Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 23 juni 2021 (ABRvS 202006825/1/R1): Awb, Waterwet, Wro, Wnb; projectplan, bpl en vergunningen, verwijderen sluis
* 23 juni 2021 (ABRvS 202004912/1/R4): Awb, Wabo; buiten behandeling laten aanvraag, tiny house, aanvullende informatie (Rb Midden-Nederland 19/4421)
* 23 juni 2021 (ABRvS 202004681/1/R2): Awb, Wro; bpl
* 23 juni 2021 (ABRvS 202004343/1/R2): Awb, Wro; bpl, herontwikkeling winkelcentrum met winkels en woningen, verkeer, parkeren
* 23 juni 2021 (ABRvS 202003867/1/R1): Awb, Wm; aanwijzing locatie afvalcontainers, afvalstoffenverordening, alternatieve locatie
* 23 juni 2021 (ABRvS 202003730/1/R4): Awb, Wm, Gmw; handhaving, dwangsom, onthouden verwerkingshandelingen, CRT-apparaten/-glas, geen passende afvalverwerking
* 23 juni 2021 (ABRvS 202003711/1/R2): Awb, Wro; bpl, plattelandswoning, woon- en leefklimaat, EVRM
* 23 juni 2021 (ABRvS 202003687/1/R1): Awb, Wro; bpl, hinder van laagfrequent geluid
* 23 juni 2021 (ABRvS 202003324/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en gewijzigd gebruik, sluiswachterswoning/logiesfunctie, belanghebbende, parkeren (Rb Midden-Nederland 19/2396)
* 23 juni 2021 (ABRvS 202002968/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en milieu, veehouderij, belanghebbende, aparte Nbw-vergunning (Rb Gelderland 18/2907 en 18/2620)
* 23 juni 2021 (ABRvS 202002835/1/R2): Awb, Wro; bpl, bedrijventerrein, externe veiligheid, risicocontour, verbeelding, zelf in de zaak voorzien
* 23 juni 2021 (ABRvS 202002506/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor kappen en bouwen, zendmast, belanghebbende, ontvankelijkheid (Rb Overijssel AWB 19/977)
* 23 juni 2021 (ABRvS 202001543/1/R3): Awb, Wabo; handhaving, zorghotel, nog geen landschapsvoorzieningen aangebracht, bevoegdheid (Rb Overijssel 19/1100)
* 23 juni 2021 (ABRvS 202001468/1/A3): Awb, Hvw; omzettingsvergunning, huisvestingsverordening, verbindendheid (Rb Gelderland 19/3532, 19/3682, 19/3688)
* 23 juni 2021 (ABRvS 202001093/1/R2): Awb, Wro; bpl, woningen/supermarkt, behoefte, leegstand, parkeren/CROW, natuur/relativiteit, herstelbesluit
* 23 juni 2021 (ABRvS 202000665/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, dakopbouw, schoorsteenverhoging buurman, medewerking (Rb Zeeland-West-Brabant 19/988)
* 23 juni 2021 (ABRvS 202000346/1/R1): Awb, Wabo; handhaving, ambachtelijke bierbrouwerij, geen overtreding planregels (Rb Overijssel 19/640 en 19/641)
* 23 juni 2021 (ABRvS 201909067/1/R1): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, permanente bewoning recreatiewoning, strijd met bpl, bewijslast (Rb Den Haag 18/3665)
* 23 juni 2021 (ABRvS 201907489/1/R2): Awb, Wro; bpl, recreatieterrein, belanghebbenden, aantal recreatiewoningen, Ladder/Bro, bebouwingsoppervlak, natuur/relativiteit
* 23 juni 2021 (ABRvS 201905487/1/R2): Awb, Wro; bpl, woningen, provinciale verordening, containerhandling, geluid, cumulatie, piekniveaus, Activiteitenbesluit, tussenuitspraak
* 23 juni 2021 (ABRvS 201905448/1/R1): Awb, Wro; bpl, buitengebied, wijzigingsbesluit
* 23 juni 2021 (ABRvS 201905069/1/A2): Awb; schadevergoeding, vaststelling luchthavenbesluit, Lden contour, MER, vergelijkingsmaatstaf, zelf in de zaak voorzien (Rb Midden-Nederland 17/3976)
* 23 juni 2021 (ABRvS 201904592/1/A3): Awb, Hvw, Gmw; boete, verhuur Airbnb, bewijslast, evenredigheid (Rb Amsterdam 18/2338 en 18/2340)
* 23 juni 2021 (ABRvS 201901868/1/R1): Awb, Wro; bpl, herontwikkeling bedrijventerrein, woningen, belanghebbende, provinciale verordening, cultuurhistorische waarden, handboek, Unesco, overstromingsgevaar, externe veiligheid, groepsrisico, Bevi, verkeer, geluid, VNG-brochure, molenbiotoop
* 23 juni 2021 (ABRvS 201807969/3/R3): Awb, Wro; bpl, boerederij, waarde, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 22 juni 2021 (ABRvS 202101453/2/R2): Awb, Wro; vovo, bpl, verbouwing, recreatiewoningen, verkeersoverlast
* 22 juni 2021 (ABRvS 202101573/2/R2): Awb, Wro; vovo, bpl, woningen, beleidsregels, bereikbaarheid hulpdiensten, landschappelijke inpassing, voorwaardelijke verplichting
* 22 juni 2021 (ABRvS 202102038/2/R2): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, huurappartementen, ontwikkelingen (Rb Zeeland-West-Brabant 21/64 en 20/10254)
* 22 juni 2021 (ABRvS 202102962/2/R4): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning milieu, productie houtpellets, stofemissies, puntbronnen, zorgplicht, Activiteitenbesluit, diffuse stofverspreiding, voorschriften, BBT (Rb Limburg 20/3052 en 20/3053)
* 22 juni 2021 (CBb 20/186, 20/183, 19/566, 19/554, 19/559, 19/352, 19/654, 19/1958, 19/459, 20/182, 20/139, 20/192, 20/90, 20/66, 20/190, 20/202, 20/198 en 20/195): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, EP/geen sprake van individuele en buitensporige last, knelgevallenregeling, startersregeling, jongvee, voorzienbaarheid, bevoegdheid, EVRM, peildatum, gelijkheidsbeginsel, onderbouwing, herziening
* 22 juni 2021 (CBb 20/31R): Awb, Lbw; heffing/bonus, fosfaatreductieplan, rectificatie, EVRM
* 22 juni 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 21/1462): Awb, Wvw; vovo, verkeersbesluit, breedtebeperking brug, verkeersveiligheid, geluidsoverlast
* 21 juni 2021 (ABRvS 202102527/2/R3 en 202102653/2/R3): Awb, Wro, Wabo; vovo, bpl/omgevingsvergunning voor bouwen en maken inrit/uitweg, restaurant, belanghebbende, verkeer, parkeren, geluid, indirecte hinder
* 18 juni 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 19/1028): Awb, Wnb; handhaving, draineren, beregenen, onttrekken van grondwater en gebruik van bestrijdingsmiddelen op percelen, lelieteelt, belanghebbende, project, Natura 2000, significante gevolgen, passende beoordeling
* 18 juni 2021 (ABRvS 202100430/2/R3): Awb, Wro; vovo, bpl, woonzorginstelling, vergroting bouwvlak, Activiteitenbesluit, Wgv/Rgv, provinciale verordening
* 18 juni 2021 (ABRvS 202102136/2/R3): Awb, Wro; vovo, bpl, bedrijfsbestemming
* 18 juni 2021 (ABRvS 202102779/2/R4): Awb, Wro; vovo, bpl, recreatiepark met woningen, Natura 2000
* 18 juni 2021 (Rb Overijssel AWB 21/825 t/m AWB 21/828): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid
* 17 juni 2021 (Rb Noord-Holland HAA 20/2783 en HAA 20/2574): Awb, Pw; ontheffing, opslepen van zweefvliegtuigen in stiltegebied, provinciale milieuverordening, cumulatieve criteria, nut en noodzaak, zelf in de zaak voorzien
* 17 juni 2021 (Rb Gelderland ARN 20/5369): Awb, Wabo; handhaving, grondverzetbedrijf, strijd met bpl, zicht op legalisatie, ontwerp-beheersverordening
* 17 juni 2021 (Rb Gelderland ARN 20/2865): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, wasplaats, sleufsilo’s en uitweg, Bor, vergunningsvrij
* 17 juni 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/5491 GEMWT en 20/8958 GEMWT): Awb, Gmw; handhaving, geluidsoverlast honden, APV, blaftijd, bevoegdheid, rapport
* 17 juni 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/9344 WABO): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, hotel, belanghebbende, ontvankelijkheid
* 17 juni 2021 (Conclusie AG EH C-315/20): Prejudiciële verwijzing, afvalstoffen, gemengd stedelijk afval dat een mechanische verwerking heeft ondergaan die de aard ervan niet heeft veranderd, indeling afval EAC is niet bindend.
* 17 juni 2021 (ABRvS 202100756/2/R4 en 202100757/2/R4): Awb, Wro, Wgh; vovo, bpl/HGW, woningen, wegverkeer, koppeling verkeersbesluit
* 17 juni 2021 (ABRvS 202101251/2/R4): Awb, Wro; vovo, bpl, bedrijventerrein, buitenplaats provinciale verordening, Unesco, cultuurhistorische hoofdstructuur, herstructurering, m.e.r.
* 17 juni 2021 (ABRvS 202102059/3/R3): Awb, Wro; vovo, bpl,  buitengebied, woningen, provinciale omgevingsverordening, inpassing/voorwaardelijke verplichting, behoefte
* 16 juni 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 21/1218): Awb, Wnb; vovo, opdracht afschot reeën, verkeersveiligheid, beleidsnotitie, onderbouwing, alternatieve maatregelen
* 16 juni 2021 (ABRvS 202005858/1/R2 en /2/R2): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, handhaving, bestuursdwang, verwijderen bijgebouw, omgevingsvergunning, koppeling tussen verwijdering en verplaatsing, termijn
* 16 juni 2021 (Rb Overijssel AWB 20/1600): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl, realiseren aparte onzelfstandige woonruimten in woning, woon- en leefklimaat, motivering, beleidsregel
* 15 juni 2021 (Rb Overijssel ZWO 20/873): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl, taxi- en touringcarbedrijf, geluid, Activiteitenbesluit, bevoegdheid, maximale geluidniveaus, maatwerkvoorschriften
* 15 juni 2021 (Rb Overijssel ZWO 20/2004): Awb, Wob; verzoek om openbaarmaking van documenten, luchthaven, gereserveerde PAS-ruimte en PAS-meldingen, motivering
* 15 juni 2021 (Rb Rotterdam ROT 20/50): Awb, Wm, Arbowet; eis om maatregelen te treffen, externe veiligheid, Brzo, tankput, explosieveiligheid, ATEX-richtlijn, bevoegdheid
* 14 juni 2021 (Rb Limburg ROE 21/1285 en ROE 21/1295): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting loods, voorbereidingen grootschalige hennepteelt, bevoegdheid, belangenafweging
* 11 juni 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 20/3177): Awb, Mbw; mijnbouwschade, bewijsvermoeden, deskundigen
* 10 juni 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/7429 WET): Awb, Msw; handhaving, boete, mestverwerkingsplicht
* 10 juni 2021 (Rb Amsterdam AMS 21/1982 en AMS 21/2778):Awb, Gmw; vovo, ligplaatsvergunning/handhaving/dwangsom, verordening, havengebondenheid, watergebondenheid, huur-/gebruiksovereenkomst, motivering
* 8 juni 2021 (Rb Den Haag SGR 21/3447 en SGR 21/3511): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, woningsluiting , drugs, bevoegdheid
* 8 juni 2021 (Rb Limburg ROE 21/1243): Awb, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, stalling oplegger in bebouwde kom, bevoegdheid, geen bijzondere omstandigheden
* 3 juni 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 19/2568, UTR 19/2807 en UTR 19/2569): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl, hondenkennel als nevenfunctie veehouderij, belanghebbenden/Aarhus, vvgb, m.e.r.-plicht, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 1 juni 2021 (Rb Den Haag SGR 19/6750): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, dakopbouw, woon- en leefklimaat, welstand
* 26 mei 2021 (Rb Noord-Holland HAA 19/2044): Awb, AWR; leges, omgevingsvergunning, toetsing bouwsom, overschrijding redelijke termijn, dwangsom/schadevergoeding
* 25 mei 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 21/879): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid
* 4 mei 2021 (Rb Den Haag SGR 19/4626): Awb, Waterwet; lozingsvergunning, gronddepot, PFOS, belanghebbende, relativiteit
* 28 april 2021 (Rb Amsterdam AMS 19/5782 en AMS 20/2853): Awb, Gmw; handhaving, dwangsom, invordering, verwijderen dekschuit, bedrijfsvaartuig, ligplaatsvergunning, fairplay, motivering
* 15 januari 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/7292): Awb, Wabo; buiten behandeling laten omgevingsvergunning voor bouwen, woning, strijd met bpl, ontbreken ruimtelijke onderbouwing
* 17 december 2020 (Rb Noord-Nederland LEE 19/2511 en 20/9): Awb, Wnb; vaststelling faunbeheerplan en ontheffing, afschot ganzen, te ruime grenzen, bevoegdheid kennisneming beroep beheerplan, motivering ontheffing
* 29 oktober 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/749 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, clubgebouw/jeugdhonk, verplaatsbaar noodlokaal, woon- en leefklimaat, muziekoverlast
* 15 oktober 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/6783 WABO): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, woningen
* 3 september 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/3165): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken gebruik, kamerverhuur, beleidsregel, verbindendheid, zelf in de zaak voorzien
* 26 augustus 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 20/801): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, appartementsgebouw, bouwhoogte, motivering
* 24 augustus 2020 (Rb Oost-Brabant SHE 20/541): Awb, Wabo; intrekking omgevingsvergunning, stal, belangenafweging

# = betrokkenheid STAB

!  = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 23 juni 2021 (ABRvS 202002968/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en milieu, veehouderij, belanghebbende, aparte Nbw-vergunning (Rb Gelderland 18/2907 en 18/2620)
12.2 …………………….
Voorafgaand aan de aanvraag tot uitbreiding van de varkenshouderij heeft [vergunninghouder] bij het college van gedeputeerde staten van Overijssel op 8 juni 2016 een Nbw-vergunning aangevraagd. Bij besluit van 29 november 2016 is deze Nbw-vergunning verleend. De Afdeling is van oordeel dat het project waar de Nbw-vergunning op ziet, overeenkomt met de in deze procedure aan de orde zijnde activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning op grond van de Wabo is gevraagd. Dat in de aanvraag voor de Nbw-vergunning niet expliciet vergunning wordt gevraagd voor een toename van het aantal transportbewegingen en de mestproductie terwijl de daardoor veroorzaakte stikstofemissie wel bij de beoordeling van een Nbw-vergunning moet worden betrokken, maakt dat niet anders. Dit zijn immers geen onderdelen van het project, maar gevolgen daarvan. Indien ten onrechte bij dat besluit deze gevolgen niet zijn betrokken, daargelaten of dat in dit geval zo is, had dat in de procedure over dat besluit naar voren kunnen worden gebracht (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2760). Dat kan niet aan de orde komen in deze procedure. De Afdeling volgt de stelling van de Stichting Leefbaar Buitengebied dat dit in strijd is met het Verdrag van Aarhus niet, omdat ook bij het besluit tot verlening van de Nbw-vergunning toegang tot de rechter openstond.

Het voorgaande betekent dat gelet op artikel 2.2aa van het Bor geen verplichting bestond om bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en milieu, tevens een aanvraag te doen voor de activiteit als bedoeld onder i, van dat artikellid, omdat er al een afzonderlijk traject voor een Nbw-vergunning was gevolgd. Dat de Nbw-vergunning door de Afdeling bij uitspraak van 5 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2233, is vernietigd, maakt dat niet anders. Ten tijde van de besluitvorming was deze vergunning immers verleend. Bovendien is voldoende dat een aanvraag voor een Nbw-vergunning is ingediend, en die aanvraag is ook met de vernietiging van het besluit niet komen te vervallen.

* 23 juni 2021 (ABRvS 202000346/1/R1): Awb, Wabo; handhaving, ambachtelijke bierbrouwerij, geen overtreding planregels (Rb Overijssel 19/640 en 19/641)
4.1.    De Afdeling overweegt dat bij de uitleg van artikel 10.1, aanhef en onder c, van de planregels, uit het oogpunt van rechtszekerheid, de letterlijke betekenis van die planregel leidend is. De rechtszekerheid vereist immers dat van wat in het bestemmingsplan is bepaald, in beginsel dient te worden uitgegaan. Pas wanneer de letterlijke betekenis van een planregel niet duidelijk is, zijn andere factoren, waaronder de plansystematiek, relevant voor de uitleg van een planregel. De Afdeling zal dus eerst bezien of artikel 10.1, aanhef en onder c, van de planregels kan worden uitgelegd aan de hand van de letterlijke betekenis van de tekst van de planregel.

Volgens artikel 10.1 van de planregels zijn gronden met de bestemming “Bedrijf” bestemd voor 1) de bedrijven die zijn genoemd in artikel 10.1, aanhef en onder a, van de planregels, 2) andere bedrijven bedoeld in artikel 10.1, aanhef en onder b, die in ruimtelijk en functioneel opzicht gelijk kunnen worden gesteld met de bedrijven genoemd onder a en die zijn vermeld als milieucategorie 1 of 2, dan wel naar hun gevolgen voor de omgeving daarmee gelijk kunnen worden gesteld en 3) voor zover het de in artikel 10.1, aanhef en onder c, van de planregels genoemde adressen betreft, tevens de daarbij vermelde bedrijfsactiviteiten.

Uit het gebruik van het woord ‘tevens’ in artikel 10.1, aanhef en onder c, van de planregels volgt dat wanneer een bepaald adres in de planregel is vermeld, de in die planregel bij het adres genoemde bedrijfsactiviteit is toegestaan maar dat daarnaast de bedrijven die onder artikel 10.1, aanhef en onder a en b, van de planregels vallen, ook op dat adres zijn toegestaan. De rechtbank is tot hetzelfde oordeel gekomen. Uit deze uitleg van artikel 10.1, aanhef en onder c, van de planregels volgt dat het gebruik van het perceel niet beperkt is tot een kaasmakerij, zoals door [appellant sub 2] is betoogd. Het college heeft overigens ter zitting toegelicht dat de gemeenteraad van Haaksbergen met het toevoegen van het woord “tevens” in artikel 10.1, aanhef en onder c, van de planregels een bewuste keuze heeft gemaakt om planologisch meer mogelijkheden te bieden.

* 22 juni 2021 (ABRvS 202102962/2/R4): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning milieu, productie houtpellets, stofemissies, puntbronnen, zorgplicht, Activiteitenbesluit, diffuse stofverspreiding, voorschriften, BBT (Rb Limburg 20/3052 en 20/3053)
8.1.    Over de voorschriften 8.15, onder b, en 8.15a, heeft de rechtbank overwogen dat in artikel 3.32, eerste lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit is bepaald dat goederen in de buitenlucht zodanig worden op- of overgeslagen dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat stofverspreiding optreedt die op een afstand van meer dan twee meter van de bron met het blote oog waarneembaar is. Volgens de rechtbank heeft het college met de voorschriften 8.15, onder b, en 8.15a aan [verzoekster] een resultaatsverplichting opgelegd die verder gaat dan de verplichting die voortvloeit uit genoemd artikel, omdat artikel 3.32 van het Activiteitenbesluit opdracht geeft om stofverspreiding die op een afstand van twee meter van de bron met het blote oog waarneembaar is zoveel mogelijk te voorkomen, terwijl de voorschriften in de vergunning verder gaan en opdracht geven stofverspreiding (ook bij stuifgevoelige goederen) aan de inrichtingsgrens dan wel op een afstand van twee meter van de bron in zijn geheel te voorkomen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de voorschriften 8.15, onder b, en 8.15a waarmee aan [verzoekster] de verplichting is opgelegd om aan de inrichtingsgrens dan wel op twee meter van de bron alle zichtbare houtstof of grof stof geheel te voorkomen, niet voldoende onderbouwd met onderzoeksgegevens die aantonen of een dergelijk resultaat voor (de inrichting van) [verzoekster] wel realistisch en haalbaar is, terwijl de binnen de inrichting verrichte activiteiten al eerder zijn vergund. Volgens de rechtbank moeten deze voorschriften daarom worden vernietigd. De rechtbank heeft aanleiding gezien om zelf in de zaak te voorzien en de voorschriften 8.15, onder b, en 8.15a te herformuleren.

8.2.    Tegen deze overwegingen van de rechtbank die tot vernietiging van de voorschriften 8.15, onder b, en 8.15a hebben geleid, is geen hoger beroep ingesteld. De voorzieningenrechter gaat daarom bij de beoordeling uit van de juistheid van deze overwegingen. Daarvan uitgaande en gelet op de verplichting zoals die in artikel 3.32 van het Activiteitenbesluit is geformuleerd en gelet op wat de voorzieningenrechter hiervoor over de voorschriften 8.1, onder d, en 8.7 heeft overwogen, betoogt [verzoekster] terecht dat de geherformuleerde voorschriften 8.15, onder b, en 8.15a te verstrekkend zijn. De voorzieningenrechter ziet aanleiding bij wijze van voorlopige voorziening deze voorschriften te herformuleren.

8.3.    Voorschrift 8.15, onder b, komt te luiden:

“Het bewerken van afvalstoffen alsmede de op- en overslag ervan, anders dan ten behoeve van het transport* van houtachtige stromen naar derden moet te allen tijde zodanig geschieden dat, indien er in de onmiddellijke nabijheid (twee meter) van de bron visueel duidelijk waarneembare stofverspreiding optreedt, zo snel mogelijk adequate maatregelen worden getroffen om stofverspreiding buiten de inrichting zoveel mogelijk te voorkomen.”

Voorschrift 8.15a komt te luiden:

“Het op- en overslaan van goederen, zoals bedoeld in paragraaf 3.4.3 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, dient zodanig te geschieden dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat er ten gevolge hiervan visueel zichtbaar stof buiten de inrichting wordt gedeponeerd. Indien bij het op- en overslaan van goederen vervuiling door zichtbaar houtstof wordt geconstateerd, dient deze vervuiling zo snel mogelijk opgeruimd te worden en dienen zo snel mogelijk adequate maatregelen te worden getroffen om stofverspreiding buiten de inrichting zoveel mogelijk te voorkomen.”

* 18 juni 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 19/1028): Awb, Wnb; handhaving, draineren, beregenen, onttrekken van grondwater en gebruik van bestrijdingsmiddelen op percelen, lelieteelt, belanghebbende, project, Natura 2000, significante gevolgen, passende beoordeling
3.3.   Gesteld voor de vraag of lelieteelt aangemerkt moet worden als een project overweegt de rechtbank als volgt. In het arrest van het Hof van Justitie van 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018:882, heeft het Hof voor recht verklaard, kort weergegeven, dat een activiteit als project kan worden geduid indien sprake is van een fysieke ingreep in het natuurlijk milieu. Lelieteelt is derhalve naar het oordeel van de rechtbank aan te duiden als een project.

3.4.1.   Verweerder heeft aangevoerd dat de betrokken lelieteler al lelies teelde vóór 7 december 2004, de datum waarop de verplichtingen van de Habitatrichtlijn van toepassing werden op het Natura 2000 gebied het Holtingerveld. Hierom zou het gebruik niet aan een passende beoordeling zijn onderworpen of vergunningplichtig zijn.

3.4.2.   In bovengenoemd arrest heeft het Hof voor recht verklaard dat artikel 6, lid 3, van richtlijn 92/43 zo moet worden uitgelegd dat een periodieke activiteit, waarvoor naar nationaal recht toestemming was verleend vóór de inwerkingtreding van die richtlijn, voor de toepassing van deze bepaling kan worden aangemerkt als één en hetzelfde project waarvoor geen nieuwe toestemmingsprocedure hoeft te worden doorlopen, mits het daarbij gaat om één enkele verrichting die zich kenmerkt door een gemeenschappelijk doel, continuïteit en volledige overeenstemming, met name wat betreft de plaatsen waar en de voorwaarden waaronder de activiteit wordt uitgevoerd.

3.4.3. De rechtbank constateert dat het bedrijf “ [naam bv] ” al sinds 1990 lelies teelt. Gebleken is echter dat de teelt significant is uitgebreid, van 1 ha in het eerste jaar tot thans een gebied van 100 ha, dat blijkens de voorbereidende werkzaamheden nog altijd wordt uitgebreid. Reeds door de enorme toename in omvang voldoet het project niet aan de voorwaarden die het Hof stelt om een project aan te merken als één en hetzelfde project waarvoor geen nieuwe toestemmingsprocedure behoeft te worden doorlopen. Er is immers geen sprake van continuïteit en volledige overeenstemming van plaatsen waar de activiteit wordt uitgevoerd, althans niet is aangetoond dat deze omvang al sinds 7 december 2004 bestond.

3.5.   Bovenstaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat lelieteelt, in dit geval uitgevoerd door “ [naam bv] ” onder de werking van artikel 2.7 van de Wnb valt en dat beoordeeld moet worden of dit project significante gevolgen kan hebben voor het Holtingerveld.

* 17 juni 2021 (Rb Noord-Holland HAA 20/2783 en HAA 20/2574): Awb, Pw; ontheffing, opslepen van zweefvliegtuigen in stiltegebied, provinciale milieuverordening, cumulatieve criteria, nut en noodzaak, zelf in de zaak voorzien
9.2   Hoe die criteria in artikel 4.3.3, derde lid, NHPMV moeten worden begrepen, heeft noch de provinciale wetgever, noch verweerder nader uitgewerkt of toegelicht. De rechtbank merkt op dat met name de uitleg en toepassing van de criteria onder b (plaats van de activiteit en mate van verstoring) en c (tijdsduur en periode van de activiteit) naar hun formulering geen onmiddellijk toepasbare criteria opleveren. Wat betreft het criterium onder a begrijpt de rechtbank het standpunt van verweerder aldus, dat er nut en noodzaak moet zijn voor het verrichten van de activiteit.
10.3   De rechtbank is – met eisers – van oordeel dat nut en noodzaak van het kunnen uitoefenen van sleepstarts op het zweefvliegveld niet is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de vereniging ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat het starten met de sleepstartmethode en dus het verlenen van de gevraagde ontheffing niet noodzakelijk is voor haar leden om te kunnen zweefvliegen op haar eigen terrein. Het beheersen van die methode is ook niet een eis voor het brevet om van het zweefvliegveld te mogen opstijgen en landen. De rechtbank leidt dat af uit het door eisers 1 tot en met 4 overgelegde, door de andere partijen niet bestreden, “Trainingsprogramma LAPL(S)/SPL Praktijk en theorie” van de Commissie Instructie en Veiligheid, Afdeling Zweefvliegen, en de verklaring van de vereniging ter zitting. Haar leden missen, indien geen ontheffing wordt verleend, alleen de mogelijkheid om op het zweefvliegveld een uitbreiding te halen op hun vliegbrevet. Die uitbreiding op hun brevet hebben zij nodig, als zij op zweefvliegvelden elders – in het buitenland -, waar geen gebruik wordt gemaakt van de lierstartmethode, willen zweefvliegen. Er is, indien geen ontheffing wordt verleend, anders dan verweerder heeft betoogd, dus geen sprake van een situatie waarin leden van de vereniging geen toereikend brevet kunnen behalen. Het kunnen halen van een vliegbrevet met een uitbreiding voor sleepstarts is niet vereist om van en naar het zweefvliegveld te kunnen zweefvliegen. Dat de ontheffing volgens de vereniging (ook) nodig is om deel te kunnen nemen aan vliegkampen in het buitenland, omdat aldaar wordt gezweefvliegd door middel van sleepstarts, vormt wellicht wel grond voor onderbouwing van het nut, maar onvoldoende grond om sleepstarts op het in het stiltegebied gelegen zweefvliegveld noodzakelijk te achten. Daar komt bij dat uit hetgeen verweerder daarover naar voren heeft gebracht, niet is gebleken dat het binnen Nederland uitwijken naar het zweefvliegveld Hilversum om aldaar sleepstarts te kunnen (uit)oefenen en het desbetreffende brevet te kunnen verkrijgen, tot onoverkomelijke problemen leidt voor leden van de vereniging, zodat ook daarin geen noodzaak is gelegen.
10.4   Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet is gebleken, dat is voldaan aan het criterium dat is opgenomen in artikel 4.3.3, derde lid en onder a, PMVNH. De beroepsgrond slaagt.

* 17 juni 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/5491 GEMWT en 20/8958 GEMWT): Awb, Gmw; handhaving, geluidsoverlast honden, APV, blaftijd, bevoegdheid, rapport
5.3   Het college heeft geen overlast ten gevolge van blaffende honden op het perceel van derde partij geconstateerd. Van belang is dat het college daarbij een blaftijd hanteert van twee minuten. Het hanteren van deze blaftijd acht de rechtbank niet kennelijk onredelijk omdat niet al het blaffen van honden te allen tijde als overlast aangemerkt kan worden. Het college heeft in dit verband kunnen meewegen dat honden huisdieren zijn, dat twee honden niet een overdreven groot aantal is en dat blafgeluiden in beginsel behoren tot de normale leefgeluiden die burgers van elkaar te dulden hebben. Een blaftijd van twee minuten is weliswaar arbitrair, maar het hanteren van die grens maakt dat overlast ten gevolge van het blaffen meetbaar wordt.

5.4   In het geluidrapport M+P is verslag gedaan van het meetonderzoek van hondenblafgeluid bij eisers in de achtertuin. M+P heeft gedurende drie weken op 9 van de 21 dagen een blaftijd gemeten die de door het college gehanteerde twee minuten overschrijden. Het was een onbemande monitoring van het geluid tussen 06:00 uur in de ochtend en 22:00 uur in de avond. Volgens M+P is niet gemeten tussen 22:00 uur ’s avonds en 06:00 uur ’s ochtends omdat de honden in deze periode slechts sporadisch blaffen.

5.5   Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college er terecht op gewezen dat het geluidrapport M+P dateert van na het nemen van het bestreden besluit. De eerste dag van het onderzoek was 28 augustus 2020, hetgeen ook de dag is dat het college het bestreden besluit genomen heeft. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat hij niet bevoegd was om handhavend op te treden wegens overtreding van artikel 110, tweede lid, van de APV.

5.6   Ter zitting heeft het college aangegeven dat de door M+P gesignaleerde blaftijden met bijbehorende dB(A)’s voor hem wel aanleiding zijn geweest voor het instellen van een vervolgonderzoek. Hij heeft het rapport van M+P voorgelegd aan de NSG en deze instantie heeft verklaard dat in de geregistreerde situatie sprake is van excessief geluid. Eisers hebben, onder verwijzing naar de conclusie van advocaat-generaal Wattel van 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1152, bepleit om de bevindingen van M+P en de NSG te betrekken in het oordeel omtrent de rechtmatigheid van de bestreden besluiten, maar de rechtbank ziet geen aanknopingspunten om in deze procedure af te wijken van de zogeheten ex tunc-toetsing.

* 4 mei 2021 (Rb Den Haag SGR 19/4626): Awb, Waterwet; lozingsvergunning, gronddepot, PFOS, belanghebbende, relativiteit
6.5.   Vaststaat dat de kantoorpanden van eiseressen niet in de directe nabijheid van de lozingslocatie zijn gelegen maar zijn gesitueerd op een afstand van enkele honderden meters hier vandaan. In dit geval is een watervergunning verleend als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de Waterwet. Een dergelijke vergunning wordt ingevolge artikel 6.11 van de Waterwet geweigerd als verlening daarvan niet verenigbaar is met de doelstellingen die worden genoemd in artikel 2.1 van de Waterwet of de belangen, bedoeld in artikel 6.11 van de Waterwet. Tussen partijen is niet in geschil – en ook de rechtbank gaat daarvan uit – dat in dit geval het belang van bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen zoals genoemd in artikel 2.1, eerste lid, aanhef onder b, van de Waterwet het meest zwaarwegende belang is waarmee verweerder in zijn besluitvorming rekening heeft moeten houden. De vraag ligt voor of deze bepaling strekt ter bescherming van de belangen van eiseressen.

6.6.   De rechtbank stelt vast dat de geschiedenis van de totstandkoming van de Waterwet onder meer het volgende vermeldt:
………………………………………………
De rechtbank leidt hieruit af dat artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Waterwet strekt tot bescherming van het natuur- en milieubelang in het desbetreffende watersysteem en geen betrekking heeft op de belangen van omliggende bedrijven.

6.7   Naar het oordeel van de rechtbank is op zichzelf niet uitgesloten dat ook de belangen van natuurlijke personen of rechtspersonen zodanig met dit natuur- en milieubelang verweven kunnen zijn dat zij hier in rechte een beroep op kunnen doen. Dat een dergelijke situatie zich in dit geval voordoet, is de rechtbank echter niet gebleken. Hierbij neemt de rechtbank in overweging dat niet in geschil is dat de commerciële activiteiten die eiseressen ontplooien niet gericht zijn op het behartigen van de waterkwaliteit ter plaatse. Voorts staat vast dat de percelen van eiseressen weliswaar gesitueerd zijn nabij de sloot waar de lozingsactiviteit plaatsvindt, maar dat zij niet bedrijfsmatig of anderszins gebruikmaken van deze sloot. Verder heeft verweerder ter zitting onbestreden uiteengezet dat het water uit de sloot waarop wordt geloosd, zich niet kan verspreiden richting de percelen van eiseressen omdat de grondwaterstand onder die percelen hoger is dan het waterpeil in de poldersloot. Ook overigens is niet gebleken dat de (bedrijfs)belangen van eiseressen op enigerlei wijze zijn vervlochten met het waterkwaliteitsbelang zoals dit wordt beschermd in artikel 2.1 van de Waterwet. Derhalve doet zich de situatie voor dat de toepasselijke regels uit de Waterwet kennelijk niet strekken tot bescherming van de belangen van eiseressen. Dat betekent dat artikel 8:69a van de Awb zich ertegen verzet dat het bestreden besluit wordt vernietigd, zelfs als zou komen vast te staan dat dit is genomen in strijd met de Waterwet. Gelet hierop komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden van eiseressen.

STAB verzorgt de jurisprudentie voor STAB OGR updates

Roos Bruijnsteen en Laurens Westendorp, advocaten bij Stibbe, schreven een noot bij de uitspraak van de ABRvS van 10 maart 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:499) over een omgevingsvergunning voor een zonnepark op de locatie van een golfbaan en de vraag of de eigenaren van recreatiewoningen op een nabijgelegen villaressort als belanghebbenden waren aan te merken. Zie STAB OGR Updates.