Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 21 juli 2021 (ABRvS 202100575/1/R4): Awb, Wro; niet vaststellen bpl, woningen, motivering
* 21 juli 2021 (ABRvS 202100046/1/R4): Awb, Wro; bpl, woningen, parkeren, verkeer, woon- en leefklimaat, bezonning
* 21 juli 2021 (ABRvS 202006025/1/R1): Awb, Wro; bpl, planregels, tussenuitspraak
* 21 juli 2021 (ABRvS 202005811/1/R4): Awb, Mbw; vergunning, gaswinning, veiligheid, schade(afhandeling), leveringszekerheid
* 21 juli 2021 (ABRvS 202005669/1/R1): Awb, Wm; vaststelling ondergrondse containerlocaties, schepen, afvalstoffenverordening, alternatieve locatie
* 21 juli 2021 (ABRvS 202005483/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, uitbreiden woning en nieuwe schuur, nieuwe aanvraag, geen wijziging van ondergeschikte aard, onjuiste procedure (Rb Zeeland-West-Brabant 19/5561)
* 21 juli 2021 (ABRvS 202005249/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, sportzaal, ontvankelijkheid, welstand
* 21 juli 2021 (ABRvS 202005151/1/R4): Awb, Wro; bpl, woningen op plaats van gesloopte glastuinbouwkassen, belanghebbende
* 21 juli 2021 (ABRvS 202004705/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, horeca, etage, geen strijd met bpl (Rb Rotterdam 19/3762)
* 21 juli 2021 (ABRvS 202004698/1/R3): Awb, Wro; bpl, hotel- en horecafunctie, woon- en leefklimaat, geluid, VNG-brochure, stemgeluid, parkeren, zelf in de zaak voorzien
* 21 juli 2021 (ABRvS 202004630/1/A3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor aanbrengen lichtreclame, belanghebbenden, NSVV-richtlijn, (Rb Gelderland 19/3657)
* 21 juli 2021 (ABRvS 202004486/1/R1): Awb, Wlv; luchthavenregeling, helikopterluchthaven, overgangsrecht, BIGNAL-beschikking, geluid- en risicocontour
* 21 juli 2021 (ABRvS 202004057/1/A3): Awb, Gmw; verhaal kosten bestuursdwang, verplaatsing woonschip, vernietiging/asbest, taxatierapport (Rb Den Haag 19/4592)
* 21 juli 2021 (ABRvS 202003526/1/A3): Awb, Hvw; handhaving, boete, onttrekken woning, verhuur aan toeristen (Rb Amsterdam 19/1922)
* 21 juli 2021 (ABRvS 202003459/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, horeca, categorie zwaar, belanghebbende, planregels, tussenuitspraak (Rb Breda 19/4947)
* 21 juli 2021 (ABRvS 202002995/1/R2): Awb, Wro; inpassingsplan, spoorverdubbeling, belanghebbende, veiligheid
* 21 juli 2021 (ABRvS 202002871/1/R3): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, bouwwerken, maximaal oppervlak (Rb Noord-Nederland 19/3061)
* 21 juli 2021 (ABRvS 202002849/1/R3): Awb, Wro; bpl, zelfpluktuin, volwaardigheid agrarisch bedrijf, noodzaak bedrijfswoning
* 21 juli 2021 (ABRvS 202002672/1/R2): Awb, Wro; uitwerkingsplan, woningen, VNG-brochure, geluid, Activiteitenbesluit
* 21 juli 2021 (ABRvS 202002601/1/A2): Awb; nadeelcompensatie, schade aan woning door transporten supermarkt, verkeersbesluiten, causaal verband, grootte schade (Rb Rotterdam 18/3796)
* 21 juli 2021 (ABRvS 202002310/1/R2): Awb, Wabo; handhaving, bijgebouw, overschrijding voorgevellijn, bouw- en goothoogte, voegwerk, tijdelijke bewoning, vergunningprocedure (Rb Limburg 18/900, 19/456, 19/1809)
* 21 juli 2021 (ABRvS 202002213/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, appartementencomplex, nieuwe aanvraag, procesbelang, schade, welstand (Rb Rotterdam 18/2490)
* 21 juli 2021 (ABRvS 202001553/1/R2): Awb, Wabo; buiten behandeling stellen aanvraag om omgevingsvergunning/weigering, nieuwe varkensstallen, rendement luchtwassers, eerder STAB-verslag, WUR, exceptieve toetsing (Rb Oost-Brabant 18/2275)
* 21 juli 2021 (ABRvS 202001298/1/R4): Awb, Wgh; HGW, industrielawaai, relativiteit, geluidwerende maatregelen, cumulatie
* 21 juli 2021 (ABRvS 202001297/1/R4 en 202001299/1/R4): Awb, Wro; bpl-en, gezoneerd industrieterrein en aansluitend bedrijventerrein, eerder STAB-verslag, belanghebbenden, Ladder/Bro/behoefte, geluidzone, provinciale verordening, kavelgrootte, akoestisch onderzoek, verkeer, laag frequent geluid, puinbreker, trillingen, stikstof, externe saldering, geur, cumulatie
* 21 juli 2021 (ABRvS 202000749/1/R3): Awb, Wro; bpl, ligplaatsen woonboten, EVRM, waterpeil, zelf in de zaak voorzien
# 21 juli 2021 (ABRvS 202000745/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor vellen bomen, procesbelang, Klimaatverdrag (Rb Noord-Nederland 19/564)
* 21 juli 2021 (ABRvS 202000647/1/R3): Awb, Wro; bpl, buitengebied, natuur, agrarische gebruik, herhaald overgangsrecht, provinciale omgevingsverordening, Natura 2000, gewasbeschermingsmiddelen, advies Gezondheidsraad, stikstofdepositie, weiden van vee, bemesten gronden
* 21 juli 2021 (ABRvS 201907944/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, dakopbouw, belanghebbende, stedenbouwkundige beoordeling, welstand (Rb Rotterdam 19/3414 en 19/3413)
* 21 juli 2021 (ABRvS 201904109/1/R4): Awb, Wro; bpl, appartementengebouw op voormalig bedrijventerrein, bedrijvigheid, parkeren, motivering, tussenuitspraak
* 20 juli 2021 (CBb 20/607, 19/821, 20/630, 20/588, 20/609, 19/881, 19/933, 19/1626, 19/1864, 19/1787, 19/716, 19/863, 20/420, 19/1455 en 20/180): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, EP/geen sprake van individuele en buitensporige last, knelgevallenregeling, bevoegdheid, EVRM, peildatum, gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel, schadevergoeding, melding overdracht/ bijzondere omstandigheden
* 20 juli 2021 (CBb 19/1447): Awb, Wet dieren; handhaving, activiteiten bij het vangen en doden van in het wild levende ganzen, Bhd, Verordening 1099/2009 is niet van toepassing, Wnb, geen volledige beschikkingsmacht, het op de dood gerichte bedwelmen van de ganzen is geen diergeneeskundige handeling.
* 20 juli 2021 (ABRvS 202101118/2/R2): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, staken aanbieden van bedrijfsmatige parkeerplaatsen, luchthaven, strijd met bpl, bevoegdheid (Rb Oost-Brabant 20/2654 en 20/3258)
* 19 juli 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 21/1943): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid
* 19 juli 2021 (ABRvS 202102990/2/R4, 202102991/2/R4 en 202102993/2/R4): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, verwijderen bouwwerken, bedrijf, geen vergunning, strijd met bpl, geen zicht op legalisatie
* 19 juli 2021 (Rb Gelderland ARN 21/3145 en ARN 21/3171): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting perceel, drugslab, motivering, evenredigheid
* 16 juli 2021 (CBb 20/741): Awb, Msw; ontheffing fosfaatrecht, beslissingsruimte, gemiddelde dieraantal
* 15 juli 2021 (Rb Gelderland ARN 20/1725): Awb, Wro; planschade, tijdelijk genoten voordeel, taxatie, motivering
* 15 juli 2021 (ABRvS 202103486/3/R4): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, verwijderen bouwwerk, strijd met bpl, geen zicht op legalisatie (Rb Gelderland 21/2232 en 21/2114)
* 15 juli 2021 (ABRvS 202104554/2/A3): Awb, Wob; vovo, openbaarmaking van gegevens over alle agrarische bedrijven waarvoor een melding in het kader van het PAS is ingediend, onomkeerbaarheid (Rb Noord-Nederland 20/1980 en 20/1981)
* 15 juli 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 19/5107): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, huisvesten arbeidsmigranten in woning, beleidsregel
* 15 juli 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 21/1836): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid
* 15 juli 2021 (Rb Noord-Holland HAA 20/1866): Awb, Wabo, Wm; handhaving, bakkerij, strijd met bpl, geluid, Activiteitenbesluit
* 14 juli 2021 (Rb Rotterdam ROT 20/3041): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, dakopbouw, geen vergunning van rechtswege, ingebrekestelling, dwangsom ontvankelijkheid
* 14 juli 2021 (ABRvS 202101719/2/R4): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, appartementen in voormalig café, relatie bpl, schade aan bomen (Rb Midden-Nederland 19/5547)
* 14 juli 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 21/1774): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor kappen bomen, uitbreiding golfbaan, bomenbeleid, ecologische en milieuwaarde
* 14 juli 2021 (Rb Amsterdam AMS 20/4552): Awb, Mnw, Gmw; aanwijzing als gemeentelijk monument, advies CRK, cultuurhistorische, architectonische en stedenbouwkundige waarden
* 14 juli 2021 (Rb Amsterdam AMS 20/5744): Awb, BP; opleggen gedoogplicht, aanleg ondergrondse 150 kV-hoogspanningsverbinding, algemeen belang
* 13 juli 2021 (Rb Noord-Holland HAA 21/2435): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning, oplegging, monumentale muur, veiligheid, acuut gevaar
* 13 juli 2021 (Rb Overijssel AWB 21/1030): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting bedrijfspand, drugs, bevoegdheid
* 13 juli 2021 (Rb Gelderland ARN 20/1732): Awb, Wro; planschade, tijdelijk genoten voordeel, taxatie, motivering
* 13 juli 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/6799 GEMWT): Awb, Wabo, Gmw; bouwstop, retraitehotel, geen vergunning
* 13 juli 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/228 WABOA en BRE 20/229 WABOA): Awb, Wabo, Gmw; bouwstop/omgevingsvergunning voor kappen en bouwen, retraitehotel, Wet Bibob, geen vergunning
* 13 juli 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/2330 WABOA en BRE 19/2280 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor kappen bomen en bouwen, retraitehotel in voormalige klooster, Wet Bibob, samenwerkingsverband, adviezen, motivering, belanghebbende, ontvankelijkheid
* 13 juli 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/6221 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, bedrijfsruimte, geen strijd met bpl
* 8 juli 2021 (Rb Noord-Holland HAA 20/2979): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor werk, egaliseren grond, erfverharding, plaatsen tijdelijke tribunes F1 GP, duingebied, landschappelijke waarden, vvgb
* 7 juli 2021 (Rb Gelderland AWB 20/187): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor permanente bewoning recreatieverblijf en logiesfunctie voor gasten, belanghebbende, geen beoordeling ruimtelijke relevante aspecten
*! 5 juli 2021 (Rb Limburg ROE 20/1335): Awb, Wabo; verzoek om intrekking  omgevingsvergunning milieu, varkensstal met luchtwassers, rendement, Wgv/Rgv, actualiseringsplicht/BBT, hoge geurbelasting, motivering
* 5 juli 2021 (Rb Den Haag SGR 20/1185): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en maken in- en uitweg, winkel, geen strijd met bpl, parkeren, Natura 2000/relativiteit
* 2 juli 2021 (Rb Limburg ROE 20/674): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken en beperkte milieutoets, mini brouwerij binnen bestaand complex, geen toename koelinstallaties/veiligheid, parkeren
* 2 juli 2021 (Rb Limburg ROE 19/2602): Awb, Wnb; vaststelling natuurbeheerplan met wijzigingen, beheersubsidie
* 30 juni 2021 (Rb Limburg ROE 20/1307): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor werk en afwijken bpl, agrarische percelen naar tuin en speelweide, oude rechten
* 30 juni 2021 (Rb Limburg ROE 20/2387): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor kappen bomen, APV, snoei geen alternatief, herplantplicht onvoldoende concreet
* 29 juni 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 20/881 en UTR 21/244): Awb, Ww, Gmw; handhaving, dwangsommen, onderhoud woning, Bouwbesluit, overtreder
* 11 mei 2021 (Rb Limburg AWB 21/996): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, bevoegdheid, evenredigheid
* 29 maart 2021 (Rb Gelderland ARN 20/3682, ARN 20/2931 en ARN 20/2438): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, huisvesting arbeidsmigranten in recreatiewoningen, strijd met bpl, project Ariadne
* 29 maart 2021 (Rb Gelderland ARN 21/371): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, huisvesting arbeidsmigranten in recreatiewoningen, verkeer, parkeren, motivering, tussenuitspraak
* 22 februari 2021 (Gerecht in eerste aanleg van Curaçao CUR202100229): Lar; vovo, sommatie om gebouw te slopen, Monumentenlandsverordening, gebouw kan nog gerestaureerd worden, algemeen belang
* 2 februari 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/5447 WABOA en BRE 19/5448 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, kamergewijze verhuur, bestaand gebruik, motivering, goede ruimtelijke ordening, parkeren
* 29 januari 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/5898 WABOA): Awb, Wabo, Gmw; handhaving/vergunning, dwangsom/invordering, staken permanente bewoning recreatiewoning, strijd met bpl
* 28 januari 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/5071 WET): Awb, Wro; planschade
* 15 december 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/6040 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor brandveilig gebruik, ontvankelijkheid
* 11 december 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/2296 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, woningen, vvgb ontbreekt
* 4 december 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/8626 WABO): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, ontsluiting voor logistieke ontwikkeling, van rechtswege verleend, geen ingebrekestelling, ontvankelijkheid
* 19 november 2020 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/801 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor vellen bomen, APV
* 6 november 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/959): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, dakopbouw met dakkapellen, privacy, welstand
* 5 november 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/3823): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting bedrijfspand, bevoegdheid, geen spoedeisend belang
* 4 november 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/3350): Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, verwijderen kelder onder tuin, geen vergunning, hennepplantage, begunstigingstermijn

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 21 juli 2021 (ABRvS 202001553/1/R2): Awb, Wabo; buiten behandeling stellen aanvraag om omgevingsvergunning/weigering, nieuwe varkensstallen, rendement luchtwassers, eerder STAB-verslag, WUR, exceptieve toetsing (Rb Oost-Brabant 18/2275)
4.5.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris zich gelet op de resultaten van de steekproef van de WUR in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de combiluchtwassers in de praktijk niet het geurverwijderingsrendement haalden waar in de Rgv van werd uitgegaan. Zoals hiervoor onder 4.4 is overwogen bedroeg het gemiddelde geurverwijderingspercentage van de combiluchtwassers met 40% slechts de helft van het verwachte gemiddelde Rgv-reductieniveau, waarbij door de WUR een aanzienlijke spreiding in het verwijderingsrendement is gemeten. De staatssecretaris heeft gelet daarop in redelijkheid aanleiding kunnen zien om uit voorzorg de geuremissiefactoren in de Rgv gewijzigd vast te stellen. De staatssecretaris heeft daarbij, gezien de door de WUR gemeten geurrendementen en de aanname van de WUR dat gecombineerde luchtwassystemen wat betreft het werkingsprincipe vergelijkbaar zijn met enkelvoudige luchtwassystemen, besloten de geurreductiepercentages van gecombineerde luchtwassystemen in afwachting van nader onderzoek voorlopig gelijk te stellen aan die van enkelvoudige luchtwassystemen. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris in afwachting van de uitkomsten van nader onderzoek niet in redelijkheid bij de geurreductiepercentages van enkelvoudige luchtwassystemen heeft kunnen aansluiten. Gelet op de door de WUR gegeven toelichting over de werking van combiluchtwassers en anders dan [appellante] betoogt, is niet aannemelijk gemaakt dat de werking van combiluchtwassers zodanig afwijkend is van die van enkelvoudige luchtwassers, dat niet bij de geurreductiepercentages van enkelvoudige luchtwassers had kunnen worden aangesloten. Over het betoog van [appellante] dat de staatssecretaris minimaal had moeten uitgaan van een rendement van 40%, nu dat het gemiddelde geurverwijderingspercentage is dat uit het onderzoek van de WUR naar voren is gekomen, overweegt de Afdeling als volgt. De staatssecretaris heeft toegelicht dat het op dit moment lastig is om vast te stellen welk rendement de combiluchtwassers (kunnen) behalen, mede vanwege de grote spreiding in het verwijderingsrendement dat de WUR heeft gemeten. Daarom is nader onderzoek vereist naar de werking van combiluchtwassers, de factoren die mogelijk van invloed zijn op het rendement en de wijze waarop het rendement van deze luchtwassers kan worden gemeten en verbeterd. De Afdeling is van oordeel dat de staatssecretaris vooruitlopend op dat onderzoek en uit voorzorg met het oog op een goed woon- en leefklimaat van omwonenden van veehouderijbedrijven in redelijkheid heeft kunnen besluiten de geurreductiepercentages reeds bij te stellen naar het niveau dat aantoonbaar minimaal in de praktijk kan worden gehaald. Zoals ook blijkt uit de Nota van toelichting bij de wijziging van de Rgv (Stcrt. 2018, nr. 39679), heeft de staatssecretaris hiermee willen voorkomen dat, in afwachting van verder onderzoek, de geuremissie bij nieuwvestiging of uitbreiding van veehouderijen wordt berekend met te lage geuremissiefactoren, waardoor omwonenden aan een te hoge geurbelasting kunnen worden blootgesteld. Een te hoge geurbelasting kan voor omwonenden langdurig tot een slechter woon- en leefklimaat leiden.

# 21 juli 2021 (ABRvS 202000745/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor vellen bomen, procesbelang, Klimaatverdrag (Rb Noord-Nederland 19/564)
4.2.    Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 5, eerste lid, van het Klimaatverdrag verplichten de verdragsluitende staten tot het nemen van maatregelen om putten en reservoirs van broeikasgassen, waaronder bossen, in stand te houden en uit te breiden. Deze bepalingen richten zich aldus tot de verdragsstaten, die nationale klimaatplannen moeten opstellen. Deze bepalingen zijn niet onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig geformuleerd om op projectniveau zonder meer als objectief recht in de nationale rechtsorde door de rechter te worden toegepast. Dit betekent dat de Stichting zich in dit geval niet met succes kan beroepen op de onverenigbaarheid van de vergunningverlening met het Klimaatverdrag als zodanig.

Voor het oordeel dat de aan de kapvergunning verbonden herplantplicht en financiële compensatie niet toereikend zijn om de door de kap verloren gegane houtopstand binnen afzienbare tijd tot een gelijkwaardig niveau te herstellen, ziet de Afdeling voor het overige geen grond. Het college heeft uiteengezet dat de financiële compensatie van € 4.462,50 in verband met de verwijdering van de taxus in een groenfonds is gestort en dat uit dat fonds groenprojecten in de stad Groningen worden gefinancierd. Het college heeft hierover ter zitting verder toegelicht dat weliswaar niet 105 m² aan taxus zal worden herplant, maar dat met het gestorte bedrag wel een daarmee vergelijkbare hoeveelheid groen kan worden gerealiseerd in de stad. De Afdeling ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen.

De Afdeling ziet in wat de Stichting heeft aangevoerd ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de kap van de drie bomen zal leiden tot een vermindering van de houtopstand en het aanwezige bladerdek. In de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften is geregeld dat voor de te kappen drie bomen vijf bomen geplant moeten worden. Er zijn inmiddels zes bomen geplant dichtbij het Akerkhof. Uit het onderzoeksverslag van de STAB blijkt dat twee van de drie gekapte bomen een beperkte bladerkroon hadden. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding om te twijfelen aan de stelling van het college dat met het dubbel aantal herplante bomen de omvang van de houtopstand en het bladerdek binnen redelijke termijn gelijkwaardig zal zijn aan dat van de drie gekapte bomen.

Het betoog slaagt niet.

* 21 juli 2021 (ABRvS 202000647/1/R3): Awb, Wro; bpl, buitengebied, natuur, agrarische gebruik, herhaald overgangsrecht, provinciale omgevingsverordening, Natura 2000, gewasbeschermingsmiddelen, advies Gezondheidsraad, stikstofdepositie, weiden van vee, bemesten gronden
15.9.  Voor zover Vereniging Milieudefensie en andere hebben aangevoerd dat het plan de mogelijkheid biedt om het aantal dieren bij veehouderijen uit te breiden en dat de met deze uitbreiding samenhangende toename van het weiden van vee leidt tot een toename van mest en daarmee een toename van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden, heeft de Afdeling in haar uitspraak van 9 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3417 (Halderberge), overweging 17.2, overwogen dat het gegeven dat het weiden van vee onlosmakelijk samenhangt met de oprichting, exploitatie of uitbreiding van de stallen waarin het melkvee wordt gehouden, betekent dat de gevolgen van het weiden van vee bij de vaststelling van een bestemmingsplan moeten worden beoordeeld als een bestemmingsplan voorziet in de (nieuw)vestiging of uitbreiding van een melkveehouderij waarin het weiden van het melkvee onderdeel uitmaakt van de bedrijfsvoering.

Het plan verzet zich niet tegen een uitbreiding van veehouderijen of het houden van meer dieren in bestaande stallen. Op grond van de artikelen 3.5, aanhef en onder t, 4.5, aanhef en onder u, en 6.4, aanhef en onder j, van de planregels mag het gebruik van gebouwen en overkappingen ten behoeve van het houden van vee niet leiden tot een toename van de bestaande ammoniakemissie en/of de bestaande stikstofdepositie. Zoals hiervoor onder 15.8 is overwogen wordt in de artikelen 1.23 en 1.24 van de planregels, omtrent de begrippen bestaande ammoniakemissie en bestaande stikstofdepositie, niet aangesloten bij de juiste referentiesituatie, waardoor het plan kan leiden tot een toename van vee in stallen en overkappingen en daardoor in een toename van de stikstofdepositie vanwege het beweiden van vee ten opzichte van de referentiesituatie. Daarnaast voorzien de artikelen 3.6, aanhef en onder h, 4.6, aanhef en onder h en 6.5, aanhef en onder e, van de planregels in de mogelijkheid van intern salderen. Daarmee is het mogelijk dat ook ten aanzien van wat in het plan onder bestaande ammoniakemissie en bestaande stikstofdepositie wordt verstaan meer dieren in gebouwen en onder overkappingen kunnen worden gehouden, wat weliswaar binnen die gebouwen niet mag leiden tot een toename van de bestaande ammoniakemissie en de bestaande stikstofdepositie, maar wel kan leiden tot een toename van het aantal dieren in de wei. De gevolgen hiervan zijn niet onderzocht, hetgeen gelet op artikel 2.7, eerste lid, van de Wnb wel had gemoeten.

Ten tweede wordt in de artikelen 1.23 en 1.24 onder de bestaande ammoniakemissie onderscheidenlijk bestaande stikstofdepositie ook verstaan de ammoniakemissie onderscheidenlijk stikstofdepositie die het agrarische bedrijf op grond van een ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan onherroepelijk verleende natuurvergunning mag voortbrengen, mits deze vergunning staat vermeld in bijlage 1 van de planregels. De raad heeft met de verwijzing naar deze bijlage beoogd om de bedrijfssituatie waarvoor een natuurvergunning is verleend, planologisch mogelijk te maken. Voor zover in bijlage 1 wordt verwezen naar natuurvergunningen voor melkveebedrijven, waarin vee wordt gehouden in een stalsysteem dat het weiden van vee impliceert, en die natuurvergunningen wat dieraantallen betreft nog niet volledig zijn benut, maakt het plan een uitbreiding van die veebedrijven mogelijk. Als gevolg daarvan zou het aantal dieren dat wordt beweid ten opzichte van het ten tijde van de vaststelling van het plan aanwezig planologisch legaal gebruik van de gronden kunnen toenemen. De gevolgen van een toename moeten in een passende beoordeling worden betrokken. De Afdeling stelt vast dat de raad niet heeft onderzocht of de in de bijlage 1 opgenomen natuurvergunningen in een dergelijke toename van het te beweiden vee voorzien, en, indien dat wel geval is, of een dergelijke toename in de aan die natuurvergunningen ten grondslag gelegde passende beoordelingen is betrokken. Daarmee heeft de raad niet aangetoond dat is voldaan aan de vereisten van artikel 2.8, tweede lid, van de Wnb.

15.10. Wat betreft het betoog van Vereniging Milieudefensie en andere dat de gevolgen van de stikstofdepositie vanwege het uitrijden van mest ten onrechte niet passend zijn beoordeeld, is de Afdeling in haar uitspraak van 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:212, ingegaan op de vraag onder welke omstandigheden de gevolgen van bemesting van agrarische gronden in het kader van de vaststelling van een bestemmingsplan onderzocht dienen te worden vanwege de eventuele gevolgen daarvan voor beschermde natuurgebieden. Overwogen is dat een onderzoek in ieder geval nodig is wanneer het vorige plan voor onbebouwde gronden niet in een bestemming voor agrarisch grondgebruik voorzag en het nieuwe plan daar voor diezelfde onbebouwde gronden wel in voorziet. In een dergelijk geval is sprake van een ruimtelijke ontwikkeling die gepaard gaat met een bemesting van gronden en waarvan de gevolgen voor beschermde natuurgebieden in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan moeten worden onderzocht. Van een ruimtelijke ontwikkeling is ook sprake wanneer zowel het vorige als het nieuwe plan voor dezelfde onbebouwde gronden in een bestemming voor agrarisch grondgebruik voorzien, maar die bestemming onder het vorige plan niet is verwezenlijkt omdat die onbebouwde gronden onder het vorige plan niet voor agrarisch grondgebruik werden gebruikt. Wanneer de bestemming voor agrarisch grondgebruik van onbebouwde gronden in het vorige plan wel is verwezenlijkt in die zin dat de gronden agrarisch werden gebruikt, en het nieuwe plan voor diezelfde onbebouwde gronden ook voorziet in een bestemming voor agrarisch grondgebruik, is géén sprake van een ruimtelijke ontwikkeling. In dat geval bestaat er voor de raad dan ook geen aanleiding om de gevolgen van de bestemmingsregeling voor de onbebouwde agrarische gronden, inclusief het bemesten ervan, voor Natura 2000-gebieden te onderzoeken, aldus de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2020. Vereniging Milieudefensie en andere hebben geen concrete percelen genoemd die thans, anders dan voorheen, zijn bestemd voor agrarisch gebruik of die voorheen weliswaar daarvoor waren bestemd, maar niet als zodanig in gebruik waren. In zoverre hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waarvan de gevolgen van het daarmee gepaard gaande bemesten voor Natura 2000-gebieden hadden moeten worden onderzocht.

15.11. Gelet op hetgeen hiervoor onder 15.8 en 15.9 is overwogen heeft de raad niet de zekerheid verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden niet zal aantasten. Nu artikel 71.1, onder h, van de planregels geldt als grenswaarde voor de gebruiksruimte van alle in het plan opgenomen bestemmingen, ziet de Afdeling aanleiding het gehele plan te vernietigen. Het plan is naar het oordeel van de Afdeling vastgesteld in strijd met artikel 2.7, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 2.8, eerste en derde lid, van de Wnb. Gelet hierop behoeft wat Vereniging Milieudefensie en andere voor het overige in dit verband hebben aangevoerd geen bespreking meer.

Het betoog slaagt.

* 20 juli 2021 (CBb 19/1447): Awb, Wet dieren; handhaving, activiteiten bij het vangen en doden van in het wild levende ganzen, Bhd, Verordening 1099/2009 is niet van toepassing, Wnb, geen volledige beschikkingsmacht, het op de dood gerichte bedwelmen van de ganzen is geen diergeneeskundige handeling
5.2   [naam 1] neemt wilde ganzen uit de natuur weg met het doel hen te doden. [naam 1] drijft de ganzen op in de vangkooi. Vanuit deze vangkooi werden groepen van ongeveer 250 ganzen de trailer ingedreven, waarin CO₂ werd verspreid. Dit proces duurde ongeveer 5 minuten per groep. De ganzen verblijven dus relatief korte tijd in de vangkooi en dit verblijf vormt een vaste schakel in de keten van handelingen met als (enig) doel het doden van ganzen. Gelet op dit korte tijdsbestek en dit doel, kan het wegnemen van de in het wild levende ganzen uit de natuur op één lijn gesteld worden met jacht. De omstandigheid dat in artikel 3.20 van de Wnb ganzen niet worden genoemd als dieren waarop jacht is toegestaan, maakt vorenstaande niet anders. Immers, ook het op de Wnb gebaseerde stelsel van ontheffingen bestaat uit specifieke voorschriften, hetgeen aansluit bij de tekst in punt 14 van de considerans van Verordening 1099/2009 over het bestaan van specifieke wetgeving voor jacht. Verder ligt het niet voor de hand dat de communautaire wetgever met het begrip jacht in Verordening 1099/2009 een andere uitleg van het begrip ‘jacht’ voor ogen had dan met datzelfde begrip in Verordening 178/2002. Reeds bij uitspraak van 12 november 2019 (overweging 8) heeft het College beslist dat de activiteiten van [naam 1] op één lijn gesteld kunnen worden met ‘jacht’ in de zin van Verordening 178/2002. De Vogelrichtlijn bevat geen definitie van jacht en biedt ook verder geen aanknopingspunten voor de vraag wanneer sprake is van jacht. Verordening 1099/2009 is dus niet van toepassing. De daarop betrekking hebbende beroepsgronden falen.
6.2   De scheidslijn tussen wilde dieren en door de mens gehouden dieren verloopt vloeiend. Waar die grens ligt wordt bepaald door de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij speelt mede een rol de duur van de gevangenhouding van de dieren en het oogmerk waarmee zij gevangen worden gehouden. Gelet op de relatief korte tijd dat de ganzen in de vangkooi verblijven en het doel waarmee zij daarin gevangen worden gehouden, is het College van oordeel dat [naam 1] niet de volledige beschikkingsmacht heeft over de gevangen ganzen. Het zijn dus geen door [naam 1] gehouden dieren en de normen in de Wet dieren en het Bhd die zien op gehouden dieren, missen hier toepassing. De daarop betrekking hebbende beroepsgronden falen.
7.4   [naam 1] dient in eerste instantie een lage concentratie CO2 toe die de ganzen in een staat van bewusteloosheid brengt en verhoogt vervolgens de concentratie dusdanig dat de ganzen komen te overlijden. De wetsgeschiedenis maakt duidelijk dat het doden van dieren geen diergeneeskundige handeling is. Het bedwelmen vormt een onverbrekelijk onderdeel van het proces van het doden van de ganzen en heeft geen ander doel dan het doden van de ganzen. Daarmee is het op de dood gerichte bedwelmen van de ganzen door [naam 1] geen diergeneeskundige handeling. Verweerder heeft dus gelijk dat [naam 1] artikel 2.9 van de Wet dieren niet overtreedt.

* 20 juli 2021 (ABRvS 202101118/2/R2): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, staken aanbieden van bedrijfsmatige parkeerplaatsen, luchthaven, strijd met bpl, bevoegdheid (Rb Oost-Brabant 20/2654 en 20/3258)
5.       De voorzieningenrechter is met de rechtbank van oordeel dat met het aanbieden van bagagekluizen, flexwerkplekken en andere diensten voor een langere periode dan één dag, in combinatie met het aanbieden van een parkeerplaats met het oog op het reizen van of naar Eindhoven Airport, het accent ligt op het uitoefenen van een parkeerbedrijf als bedoeld in de planregels. De rechtbank heeft hierbij naar oordeel van de voorzieningenrechter terecht onderscheid gemaakt tussen de situatie waarin een klant daadwerkelijk gebruik maakt van de diensten die door Lock & Fly worden aangeboden als een flexwerkplek en de auto slechts zolang parkeert als hij daarvan gebruik maakt, en de situatie waarin een klant de auto langdurig laat staan en van die diensten niet of nauwelijks daadwerkelijk gebruik maakt, zodat die diensten in economisch opzicht ondergeschikt moeten worden geacht aan het parkeren.

In dat laatste geval is ook naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter sprake van een parkeerbedrijf omdat het accent dan ligt op parkeren en niet op de andere diensten.

Mede gezien de locatie van de parkeerplaatsen, op loopafstand van het vliegveld, is naar voorlopig oordeel in dat geval aannemelijk dat het hoofddoel van de bezoekers zal zijn gelegen in het verkrijgen van een parkeerplaats ten behoeve van een vlucht.

Met de rechtbank oordeelt de voorzieningenrechter dan ook dat in dat geval sprake is van een overtreding waartegen het college in beginsel bevoegd is handhavend op te treden. Anders dan Lock & Fly betoogt, is het aantal parkeerplaatsen waarvan het college bij het dwangsombesluit is uitgegaan, niet van belang. Het gaat om het gebruik van parkeerplaatsen dat niet is toegestaan en niet om een aantal.

Het betoog kan niet slagen.

*! 5 juli 2021 (Rb Limburg ROE 20/1335): Awb, Wabo; verzoek om intrekking  omgevingsvergunning milieu, varkensstal met luchtwassers, rendement, Wgv/Rgv, actualiseringsplicht/BBT, hoge geurbelasting, motivering
14.   De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de geurnormen uit de Wgv bij een aantal woningen, waaronder die van eiser, zullen worden overschreden, indien de geurbelasting wordt berekend met toepassing van het vastgestelde lagere rendement van het vergunde luchtwassysteem. De vraag of de gevolgen voor het milieu, in dit geval specifiek de geurbelasting die zal optreden in de omgeving van de inrichting (bij eiser en/of andere omwonenden), ontoelaatbaar nadelig zijn, heeft verweerder echter niet beantwoord. In zoverre berust het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet op een deugdelijke motivering.

Verweerders verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 11 juli 2018 maakt dat niet anders. Ten tijde van het besluit van 30 augustus 2016 was immers nog geen sprake van een wijziging van de Rgv en omdat de Afdeling moest uitgaan van de feiten en omstandigheden zoals die waren op het moment waarop dit besluit werd genomen (‘ex tunc’ beoordeling), heeft de Afdeling geoordeeld dat een (eventuele toekomstige) wijziging van de Rgv geen invloed heeft op het oordeel over de rechtmatigheid van het besluit tot vergunningverlening. Dat de wijziging van de Rgv nimmer kan leiden tot het intrekken van een onherroepelijke omgevingsvergunning kan daarom niet uit de uitspraak van 11 juli 2018 worden afgeleid. Dit nog daargelaten het feit dat in die uitspraak het aspect geur in relatie tot de Wgv niet is beoordeeld nu noch de daaraan voorafgaande rechtbankuitspraak noch de daar tegen ingestelde hoger beroepen betrekking hadden op de toepassing van de Wgv.

  1. Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd en dat verweerder een nieuw besluit zal moeten nemen op het verzoek om intrekking, waarbij verweerder moet beoordelen of de geurbelasting als gevolg van de vergunde inrichting ontoelaatbaar nadelig is. Daarbij gaat het niet alleen om de gevolgen van de vergunde inrichting voor eiser, maar om de gevolgen voor het milieu, dus om de geurbelasting voor de omgeving van de inrichting waarin niet alleen eiser maar ook andere omwonenden wonen.

16.   Nu verweerder niet heeft beoordeeld en daarmee niet duidelijk is of de inrichting ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt of dreigt te veroorzaken, wordt niet toegekomen aan de vraag of die gevolgen kunnen worden voorkomen door een wijziging van de voorschriften van de omgevingsvergunning. Verweerder zal eerst een standpunt moeten innemen over die eerste vraag, dus of de gevolgen ontoelaatbaar nadelig zijn, en vervolgens moeten beoordelen of, indien daarvan sprake is, die gevolgen door wijziging van de voorschriften kunnen of moeten worden beperkt en of dit voldoende oplossing biedt. Indien verweerder tot de conclusie komt dat geen sprake is van ontoelaatbaar nadelige gevolgen, zal verweerder moeten beoordelen of wel sprake is van een nadelige situatie die noopt tot wijziging van de voorschriften (actualisering). De rechtbank acht het echter niet opportuun het huidige standpunt van verweerder dat er op dit moment geen geschikte maatregelen ter vermindering van de geuroverlast zijn, nu te beoordelen omdat verweerder eerst de vraag zal moeten beantwoorden of de gevolgen ontoelaatbaar nadelig zijn en in dat verband of intrekking van de vergunning aangewezen is. Pas daarna kan aan de vervolgvraag worden toegekomen.