Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 19 mei 2021 (ABRvS 202004656/1/A3): Awb, Gmw; exploitatievergunning, horeca, APV, beleidsregels, afwijking (Rb Limburg 19/1325)
* 19 mei 2021 (ABRvS 202002346/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, verdieping op bestaand gebouw en uitbreiding parkeerterrein, goothoogte/peil, parkeren/CROW, normcorrectie (Rb Zeeland-West-Brabant 19/4206 en 19/4241)
* 19 mei 2021 (ABRvS 202001944/1/R2): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsommen, bedrijfsmatige activiteiten in strijd met bpl, evenredigheid (Rb Limburg 20/202 en 20/203)
* 19 mei 2021 (ABRvS 202000592/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, tijdelijke bewoning van een aantal bedrijfsruimten, belanghebbenden, provinciale verordening, bevoegdheid/Bor, gemeentelijk beleid, geluid, VNG-brochure, kavelkengetal, Activiteitenbesluit (Rb Den Haag SGR 19/3756)
* 19 mei 2021 (ABRvS 202000366/1/A3): Awb, Gmw; aanwijzing als openbaar water/ ligplaatsvergunning, APV, overgangsrecht bpl, vaartuig/woonboot, Wvvw (Rb Amsterdam 18/3909, 18/4368, 18/6663, 19/651 en 19/652)
* 19 mei 2021 (ABRvS 201909041/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, multifunctioneel centrum, belanghebbenden, ontvankelijkheid, welstand (Rb Noord-Nederland 19/2782, 19/2826 en 19/3702)
* 19 mei 2021 (ABRvS 201908473/2/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en milieu, windpark, geluidvoorschrift, Nevele-arrest, einduitspraak na eerder tussenuitspraak
* 19 mei 2021 (ABRvS 201907448/1/A2): Awb, Wro; planschade, taxaties, normaal maatschappelijk risico, hoogte drempel (Rb Oost-Brabant 19/1335)
# 19 mei 2021 (ABRvS 201906233/1/R4): Awb, Gmw; ontheffing, muziekevenement, APV, muziekspectrum, dB(A)/dB(C), modellering/Geomilieu/CNOSSOS-EU, start/eindtijden, cumulatie (Rb Noord-Nederland 19/453)
# 19 mei 2021 (ABRvS 201906231/1/R4): Awb, Gmw; ontheffing, muziekevenement, APV, muziekspectrum, dB(A)/dB(C), modellering/Geomilieu/CNOSSOS-EU, start/eindtijden, cumulatie (Rb Noord-Nederland 19/394)
* 19 mei 2021 (ABRvS 201906190/14/R4): Awb, Wro; bpl, buitengebied, bestemming glastuinbouw, loonbedrijf
* 19 mei 2021 (ABRvS 201906190/12/R4): Awb, Wro; bpl, buitengebied, agrarische-/woonbestemming
* 19 mei 2021 (ABRvS 201906190/11/R4): Awb, Wro; bpl, buitengebied, agrarisch bedrijf
* 19 mei 2021 (ABRvS 201903985/1/R2): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsommen, verwijderen bouwwerken en woontechnische voorzieningen, geen vergunning, strijd met bpl, achtererf/Bor, bevoegdheid  (Rb Zeeland-West-Brabant 18/2060 en 18/2684)
* 19 mei 2021 (ABRvS 201903149/1/R2): Awb, Wro; bpl, buitengebied, veehouderijen, provinciale verordening, bouwvlak, afwijkingsbevoegdheid, fijn stof, tussenuitspraak
* 19 mei 2021 (ABRvS 201804031/4/R1): Awb, Wro; bpl, bierbrouwerij, herstelbesluit, verkeer, CROW, geur, geluid, route verkeer, stikstof/Natura 2000/relativiteit, passende beoordeling, MER/m.e.r.-plicht/Chw, externe saldering, tussenuitspraak
* 18 mei 2021 (ABRvS 202101596/2/R3): Awb, Wro, Wabo; vovo, bpl, omgevingsvergunningen voor aanleg en bouwen, voetbalstadion
# 18 mei 2021 (Rb Den Haag SGR 19/4599 en SGR 20/361): Awb, Gmw; spoedeisende bestuursdwang, slopen kerk, instortingsgevaar, Bouwbesluit, NEN 8700, kostenverhaal
* 18 mei 2021 (CBb 19/1325, 19/275, 19/1790, 19/1847, 19/1795, 19/1917, 19/1845, 19/1915, 19/1840, 20/2, 20/3, 20/148, 20/151, 20/145, 20/172, 20/177, 20/305 en 20/154): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, EP/geen sprake van individuele en buitensporige last, knelgevallenregeling, startersregeling, jongvee, voorzienbaarheid, bevoegdheid, EVRM, peildatum
* 17 mei 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 21/889): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid, noodzaak, evenredigheid
* 12 mei 2021 (ABRvS 202000236/2/R2): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, zorgrecreatiewoningen, vvgb, provinciale verordening (Rb Zeeland-West-Brabant 18/1244 en 18/1621)
* 12 mei 2021 (ABRvS 202101363/2/R3): Awb, Wro; vovo, bpl, woningen, onderwijs en zorg, parkeren
* 12 mei 2021 (ABRvS 202101574/2/R4): Awb, Wro; vovo, bpl, brandweerkazerne
* 12 mei 2021 (ABRvS 202102093/1/R1 en /2/R1): Awb, Wabo, Gmw; vovo en kortsluiten, opheffing bouwstop/dwangsom, herstel schuur, geweigerde vergunning (Rb Haarlem HAA 20/6204 en HAA 21/240)
* 12 mei 2021 (ABRvS 202102350/2/R3): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor vellen bomen, reconstructie terrein, noodzaak kap
* 12 mei 2021 (Rb Amsterdam AMS 21/2249): Awb, Gmw; vovo, exploitatievergunning, hotel, APV, openbare orde-incidenten, handgranaat, Dienstenrichtlijn
* 11 mei 2021 (Rb Den Haag SGR 21/2621): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor ophogen agrarische gronden, geen spoedeisend belang
* 11 mei 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 20/1562): Awb, Wabo; tijdelijke omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, zonneweide, vvgb, locatiekeuze, participatie en draagvlak
* 30 april 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 20/1616-T): Awb, Wro; planschade, milieucategorie, tussenuitspraak
* 28 april 2021 (Rb Den Haag SGR 19/5945 T): Awb, Wabo; handhaving, gebruik van binnenplaats, dieren/mest, strijd met bpl, geen vergunning, constateringen niet duidelijk, motivering, tussenuitspraak
# 19 april 2021 (Rb Den Haag SGR 19/2628, SGR 19/2629, SGR 19/2989, SGR 19/3200, SGR 19/3201 en SGR 19/3202): Awb, Wabo; tijdelijke omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, opblaashal voor wintermaanden, sportvereniging, welstand, geluid/ventilator, licht/nachtperiode, alternatieven
* 16 april 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 20/2123): Awb: verzoek om gedoogbeschikking, geen aanvraag, geen besluit en geen bestuurlijk rechtsoordeel, ontvankelijkheid
* 9 april 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/6687 WET en BRE 20/766 WET): Awb, Msw; bestuurlijke boete, mest, gebruiksnormen, Bex-berekening
* 8 april 2021 (Rb Den Haag SGR 20/6877): Awb, Wabo; omgevingsvergunning, ontbrekende machtiging van de gemachtigde, bevoegdheid, ontvankelijkheid
* 8 april 2021 (Rb Noord-Holland HAA 21/1350): Awb, Wabo, Gmw; opheffing vovo, bestuursdwang, verwijderen bouwkeet, strijd met bpl en APV
* 16 maart 2021 (Conclusie PG HR 19/04149 E): WSr, WED, Wvgs; overtreding, parkeren binnen bebouwde kom van vrachtwagen waarin gevaarlijke stoffen waren vervoerd en die geleegd was maar niet gereinigd, conclusie bij arrest
* 13 januari 2021 (Rb Rotterdam C/10/608156 / KG ZA 20-1067): BW; kort geding, geluidsoverlast, contactgeluid, huurwoning
* 3 december 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/3410 WATER): Awb, Waterwet; nieuwe vergunning voor andere locatie, bodemmateriaal in stortvak, proceskosten

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 19 mei 2021 (ABRvS 202000366/1/A3): Awb, Gmw; aanwijzing als openbaar water/ ligplaatsvergunning, APV, overgangsrecht bpl, vaartuig/woonboot, Wvvw (Rb Amsterdam 18/3909, 18/4368, 18/6663, 19/651 en 19/652)
3.3.    De ligplaatsvergunning, bedoeld in artikel 5.25 van de Apv, moet worden aangemerkt als een vergunning voor het bouwen of gebruiken van een woonboot als bedoeld in artikel 8.2a van de Wabo (vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4172, (r.o. 2.14) en 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:621, (r.o. 18.5)). De ligplaatsvergunning is immers vereist voor het innemen of hebben van een ligplaats met een woonboot dan wel voor het beschikbaar stellen van een ligplaats voor een woonboot. Dit zijn activiteiten die als bouwen of gebruiken van een woonboot kunnen worden aangemerkt. Zoals het college ter zitting van de Afdeling heeft toegelicht, heeft het ligplaatsvergunningstelsel van artikel 5.25 verder mede als doel het waarborgen van het in artikel 1.8, eerste lid, onder 8, van de Apv vermelde belang van de goede ruimtelijke ordening. Daarmee bevindt dit stelsel zich in de sfeer van het omgevingsrecht. Dit vindt bevestiging in de motivering van het aanwijzingsbesluit van 28 november 2017. Volgens die motivering is  regulering van ligplaatsen middels een vergunning gewenst gelet op onder meer de toenemende druk op de ruimte, nieuwe inzichten ten aanzien van de inrichting van het Amstel Business Park Zuid en het gegeven dat ligplaatsen voor woonboten sinds enige jaren als geluidsgevoelig terrein worden aangemerkt.

De rechtbank is ten onrechte onder verwijzing naar r.o. 6.4 van de uitspraak van de Afdeling van 1 augustus 2018 tot een ander oordeel gekomen. Die r.o. gaat niet over de vraag of een ligplaatsvergunning moet worden aangemerkt als een vergunning voor het bouwen of gebruiken van een woonboot, maar over de vraag of artikel 8.2a van de Wabo het met een bestemmingsplan strijdig gebruik van een woonboot kan legaliseren.

Anders dan [appellant sub 3] en anderen in hun schriftelijke uiteenzetting aanvoeren, blijkt uit de tekst van artikel 8.2a van de Wabo niet dat de wetgever een ligplaatsvergunning niet heeft willen laten gelden als vergunning voor het bouwen of gebruiken van een woonboot. Uit de door hen ingeroepen geschiedenis van de totstandkoming van de Wet verduidelijking voorschriften woonschepen (hierna: de Wvvw) (Kamerstukken II, 2015/16, 34 434, nr. 3, blz. 9) blijkt dit evenmin. Zij kunnen voorts niet worden gevolgd in het in hun nader stuk onder verwijzing naar de antwoorden van de regering op een aantal vragen over de gevolgen van de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1331, (Kamerstukken II, 2013/14, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 2318) en de geschiedenis van de totstandkoming van de Wvvw (Kamerstukken II, 2015/16, 34 434, nr. 3, blz. 7) naar voren gebrachte standpunt dat het ligplaatsvergunningstelsel van rechtswege is vervallen dan wel geen toepassing meer heeft. De uitspraak van de Afdeling van 16 april 2014 heeft tot gevolg dat woonboten, voor zover deze als bouwwerken moeten worden aangemerkt, ten aanzien van bouwkundige voorschriften onder de Woningwet vallen, zodat gemeenten aan woonboten geen bouwkundige eisen meer kunnen stellen en bestaande gemeentelijke regels met bouwkundige eisen onverbindend zijn. Het vergunningstelsel van artikel 5.25 van de Apv stelt echter geen bouwkundige eisen aan woonboten, zodat van onverbindendheid geen sprake is.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de woonboten in de Duivendrechtse Vaart per 1 januari 2018 zijn gelijkgesteld met een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning is verleend. De rechtbank heeft daarom eveneens ten onrechte geoordeeld dat het besluit van 31 oktober 2018 op het bezwaar van [aanvrager] ondeugdelijk is gemotiveerd.

* 19 mei 2021 (ABRvS 201908473/2/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en milieu, windpark, geluidvoorschrift, Nevele-arrest, einduitspraak na eerder tussenuitspraak
10.     Het betoog over artikel 3.14a, derde lid, van het Activiteitenbesluit mist feitelijke grondslag. Hiervoor is van belang dat het college met het herstelbesluit niet een maatwerkvoorschrift als bedoeld in dat artikel heeft vastgesteld, maar dat het op grond van artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo een geluidvoorschrift heeft verbonden aan de omgevingsvergunning.

Zoals onder 16.3 van de tussenuitspraak is overwogen, is het college er bij de vergunningverlening van uitgegaan dat de geluidwaarden van 45 dB Lden en 39 dB Lnight de maximale vergunde waarden zijn. Tegen een overschrijding van deze waarden wenste het college in het belang van een goede ruimtelijke ordening handhavend op te treden, zoals is overwogen onder 16.6. Aan de hand van de beroepsgronden van [appellant] en anderen, heeft de Afdeling in de tussenuitspraak onder 16.1 overwogen dat er geen aanleiding bestaat om aan de juistheid van het geluid- en slagschaduwrapport van Pondera van 1 juli 2019 te twijfelen. Volgens dat rapport is de berekende maximale geluidbelasting 45 dB Lden en 39 dB Lnight. De Afdeling is verder onder 16.4 van de tussenuitspraak ingegaan op wat [appellant] en anderen naar voren hebben gebracht over de gevolgen van de geluidbelasting. De Afdeling heeft overwogen dat zij in wat [appellant] en anderen naar voren hebben gebracht geen aanleiding ziet voor het oordeel dat met een maximale geluidbelasting van 45 dB Lden en 39 dB Lnight zich onaanvaardbare gevolgen voor de gezondheid zullen voordoen. Daarbij is in aanmerking genomen dat deze geluidbelasting overeenkomt met de aanbevelingen van de WHO, waarmee volgens [appellant] en anderen rekening had moeten worden gehouden.

De Afdeling heeft vervolgens vastgesteld dat, anders dan het college meende, de maximale toegestane geluidbelasting in de omgevingsvergunning niet was beperkt tot 45 dB Lden en 39 dB Lnight. Met het herstelbesluit heeft het college dit alsnog gedaan. Hiermee heeft het college voldaan aan de opdracht in de tussenuitspraak.

In aanmerking genomen de opdracht in de tussenuitspraak, was het college naar het oordeel van de Afdeling niet gehouden om bij het herstelbesluit een nieuwe motivering te geven over de maximale toegestane geluidbelasting, voor zover het betoog van [appellant] en anderen daartoe strekt. Aan het betoog over het Nevele-arrest komt de Afdeling, evenals in de tussenuitspraak, niet toe. De Afdeling ziet evenmin aanleiding om te komen tot een heroverweging van haar oordeel in de tussenuitspraak.

# 19 mei 2021 (ABRvS 201906233/1/R4): Awb, Gmw; ontheffing, muziekevenement, APV, muziekspectrum, dB(A)/dB(C), modellering/Geomilieu/CNOSSOS-EU, start/eindtijden, cumulatie (Rb Noord-Nederland 19/453)
# 19 mei 2021 (
ABRvS 201906231/1/R4): Awb, Gmw; ontheffing, muziekevenement, APV, muziekspectrum, dB(A)/dB(C), modellering/Geomilieu/CNOSSOS-EU, start/eindtijden, cumulatie (Rb Noord-Nederland 19/394)
11.2.  In de beleidsregel wordt voor de wijze van meten en rekenen verwezen naar de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999. De Handleiding kent tot op heden geen gestandaardiseerde wijze van toepassen van een toeslag voor laagfrequent geluid met frequenties beneden circa 100 Hz waardoor het zich sterk van gewoon hoorbaar geluid onderscheidt, waarop het college in hoger beroep ook heeft gewezen . Dit laat onverlet dat het college bij de beoordeling van de gevolgen van het (versterkte) muziekgeluid voor een omwonende of voor de omgeving rekening houdt met het toepasselijke muziekspectrum. Daartoe moest de organisator van WttV op grond van de beleidsregel door middel van een akoestisch onderzoek aantonen welk muziekspectrum het uitgangspunt is, waartoe het onderzoek van DGMR van 9 mei 2018 strekte. De rechtbank heeft onder verwijzing naar de StAB-rapportages gemotiveerd geoordeeld dat en waarom het bestreden besluit ook op het punt van het toepasselijke spectrum en het daaraan ten grondslag liggende onderzoek gebreken vertoont. Hoewel er verschillen zijn tussen de muziekspectra van de festivals Psy-Fi, waarvan het college zelf heeft aangegeven dat het spectrum “ultra bass” tot uitgangspunt moet worden genomen, en WttV, waarvan het college dit niet heeft aangegeven, ziet de Afdeling in hetgeen in hoger beroep op dit punt is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college voor het festival WttV onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat in dit geval wat het toepasselijke muziekspectrum betreft voor het juiste uitgangspunt is gekozen. Dit klemt temeer nu het college in de beleidsregel voor zichzelf de uitdrukkelijke opdracht heeft geformuleerd om te motiveren waarom met het oog op de te beschermen belangen een bepaalde mate van geluidhinder voor omwonenden kan worden toegestaan en waarom dit in overeenstemming met de beleidsregel is. Niet in geschil is dat daarvoor het toepasselijke muziekspectrum van belang is. In de beleidsregel heeft het college als relevante akoestische factor ook opgenomen dat lage tonen als meer storend worden ervaren.
13.1.  De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de berekeningen met behulp van het programma Geomilieu geen representatief beeld opleverden van de geluidseffecten in het recreatiegebied “De Groene Ster”. In dat verband wordt verwezen naar het verslag van de StAB van 16 april 2019 waarin staat dat hoewel methode II.8 niet voorziet in een overdrachtsberekening bij (sterke) temperatuurinversie, wel gesteld kan worden dat in zekere zin ook rekening is gehouden met dit effect door het niet toepassen van de aftrek van de meteo-correctieterm. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat, uitgaande van de StAB-verslagen van 16 april 2019 en 14 mei 2019, het CNOSSOS-EU model, in ieder geval ten tijde van het besluit op bezwaar van 18 december 2018, niet had te gelden als best beschikbare techniek, zoals genoemd in paragraaf 4.4 van de beleidsregel.

Wat betreft het beroep van de Groene Ster op de Richtlijn omgevingslawaai wordt het volgende overwogen. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het college CNOSSOS-EU al had moeten toepassen omdat de implementatietermijn van de richtlijn ten tijde van het besluit op bezwaar ten einde liep. In de pre-ambule bij de Richtlijn omgevingslawaai staat namelijk onder punt 9 dat de bepalingsmethoden waarin in de bijlage bij deze richtlijn is voorzien, overeenkomstig artikel 2, lid 1, uiterlijk op 31 december 2018 moeten worden aangenomen en lidstaten overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Richtlijn 2002/49/EG tot die datum de bestaande bepalingsmethoden mogen blijven gebruiken die zij eerder op nationaal niveau hebben aangenomen.  Dat betekent dus dat als lidstaten niet voor 1 januari 2019 de nieuwe bepalingsmethoden van de Richtlijn omgevingslawaai door middel van implementatiewetgeving in werking hadden laten treden, zij tot die datum de oude bepalingsmethoden van Richtlijn 2002/49/EG mochten blijven gebruiken. De Nederlandse wetgever heeft de implementatiewetgeving van de Richtlijn omgevingslawaai per 1 januari 2019 in werking laten treden. Alleen al daarom is er geen grond voor het oordeel dat de bepalingsmethoden van de Richtlijn omgevingslawaai op het bestreden besluit van 18 december 2018 hadden moeten worden toegepast.

* 19 mei 2021 (ABRvS 201804031/4/R1): Awb, Wro; bpl, bierbrouwerij, herstelbesluit, verkeer, CROW, geur, geluid, route verkeer, stikstof/Natura 2000/relativiteit, passende beoordeling, MER/m.e.r.-plicht/Chw, externe saldering, tussenuitspraak
5.8.  In aanmerking genomen dat een passende beoordeling moest worden opgesteld had, gezien artikel 7.2a van de Wet milieubeheer en het ten tijde van het herstelbesluit ontbreken van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het tweede lid van dat artikel, ook een MER moeten worden gemaakt. Dit ontbreekt echter.

Het betoog slaagt in zoverre.

15.9.  Ter zitting is besproken of de rechtsgevolgen van het besluit, wat dit aspect betreft, in stand kunnen worden gelaten gelet op het Besluit van 9 december 2020 tot wijziging van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (twintigste tranche)) (Stb. 2020, 528), waarmee met ingang van 18 december 2020 het Besluit m.e.r. is gewijzigd, in die zin dat daaraan artikel 3 is toegevoegd.
………………………
15.10. Volgens de Nota van Toelichting bij het besluit van 9 december 2020 wordt met artikel 3 van het Besluit m.e.r. invulling gegeven aan de mogelijkheid die Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen (PbEG 2001, L 197) (hierna: de SMB-richtlijn) in artikel 3, derde lid, geeft voor het uitvoeren van een plan-mer-beoordeling. De grondslag hiervoor was al opgenomen in de Wet milieubeheer die de mogelijkheid biedt om bij algemene maatregel van bestuur categorieën van gevallen aan te wijzen waarin sprake is van kleine gebieden en kleine wijzigingen die geen aanzienlijke milieueffecten hebben, die kunnen worden uitgezonderd van de m.e.r.-plicht als de m.e.r.-plicht alleen volgt uit de passende beoordeling (artikel 7.2a, tweede lid, van de Wet milieubeheer). Deze mogelijkheid van een plan-m.e.r.-beoordeling in plaats van een directe plan-m.e.r.-plicht geldt volgens de Nota van Toelichting alleen voor plannen die uitsluitend m.e.r.-plichtig zijn vanwege het feit dat daarvoor een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wnb.

15.11. De vraag ligt voor of is voldaan aan de vereisten uit artikel 3 van het Besluit m.e.r. Onder verwijzing naar de uitspraak van 29 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO9187, stelt de Afdeling vast dat de activiteit waarvoor dit bestemmingsplan is opgesteld, beslag legt op een relatief klein gebied op lokaal niveau. Gelet daarop en gezien de bevoegdheid van de raad om het plan vast te stellen, wordt voldaan aan artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1° en onder 2°, van het Besluit m.e.r. Op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van het Besluit m.e.r. moet worden beoordeeld of het plan aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Bij deze beoordeling moet rekening worden gehouden met de criteria van bijlage II bij Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (PbEG 2001, L 197). In dit geval heeft er een beoordeling plaatsgevonden, waarvan de resultaten zijn neergelegd in de Aanmeldingsnotitie. Deze beoordeling heeft plaatsgevonden volgens de criteria uit bijlage III bij de richtlijn 85/377/EEG, thans richtlijn 2011/92/EU (Pb 2012, L26; hierna: de MER-richtlijn). Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar eerder genoemde uitspraak van 29 december 2010, zijn de criteria uit bijlage II bij de SMB-richtlijn vergelijkbaar met de criteria uit bijlage III bij de MER-richtlijn. Volgens de milieubeoordeling kunnen belangrijke milieugevolgen worden uitgesloten als gevolg van de bedrijfsactiviteiten van de Texelse Bierbrouwerij. Daarmee is voldaan aan de eisen van de SMB-richtlijn. De resultaten van deze beoordeling zijn ook opgenomen in de plantoelichting, zodat is voldaan aan artikel 3, vijfde lid, van het Besluit m.e.r. De Afdeling stelt echter vast dat niet is gebleken dat de in artikel 3, derde lid, aanhef en onder a en b, van het Besluit m.e.r. bedoelde bestuursorganen en instanties zijn geraadpleegd. Om deze reden is er geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten.

15.12. Nu reeds uit artikel 7.2a van de Wet milieubeheer voortvloeit dat in het kader van het plan een MER had moeten worden gemaakt, is een m.e.r.-beoordelingsprocedure waarin moet worden nagegaan of het opstellen van een MER anderszins noodzakelijk is, in die zin niet aan de orde. Niet uit te sluiten valt echter dat artikel 7.2a van de Wet milieubeheer door het inmiddels in werking treden van een algemene maatregel als bedoeld in het tweede lid niet meer tot het opstellen van een MER noopt. Daarom ziet de Afdeling aanleiding toch in te gaan op het betoog van Natuur & Milieufederatie Noord-Holland dat ten onrechte geen m.e.r.-beoordelingsbesluit is genomen. Over dat betoog overweegt de Afdeling als volgt.

# 18 mei 2021 (Rb Den Haag SGR 19/4599 en SGR 20/361): Awb, Gmw; spoedeisende bestuursdwang, slopen kerk, instortingsgevaar, Bouwbesluit, NEN 8700, kostenverhaal
Bij besluit van 24 oktober 2018 heeft verweerder besloten spoedeisende bestuursdwang toe te passen, inhoudende onder meer het slopen van de bebouwing op het perceel voor zover nodig om direct instortingsgevaar weg te nemen. Voorts heeft verweerder bij besluit van 10 december 2019 de kosten van het toepassen van de spoedeisende bestuursdwang ten bedrage van € 541.585,81 op eiseres verhaald.

De rechtbank heeft aanleiding gezien om de STAB als deskundige te benoemen. De STAB kwam – anders dan de adviseurs van verweerder – tot de conclusie dat er op 24 oktober 2018 geen direct gevaar bestond dat het gebouw zou instorten en dat er op die datum ook geen direct gevaar voor de omgeving van het gebouw was. De waarnemingen op 17 en 18 oktober 2018 gaven weliswaar aanleiding tot zorg over de draagconstructie, maar deze zorg had volgens de STAB eerst met een gedegen onderzoek bevestigd of weggenomen moeten worden. Volgens de STAB kunnen visuele waarnemingen uitsluitend tot de conclusie leiden dat sprake is van een slechte bouwkundige staat van het gebouw, maar gaat het te ver om op grond van deze waarnemingen in combinatie met de conclusies uit eerdere visuele inspecties te constateren dat sprake is van een acuut instortingsgevaar en een gevaar voor de omgeving.

Naar het oordeel van de rechtbank is het rapport van de STAB voldoende zorgvuldig tot stand gekomen en bevat het geen zodanige gebreken dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd. Met betrekking tot de door verweerder ingebrachte deskundigenrapporten acht de rechtbank van belang dat hieruit, met uitzondering van het rapport van 6 oktober 2020, niet volgt dat op 24 oktober 2018 sprake was van acuut instortingsgevaar. Uit deze rapporten volgt dat er vanwege de achteruitgang van de constructieve staat van de kerk grote zorgen waren over de stabiliteit en de draagkracht van de constructie en de veiligheid van omwonenden, onderscheidenlijk dat instortingsgevaar niet was uit te sluiten. Zorgen of twijfels over de constructieve staat van een gebouw of het niet kunnen uitsluiten van instortingsgevaar kunnen echter niet zonder meer op één lijn worden gesteld met de conclusie dat sprake is van direct instortingsgevaar. Aan de conclusies in het rapport van 6 oktober 2020 kent de rechtbank geen doorslaggevende waarde toe. Deze rapportage is in essentie een bevestiging van de eerdere bevindingen, die in hoofdzaak waren gebaseerd op enkele lintvoegwaterpassingen en visuele waarnemingen. De STAB heeft in haar advies voldoende inzichtelijk gemaakt waarom deze bevindingen niet gevolgd kunnen worden. Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank het rapport van de STAB aan haar oordeelsvorming ten grondslag zal leggen. Dat betekent dat de rechtbank ervan uit gaat dat op 24 oktober 2018 geen sprake was van acuut instortingsgevaar van de Turfmarktkerk, zodat voor verweerder geen aanleiding bestond om spoedeisende bestuursdwang toe te passen.

De rechtbank hecht eraan te benadrukken dat zij begrip heeft voor het feit dat verweerder, meende dat ingrijpen nodig was, omdat de rapporten van 17 en 22 oktober 2018 de indruk wekten dat sprake was van een gevaarlijke situatie die om onmiddellijk ingrijpen vroeg. Verder is het de rechtbank duidelijk dat de bouwkundige staat van de kerk al langere tijd onderwerp van zorg van verweerder was, ook omdat vaststaat dat het instorten van de kerk zeer ingrijpende gevolgen had kunnen hebben voor de nabijgelegen woningen. De rechtbank kan er echter niet aan voorbijzien dat door de STAB achteraf is geconcludeerd dat de rapportages waarop verweerder zijn besluitvorming heeft gebaseerd, zowel naar inhoud als naar wijze van totstandkoming niet kunnen worden onderschreven. Het besluit tot het toepassen van spoedeisende bestuursdwang, dat op deze rapportages is gebaseerd, kan daarom niet in stand blijven. Hetzelfde geldt voor de kostenverhaalsbeschikking.

* 9 april 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/6687 WET en BRE 20/766 WET): Awb, Msw; bestuurlijke boete, mest, gebruiksnormen, Bex-berekening
5.4.6  De minister heeft in reactie op deze beroepsgrond onder meer een toelichting gegeven over het gebruik van ‘de Bex’ in algemene zin. Daaruit volgt dat veehouders onder meer met behulp van de Bex-methode nauwkeuriger de werkelijke excretie van hun vee kunnen bepalen ten opzichte van de forfaits in bijlage D van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Regeling). Voor melkvee is de Handreiking gemaakt waarin de stappen en voorwaarden beschreven staan om de Bex op een juiste manier te bepalen. Wil met de Bex rekening worden gehouden dan moeten alle gegevens worden ingevuld en bewijsstukken worden bewaard. De rechtbank overweegt dat de minister in het bestreden besluit en in het verweerschrift, onder verwijzing naar de verschillende bijlagen van het controlerapport, heeft gewezen op de verschillende excreties in de berekeningen in ‘CRV mineraal’ en de verschillende ‘KringloopWijzers’ van eiseres. Daarbij heeft de minister erop gewezen dat er verschillen zijn in de duur van het beperkt beweiden die is opgenomen in de verschillende berekeningen, dat een onaannemelijk hoog tonnage droge stof is gevoederd op basis van de opgegeven eindvoorraad mailkuil 2015 (namelijk 15,8 ton gedurende de laatste 13 dagen van 2015 ten opzichte van een gemiddelde van circa 2 ton per dag over heel 2015), dat de maiskuil in strijd met de Handreiking eerder is aangebroken dan de monstername en dat de beginvoorraad 2016 niet gelijk was aan de eindvoorraad 2015. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister op basis van deze geconstateerde tegenstrijdigheden en afwijkingen van de Handreiking, mede gelet op de afwezigheid van een afdoende onderbouwde verklaring hieromtrent, de aangepaste Bex-berekening buiten beschouwing mogen laten bij de berekening ter bepaling of is voldaan aan de gebruiksnorm dierlijke meststoffen en de fosfaatgebruiksnorm.

Samenvattingen van jurisprudentie op STAB-site

Op de website van STAB wordt recente jurisprudentie ook samengevat.

De volgende uitspraken zijn vorige week nieuw geplaatst:
ABRvS 4 mei 2021 Gevolgen van het arrest ‘Varkens in Nood’ (HvJEU) voor de toepassing van artikel 6:13 Awb (deel 2).
vzr ABRvS 3 mei 2021 Bestemmingsplan ‘Fort Kudelstaart’, kernkwaliteiten van de Stelling van Amsterdam niet gewaarborgd.
ABRvS 28 april 2021 Tussenuitspraak bestemmingsplan ‘Piekstraat Punt’, standpunt over het toepassen van toeslag voor hoge geluidbronnen onvoldoende onderbouwd.