Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 2 juni 2021 (ABRvS 202006564/1/R4): Awb, Wro, Wabo; bpl/omgevingsvergunning voor kappen, bouwen en maken in-/uitrit, appartementen, privacy, parkeerdruk
* 2 juni 2021 (ABRvS 202006254/1/R4): Awb, Wro; bpl, verplaatsen supermarkt, toename verkeer
* 2 juni 2021 (ABRvS 202004914/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, vervangend bijgebouw (Rb Noord-Holland 19/1937)
* 2 juni 2021 (ABRvS 202004402/1/R1): Awb, Wabo; Gmw; handhaving, dwangsom, paardenstal/schuilstal/woonvoorzieningen en houden van honden, strijd met bpl, geen vergunning (Rb Noord-Holland 20/2499 en 20/3013)
* 2 juni 2021 (ABRvS 202004002/1/R3): Awb, Wro; bpl, herinrichting gebied, woningen, verbrede reikwijdte/Chw, evenementen/stoomtrein, geluid, VNG-brochure, geluidafscherming, NPR 3438, trillinghinder, verkeer
* 2 juni 2021 (ABRvS 202003399/1/R4): Awb; handhaving, overlast bezoekers uitgaanscentrum, geen onderzoek, motivering, (Rb Midden-Nederland 18/4835)
* 2 juni 2021 (ABRvS 202002899/1/R2, 202002900/1/R2 en202003693/1/R2): Awb, Wro, bpl, buitengebied, waterberging, belanghebbende, schaderegeling
* 2 juni 2021 (ABRvS 202002465/1/R1): Awb, Wro; bpl, stolpboerderij
* 2 juni 2021 (ABRvS 202002319/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, aanpassing winkelruimte, strijd met bpl, onduidelijke plankaart (Rb Rotterdam 19/5360)
* 2 juni 2021 (ABRvS 202002239/1/R3): Awb, Wm; handhaving, kinderdagcentrum, geluid, Activiteitenbesluit, binnenterrein, referentieniveau, bevoegdheid (Rb-Nederland 19/1402 en 19/1403)
* 2 juni 2021 (ABRvS 202002070/1/A3 en 202003000/1/A3): Awb, Hvw; handhaving, boete, woningfraude (Rb Amsterdam 19/2545 en 19/5152)
* 2 juni 2021 (ABRvS 202002019/1/A3): Awb, DHW, Gmw; aanzegging bestuursdwang, staken exploitatie café, handgranaat, openbare orde, geen vergunning, Bibob-advies (Rb Overijssel 19/1091)
* 2 juni 2021 (ABRvS 202000593/1/R4): Awb, Wm, Ww, Gmw; zeer spoedeisende bestuursdwang, asbestverontreiniging na brand, kostenverhaal, ontnemen mogelijkheid om sanering perceel zelf uit te voeren
* 2 juni 2021 (ABRvS 202000588/2/R3): Awb, Wro; bpl, provinciale omgevingsverordening, ontheffing, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 2 juni 2021 (ABRvS 201909174/1/A2): Awb, Wro; planschade, compensatie in natura, toekomstige onzekere gebeurtenis (Rb Gelderland 19/1561)
* 2 juni 2021 (ABRvS 201907526/1/R2): Awb, Wnb; vergunning, veehouderij, Wkk’s, belanghebbende/ontvankelijkheid, PAS/Habitatrichtlijn (Rb Midden-Nederland 17/2342)
* 2 juni 2021 (ABRvS 201907235/3/R1): Awb, Wro; bpl, kamergewijze verhuur, studenten, percentage, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 2 juni 2021 (ABRvS 201904225/1/R3): Awb, Wro, Wabo; bpl/omgevingsvergunning voor bouwen, supermarkt/reclame, dierenartsenpraktijk, rechten/Dienstenrichtlijn, Ladder/Bro, behoefte, provinciale verordening, detailhandelsstructuurvisie, verkeer, laden en lossen, parkeren, soortenbescherming/relativiteit
* 2 juni 2021 (ABRvS 201809571/3/R2): Awb, Wro; bpl, pretpark, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 2 juni 2021 (ABRvS 201807227/1/R2): Awb, Wro; bpl, buitengebied, provinciale verordening, uitbreiding veehouderijen, archeologie, staldering, landschappelijke inpassing, overgangsrecht, huisvesting werknemers, voorlopige voorziening
* 1 juni 2021 (Rb Gelderland ARN 21/2239 en 20/5169): Awb, Gmw; vovo en kortsluiten, terrasvergunning, APV, terrassenbeleid, woon- en leefklimaat
* 1 juni 2021 (CBb 19/598, 19/278, 19/1956, 20/446, 19/828, 20/238, 20/176, 19/1205, 19/759, 20/104, 20/476, 20/194, 19/1730, 19/1900, 19/1894, 19/1906 en 19/1901): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, EP/geen sprake van individuele en buitensporige last, knelgevallenregeling, startersregeling, jongvee, voorzienbaarheid, bevoegdheid, EVRM, peildatum, gelijkheidsbeginsel, onderbouwing noodzaak uitbreiding, ontvankelijkheid
* 1 juni 2021 (ABRvS 202102709/2/A3): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid, evenredigheid (Rb Oost-Brabant 21/234 en 21/233)
* 31 mei 2021 (ABRvS 202006308/2/R2): Awb, Wro; vovo, bpl, vergroting bouwvlak intensieve veehouderij, provinciale verordening (IOV), staldering, instructiebepaling, Natura 2000, passende beoordeling
* 31 mei 2021 (ABRvS 202102540/3/R4): Awb, Wabo; verlenging ordemaatregel, milieu-inrichting, intrekking/weigering vergunning, mogelijk faillissement
# 28 mei 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 20/3404): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, emissie van siliciumcarbidevezels, geen vergunning, RIVM, MTR, gezondheid, IARC, bevoegdheid
* 28 mei 2021 (ABRvS 202003317/3/R1): Awb, Wro; opheffing vovo, bpl, horeca met recreatieve voorzieningen, geluidscherm
* 26 mei 2021 (Rb Noord-Holland HAA 19/5334): Awb, Wm, Gmw; handhaving, dwangsom, geluid, Activiteitenbesluit, maatwerkvoorschriften, stationair draaien vrachtwagens, maximale geluidsniveaus
* 26 mei 2021 (Rb Den Haag C/09/571932 / HA ZA 19-379): BW; onrechtmatig handelen, olie, gas- en energiemaatschappij, dreigende schending van de reductieverplichting van CO2, terugbrengen uitstoot
* 26 mei 2021 (Rb Amsterdam AMS 21/2319 en AMS 20/1648): Awb, Gmw; vovo en kortsluiten, sluiting woning, explosieven in berging, openbare orde
* 25 mei 2021 (Rb Gelderland ARN 20/4518 en ARN 19/7340): Awb, Wabo, Wm, Gmw; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, afwijking sluitingsuur en maatwerkvoorschriften, zalenverhuur/ partycentrum, geluid, VNG-brochure, akoestisch onderzoek, terras, menselijk stemgeluid, RBS, parkeren, APV, motivering, handhaving, zicht op legalisatie
* 21 mei 2021 (Hof Arnhem-Leeuwarden 23-002273-18, 23-002271-18 en 23-002272-18): WSr, WED, Wm; grootschalige vuurwerkopslag, Vuurwerkbesluit, kwalificatie van vuurwerk
* 21 mei 2021 (Rb Overijssel AWB 21/655): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid, evenredigheid
* 21 mei 2021 (Rb Limburg ROE 20/2498): Awb, Wvw; verkeersbesluit, weigering voetgangersoversteekplaats aan te leggen, VN-Gehandicaptenverdrag, belangenafweging
* 20 mei 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 19/5230 en UTR 19/5200): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, mestsilo’s en weegbrug, activiteiten niet in strijd met bpl, belanghebbenden, ontvankelijkheid
* 20 mei 2021 (Rb Gelderland ARN 21/2194): Awb, Wpg, Gmw; vovo, handhaving, coronaregels, mondkapjesplicht
* 20 mei 2021 (Rb Limburg ROE 20/2253, 20/2254, 20/2255 en 20/2256): Awb, Waterwet; projectplan, herinrichting beek, voorkomen wateroverlast, plasdraszone, maaien, spuit-, mest- en teeltvrije zone, tussenuitspraak
* 19 mei 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 18/2571, SHE 19/1398 en SHE 19/1422): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, milieu en natuur, pluimveehouderij, herstelbesluiten, geluid, grenswaarde/ L95. bijzonder bedrijfsomstandigheid, nachtperiode, motivering, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 19 mei 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 20/87): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, pluimveehouderij, afwijking vergunning, zicht op legalisatie
* 19 mei 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 20/4296): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, telecommunicatiemast, welstand
* 19 mei 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 20/4454): Awb, Gmw; invordering dwangsom, illegale kamerverhuur
* 19 mei 2021 (Rb Noord-Holland HAA 20/3000): Awb, Gmw; handhaving, dwangsom, invordering, geen exploitatievergunning, horeca, APV
* 18 mei 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 21/26-T): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor aanleggen, uitrit voorerf woning, APV, strijd met bpl, parkeerdruk, motivering, tussenuitspraak
* 17 mei 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 20/4390-T2 en UTR 20/3917-T3): Awb; (tweede) verlenging termijn tussenuitspraak, extra parkeerplaatsen bij appartementengebouw, nieuwe omgevingsvergunning
* 14 mei 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/6308 WET): Awb, Wro; planschade, normaal maatschappelijk risico, drempel
* 14 mei 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/8810 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl, bed & breakfast, vergunningvrij/Bor, achtererfgebied, bijbehorend bouwwerk, bestaand, bevoegdheid
* 14 mei 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/8553 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, winkel naar kantoor en woonruimte en verbouwingen, privaatrechtelijke belemmering, parkeren, tussenuitspraak
* 14 mei 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/7620 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken van bpl, studio in berging
* 12 mei 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 21/656): Awb; instemming verlichtingsplan windpark, wettelijke bevoegdheid, besluit, ontvankelijkheid
* 12 mei 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 21/1342): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, bevoegdheid, evenredigheid
* 3 mei 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 21/948): Awb; Gmw; vovo, dwangsom, herbeplanting percelen na kappen bomen, verhouding Wnb/Wro/Wabo, inkomenscompensatie, stimuleringsregeling
* 3 mei 2021 (Rb Den Haag SGR 21/2514): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting kas, hennepplanten, bevoegdheid
* 28 april 2021 (Rb Den Haag SGR 19/7735): Awb, Opiumwet, Gmw; handhaving, sluiting bedrijfspand, drugs, bevoegdheid
* 22 april 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 20/1627): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor kappen, bouwen, afwijken bpl en maken in/uitritten, twee-onder-één-kapwoningen, deels op elkaars bestemmingsvlak, herplant
* 19 april 2021 (Rb Limburg AWB/ROE 20/2198): Awb, Opiumwet, Gmw; handhaving, sluiting woning, drugs, procesbelang, ontvankelijkheid
* 25 maart 2021 (Rb Limburg ROE 20/1894): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, bedrijfsmatig houden van dieren, strijd met bpl, hobbymatig, ruimtelijke uitstraling, motivering
* 15 maart 2021 (Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba AUA202001895): Lar, Bwv; bouwvergunning, hotel, geen beslissing op bezwaar
* 15 januari 2021 (Rb Noord-Nederland  LEE 19/4602): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl, garageboxen, geen bijbehorend bouwwerk, bevoegdheid
* 5 januari 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/9137 WET): Awb, Wro; planschade, niet tijdig nemen besluit, dwangsom
* 26 oktober 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/4871 GEMWT): Awb, Gmw; handhaving, kleinschalig kampeerterrein/bedrijfswoning, belanghebbenden, ontvankelijkheid

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 2 juni 2021 (ABRvS 202002899/1/R2, 202002900/1/R2 en202003693/1/R2): Awb, Wro, bpl, buitengebied, waterberging, belanghebbende, schaderegeling
6.3.    Wat betreft het betoog van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] dat het onduidelijk is of zij voor een vergoeding van schade in aanmerking komen, waar zij die schade kunnen verhalen en dat ten onrechte niet is voorzien in een schaderegeling in het plan, overweegt de Afdeling als volgt.

Zoals de Afdeling heeft geoordeeld in overweging 11 van de uitspraak van 26 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3120, is er op grond van artikel 7.16 van de Waterwet geen samenloop mogelijk van zowel schadevergoeding op grond van artikel 7.14 van de Waterwet als tegemoetkoming in planschade op grond van afdeling 6.1 van de Wro. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2008-2009, 31 858, nr. 3, blz. 36 en 37) is over artikel 7:12a (nu artikel 7.16) van de Waterwet vermeld dat om te voorkomen dat ten gevolge van de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer via twee sporen schadevergoeding moet worden gevraagd – zowel een tegemoetkoming in de planologische schade op grond van afdeling 6.1 van de Wro als schadevergoeding op grond van artikel 7.14 van de Waterwet – een voorrangsregeling in artikel 7.16 wordt opgenomen. Doel van deze voorrangsregeling is om ook de door de uitoefening van taken of bevoegdheden in het kader van het waterbeheer veroorzaakte planologische schade onder de werking van de Waterwet af te handelen. De regeling heeft ook betrekking op de mogelijke samenloop met verzoeken om een tegemoetkoming in de planologische schade als bedoeld in afdeling 6.1 van de Wro die op grond van die wet eventueel zouden kunnen worden ingediend bij een bestuursorgaan dat niet betrokken is bij de schadeveroorzakende rechtmatige uitoefening van taken of bevoegdheden in het kader van het waterbeheer. Om te voorkomen dat een burger bijvoorbeeld ten behoeve van de aanleg van een bergingsgebied door de waterbeheerder zowel een tegemoetkoming in de planologische schade op grond van afdeling 6.1 van de Wro bij de gemeente moet vragen als schadevergoeding op grond van artikel 7.14 bij de waterbeheerder, wordt de afhandeling van de schade volledig in handen van de waterbeheerder gelegd. Uit deze toelichting en de tekst van de bepaling zelf volgt dat artikel 7.16 een voorrangsregeling bevat die inhoudt dat indien een belanghebbende een schadevergoeding als bedoeld in artikel 7.14, eerste lid, vraagt of kan vragen, afdeling 6.1 van de Wro niet van toepassing is, aldus de uitspraak van de Afdeling uit 2018.

Voor zover [appellante sub 1] en [appellant sub 2] schade lijden ten gevolge van de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer als bedoeld in artikel 7.14 van de Waterwet is dus voorzien in een wettelijke schaderegeling. Dergelijke verzoeken om schadevergoeding worden door het betrokken bestuursorgaan van het waterschap in behandeling genomen. De schaderegeling in de Waterwet is niet beperkt tot schade in inundatiegebieden zelf. De vrees van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] dat zij geen gebruik kunnen maken van de schaderegeling omdat hun gronden buiten het waterbergingsgebied zijn gelegen, volgt de Afdeling dan ook niet. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat het plan niet kon worden vastgesteld zonder te voorzien in een schaderegeling.

* 2 juni 2021 (ABRvS 201904225/1/R3): Awb, Wro, Wabo; bpl/omgevingsvergunning voor bouwen, supermarkt/reclame, dierenartsenpraktijk, rechten/Dienstenrichtlijn, Ladder/Bro, behoefte, provinciale verordening, detailhandelsstructuurvisie, verkeer, laden en lossen, parkeren, soortenbescherming/relativiteit
13.3.  Als een natuurlijke persoon zich beroept op de bepalingen van de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb) die strekken tot de bescherming van plant- en diersoorten beroept hij zich op een algemeen belang waarvoor hij niet in rechte kan opkomen.

Niet in alle gevallen is op voorhand uitgesloten dat de Wnb met de bescherming van plant- en diersoorten ook bescherming biedt aan het belang bij het behoud van een goede kwaliteit van de directe woon- en leefomgeving van natuurlijke personen. De belangen van omwonenden bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe woon- en leefomgeving kunnen zo verweven zijn met het algemeen belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen (uitspraken van 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:283 (Enschede) en 19 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA3666 (Windpark Noordoostpolder)).

13.4.  Indien een appellant zich beroept op schending van de bepalingen in de Wnb over de bescherming van soorten in verband met de aanwezigheid van een beschermde soort in het plangebied, ontbreekt de hiervoor bedoelde verwevenheid wanneer het belang van appellant is gelegen in diens bedrijfseconomische belangen, waaronder diens concurrentiebelang en het belang bij het voortzetten van de bedrijfsactiviteiten, en de door deze appellant ontplooide bedrijfsactiviteiten niet worden beïnvloed door de instandhouding van een populatie binnen het plangebied (vergelijk de uitspraken van 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:283 (Enschede), 30 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3655 (Terneuzen), 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3696 (Utrechtse Heuvelrug), 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579 (Eindhoven) en 15 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:75 (Flamco).

13.5.  Belanghebbenden die zich niet kunnen beroepen op de bepalingen over soortenbescherming in de Wnb, omdat die normen kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen, kunnen zich evenmin op die normen beroepen in het kader van hun betoog dat het bestemmingsplan niet uitvoerbaar is, omdat het plan leidt tot overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb en de noodzakelijke ontheffing krachtens de Wnb niet kan worden verleend.

13.6.  VvE De Weide en anderen zijn vastgoedeigenaren in het bestaande gedeelte van winkelcentrum De Weide dat op korte afstand is gelegen van het plangebied. Hun belangen zijn niet gelegen in het belang van soortenbescherming waartoe de Wnb strekt. Evenmin worden de door hen ontplooide bedrijfsactiviteiten  beïnvloed door de instandhouding van een populatie van beschermende soorten binnen het plangebied. De conclusie is dat geen sprake is van verwevenheid tussen de bedrijfseconomische belangen van VvE De Weide en anderen en de bepalingen van de Wnb over soortenbescherming, zodat het betoog niet kan leiden tot vernietiging van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. De Afdeling ziet daarom af van een inhoudelijke bespreking van het betoog.

* 2 juni 2021 (ABRvS 201907526/1/R2): Awb, Wnb; vergunning, veehouderij, Wkk’s, belanghebbende/ontvankelijkheid, PAS/Habitatrichtlijn (Rb Midden-Nederland 17/2342)
3.2.    Vast staat dat MOB en Leefmilieu geen zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren hebben gebracht.

Onder verwijzing naar de uitspraak van 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:786, overweegt de Afdeling dat artikel 6:13 van de Awb niet kan worden tegengeworpen aan MOB en Leefmilieu, omdat het besluit van 25 april 2017 is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb. In deze uitspraak heeft de Afdeling, naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, Stichting Varkens in Nood, ECLI:EU:C:2021:7, overwogen dat in alle gevallen waarin in omgevingsrechtelijke zaken deze voorbereidingsprocedure is toegepast, artikel 6:13 van de Awb niet zal worden tegengeworpen aan belanghebbenden. Zaken over besluiten op grond van de Wabo, zoals het besluit van 25 april 2017, worden als omgevingsrechtelijke zaken beschouwd. Dit betekent dat de rechtbank ten onrechte aan MOB en Leefmilieu heeft tegengeworpen dat zij geen zienswijze naar voren hebben gebracht over het ontwerp van het besluit van 25 april 2017. Het betoog slaagt reeds daarom.

  1. De Afdeling heeft in de uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603, geoordeeld dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die uit artikel 6 van de Habitatrichtlijn voortvloeien. Verder heeft zij geoordeeld dat Wnb-vergunningen niet kunnen worden verleend onder verwijzing naar de passende beoordeling die ten grondslag is gelegd aan het PAS. De Afdeling ziet geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen.

Het voorgaande betekent dat het college de vergunning voor de uitbreiding van de veehouderij niet kon verlenen onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt. Het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 2.7 en 2.8 van de Wnb. De Wnb-vergunning kan daarom niet in stand blijven. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking.

* 31 mei 2021 (ABRvS 202006308/2/R2): Awb, Wro; vovo, bpl, vergroting bouwvlak intensieve veehouderij, provinciale verordening (IOV), staldering, instructiebepaling, Natura 2000, passende beoordeling
13.     De raad acht het voldoende dat in artikel 3.3.2, onder i, is vastgelegd dat voor verlening van een omgevingsvergunning voor uitbreiding een bewijs van staldering moet worden overlegd, dat overeenkomstig artikel 3.52, vijfde lid, van de IOV moet worden verleend door het college van gedeputeerde staten. Daarmee is een toets aan artikel 3.52, derde lid, onder a en b, volgens de raad gewaarborgd.

  1. De voorzieningenrechter overweegt dat artikel 3.52 van de IOV het karakter heeft van een instructiebepaling aan gemeenten. De voorzieningenrechter houdt het er dan ook voor dat de staldering in een bestemmingsplan moet worden geregeld aan de hand van dat verordeningsartikel. Daarbij hoort ook het bepalen van wat moet worden verstaan onder “een feitelijk aanwezig, legaal opgericht dierenverblijf”. Anders dan de raad meent, moeten de bepalingen in artikel 3.52, derde lid, onder a en b, dan ook worden overgenomen in de planregels en is de voorwaarde in artikel 3.3.2 dat voorafgaande aan verlening van een omgevingsvergunning voor uitbreiding een stalderingsbewijs van het college van gedeputeerde staten moet zijn verleend, niet voldoende.

De voorzieningenrechter wijst er op dat in artikel 2.74, eerste lid, van de IOV een identieke, rechtstreeks werkende stalderingsregeling is opgenomen voor de fase waarin een bestemmingsplan nog niet in overeenstemming is met artikel 3.52. Voorkomende aanvragen om een omgevingsvergunning zullen daaraan moeten worden getoetst, zodat van spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening op dit punt naar voorlopig oordeel geen sprake is.

# 28 mei 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 20/3404): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, emissie van siliciumcarbidevezels, geen vergunning, RIVM, MTR, gezondheid, IARC, bevoegdheid
4.5.2.   Volgt uit het vergunde productieproces dat de emissie van SiC-vezels niet vergund is?

Vraag is vervolgens of de omstandigheid, dat de emissie van SiC-vezels niet in de vergunning is geregeld, ook betekent dat het niet is toegestaan om de vezels te emitteren en dat op die grond sprake is van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder e, Wabo. Daarvan kan naar het oordeel van de rechtbank slechts sprake zijn indien er in de inrichting activiteiten worden verricht die niet vergund zijn maar wel leiden tot de emissie van SiC-vezels.

De rechtbank acht in dat kader allereerst van belang dat de activiteit, welke leidt tot de emissie van de SiC-vezels, namelijk de productie van SiC, op zichzelf is vergund. In jurisprudentie is uitgemaakt dat dan in beginsel ook de met die activiteit gepaard gaande emissies zijn vergund. De rechtbank wijst hiervoor allereerst op de uitspraak van de AbRS van 24 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1363) en de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 29 maart 2019 (ECLI:NL:RBOBR:2019:1743).

De rechtbank acht in dat verband verder van belang dat eerst in de loop der jaren na vergunningverlening is gebleken dat deze op zichzelf vergunde activiteit gepaard gaat met de (onbedoelde en ongewenste) emissie van SiC-vezels, zijnde een carcinogene stof. De StAB heeft daaromtrent overwogen dat sprake is van een onverbrekelijke samenhang tussen het vergunde productieproces en de emissie van SiC-vezels. Dit is thans het geval en dat is ook altijd, sinds de oprichting in 1977, zo geweest.

De rechtbank volgt niet verweerder in diens standpunt dat, indien eiseres zou werken conform de verleende vergunning, geen sprake zou zijn van emissie van SiC-vezels.

Anders dan verweerder meent kan uit de passages in de aanvraag en de vergunning, dat maatregelen worden genomen om stofemissies te voorkomen, niet worden afgeleid dat in het geheel geen emissies van stof (en dus vezels) zou plaatsvinden.

Zoals de StAB voorts heeft overwogen in haar verslag van 25 maart 2021 is de locatie van de scheiding van kristallijn en amorf SiC niet specifiek en/of concreet vastgelegd. Daarbij heeft te gelden dat, zoals namens eiseres ter zitting is aangevoerd, ook al zouden deze activiteiten in de verwerkingshal worden uitgevoerd, dan nog zou sprake zijn van emissie van vezels, zo heeft eiseres ter zitting gesteld. Het stoffilter werkt alleen ten behoeve van de machine voor drogen en zeven en niet voor de andere activiteiten die via deuren en ventilatoren vezels emitteren. Daarom zal er nog steeds emissie van vezels via andere activiteiten, in- en uitritten en openstaande deuren plaatsvinden.

De rechtbank volgt ook niet de stelling van verweerder, dat omloopmateriaal geen SiC-vezels behoort te bevatten. De rechtbank volgt ook hierin de StAB in haar overweging dat uit de aanvraag (3a2) en de vergunning (punt 24) blijkt dat zowel ongebruikt materiaal, als materiaal dat bij een vorige ovencyclus niet gereageerd heeft, waaronder omloopmateriaal, opnieuw wordt ingezet in een nieuwe oven terwijl omloopmateriaal, gelet op de vaststelling van TNO, ook SiC-vezels bevat, hoewel dit wellicht in theorie niet zo hoort te zijn omdat de SiC-vezels alleen in het overgangsgebied tussen amorf en kristallijn zouden ontstaan.

De rechtbank ziet geen aanleiding om het StAB advies niet te volgen. Dat het advies deels gebaseerd lijkt te zijn op informatie verkregen van eiseres en ontleend aan het Plan van Aanpak (PvA) van 19 mei 2020, terwijl de hierin neergelegde inzichten pas zijn verkregen naar aanleiding van het ingezette handhavingstraject, is daartoe onvoldoende. Uit het advies blijkt dat de conclusies ook zijn gebaseerd op stukken die dateren van voor de (primaire) besluitvorming. Daarbij dateert het PvA van vóór het bestreden besluit en heeft de StAB deze informatie, nu zij deze relevant acht om te bepalen bij welke procesonderdelen en bronnen in de thans vergunde situatie SiC-vezels vrij kunnen komen, in haar onderzoek kunnen betrekken.

Naar het oordeel van de rechtbank kan onder de gegeven omstandigheden, waarbij de activiteit op zichzelf is vergund, maar pas na de vergunningverlening is gebleken dat deze activiteit gepaard gaat met ongewenste dan wel onbedoelde en (nog) niet in de vergunning gereguleerde emissies, die, naar normen die ook eerst bekend zijn geworden na de vergunningverlening, wel gereguleerd moeten worden, niet worden gesteld dat sprake is van handelen in strijd met artikel 2.1 eerste lid onder e, Wabo, in de zin van het zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning in werking hebben van een inrichting. Die regulering heeft immers niet plaats kunnen vinden omdat ten tijde van die vergunningverlening die emissie niet bekend was. Daarbij was evenmin bekend op welke wijze deze emissies dan gereguleerd zouden moeten worden. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet achteraf worden gesteld dat sprake is van handelen in strijd met bepaalde normen, daar waar die normen ten tijde van de vergunningverlening niet bekend waren en niet golden. Eiseres mocht er op vertrouwen dat, indien zij handelde conform de verleende omgevingsvergunning, zij niet in overtreding was.

* 26 mei 2021 (Rb Den Haag C/09/571932 / HA ZA 19-379): BW; onrechtmatig handelen, olie, gas- en energiemaatschappij, dreigende schending van de reductieverplichting van CO2, terugbrengen uitstoot
De rechtbank concludeert dat RDS verplicht is via het concernbeleid van de Shell-groep te zorgen voor CO2-reductie van de Shell-groep, haar toeleveranciers en afnemers. Dat volgt uit de voor RDS geldende ongeschreven zorgvuldigheidsnorm, die de rechtbank heeft ingevuld aan de hand van de feiten, breed gedragen inzichten en internationaal aanvaarde standaarden.

De Shell-groep is wereldwijd één van de grootste producenten en aanbieders van fossiele brandstoffen is. De CO2-uitstoot van de Shell-groep, haar toeleveranciers en afnemers is groter dan die van vele landen. Dit draagt bij aan de opwarming van de aarde, die tot gevaarlijke klimaatverandering leidt en ernstige risico’s meebrengt voor mensenrechten, zoals het recht op leven en een ongestoord gezinsleven. Algemeen aanvaard is dat bedrijven mensenrechten moeten respecteren. Dat is een zelfstandige verantwoordelijkheid van bedrijven, die los staat van wat staten doen. Deze verantwoordelijkheid strekt zich ook uit over de toeleveranciers en de afnemers. RDS heeft een resultaatsverplichting ten aanzien van de CO2-uitstoot van de Shell-groep zelf. Ten aanzien van de toeleveranciers en afnemers geldt een zwaarwegende inspanningsverplichting, die inhoudt dat RDS via het concernbeleid van de Shell-groep haar invloed moet aanwenden, door bijvoorbeeld via het aankoopbeleid eisen te stellen aan toeleveranciers. RDS heeft alle vrijheid om de reductieverplichting naar eigen inzicht na te komen en het concernbeleid van de Shell-groep vorm te geven. De offers die dit vraagt, wegen op tegen het belang dat wordt gediend met het tegengaan van gevaarlijke klimaatverandering.

De rechtbank vindt niet dat RDS deze verplichting nu al schendt, zoals eisers betogen. RDS heeft het beleid van de Shell-groep aangescherpt en is bezig dat uit te werken. Omdat het beleid niet concreet is, vele voorbehouden kent en uitgaat van het volgen van de maatschappelijke ontwikkelingen in plaats van een eigen verantwoordelijkheid om te zorgen voor CO2-reductie, oordeelt de rechtbank dat sprake is van een dreigende schending van de reductieverplichting. De rechtbank beveelt RDS daarom om via het concernbeleid van de Shell-groep de CO2-uitstoot van die groep, haar toeleveranciers en afnemers, eind 2030 terug te brengen tot netto 45% ten opzichte van het niveau van 2019.

* 12 mei 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 21/656): Awb; instemming verlichtingsplan windpark, wettelijke bevoegdheid, besluit, ontvankelijkheid
3.2   De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 4.1.3, onderdeel b, van het Inpassingsplan “Windpark N33” is bepaald dat alvorens het windpark voor energieproductie in gebruik genomen en gehouden mag worden, de obstakelverlichting op de turbines gerealiseerd dient te zijn conform een door Inspectie Leefomgeving en Transport goedgekeurd verlichtingsplan, waarbij geldt dat de verlichting vastbrandend dient te zijn. De instemming van verweerder is dus nodig voor het in gebruik nemen en houden van het windpark. Hoewel verweerder niet heeft kunnen aanduiden wat de wettelijke grondslag voor het geven van die instemming is, is duidelijk dat die bevoegdheid er is of zou moeten zijn en dat verweerder daarvan ook daadwerkelijk gebruik maakt. Een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan wordt geacht op publiekrechtelijk rechtsgevolg te zijn gericht indien het bestuursorgaan, hoewel niet bevoegd het rechtsgevolg tot stand te brengen, wel pretendeert een publiekrechtelijke bevoegdheid en daarmee openbaar gezag uit te oefenen (vgl. ABRvS 21 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN1950). De rechtbank is gelet op de tekst en inhoud van de instemmingsbeslissingen van oordeel dat, als er geen sprake is van een wettelijke bevoegdheid, verweerder deze in ieder geval pretendeert uit te oefenen door instemming te verlenen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de instemmingsbeslissingen van zowel 5 april 2017 als 3 april 2019 moeten worden aangemerkt als besluit zoals bedoeld in artikel 1:3, eerste lid van de Awb. Verweerder heeft het bezwaar van eiser daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Deze grond treft eveneens doel.

* 3 mei 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 21/948): Awb; Gmw; vovo, dwangsom, herbeplanting percelen na kappen bomen, verhouding Wnb/Wro/Wabo, inkomenscompensatie, stimuleringsregeling
5.1.  In de uitspraak van 20 maart 2019 (2.6) heeft de voorzieningenrechter aan de orde gesteld dat er enerzijds een herplantplicht bestaat op grond van de Wnb maar dat anderzijds het aanplanten en in stand houden van bos in strijd is met het vigerende bestemmingsplan.

5.2.   Overeenkomstig de uitspraak van de voorzieningenrechter heeft verweerder in de heroverweging op bezwaar betrokken hoe voor dit geval de Wnb (voorheen de Boswet) zich verhoudt tot de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In het verweerschrift in bezwaar heeft verweerder parlementaire geschiedenis en jurisprudentie besproken. Verweerder concludeert dat de herplantplicht zijn werking behoudt ongeacht de bestemming opgenomen in het bestemmingsplan omdat de herplantplicht gebaseerd is op een hogere regeling dan het bestemmingsplan.

5.3.   Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het betoog zoals in 5.2 kort samengevat, voldoende overtuigend. Dit betekent dat het beroep van verzoeker in zoverre geen redelijke kans van slagen heeft.