Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 26 mei 2021 (ABRvS 202100758/1/R4): Awb; verzoek om herziening
* 26 mei 2021 (ABRvS 202004822/1/R1): Awb, Wabo; mededeling van rechtswege verleende omgevingsvergunning, woning, welstand, motivering (Rb Zeeland-West-Brabant 19/2127)
* 26 mei 2021 (ABRvS 202004783/1/A3): Awb, Hvw, Gmw; handhaving, boete, onttrekken woning, verordening, hennepteelt
* 26 mei 2021 (ABRvS 202004405/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor aanleggen uitweg, APV, veilig en doelmatig gebruik van de weg (Rb Zeeland-West-Brabant 19/5708)
* 26 mei 2021 (ABRvS 202004070/1/R1): Awb, Wbb; vaststelling geval van ernstige bodemverontreiniging en noodzaak tot sanering, gevalscontour grondwater
* 26 mei 2021 (ABRvS 202003837/1/R2): Awb, Wro, Wabo; niet vaststellen bpl/omgevingsvergunning voor bouwen, verhuizing supermarkt, (nadere) motivering, beleid
* 26 mei 2021 (ABRvS 202003679/1/R2): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, verwijderen gebouw, afwijking bouwvergunning, verwijderen beplating (Rb Oost-Brabant 17/2045)
* 26 mei 2021 (ABRvS 202003503/1/A2): Awb, Wro; planschade, woning, taxaties/WOZ, normaal maatschappelijk risico, drempel, zelf in de zaak voorzien (Rb Gelderland 18/5478)
* 26 mei 2021 (ABRvS 202003154/1/R1): Awb, Gmw; vergunning, vervangen woonboot, verordening, Wvvw, tevens aanvraag om omgevingsvergunning voor afwijken bpl  (Rb Amsterdam 18/7671)
* 26 mei 2021 (ABRvS 202003131/1/R3): Awb, Wro; bpl, zorginstelling, belanghebbende, parkeren, verkeer
* 26 mei 2021 (ABRvS 202002872/1/R1): Awb, Waterwet; vergunning, aanleggen en behouden van strekdammen, Keur, belanghebbende, toestemming, Wnb/gedoogplicht, m.e.r.-beoordelingsplicht, waterkwaliteit (Rb Noord-Holland 19/2244)
* 26 mei 2021 (ABRvS 202002676/1/A3): Awb, Opiumwet, Gmw; handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid (Rb Den Haag 19/2815)
* 26 mei 2021 (ABRvS 202001739/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, rugzakwoningen, geen strijd met bpl, welstand(Rb Overijssel 19/882)
* 26 mei 2021 (ABRvS 202001645/3/R3): Awb, Wro; bpl, kindcentrum, stemgeluid, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 26 mei 2021 (ABRvS 202001164/1/R4): Awb, Wabo, Wm, Wbb, Gmw; handhaving, dwangsommen, lozingen op riool, verwerking van blusschuim, lekkages, faillissement, procesbelang, ontvankelijkheid
* 26 mei 2021 (ABRvS 202001056/1/R1): Awb, Wro; bpl, park/GGZ-instelling, belanghebbende, verkeer/relativiteit, Natura 2000/stikstof
* 26 mei 2021 (ABRvS 202000750/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, aanpassen pand tot twee woningen, belanghebbende, evidente privaatrechtelijke belemmering, dakgoot/hemelwaterafvoer, bezonning, welstand (Rb Amsterdam 18/5518, 18/5632 en 18/5633)
* 26 mei 2021 (ABRvS 202000219/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, woningen, belanghebbende, ontvankelijkheid (Rb Gelderland 19/2338)
* 26 mei 2021 (ABRvS 201909193/1/R2): Awb, Wro; bpl, paraplu/wonen, huisvesten van meerdere huishoudens, opnieuw overgangsrecht, beheersverordening/andere grondslag
* 26 mei 2021 (ABRvS 201909075/1/R4): Awb, Wro; bpl, supermarkt, uitsterfregeling, beleid, voorzienbaarheid, Dienstenrichtlijn, tussenuitspraak
* 26 mei 2021 (ABRvS 201908410/1/R2): Awb; invordering dwangsom, aanvoer en opslag van mest van derden, overtreding milieuvergunningvoorschrift, bewijslast (Rb Oost-Brabant 18/2358)
* 26 mei 2021 (ABRvS 201906190/16/R4): Awb, Wro; bpl, buitengebied, bedrijfshal, oppervlak, Natura 2000/relativiteit
* 26 mei 2021 (ABRvS 201906190/15/R4): Awb, Wro; bpl, buitengebied, weg/bestemming verkeer
* 26 mei 2021 (ABRvS 201906190/13/R4): Awb, Wro; bpl, buitengebied, kuilvoerplaat, bouwvlak
* 26 mei 2021 (ABRvS 201905844/1/R3): Awb, Wro; bpl, veehouderij/bouwvlak, Natura 2000, PAS/AERIUS, PlanMER
* 26 mei 2021 (ABRvS 201905423/1/R4): Awb, Mbw; instemming gaswinningsplan, beleid, verstrekte informatie, hydraulische stimulaties, bodemdaling, tussenuitspraak
* 25 mei 2021 (ABRvS 202101594/2/R1): Awb, Wm; vovo, plaatsing ondergrondse restafvalcontainer, afvalstoffenverordening, locatie, spreiding, verkeersveiligheid, alternatieven
* 25 mei 2021 (ABRvS 202101890/2/R3): Awb, Wro; vovo, bpl, woning, open karakter laantje, motivering
* 25 mei 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 20/1938 en SHE 20/1973): Awb, Wabo; verzoek om intrekking bouw- en milieuvergunning/ wijzigingsvergunning milieu, varkenshouderij, ontoelaatbaar milieugevolg, combiluchtwasser, geuronderzoek/meetonzekerheidsfactor, NTA 9065/Activiteitenbesluit, monitoring/geurbeheersplan, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak, zelf in de zaak voorzien
* 25 mei 2021 (CBb 20/185, 20/323, 20/251, 20/136, 20/91, 19/1993, 20/146, 19/1997, 20/181, 19/1916, 19/1914, 19/1992, 19/1952, 19/1903, 19/1902, 19/1913, 19/1848, 19/1856, 19/1839, 19/1798, 20/425, 19/1285, 19/1985 en 19/301): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, EP/geen sprake van individuele en buitensporige last, knelgevallenregeling, startersregeling, jongvee, voorzienbaarheid, bevoegdheid, EVRM, peildatum, gelijkheidsbeginsel, onderbouwing noodzaak uitbreiding, ontvankelijkheid, BEP-pilot
* 20 mei 2021 (Conclusie AG EH C‑836/19): Prejudiciële verwijzing, volksgezondheid, niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten, indeling naargelang van het risico voor de volksgezondheid en de diergezondheid, , verplichting tot herindeling als categorie 2‑materiaal, controleverplichting exploitanten keten verwijdering
* 20 mei 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 20/2187T, SHE 20/2188 , SHE 20/2255 SHE 20/2256, SHE 20/2257, SHE 20/2258 en SHE 20/2259): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, monumenten en reclame, verbouwing kerk tot sport- en recreatiecentrum met horeca, relatie met bpl, parkeren, tussenuitspraak
* 18 mei 2021 (Rb Amsterdam AMS 20/5378 en AMS 21/2270): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen, dakopbouw, belanghebbende, privacy en schaduwwerking
* 18 mei 2021 (Rb Gelderland ARN 20/4074): Awb, Wabo; handhaving, poppentheater en buitenopslag, splitsing handhavingsverzoek niet terecht, vergunning voor poppentheater aanwezig, buitenopslag /geen geringe ernst en omvang, motivering
* 18 mei 2021 (Rb Gelderland ARN 21/2148): Awb, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, sauna/wellness, Covid-regeling, onduidelijkheid, bevoegdheid
* 18 mei 2021 (Rb Noord-Holland HAA 21/1580): Awb, Gmw; vovo, handhaving, sluiting bedrijfspand, domicilieverlening, verhulling frauduleuze doeleinden, openbare orde
* 17 mei 2021 (Rb Noord-Holland HAA 20/2563): Awb, Wabo; handhaving, bouwstop en dwangsom, recreatiewoningen, bijbehorend bouwwerk bij hoofdgebouw, Bor, functionele verbondenheid
* 14 mei 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 21/11): Awb, Mbw; mijnbouwschade, ontvankelijkheid
* 12 mei 2021 (Rb Noord-Holland HAA 20/1363): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, dienstwoning, belanghebbenden, noodzaak
* 12 mei 2021 (Rb Limburg AWB 21/1070): Awb, Wpg; vovo, e-mails geen verzoek, Covid-regeling, geen besluiten, e-mails geen bestuurlijk rechtsoordeel, ontvankelijkheid
* 12 mei 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 20/2852 en LEE 20/2920): Awb, Mbw; mijnbouwschade, ontvankelijkheid
* 12 mei 2021 (Rb Noord-Holland HAA 20/287): Awb, Wvw; verkeersbesluit, herinrichting straten, opheffing verboden, belangenafweging
* 12 mei 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 20/3527): Awb, Mbw; mijnbouwschade, termijnoverschrijding verschoonbaar, doenvermogen burger, ontvankelijkheid
* 12 mei 2021 (Rb Rotterdam ROT 19/2248): Awb, Gmw; exploitatievergunning, speelautomatenhal, verordening/Wok/verbindendheid, mededingingsruimte, termijn procedure, transparantieverplichting
* 11 mei 2021 (Rb Noord-Holland HAA 21/1588 en 21/1589): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid, evenredigheid
* 10 mei 2021 (Rb Limburg AWB/ROE 21/1133 en 21/1148): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en aanleggen, zwembad en poolhouse, archeologische waarden, bijgebouwen/Bor
* 10 mei 2021 (Rb Limburg ROE 21/915 en ROE 21/845): Awb, Wabo, Gmw; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsom, staken gebruik woonunits als zelfstandige woningen, strijd met bpl, geen vergunning, evenredigheid
* 10 mei 2021 (Rb Limburg AWB/ROE 21/909): Awb, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, verwijderen caravan van openbare weg, APV, belanghebbende, tijdelijke woning/verbouw chalet, geen ontheffingsmogelijkheid, begunstigingstermijn
* 6 mei 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 20/3134): Awb, Mbw; mijnbouwschade, bewijsvermoeden, causaal verband
* 6 mei 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 19/3492): Awb, Wabo; tijdelijke omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, pelletkachel, luchtkwaliteit, fijn stof
* 4 mei 2021 (Rb Noord-Holland HAA 20/415): Awb, Wabo, Gmw; bouwstop, geen overtreding/omgevingsvergunningplichtige bouwwerkzaamheden, bevoegdheid
* 29 april 2021 (Rb Limburg ROE 21/952): Awb, Gmw; vovo/pv, invorderingsbesluit, dwangsom, overtreding, Besluit emissiearme huisvesting, geen bijzondere omstandigheden
* 28 april 2021 (Rb Den Haag SGR 21/2209): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woningen en garagebox, drugs, verwevenheid, bevoegdheid
* 28 april 2021 (Rb Den Haag SGR 21/2323): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid, evenredigheid
* 26 april 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 21/635): Awb, Gmw; vovo/pv, omgevingsvergunning voor vellen boom, bomenverordening, motivering
* 26 april 2021 (Rb Den Haag SGR 19/6026): Awb, Wabo; tijdelijke omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en reclame, digitale reclamezuil, reclamebeleid, borging tijdelijkheid, motivering
* 22 april 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/8854 ACTMIL): Awb, Wm, Gmw; handhaving, luchtbehandeling gebouw, geluid, Activiteitenbesluit, zwembad/RBS
* 22 april 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/1001 OPIUMW VV): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid, evenredigheid
* 20 april 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/709 WABOM VV en BRE 21/710 WABOM T): Awb, Wabo; vovo en tussenuitspraak, omgevingsvergunning bouwen, afwijken bpl en milieu, veehouderij, belanghebbenden, ontbreken onderzoek archeologie, cumulatie geur
* 15 april 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/1602 WABO VV): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, aan-/uitbouw woning, geen strijd met bpl
* 15 april 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 20/2700): Awb, Gmw; handhaving, gebruik van voortuinen als parkeerplek, geen strijd bpl/APV, bevoegdheid
* 8 april 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/1537 OPIUMW VV): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting pand, ordemaatregel
* 8 april 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 19/1150): Awb, AWR; leges, omgevingsvergunning, bevoegdheid, mandatering
* 8 april 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 19/2650): Awb, AWR; leges, omgevingsvergunning, herhaalde aanvraag/zelfde activiteiten, nihil-aanslag
* 2 april 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/1028 WABOA VV): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor kamerverhuur arbeidsmigranten, geen spoedeisend belang
# 4 februari 2021 (Rb Gelderland AWB 18/2942): Awb; nadeelcompensatie, herinrichting stationsgebied, causaal verband, proportionele/partiële aansprakelijkheid, procesorde
* 22 december 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/803 WABO en 20/1030 WABO): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, plaatsen van een afzuigkanaal, airco units, een overkapping en het gebruiken van het terras aan de achterzijde ten behoeve van restaurant, afzuigkanaal geen bijbehorend bouwwerk, bevoegdheid, cultuurhistorische waarde, terras/stemgeluid
* 18 december 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/941 ACTMIL): Awb, Wm; maatwerkvoorschriften, trommeldrogers, luchtemissies, belanghebbende, ontvankelijkheid
# 2 december 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 20/2160 en ): Awb, Wabo; vovo, tijdelijke omgevingsvergunning milieu, verruimen geluidsniveau, graanhandel/veevoerbedrijf, geen belang meer na vernietigen besluit in hoofdzaak
* 5 oktober 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/1225): Awb, Wnb; vaststelling beheerplan, Natura 2000-gebied, beroep niet gericht tegen onderdelen, bevoegdheid Rb

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 26 mei 2021 (ABRvS 202003154/1/R1): Awb, Gmw; vergunning, vervangen woonboot, verordening, Wvvw, tevens aanvraag om omgevingsvergunning voor afwijken bpl  (Rb Amsterdam 18/7671)
3.       Niet in geschil is dat [appellanten] voor de [woonboot B] over een omgevingsvergunning moeten beschikken, omdat de [woonboot B] een bouwwerk is in de zin van de Wabo. Verder is tijdens de bezwaarfase, naar aanleiding van de inwerkingtreding van de Wvvw, een vierde lid aan artikel 2.3.3 van de Vob toegevoegd waardoor een vervangingsvergunning voor de [woonboot B] niet langer nodig is. Voor zover [appellanten] over een ligplaatsvergunning moeten beschikken, kan die op grond van artikel 2.3.1, vierde lid, van de Vob echter niet worden verleend zolang zij geen omgevingsvergunning hebben. De rechtbank heeft de aanvraag van [appellanten] daarom, met instemming van partijen, beschouwd als een aanvraag om een omgevingsvergunning en het besluit van 26 februari 2019 als een weigering om die vergunning te verlenen.

* 26 mei 2021 (ABRvS 202002872/1/R1): Awb, Waterwet; vergunning, aanleggen en behouden van strekdammen, Keur, belanghebbende, toestemming, Wnb/gedoogplicht, m.e.r.-beoordelingsplicht, waterkwaliteit (Rb Noord-Holland 19/2244)
3.1.    Op grond van artikel 1:3, derde lid, van de Awb wordt onder “aanvraag” een “verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen”, verstaan. Op basis van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder “belanghebbende” “degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken” begrepen.

3.2.    Als hoofdregel geldt dat een verzoeker om een vergunning in beginsel wordt verondersteld belanghebbende te zijn bij een beslissing op zijn verzoek. In de jurisprudentie van de Afdeling is op deze regel een uitzondering gemaakt voor onder meer verzoeken om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk en het vellen van een houtopstand en een verzoek om een vergunning op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatwerken. Als aannemelijk is dat de activiteit waarvoor de vergunning is aangevraagd, niet kan worden verwezenlijkt, dan is de verzoeker geen belanghebbende en is zijn verzoek om vergunning te verlenen geen aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb (uitspraken van 15 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2717, over het bouwen van een bouwwerk, 17 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3326, over het kappen van een boom en 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:198, over de vergunning op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken).

Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat deze jurisprudentie overeenkomstige toepassing kan vinden op een aanvraag om een watervergunning zoals die hier aan de orde is.

* 26 mei 2021 (ABRvS 201905423/1/R4): Awb, Mbw; instemming gaswinningsplan, beleid, verstrekte informatie, hydraulische stimulaties, bodemdaling, tussenuitspraak
14.2.  Uit het voorgaande vloeit voort dat de informatie in een winningsplan over hydraulische stimulatie en de risico’s daarvan niet uitsluitend algemeen van aard mag zijn. Weliswaar kan in algemene zin worden geconcludeerd dat de risico’s van hydraulische stimulatie bij conventionele gaswinning beperkt zijn, maar de informatie over hydraulische stimulatie in een winningsplan moet voldoende gedetailleerd zijn voor de minister om op basis daarvan de conclusie te kunnen trekken dat ook in het concreet voorliggende geval een verantwoorde uitvoering van de stimulatie – met inachtneming van de overige regels van de Mijnbouwwet, waaronder de verplichting van een voorafgaand werkprogramma – mogelijk is zonder onaanvaardbare risico’s.

14.3.  Naar het oordeel van de Afdeling moet in dit geval, gelet op het advies van het SodM van 9 februari 2017, worden geoordeeld dat het winningsplan in dit opzicht onvoldoende gedetailleerde informatie bevat. In dat advies stelt het SodM vast dat het winningsplan een paragraaf bevat over hydraulische stimulatie in het algemeen, maar slechts een klein stukje waarin specifiek op het concreet voorliggende geval wordt ingegaan. Volgens het SodM wordt in het winningsplan niet aangegeven binnen welke locatie-specifieke randvoorwaarden de NAM bij de toepassing van de hydraulische stimulatie gaat opereren. Het SodM concludeert dat zij de beschrijving van de NAM van de stimulatie te beperkt vindt om de risico’s en de in te zetten maatregelen adequaat te kunnen toetsen en adviseert om die reden om een voorschrift op te nemen op grond waarvan de NAM uiterlijk 12 weken voor aanvang van de hydraulische stimulatie een risicobeheersplan bij het SodM moet indienen, waarin de risico’s en de in verband daarmee te treffen beheersmaatregelen zijn onderbouwd en uitgewerkt. Dit advies van het SodM heeft de minister overgenomen in voorschrift 2 van het instemmingsbesluit.

14.4.  Gelet op de door het SodM geuite kritiek op de informatie in het winningsplan moet worden geoordeeld dat de minister ten tijde van het nemen van het instemmingsbesluit niet beschikte over voldoende gedetailleerde informatie over de voorgenomen hydraulische stimulatie om de hiervoor in overweging 14.2 genoemde conclusie te kunnen trekken. Zonder die conclusie te kunnen trekken, mocht de minister echter niet instemmen met de voorgenomen hydraulische stimulatie. Door dit wel te doen, heeft de minister het instemmingsbesluit, voor zover het de hydraulische stimulatie betreft, in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. De minister had de NAM in de gelegenheid moeten stellen om de informatie in het winningsplan aan te vullen, alvorens te beslissen over het al dan niet verlenen van instemming met de hydraulische stimulatie en in geval van een instemming daaraan te verbinden voorschriften.

14.5.  De betogen slagen.

* 25 mei 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 20/1938 en SHE 20/1973): Awb, Wabo; verzoek om intrekking bouw- en milieuvergunning/ wijzigingsvergunning milieu, varkenshouderij, ontoelaatbaar milieugevolg, combiluchtwasser, geuronderzoek/meetonzekerheidsfactor, NTA 9065/Activiteitenbesluit, monitoring/geurbeheersplan, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak, zelf in de zaak voorzien
10.3   De rechtbank heeft geen twijfels bij methode NTA 9065. Deze methode is breed geaccepteerd en wordt in het Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm) genoemd als de verplichte aanpak voor een geuronderzoek ingevolge artikel 2.7a van het Abm. Eisers 2 maken zich zorgen om het toepassen van een meetonzekerheidsfactor. Dit zou ertoe kunnen leiden dat in de praktijk de stallen twee keer zoveel hinder zouden mogen veroorzaken dan voorgeschreven. In de NTA 9065 (uit 2012) staat het volgende over de meetonzekerheidsfactor: “Er zijn vele bronnen van onnauwkeurigheid bij een geuronderzoek. Meetnormen geven doorgaans, maar niet altijd, de omvang van de onzekerheid in enkelvoudige verrichtingen. Op basis van het huidige niveau van kennis (2012) zijn de onnauwkeurigheden van diverse factoren niet of onvoldoende bekend. De omvang van de onzekerheid in, het totaal of delen van, een geuronderzoek zijn daardoor zelden te bepalen. Uit praktische overwegingen wordt een factor 2 toegepast voor de onzekerheid van een geuronderzoek, en ook bij (het deelresultaat van) veelgebruikte geuronderzoeksmethoden, dit in afwachting van de resultaten van nader onderzoek, praktijkmetingen, ringtests, enz”. Ingevolge de NTA 9065 (2012) wordt een meetonzekerheid factor 2 toegepast bij de controle en handhaving van vergunningsvoorschriften, wat volgens de rechtbank niet op één lijn kan worden geplaatst met de hier voorgeschreven monitoring. Deze onzekerheidsfactor 2 wordt overigens breed aanvaard en geaccepteerd in de rechtspraak (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3254 rechtsoverweging 7.3).

Het doel van de monitoring is om te zien of de luchtwasser werkt. De resultaten van de meting zijn van invloed op het geurbeheersplan dat vergunninghoudster moet opstellen op basis van voorschrift 7.1.4 . Volgens voorschrift 7.1.2.a zal verweerder het meetplan moeten goedkeuren. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hierbij kan aangeven hoe om te gaan met een eventuele meetonzekerheid. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om, in aanvulling op het verplicht voorschrijven van de NTA9065, nu al zelf in voorschrift 7.1.2 te bepalen dat toepassing van een meetonzekerheidsfactor onder alle omstandigheden achterwege moet blijven. De rechtbank vindt het niet nodig om de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak hierover advies te vragen. Deze beroepsgrond van eisers slaagt niet.
15.3   De rechtbank is verder van oordeel dat er geen noodzaak is voor een geurbeheersplan als wordt voldaan aan de streefwaarde. In tegenstelling tot eiser 1 is de rechtbank van oordeel dat het niet zinvol is om vergunninghoudster meteen te verplichten een geurbeheersplan op te stellen. Hoe meer informatie wordt verzameld over de werking van de luchtwasser en de daadwerkelijke omvang van de geurbelasting, des te beter kan een meer concreet geurbeheersplan worden opgesteld.

15.4   De inhoud van het geurbeheersplan is algemeen geformuleerd. De rechtbank is het hier mee eens. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verweerder het geurbeheersplan moet goedkeuren. Bovendien is het geurbeheersplan een flexibel document dat kan worden aangepast. Het technisch functioneren van de luchtwasser zal blijken uit de geurmetingen. De rechtbank ziet in de kritiek van eisers 2 geen aanleiding voorschrift 7.1.4 aan te passen.

15.5  De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien en voorschrift 7.1.4 onder a als volgt aanpassen: “Indien wordt geconstateerd dat niet wordt voldaan aan de streefwaarde in voorschrift 7.1.3 dient vergunninghoudster binnen drie maanden na deze constatering een protocol (geurbeheersplan) op te stellen waarin duidelijk wordt gemaakt de wijze waarop wordt getracht om aan de streefnorm (de geuremissies) zoals opgenomen in voorschrift 7.1.3 te kunnen voldoen. Het protocol dient minimaal te bevatten:

  • een overzicht van de geurbronnen en wanneer piekemissies kunnen optreden.
  • de genomen en te treffen maatregelen om geuremissies te voorkomen of verminderen.
  • de wijze van het opsporen van een geurbron.
  • een protocol voor de monitoring van geur.
  • een protocol hoe om te gaan met geurklachten, hierin dienen tevens acties te staan om adequaat te reageren.
  • een jaarlijkse evaluatie van geurincidenten en genomen maatregelen.
  • een jaarlijkse evaluatie van veranderingen in management die effect hebben op geur.”

    * 25 mei 2021 (CBb 20/185, 20/323, 20/251, 20/136, 20/91, 19/1993, 20/146, 19/1997, 20/181, 19/1916, 19/1914, 19/1992, 19/1952, 19/1903, 19/1902, 19/1913, 19/1848, 19/1856, 19/1839, 19/1798, 20/425, 19/1285, 19/1985 en 19/301): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, EP/geen sprake van individuele en buitensporige last, knelgevallenregeling, startersregeling, jongvee, voorzienbaarheid, bevoegdheid, EVRM, peildatum, gelijkheidsbeginsel, onderbouwing noodzaak uitbreiding, ontvankelijkheid, BEP-pilot
    1.6 In dit geding is ook van belang de Pilot bedrijfsspecifieke fosfaatevenwichtsbemesting (BEP-pilot), die in ieder geval liep van 2014 tot en met 2020. In Stcrt. 2015, 5401, is daarover onder andere het volgende vermeld:

“In het vijfde actieprogramma Nitraatrichtlijn is een pilot met praktijkbedrijven voorzien om te verkennen of implementatie van fosfaatevenwichtsbemesting op basis van de Kringloopwijzer in de praktijk goed te borgen is, zonder extra handhavingslasten voor de overheid. In de pilot zal ervaring opgedaan worden met borging en handhaving van een dergelijk bedrijfsspecifiek systeem en zullen de juridische en praktische mogelijkheden voor een eventuele wettelijke verankering worden verkend. Deze pilot gaat nu het tweede jaar in.

Ten behoeve van de pilot is door LTO, NZO, Nevedi en VLB een platform opgericht dat deelnemers werft, een (eerstelijns-)beoordeling verricht en de gegevens van deelnemers beheert en borgt. Deelnemers beschikken over minimaal 3 jaar aan Kringloopwijzer-gegevens. Op basis daarvan krijgen deze bedrijven een individuele, op de historische fosfaatonttrekking op hun bedrijf gebaseerde, fosfaatgebruiksnorm toegekend. Daar zijn ontheffingen voor nodig. Het gaat hier om ontheffingsaanvragen van de fosfaatgebruiksnorm voor maximaal 150 bedrijven. De Staatssecretaris van Economische Zaken is voornemens de gevraagde ontheffingen, onder voorwaarden, tot 1 januari 2016 te verlenen aan deelnemende bedrijven.”
5.5.  Het College volgt appellante in haar standpunt dat het fosfaatrechtenstelsel haar deelname aan de BEP-pilot doorkruist. De doorkruising bestaat daaruit dat appellante in 2018 als deelnemer aan de BEP-pilot (sinds enkele jaren) als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel per 1 januari 2018 voor haar bedrijf te maken kreeg met twee verschillende fosfaatgebruiks-normen, te weten de (hogere) norm uit de BEP-pilot en (als rekennorm) de (lagere) norm uit het fosfaatrechtenstelsel waarop 718,44 kg als generieke korting in mindering is gebracht. Verweerder heeft het standpunt van appellante dat zij door de generieke korting fosfaatrecht tekort komt voor haar deelname in 2018 en latere jaren aan de BEP-pilot niet betwist, zodat het College daarvan uitgaat. Dat appellante na het bestreden besluit met extra fosfaatrechten haar deelname aan de BEP-pilot heeft kunnen voortzetten, dat de BEP-pilot en het fosfaatrechtenstelsel elk een ander doel dienen en dat er andere mogelijkheden zijn voor evenwichtsbemesting, als waar verweerder op wijst, laat onverlet dat in 2018 de bestaande deelname van appellante aan de BEP-pilot is doorkruist door het fosfaatrechtenstelsel.

5.6.  Verweerder heeft als rechtvaardiging voor deze doorkruising in wezen niet veel meer aangevoerd dan dat appellante op de peildatum, 2 juli 2015, nog niet aan de pilot deelnam en dus ook geen ontheffing had. Dat is feitelijk juist. Verweerder heeft dus bij het per 1 januari 2018 vaststellen van fosfaatrecht onderscheid gemaakt tussen (een grote groep) deelnemers aan de BEP-pilot vanaf 2015 en (een kleinere groep) deelnemers vanaf latere jaren, waaronder appellante. Het College acht het gegeven dat appellante op 2 juli 2015 nog geen BEP-ontheffing had, onvoldoende om het onderscheid in behandeling bij het toekennen van fosfaatrechten te rechtvaardigen. Ten tijde van het inwerkingtreden van het fosfaatrechtenstelsel op 1 januari 2018 gold immers voor beide groepen deelnemers dat zij beschikten over door verweerder verleende ontheffingen en dat zij hun bedrijfsvoering daarop hadden ingericht. Verder geldt dat ook degenen die, zoals appellante, pas in 2016 konden gaan deelnemen aan de pilot, werden beoordeeld op de bedrijfsgegevens uit de voorafgaande jaren, waaronder 2015. Voor zover verweerder suggereert dat appellante in 2015 niet aan de voorwaarden voor deelname zou hebben kunnen voldoen is dat zonder onderbouwing, die ontbreekt, niet aannemelijk. Veeleer is aannemelijk dat het op toeval berustte dat appellante pas in 2016 kon gaan deelnemen, zoals zij gemotiveerd heeft gesteld.

5.7   Het bestreden besluit ontbeert dus een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Verweerder heeft voor het door hem gemaakte onderscheid tussen de twee groepen BEP-deelnemers geen andere motivering gegeven. In aanmerking genomen dat verweerder daar ampel de gelegenheid voor heeft gehad, nu het College de zaak na behandeling door een enkelvoudige kamer heeft verwezen naar de meervoudige kamer onder het stellen van vragen aan verweerder, die verweerder niet afdoende heeft beantwoord, verbindt het College daaraan de gevolgtrekking dat verweerder het bestreden besluit ook niet deugdelijk kan motiveren. Daarom oordeelt het College het bestreden besluit in strijd met het verbod van willekeur. Verweerder heeft ten onrechte in het geval van appellante bij het vaststellen van haar fosfaatrecht geen rekening gehouden met haar BEP-ontheffing en ten onrechte de generieke korting opgelegd. De onder 5.2 vermelde vraag moet ontkennend worden beantwoord. Het beroep is gegrond.

* 12 mei 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 20/3527): Awb, Mbw; mijnbouwschade, termijnoverschrijding verschoonbaar, doenvermogen burger, ontvankelijkheid
2.4.   De rechtbank begrijpt het aldus dat eiser in deze periode door de omstandigheden en de emoties die daarbij kwamen, sterk werd overvraagd, en dat die situatie in de weg stond aan het tijdig instellen van bezwaar. De omstandigheden raakten eiseres ook zodanig dat het tijdig bezwaar maken ook voor haar redelijkerwijs niet mogelijk was. Het verweer van verweerder ter zitting dat er (juridische) hulp ingeschakeld had kunnen worden en dat het vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) is dat in zo’n geval de termijnoverschrijding kan worden tegengeworpen, miskent de overvraagde toestand van eiser zoals die zich ook ter zitting toonde.

2.5.   Gelet op de geestestoestand van eiser en de andere omstandigheden van het geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een situatie van verschoonbaarheid als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. De rechtbank is bekend met de strikte jurisprudentie van de AbRvS ten aanzien van deze bepaling. Het kan echter niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest dat de termijnoverschrijding in deze aardbevingszaak aan eisers kan worden tegengeworpen. Immers, de wetgever heeft zich in de afgelopen jaren ook als opdracht gesteld om zich aan te passen aan het doenvermogen van de burger en een realistisch burgerperspectief tot uitgangspunt te nemen (zie WRR Rapport nr. 97 (2017) “Weten is nog geen doen. Een realistisch perspectief op redzaamheid”, en, bijvoorbeeld, Kamerstukken I 2018-19, 34775 nr. AS). Dit vereist dat wordt uitgegaan van realistische assumpties ten aanzien van de mentale belastbaarheid van burgers, waarbij een rol spelen de mentale belasting, de cumulatie van lasten, de gevolgen van inertie of fouten, en hulp en vroegsignalering. De rechtbank verwijst ook naar de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 1 maart 2017 (ECLI:NL:RBNNE:2017:715) waarin de zware geestelijke belasting van de burger in de aardbevingsproblematiek juridisch is erkend in die zin dat is geoordeeld dat gesproken kan worden van een ernstige inbreuk op een fundamenteel persoonlijkheidsrecht, welke inbreuk ook zonder dat sprake is van geestelijk letsel, bij degenen die daardoor persoonlijk gevoelens van angst, zorg en psychisch onbehagen ervaren, leidt tot aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek.

  1. Het beroep van eisers is dan ook gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder met inachtneming van de inhoud van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar dient te beslissen. 

    * 12 mei 2021 (Rb Rotterdam ROT 19/2248): Awb, Gmw; exploitatievergunning, speelautomatenhal, verordening/Wok/verbindendheid, mededingingsruimte, termijn procedure, transparantieverplichting
    3.3.5   De rechtbank maakt hieruit op dat het doel van de eis dat de speelautomatenhal deel moet uitmaken van een breder amusementsbedrijf is dat een positieve bijdrage wordt geleverd aan de aantrekkelijkheid van de Vlaardingse binnenstad. Dat doel sluit aan bij het doel van de realisatie-overeenkomst die de gemeente Vlaardingen in 2008 met Hommerson heeft gesloten, namelijk het verlevendigen en aantrekkelijk maken van het centrum van Vlaardingen voor bewoners uit Vlaardingen en de regio door het realiseren van het leisureconcept van Hommerson (waarbij een speelautomatenhal deel uitmaakt van een breder amusementsbedrijf en daaraan ondersteunend is). Het vergroten van de aantrekkelijkheid van de binnenstad van Vlaardingen is echter geen belang dat met de Wok wordt nagestreefd. Voor zover in de toelichting wordt gesteld dat met het vergroten van de aantrekkelijkheid van de binnenstad van Vlaardingen (tevens) de bescherming van het woon- en leefklimaat wordt beoogd, wordt aan dit begrip een te ruime uitleg gegeven. Het vergroten van de aantrekkelijkheid van de binnenstad van Vlaardingen gaat verder dan het beschermen van het woon- en leefklimaat. Bovendien volgt uit artikel 6, aanhef, eerste lid en onder f, van de Verordening 2017 dat de reeds in die bepaling neergelegde waarborg voor het woon- en leefklimaat slechts betrekking heeft op de woon- en leefsituatie in de naaste omgeving en niet die van de gehele binnenstad van Vlaardingen. De in de Verordening 2017 gestelde eis dat een speelautomatenhal deel moet uitmaken van een breder amusementsbedrijf gaat daarmee de kaders van de Wok te buiten. Ook het zogenoemde synergievoordeel van een speelautomatenhal die ondersteunend is aan andere recreatieve faciliteiten of ruimtelijke afwegingen, is geen doel dat met een verordening op grond van de Wok kan worden nagestreefd. De uitspraak van de Afdeling van 30 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2336) staat niet aan deze conclusie in de weg, omdat in die uitspraak slechts aan de orde was of ten aanzien van de in de gemeentelijke verordening genoemde en door de burgemeester toe te passen criteria (waaronder ‘hoogwaardig meeromvattend leisureconcept’) een passende mate van openbaarheid was verzekerd en dus niet de rechtmatigheid van deze criteria als zodanig ter discussie stond.

3.3.6   Op grond van het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat met de eis van een breder amusementsbedrijf niet beoogd is (een van) de belangen van de Wok te beschermen en dus aan de bepalingen die betrekking hebben op deze eis verbindende kracht moet worden ontzegd. Die bepalingen betreffen de artikelen 2, vijfde lid, 3, eerste lid, aanhef en onder g, 6, eerste lid, aanhef en onder i en criterium 1 (Conceptomschrijving Speelautomatenhal) van de Nadere regels. De bespreking van de grond dat tevens sprake is van strijd met het Unierecht, behoeft daarom geen bespreking.