallenregeling, startersregeling, jongvee, voorzienbaarheid, bevoegdheid, EVRM, peildatum, schadevergoeding/bevoegdheid
* 4 mei 2021 (CBb 20/666): Awb, Wm; beëindiging vermelding op lijst van vervoerders, inzamelaars, handelaars en bemiddelaars van afvalstoffen (VIHB-registratie), bevoegdheid rechter, doorzending ABRvS
* 3 mei 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 20/2272): Awb, Wnb; ontheffing, beheer van vogels en dieren ten behoeve van de luchtvaartveiligheid, faunabeheerplan, provinciale omgevingsverordening, bevoegdheid
* 3 mei 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/1511, 21/1518 en 21/1523 OPIUMW VV): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting percelen met opstallen, verkoop van materialen voor hennepkwekerijen, bevoegdheid
* 30 april 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/6782 GEMWT): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, illegale prostitutie, woning, strijd met bpl
* 30 april 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/6761 GEMWT): Awb, Gmw; handhaving, last onder bestuursdwang, verwijderen motor, onvoldoende staat van onderhoud en verwaarlozing, APV, bevoegdheid
* 29 april 2021 (Rb Rotterdam ROT 20/1579): Awb, Gmw; handhaving, bestuursdwang, wegslepen en opslaan van voertuigen, hinderlijk of overlast gevend geparkeerd staan, kostenverhaal
* 29 april 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/6434 GEMWT): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, te hoge erfafscheiding, afwijking verleende omgevingsvergunning

* 28 april 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 20/225): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen parapluhooiberg, bpl/herstelplan/beroep ABRvS, motivering
* 26 april 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/5759 GEMWT): Awb, Gmw; handhaving, overlast van camping
* 26 april 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/5969 WABO): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, vervangen bestaande lichtmasten, voorschriften lichthinder
* 23 april 2021 (Rb Limburg ROE 19/1198 en 19/1202): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsommen, invordering, veehouderij met covergisting, aanvoer van afvalstoffen en mest van buiten inrichting, hoogte dwangsom, begunstigingstermijn, overtreder, evenredigheid
* 23 april 2021 (Rb Noord-Holland HAA 21/1540): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid, evenredigheid
* 23 april 2021 (Rb Noord-Holland HAA 21/1284 en HAA 21/1258): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, staken bewoning schuur op agrarische gronden, motivering, evenredigheid, overtreder
* 22 april 2021 (Rb Rotterdam 8940834 CV EXPL 20-6461 en 8959098 CV EXPL 21-76): BW; onrechtmatige geluidsoverlast, bewijslast, ontbinding huurovereenkomst en ontruiming woning
* 21 april 2021 (Rb Den Haag SGR 21/1628 en 21/1627): Awb, Wabo, Gmw; vovo en kortsluiten, dwangsommen, inrichting schuur in overeenstemming brengen met geldende bpl
* 20 april 2021 (Hof Arnhem-Leeuwarden GEMW 200.271.784/01 en 200.271.785): Awb, Gmw; bestuurlijke boete, APV, overlast straatmuzikanten, limitering locaties, geen strijd met Grondwet
* 19 april 2021 (Rb Den Haag SGR 21/1906): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, extra laag op woningen, constructie, Bouwbesluit, kruimelgevallenregeling, welstand
* 16 april 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 19/5066): Awb, Wnb; ontheffing, afschot ganzen, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 16 april 2021 (Rb Limburg AWB 20/2444): Awb, Waterwet; vergunning, verleggen van primaire watergang en gedeeltelijk dempen, herinrichting natuurgebied, belanghebbende, ontvankelijkheid
* 16 april 2021 (Rb Limburg AWB 20/3013): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl, omvormen agrarische percelen naar bos en natuur, vvgb, belanghebbende
* 15 april 2021 (Rb Den Haag SGR 20/2048): Awb, Wvw; verkeersbesluit, plaatsing oplaadpunt voor elektrische voertuigen, belangenafweging
* 14 april 2021 (Rb Overijssel AWB 19/1850): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, dakkapel/aanbouw woning, welstand, kleurstelling
* 14 april 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 21/561): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid
* 18 januari 2021 (Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba AUA202001991): Lar, Bwv; bouwvergunning, appartement, verkavelingsplan
* 2 november 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/5008 GEMWT): Awb, Gmw; handhaving, hinder en overlast gebruikers buurpanden, brandveiligheid, niet tijdig beslissen op bezwaar
* 21 oktober 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/3408): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, verwijderen tuinhuis, geen vergunning, strijd met beheersverordening

* 22 januari 2020 (Rb Limburg ROE 18/3066): Awb, Wabo, Gmw; afwijzing opschorting begunstigingstermijn dwangsom, ontbreken brandveiligheidsvoorzieningen in milieu-inrichting, onmogelijkheid om aan last te voldoen, vertrouwensbeginsel

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 12 mei 2021 (ABRvS 201908115/1/A2): Awb, Wro; planschade, woonboten, geen onroerende zaken (Rb Amsterdam 19/2062)
3.1.    In de Wro is geen definitie gegeven van een onroerende zaak, als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, van die wet. Het college heeft voor de uitleg van dat begrip terecht verwezen naar artikel 3:3 van het BW en in aansluiting daarop naar de rechtspraak van de Hoge Raad. Vergelijk de overzichtsuitspraak van de Afdeling over planschade van 28 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2582) onder 4.1.

3.2.    De rechtbank heeft overwogen dat zij op grond van de stukken heeft vastgesteld dat de woonschepen niet duurzaam met de grond zijn verenigd. De woonschepen zijn verplaatsbaar na afkoppeling van de verbindingen. Dat die afkoppeling slechts met de nodige moeite mogelijk is en, volgens [appellant], wel een week in beslag zou nemen en dat het de bedoeling is (geweest) om langdurig ligplaats in te nemen, leidt niet tot het oordeel dat de woonschepen onroerende zaken zijn. Beslissend is dat de woonschepen niet duurzaam met de bodem of de oever zijn verenigd. Dat de woonschepen positief zijn bestemd en, ingevolge de op 1 januari 2018 in werking getreden Wet verduidelijking voorschriften woonboten, voor de toepassing van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) worden aangemerkt als bouwwerken, doet daaraan niet af. In dit geval gaat het niet om een aanvraag om een omgevingsvergunning op grond van de Wabo, maar om een aanvraag in het kader van de Wro, aldus de rechtbank.

3.3.    In het betoog van [appellant] is geen grond te vinden voor het oordeel dat de rechtbank dit ten onrechte heeft overwogen. De woonschepen zijn, na het verwijderen van de beugels en kettingen, te verplaatsen en dus roerende zaken. Verder valt uit de door [appellant] in beroep overgelegde stukken niet af te leiden dat hij ten tijde van belang onroerendezaakbelasting voor de woonschepen heeft betaald, daargelaten of dat relevant is voor de toepassing van artikel 6.1, eerste lid, van de Wro.

* 10 mei 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 19/2559 en UTR 19/5538): Awb, Gmw; exploitatievergunningen speelautomatenhal, schaarse vergunning, passende mate van openbaarheid, verdelingsprocedure, belanghebbende, ontvankelijkheid
10.2.   Niet in geschil is dat sprake is van een schaarse vergunning. Op grond van artikel 2:40B van de APV heeft verweerder twee vergunningen voor speelautomatenhallen te verlenen. De vraag die de rechtbank moet beoordelen is of de verdeelprocedure van verweerder voor een vergunning voor een speelautomatenhal voldoet aan het vereiste van een passende mate van openheid.

10.3.   De rechtbank is van oordeel dat de Beleidsregel die verweerder heeft opgesteld, duidelijke, precieze en ondubbelzinnige verdeelregels bevat. Uit de Beleidsregel blijkt namelijk dat bij het vrijkomen van een vergunning voor een speelautomatenhal in de eerste fase bekendgemaakt wordt dat geïnteresseerden een aanvraag kunnen indienen voor een vergunning voor een speelautomatenhal binnen een in de bekendmaking opgenomen tijdvak. Daarna worden de aanvragen beoordeeld op ontvankelijkheid. Verder blijkt uit de Beleidsregel dat de aanvragen in de tweede fase worden beoordeeld aan de hand van de weigeringsgronden die in artikel 2:40F van de APV zijn opgenomen en aan de hand van de in de Beleidsregel opgenomen beoordelingscriteria. Die beoordelingscriteria zijn uitgewerkt voor de plannen van aanpak over openbare orde, over voorkoming en bestrijding van gokverslaving en over maatregelen ter voorkoming van verstoring van de woon- en leefsituatie. Ook staat in de Beleidsregel hoe de beoordelingscriteria worden gewaardeerd. Verweerder kan zich bij beoordeling van de aanvragen laten bijstaan door één of meer (externe) deskundigen. De samenstelling van de selectiecommissie wordt tijdig en voorafgaand aan het traject kenbaar gemaakt, zo volgt uit de Beleidsregel. De aanvragen worden door een selectiecommissie individueel beoordeeld waarna er een gemiddelde score wordt bepaald. Tot slot zal volgens de Beleidsregel na een vergelijkende toets de eerste in de rangschikking onderworpen worden aan een Bibob-toets en bij een positieve beoordeling zal de vergunning aan die aanvrager worden verleend. De verdeelregels in de Beleidsregel zijn volgens de rechtbank duidelijk, precies en ondubbelzinnig.

10.4.   Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder de informatie over de verdeelprocedure tijdig heeft verstrekt en adequaat bekend heeft gemaakt. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. De Beleidsregel is op 17 oktober 2017 bekendgemaakt in de Flevopost. Aan eiseres en haar advocaat is op 18 november 2017 een toelichting gegeven op de Beleidsregel en de verdeelprocedure. Verder is gebleken dat verweerder aan eiseres en andere belangstellenden op 30 november 2017 een vooraankondiging heeft gestuurd van de verdelingsprocedure, waarbij is aangegeven dat de procedure via TenderNed zou lopen. Daarna heeft verweerder op 1 december 2017 naar belangstellenden een brief gestuurd met uitleg over de procedure via TenderNed. Vervolgens heeft verweerder toegelicht dat hij via Flevopost, op de gemeentelijke website, in het digitale gemeenteblad en op TenderNed bekend heeft gemaakt dat in de periode van 2 februari 2018 tot en met 5 maart 2018 12.00 uur een aanvraag ingediend kon worden. Eiseres heeft deze wijze van bekendmaken van de Beleidsregel en de verdeelsleutel niet betwist. Op 2 februari 2018 heeft verweerder bekendgemaakt dat de aanvraag voor een speelautomatenhal vergunning anoniem ingediend moet worden. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat eiseres voorafgaand van het indienen van de aanvraag op de hoogte kon zijn van de procedure van de verdeelprocedure, de criteria waaraan de aanvraag moest voldoen en van de omstandigheid dat de aanvraag anoniem ingediend moest worden. Overigens heeft eiseres haar geanonimiseerde aanvraag op 14 februari 2018, via TenderNed, dus tijdig, ingediend. De aanvraag van eiseres was compleet, waardoor deze ontvankelijk was en inhoudelijk kon worden beoordeeld door verweerder. Eiseres heeft gesteld dat sprake was van een zeer rommelige en onduidelijke procedure omdat verweerder TenderNed heeft gebruikt, dat gewoonlijk voor privaatrechtelijke aanbestedingen wordt gebruikt. Uit de brief van 26 april 2018 over de voorlopige gunning, spreekt verweerder van een aanbestedingsprocedure. Daardoor is er onduidelijkheid over de procedure en voldoet deze niet aan de eisen van openbaarheid volgens eiseres. De rechtbank is van oordeel dat noch het gebruik van TenderNed, noch het gebruik van het woord aanbesteding in de gunningsbrief, afdoet aan de passende mate van openbaarheid voorafgaand aan de verdeelprocedure. Gelet op alle informatie die eiseres had over de procedure, kan er voor haar redelijkerwijs geen twijfel over hebben bestaan dat er sprake was van een bestuursrechtelijke procedure en niet van een privaatrechtelijke aanbesteding. Ook de stelling van eiseres dat de procedure te lang heeft geduurd ziet niet op de vraag of de verdeelprocedure voldoet aan het vereiste van passende mate van openbaarheid.

10.5.   Gelet wat hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdeelprocedure voldoet aan het vereiste van passende mate van openbaarheid met betrekking tot de beschikbaarheid van de schaarse vergunning, de verdelingsprocedure, het aanvraagtijdvak en de toe te passen criteria.

* 7 mei 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 21/1343): Awb, Nbw; vovo, handhaving, herstel badstrand, Natura 2000-gebied, vogels, bestuurlijk rechtsoordeel, broedseizoen, geen besluit genomen op aanvraag
7.7.  Tussen partijen is in geschil of de voorgenomen activiteiten op zaterdag 8 mei 2021 zich verdragen met de instandhoudingsdoelstellingen voor dit Natura 2000-gebied. Deze voorlopige voorziening-procedure is naar zijn aard voor het beslechten van dat geschil niet geschikt. Temeer gelet op het gegeven dat de activiteiten zijn gepland voor morgen, zaterdag 8 mei 2021.

Naar voorlopig oordeel acht de voorzieningenrechter de door verweerder gevolgde procedure niet zonder meer toereikend gelet op het “Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn”, zoals neergelegd in de Wet Natuurbescherming. De gevolgde procedure heeft tot op heden niet geresulteerd in een besluit op een aanvraag van de derde-partij om de voorgenomen activiteiten op 8 mei 2021 uit te mogen voeren (artikel 1:3, derde lid van de Awb). Weliswaar heeft verweerder een besluit genomen over deze activiteit naar aanleiding van het handhavingsverzoek van verzoekster, maar daarbij is uitsluitend bezien of er aanleiding bestaat om handhavend op te treden. Dit klemt temeer om drie redenen.

Ten eerste heeft verweerder de activiteit uitsluitend beoordeeld tegen de achtergrond van een zogenoemd bestuurlijk rechtsoordeel. Dat rechtsoordeel is opgesteld in 2012, terwijl nadien, op 1 januari 2017, de Wet natuurbescherming in werking is getreden. Naar voorlopig oordeel is daarmee niet voldoende draagkrachtig gemotiveerd dat de voorgenomen activiteiten niet ontheffings- en/ of vergunning plichtig zijn onder vigeur van de Wet natuurbescherming. Verweerder kan daarom niet volstaan met het verwijzen naar dit bro. Het is aan verweerder om te onderbouwen dat de activiteit voldoet aan de relevante rechtsregels over natuurbescherming. Voor de bescherming van Natura 2000-gebieden zijn regels gesteld in de Wnb. Daaruit volgt dat verweerder dient te bezien of een passende beoordeling moet worden gemaakt, waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied Noordzeekustzone. Daarnaast dient verweerder voor de soortenbescherming te beoordelen of de daarvoor gestelde regels in hoofdstuk 3 van de Wnb aan de uitvoerbaarheid van de voorgenomen activiteit in de weg staan. Van belang is de aanwezigheid van kwetsbare vogelsoorten en dat vooralsnog onvoldoende is uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve gevolgen zullen hebben voor de beschermde habitats in het Natura 2000 gebied Noordkust zone.

Ten tweede zijn de voorgenomen activiteiten gepland in het broedseizoen. Daardoor is het, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen en de kernopgaven voor de drie vogelsoorten, niet uit te sluiten dat de voorgenomen activiteit onomkeerbare gevolgen kunnen hebben voor de mate waarin de instandhoudingsdoelstellingen en kernopgaven (kunnen) worden gerealiseerd. Temeer omdat met de activiteit wordt beoogd dat Amelanders en toeristen kunnen worden ontvangen op het badstrand. Het is een feit van algemene bekendheid dat dat gepaard gaat met een intensiever gebruik van het strand door (groepen van) mensen.

Ten slotte wordt door de gehanteerde handelswijze de rechtsbescherming bemoeilijkt, waarin de wetgever, gelet op de Wet natuurbescherming, heeft willen voorzien. Het gaat niet aan om een dergelijke activiteit uitsluitend te beoordelen vanuit het oogpunt of handhavend moet worden opgetreden.

  1. In het voorgaande ziet de voorzieningenrechter het verzoek toe te wijzen, in de zin dat de volgende voorlopige voorziening zal worden getroffen.* 4 mei 2021 (Rb Noord-Holland HAA 20/2816): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, serre, erf, Bor/NvT, vergunningvrij, strijd met bpl, schadevergoeding
    4.3.1. Op grond van artikel 1, eerste lid, van Bijlage II van het Bor is een erf een al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden.

Een achtererfgebied is een erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen.

4.3.2.   In de nota van toelichting (NvT I) bij het Bor (Stb. 2010, nr. 143) is over de definitie ‘erf’ onder meer het volgende opgenomen:

“De definitie voor ‘erf’ is afgeleid uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie ABRvS 15 september 1997, LJN:AA3601, AB 1998, 5). Uitgangspunt is dat het gehele perceel bij een hoofdgebouw in beginsel als erf kan worden aangemerkt. Echter uit de systematiek van een bestemmingsplan of beheersverordening kan voortvloeien dat bepaalde verder van het hoofdgebouw af gelegen delen van een perceel niet als erf aangemerkt kunnen worden.

Dit zal in beginsel uitsluitend het geval kunnen zijn bij percelen van een aanzienlijke omvang, veelal gelegen buiten de bebouwde kom. Bij dergelijke omvangrijke percelen geven bestemmingsplannen of beheersverordeningen soms een regeling die het perceel onderverdeelt in een bouwblok of bestemming, waarbinnen het hoofdgebouw met bijbehorende aan- en uitbouwen en bijgebouwen gebouwd kunnen worden en waar een verdere inrichting kan plaatsvinden als buitenruimte behorende bij het hoofdgebouw. In het overige verder afgelegen perceelgedeelte geldt in die systematiek een andere bestemming, ingevolge waarvan niet gebouwd mag worden en ook het aanbrengen van een normale bij een hoofdgebouw behorende buiteninrichting (bijvoorbeeld het aanleggen van terrasverhardingen, parkeerplaatsen, siertuin, vijverpartijen) is verboden of aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo (de voormalige aanlegvergunning) onderworpen.

Uitgaande van zo’n bestemmingssystematiek, kan gesteld worden dat deze laatstbedoelde delen van een perceel niet aangemerkt kunnen worden als ‘erf’ en er om die reden niet zonder omgevingsvergunning bijbehorende bouwwerken kunnen worden gebouwd. Het betreft hier dus gevallen waarin het perceelgedeelte een bestemming heeft die niet is gerelateerd aan het hoofdgebouw. Het enkele feit dat een bepaalde bestemming, zoals bijvoorbeeld ‘Tuin’, het oprichten van bouwwerken niet toelaat, maakt nog niet dat sprake is van een situatie als hier bedoeld.”

4.3.3.  In de nota van toelichting bij het besluit tot wijziging van onder meer het Bor van 4 september 2014 (Stb. 2014, nr. 333) is over vergunningvrije bouwwerken onder meer het volgende opgenomen:

“Voorts wordt nog gewezen op de mogelijkheid om via het bestemmingsplan, uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, het vergunningvrij bebouwen van percelen met een bijzondere stedenbouwkundige of landschappelijke betekenis in te perken. De regeling in het bestemmingsplan is gelet op de omschrijving van het begrip «erf» uit artikel 1 van de bijlage relevant voor de vraag in hoeverre gronden bij een hoofdgebouw als erf kunnen worden aangemerkt en dus in hoeverre binnen het tot het erf behorende achtererfgebied zonder vergunning bijbehorende bouwwerken kunnen worden opgericht. Het is mogelijk om percelen bij een hoofdgebouw geheel of gedeeltelijk een andere bestemming te geven dan de bestemming van het hoofdgebouw. Op het desbetreffende perceelsgedeelte kan in zo’n geval een bestemming rusten die een gebruik als buitenruimte ten dienste van het hoofdgebouw niet of slechts in beperkte mate toestaat. Denk bijvoorbeeld aan flats en appartementengebouwen, waarbij aan de omliggende gronden een bestemming «openbaar groen» of «stedelijk groen» is gegeven. Ook bij perceelsgedeelten die liggen in bijvoorbeeld een agrarisch- of weidegebied, bos, duinen, hei, natuur, stadspark, openbaar plantsoen of openbare weg, zal duidelijk zijn dat met het geven van een andere bestemming geen sprake is van erf.”

4.3.4.    Verder volgt uit de NvT I en uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)1 dat verweerder bij het nemen van een besluit op een aanvraag om omgevingsvergunning als voorvraag dient te beoordelen of voor het bouwvoornemen een vergunning is vereist. De aanvrager kan tegen het aan het besluit ten grondslag liggende oordeel omtrent de vergunningplicht opkomen door een rechtsmiddel aan te wenden tegen het besluit.

4.4.   De rechtbank is van oordeel dat uit het bestemmingsplan niet voortvloeit dat een perceelsgedeelte met de bestemming ‘Tuin-3’ geen erf is in de zin van artikel 1, eerste lid, van Bijlage II van het Bor. Op grond van artikel 17.2.1 van het bestemmingsplan zijn op gronden met de bestemming ‘Tuin-3’ aan- en uitbouwen, bijgebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde toegestaan. Er geldt voor gronden met deze bestemming dus geen verbod tot inrichting ten dienste van het hoofdgebouw. Dat in geval van eiser niet wordt voldaan aan de voorwaarden uit het bestemmingsplan om op het perceelsgedeelte met deze bestemming een aan- of uitbouw te bouwen (zodat hierop alleen een bijgebouw is toegestaan), maakt dit niet anders. Bovendien volgt uit de NvT I dat zelfs als een bestemming het oprichten van bouwwerken geheel niet toelaat, dat nog niet maakt dat sprake is van een bestemming die niet gerelateerd is aan het hoofdgebouw.

4.5.   Het perceelsgedeelte waarop de serre is voorzien moet dus worden aangemerkt als erf en ook als achtererfgebied in de zin van artikel 2, derde lid, aanhef, van Bijlage II van het Bor. Tussen partijen is niet in geschil dat de serre voldoet aan de andere in artikel 2, derde lid, aanhef, van Bijlage II van het Bor genoemde voorwaarden. Het voorgaande betekent dat het bouwen van de serre vergunningvrij is. Verweerder had dit als voorvraag moeten beoordelen en had moeten concluderen dat geen vergunningplicht bestaat voor de serre. De beroepsgrond slaagt.

* 14 april 2021 (Rb Overijssel AWB 19/1850): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, dakkapel/aanbouw woning, welstand, kleurstelling
4.25   Voor zover verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat het aspect kleur niet kan leiden tot een negatief welstandsadvies, omdat kleur ‘vergunningvrij’ is, kan de rechtbank verweerder niet volgen. Kleurgebruik is bij uitstek een onderdeel van de welstandstoets; een negatief welstandadvies kan derhalve wel degelijk op het beoogde kleurgebruik worden gebaseerd. In de Welstandsnota worden dan ook op goede gronden eisen gesteld aan het kleurgebruik en de Adviesraad heeft hier terecht aan getoetst. Voor zover wordt gesteld dat van het negatieve welstandsadvies kan worden afgeweken, enkel omdat kleurgebruik vergunningvrij is, is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Dit besluit komt dan ook voor vernietiging in aanmerking. Met het oog op een finale beslechting van het geschil zal de rechtbank evenwel beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.

4.26   Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat met de stelling dat het aspect kleur ‘vergunningvrij’ is, wordt bedoeld dat [naam 1] het bouwplan in overeenstemming met het welstandsadvies in de kleur groen uit zou kunnen voeren, maar dat zij het dan alsnog de volgende dag grijs zou kunnen schilderen zonder consequenties. Voor het schilderen van een huis is immers geen vergunning benodigd. Verder heeft verweerder aangegeven dat hij in deze zaak van belang heeft geacht dat het bouwplan wordt uitgevoerd aan de achterzijde van de woning, dat geen sprake is van een beschermd monument of stads- of dorpsgezicht en dat de antraciet grijze kleur niet kan worden aangemerkt als een welstands-exces, nu geen sprake is van een felle of contrasterende kleur.

4.27   De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond van de in beroep gegeven motivering in redelijkheid van het negatieve welstandsadvies van de Adviesraad af heeft kunnen wijken. Daartoe overweegt de rechtbank allereerst dat -hoewel aan het advies van de Adviesraad in rechte groot gewicht toekomt- de wettelijke beslissingsbevoegdheid ten aanzien van het verlenen van een omgevingsvergunning geheel bij verweerder berust. Verweerder heeft de bevoegdheid van een negatief welstandsadvies af te wijken; verweerder dient dit evenwel goed te motiveren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit -in de fase van beroep- alsnog gedaan. Daarbij betrekt de rechtbank de omstandigheid dat in de welstandscriteria voor het deelgebied ‘Solitaire bebouwing’, waarin de [adres] ligt, met betrekking tot kleurgebruik enkel wordt aangegeven dat geen felle kleuren mogen worden gebruikt. Verder wordt aangegeven dat er weinig welstandscriteria van toepassing zijn, omdat elk gebouw afzonderlijk kan worden vormgegeven en dat bij de welstands-toetsing vooral de relatie met het openbaar gebied van belang is. Verweerder heeft derhalve (groot) gewicht kunnen toekennen aan de omstandigheid dat het bouwplan aan de achterzijde van de woning wordt uitgevoerd.