Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 11 augustus 2021 (ABRvS 202100517/1/R3): Awb, Wro; bpl, woningen en sport- en speelvoorzieningen, parkeren, verkeer
* 11 augustus 2021 (ABRvS 202100431/1/R4): Awb, Wro, Wabo; bpl/omgevingsvergunning voor bouwen, woningen, VNG-brochure/onderzoek kunnen voldoen aan geluidnormen, tussenuitspraak
* 11 augustus 2021 (ABRvS 202006464/1/R1): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, exploitatie horeca, strijd met bpl, bewijslast (Rb Noord­-Holland 20/4828 en 20/3279)
* 11 augustus 2021 (ABRvS 202006003/1/A3): Awb, Zondagswet; handhaving, geluidhinder buren (Rb Limburg 20/485)
* 11 augustus 2021 (ABRvS 202005955/1/R1): Awb, Wm; aanwijzing locatie ondergrondse restafvalcontainer, afvalstoffenverordening, alternatieve locatie
* 11 augustus 2021 (ABRvS 202005173/1/A2): Awb, Wro; planschade, glastuinbouw (Rb Den Haag 19/1821)
* 11 augustus 2021 (ABRvS 202004412/1/R4): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, intrekking dwangsom, fietsenwinkel, nevenactiviteit bij autobedrijf, SBI, strijd met bpl (Rb Midden-Nederland 19/92)
* 11 augustus 2021 (ABRvS 202004051/1/R4): Awb, Wro; bpl, landelijk gebied, veegplan, woon-/zorgcomplex, belanghebbende, gevolgen voor camping, Wnb/relativiteit, geitenhouderij/moratorium, provinciale omgevingsverordening, recreatiewoning
* 11 augustus 2021 (ABRvS 202003008/1/R4): Awb; gang van zaken rond bouw van 2 blokhutten, ontvankelijkheid (Rb Gelderland 18/6679)
* 11 augustus 2021 (ABRvS 202002555/1/R4): Awb, Wro; bpl, bewoning kantoorpand, VNG-brochure, geluidzone, dove gevel, woon- en leefklimaat
* 11 augustus 2021 (ABRvS 202002400/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, woningen, strijd met bpl, welstand, criteria BKP (Rb Overijssel 19/1486)
* 11 augustus 2021 (ABRvS 202001721/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning beperkte milieutoets, legkippen naar geiten, m.e.r., volksgezondheid, VOG/GGD  (Rb Limburg 19/1274)
* 11 augustus 2021 (ABRvS 202001449/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, wooneenheden in kantoor, Wgh/voorkeurswaarde, Mor/gegevens, brandcompartimentering
* 11 augustus 2021 (ABRvS 202001447/1/R4): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, wooneenheden in kantoorpand, geen vergunning, strijd met bpl, zicht op realisatie, Wgh/dove gevels/realisatie (Rb Gelderland 19/1708)
* 11 augustus 2021 (ABRvS 202000648/1/R1): Awb, Wro; bpl, recreatie-eiland, belanghebbende, parkeren/CROW/onderzoek
* 11 augustus 2021 (ABRvS 201908219/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en milieu, varkensstal, belanghebbende, luchtwassers, Wgv/Rgv, emissiefactoren, V-stacksberekening, achtergrondbelasting (Rb Limburg 18/39)
* 10 augustus 2021 (CBb 19/1793, 20/540, 20/259, 20/611 en 19/1287): Awb, Msw; vaststelling/herziening fosfaatrecht, EP/geen sprake van individuele en buitensporige last, knelgevallenregeling, Beleidsregel fosfaatrechten jongvee/strijd met de wet, bevoegdheid, EVRM, schadevergoeding, tussenuitspraak
* 10 augustus 2021 (ABRvS 202103916/2/R3): Awb, Wro; vovo, bpl, bedrijventerrein, geen spoedeisend belang
* 9 augustus 2021 (Rb Den Haag SGR 21/3079 en 21/4116): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, appartementen, CHW, verkeer, geluid
* 9 augustus 2021 (ABRvS 202102213/2/R3): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, supermarkt, uitbreiding sportclubs (Rb Noord-Nederland 19/1984, 19/1986 en 19/1994)
* 9 augustus 2021 (ABRvS 202102933/2/R3): Awb, Wro; vovo, bpl, woningen op terrein zorginstelling, raadsamendement, verkeer/model, geluid
* 6 augustus 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/6497 WABOA en BRE 20/6604 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, geluidschermen, welstand, nieuw bpl, motivering
* 6 augustus 2021 (Rb Overijssel ZWO 20/1106): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, supermarkt, belanghebbende, ontvankelijkheid
* 5 augustus 2021 (Rb Noord-Holland HAA 21/3107): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor aanleggen, 20 kV-elektriciteitsverbinding, Bor, handhaving, uitsluiting vergunningplicht van ondergrondse leidingstelsels
* 5 augustus 2021 (Rb Gelderland ARN 21/3177): Awb, Gmw; vovo. tijdelijke terrasvergunning café, deels voor pand van ander, beleidsregels, afwijking, motivering
* 5 augustus 2021 (Rb Gelderland ARN 20/6057): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor aanleggen, kerstbomenteelt, inpassingsmaatregelen, landschappelijke en natuurlijke waarden, bpl, motivering
* 5 augustus 2021 (Rb Gelderland ARN 20/6058): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, kerstbomenteelt, geen vergunning, zicht op legalisatie
* 3 augustus 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/2869 OPIUMW VV): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid
* 3 augustus 2021 (Rb Overijssel ZWO 20/1910): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, bedrijfspand naar woningen, aanhouden, voorbereidingsbesluit
* 3 augustus 2021 (Rb Overijssel ZWO 21/999): Awb, Wnb; handhaving, dwangsom, zand- en grindbedrijf, geen vergunning, referentiedatum, motivering
* 2 augustus 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/2627 OPIUMW VV): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid
* 30 juli 2021 (Rb Noord-Holland HAA 19/5040, HAA 19/5041 en HAA 19/5042): Awb, Wabo; intrekking deel milieuvergunning en voorschriften op verzoek, belanghebbenden, staken productie geurstoffen, gevaarlijke stoffen, geen veranderingsvergunning
* 30 juli 2021 (Rb Noord-Holland HAA 20/1988): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, verbouwing postkantoor, belanghebbende, ontvankelijkheid, uitzicht, privacy
* 30 juli 2021 (Rb Limburg ROE 21/626): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, woning, afwijken vergunning, vergunningvrije activiteiten
* 29 juli 2021 (Rb Overijssel AWB 21/983, 21/984 en 21/1041): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, dwangsommen, houden van duiven, zelfstandige gebruiksfunctie, strijd met bpl, geen vergunning, begunstigingstermijn
* 29 juli 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/945 WABOA en BRE 20/946 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, tijdelijk gebruik als volkstuin, geen vergunning aangevraagd voor bouwen
* 29 juli 2021 (Rb Rotterdam ROT 20/173, ROT 20/982 en ROT 20/983 en ROT 20/436): Awb, Wet dieren, Msw; handhaving, boetes, mesttransport, dierlijke bijproducten, documenten/certificaten
* 28 juli 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 20/3244): Awb; schadevergoeding, mijnbouwschadebesluit staat vast, verder geen onrechtmatig besluit of niet tijdig nemen besluit
* 28 juli 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 20/3155): Awb, Mbw; mijnbouwschade, gaswinning, bewijsvermoeden, deskundigen, bevoegdheid schades
* 26 juli 2021 (Rb Den Haag SGR 21/4415): Awb, Gmw; vovo, evenementenvergunning, draai- en zweefmolen, procedure, geluid, rustweek
* 23 juli 2021 (Rb Limburg ROE 20/2840): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, vervangen van bedrijfsloods door nieuwbouw en realiseren transportgang, geen strijd met beheersverordening, Activiteitenbesluit
* 23 juli 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/3157 VV): Awb, Wabo; vovo, intrekken omgevingsvergunning/bouwstop, windturbines, onherroepelijke vergunning
* 23 juli 2021 (Rb Limburg ROE 20/3467): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, tijdelijk plaatsen van berging, tuinspullen en houden van bijen, veiligheid, APV, alternatieve locatie
* 23 juli 2012 (Rb Limburg ROE 20/105): Awb, Wro; planschade, verkeersweg, actieve risicoaanvaarding, (doorbreking) voorzienbaarheid
* 22 juli 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/1800 WET VV en BRE 20/10233 WET): Awb, Waterwet, Gmw; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsommen, woonboot en voorzieningen, strijd met Waterbesluit en -regeling, meldingen, bevoegdheid, evenredigheid, begunstigingstermijn
* 22 juli 2021 (Rb Zeeland-Wets-Brabant BRE 21/2173 WATER VV en BRE 21/2376 WATER): Awb, Waterwet; vovo en kortsluiten, vergunning, woonboot met voorzieningen, beleidsregels, rivierbed, riviergebonden activiteiten, bevoegdheid
* 22 juli 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/2598 OPIUM VV): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid
* 22 juli 2021 (Rb Den Haag SGR 19/3373): Awb, Wabo; handhaving, gebruik loods/garage, beheersverordening, overgangsrecht, motivering
* 21 juli 2021 (Rb Limburg ROE 20/631): Awb, Waterwet; vergunning, onttrekken water uit een beek voor paddenpoel, Keur, beleid
* 21 juli 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 18/4820): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, weigering, onoverzichtelijk vergunningenbestand, noodzaak revisievergunning
* 21 juli 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/2774 OPIUMW VV): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning met erf, drugs, bevoegdheid
* 16 juli 2021 (Rb Limburg ROE 21/1571): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, hennepplantage, bevoegdheid
* 15 juli 2021 (Rb Overijssel AWB 21/1043): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en aanleggen, mountainbikeroute, relatie bpl en Wnb
* 13 juli 2021 (Rb Den Haag SGR 21/4310): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, voetbalkooi, geluid, motivering
* 12 juli 2021 (Rb Den Haag SGR 20/6989): Awb, Wnb; vergunning, woningen, Natura 2000, relativiteit
* 9 juli 2021 (Rb Limburg ROE 19/1440 en ROE 19/2975): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsommen, invordering, gebruik woning, Airbnb/toeristen, strijd met bpl, pilot, bevoegdheid
* 7 juli 2021 (Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba AUA202101425 LAR): Lar; vovo, hindervergunning, vuilverbrandingsinstallatie, gezondheid, procedure, Hinderverordening, openbaarmaking stukken/Lob
* 6 juli 2021 (Rb Den Haag SGR 20/1057; SGR 20/1059; SGR 20/1061): Awb, Wabo; reactieve aanwijzing, omgevingsvergunning voor zonneveld, provinciale omgevingsvisie en omgevingsverordening, motivering
* 1 juli 2021 (Rb Den Haag SGR 19/4677): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijkend gebruik, ruimte als woning, motivering
* 22 juni 2021 (Rb Den Haag SGR 20/5389): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor kappen, belanghebbende, ontvankelijkheid
* 4 juni 2021 (Rb Amsterdam AMS 21/2533 en AMS 21/2534): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, steiger en dekschuit voor opslag van watergebonden goederen, voorgeschiedenis, negatieve effecten voor omgeving
* 1 juni 2021 (Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba CUR201601517 – CUR2019H00353): BW; aansprakelijkstelling Land Curaçao voor luchtverontreiniging benedenwinds industrieterrein, olieraffinaderij, schending artikel 8 EVRM, toepasselijkheid WHO-normen
* 31 mei 2021 (Rb Den Haag SGR 20/1936): Awb, Gmw; handhaving, plaatsing slagbomen, belanghebbende, ontvankelijkheid
* 25 mei 2021 (Rb Den Haag SGR 20/3335): Awb, Wabo; buiten behandeling stellen aanvraag omgevingsvergunning, verbouwing woning, geen aanvullende informatie overgelegd
* 19 mei 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/8930 GEMWT en BRE 20/8945 GEMWT): Awb, Gmw; handhaving, proceskosten
* 24 maart 2021 (Rb Amsterdam AMS 20/2865, AMS 20/2937 en AMS 20/3056): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, herbouw recreatiehuisje, vloeroppervlakte, strijd met bpl
* 17 november 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/672): Awb, Opiumwet, Gmw; handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid, evenredigheid
* 11 november 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/1265): Awb, Wvw; verkeersbesluit, heropening viaduct, geluid, luchtkwaliteit, verkeersveiligheid, motivering

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 11 augustus 2021 (ABRvS 202006003/1/A3): Awb, Zondagswet; handhaving, geluidhinder buren (Rb Limburg 20/485)
5.       Bij verzoek van 29 september 2019 heeft [appellant] de gemeente verzocht handhavend op te treden tegen de buren, omdat zij in de maanden april tot en met oktober op zondagen vanaf 8.30 uur werken met grasmaaiers, kettingzagen en andere machines. Allereerst overweegt de Afdeling in dit kader dat artikel 3, eerste lid, van de Zondagswet geen algemeen gebod bevat om zich op zondagen van iedere activiteit en elk gerucht te onthouden.

Of het zoals in dit geval in de maanden april tot en met oktober op zondagen vanaf 8.30 uur werken met grasmaaiers, kettingzagen en andere machines een overtreding oplevert van artikel 3, eerste lid, van de Zondagswet, moet blijken uit onderzoek naar het hiervan ondervonden geluid. Zoals de rechtbank heeft overwogen blijkt uit de wetsgeschiedenis van de Zondagswet dat artikel 3 van de Zondagswet niet beoogt een regeling te geven waardoor een rustlievend burger tegen een rumoerige buurman wordt beschermd. De regeling heeft tot doel rumoer in het openbare leven zoveel mogelijk te voorkomen. Daarvoor is de afstand van 200 meter met het oog op alle in het geding zijnde factoren een acceptabele grens bevonden (Handelingen II 1952-1953, blz. 2505). Om van een overtreding van artikel 3, eerste lid, van de Zondagswet te kunnen spreken is dan ook vereist dat het geluid op een afstand van meer dan 200 meter hoorbaar is. Niet is hier gebleken dat het geluid op een afstand van meer dan 200 meter hoorbaar is. [appellant] heeft in bezwaar aangekondigd geluidsmetingen te laten uitvoeren, maar hier uiteindelijk niets meer over ingebracht. De Afdeling heeft verder geen aanknopingspunten om te concluderen dat hier van rumoer in het openbare leven kan worden gesproken.

* 11 augustus 2021 (ABRvS 202004412/1/R4): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, intrekking dwangsom, fietsenwinkel, nevenactiviteit bij autobedrijf, SBI, strijd met bpl (Rb Midden-Nederland 19/92)
4.2.    De hoofdactiviteiten van [bedrijf C] bestaan uit de handel in personenauto’s en lichte bedrijfsauto’s, de verhuur, lease en reparatie van personenauto’s en lichte bedrijfsauto’s en de handel in automaterialen. Daarnaast wordt, in een apart pand, een fietsenwinkel geëxploiteerd, waar elektrische en niet-elektrische fietsen en aanverwante artikelen (fietsaccessoires) worden verkocht. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de verschillende vennootschappen die de bedrijfsactiviteiten uitvoeren, zodanig met elkaar zijn verweven, dat in feite sprake is van één onderneming die wordt uitgeoefend op een gezamenlijk bedrijfsterrein (de percelen [locatie 1] en [locatie 2]). De rechtbank heeft, gelet op de overgelegde omzetcijfers, eveneens terecht geoordeeld dat de fietsenwinkel een ondergeschikt bestanddeel is van de totale bedrijfsuitoefening. Over de vraag of de fietsenwinkel een normaal bestanddeel is van de totale bedrijfsuitoefening overweegt de Afdeling het volgende.

De standaardbedrijfsindeling 2008 (SBI), die ten grondslag ligt aan de Staat van Bedrijfsactiviteiten, onderscheidt de categorie “Handel in en reparatie van auto’s, motorfietsen en aanhangers (45) en “Detailhandel (niet auto’s)” (47), waaronder “Winkels in fietsen en bromfietsen”. In de toelichting op de SBI wordt omschreven wat daar wel en niet toebehoort. De SBI noch de toelichting bieden aanknopingspunten voor het oordeel dat de handel in (elektrische) fietsen en fietsaccessoires als normaal bestanddeel van een autobedrijf kan worden beschouwd. Evenmin kan dat oordeel worden gebaseerd op maatschappelijke opvattingen of maatschappelijke ontwikkelingen. Dat beide branches zich richten op mobiliteit en duurzaamheid en combinatie van auto- en fietshandel zou passen binnen de doelen en missies van verschillende brancheorganisaties, is daarvoor onvoldoende. De fietsenwinkel kan dan ook niet worden aangemerkt als een normaal bestanddeel van de totale bedrijfsuitoefening van [bedrijf C], als bedoeld in het bestemmingsplan.

Het betoog slaagt.

* 11 augustus 2021 (ABRvS 202002555/1/R4): Awb, Wro; bpl, bewoning kantoorpand, VNG-brochure, geluidzone, dove gevel, woon- en leefklimaat
5.3.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld onder 2.7.4 van de uitspraak van 25 juni 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AH7186), zijn de afstanden uit de VNG-brochure bedoeld voor nieuwe situaties en niet voor de toetsing van bestaande situaties. In bestaande situaties kan de brochure evenwel een indicatie geven van de mate van hinder bij bestaande conflictsituaties.

Ter plaatse van het plangebied is sprake van een bestaande planologische situatie omdat het voorheen geldende bestemmingsplan wonen, onder voorwaarden, mogelijk maakte.

5.4.    Op het naast het plangebied gelegen industrieterrein Nijmegen Kanaalhavens zijn bedrijven van milieucategorie 4.2 toegestaan. Niet in geschil is dat de op de VNG-brochure gebaseerde richtafstand tot bedrijven van milieucategorie 4.2 200 m bedraagt. In dit geval is de afstand van het plangebied tot het industrieterrein Nijmegen Kanaalhavens ongeveer 50 m. Gelet op die relatief korte afstand heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bestemming “Wonen” in het plangebied niet verenigbaar is met een goed woon- en leefklimaat. De raad heeft zijn standpunt ook voldoende gemotiveerd en daarbij niet alleen gekeken naar het aspect geluid, maar ook naar andere hinderaspecten.

Dat er mogelijk aan de voorkeurswaarden uit de Wgh kan worden voldaan door het gebruik van een dove gevel, maakt niet dat er wel een goed woon- en leefklimaat is, alleen al omdat een goed woon- en leefklimaat behalve op geluidhinder ook moet worden beoordeeld aan de hand van andere hinderaspecten.

Het betoog slaagt niet.

* 5 augustus 2021 (Rb Noord-Holland HAA 21/3107): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor aanleggen, 20 kV-elektriciteitsverbinding, Bor, handhaving, uitsluiting vergunningplicht van ondergrondse leidingstelsels
7. De voorzieningenrechter zal eerst beoordelen of artikel 2, aanhef en onder achttien en onder d van Bijlage II van het Bor met zich mee brengt dat geen omgevingsvergunning is vereist voor het aanbrengen aldaar en/of de gronden gebruiken voor het hebben van die elektriciteitsverbindingen.

  1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat voor die activiteit geen omgevingsvergunning is vereist en baseert dit oordeel op de volgende argumentatie. Artikel 2, aanhef en onder achttien, van Bijlage II Bor ziet op het bouwen van bouwwerken ten behoeve van de infrastructuur of openbare (nuts)voorzieningen en bevindt zich in Hoofdstuk II, Categorieën gevallen waarin voor bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten geen omgevingsvergunning is vereist. In de aanhef van artikel 2 zijn de activiteiten waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist, afgebakend tot (alle) activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de Wabo. In het achttiende onderdeel is die vrijstelling nader omschreven. Niet in geschil is dat de (ondergrondse) leidingen geen bouwwerk zijn waaraan in de aanhef van onderdeel achttien primair wordt gerefereerd. Hoewel in onderdeel achttien weliswaar primair wordt aangesloten bij bouwwerken, zijn toch in onderdeel d ook ondergrondse leidingen vergunningvrij verklaard, zonder een beperking tot ondergrondse leidingen die tevens bouwwerk zijn. Mede gelet op de door Liander aangehaalde Nota van toelichting bij het Besluit omgevingsrecht, waarbij dit onderdeel is ingevoerd en waar de besluitgever toelicht dat ook grotere doorvoerleidingen vergunningvrij (kunnen) zijn, en het feit dat uit de titel van het Hoofdstuk waarin het bedoelde artikel 2 is opgenomen en de aanhef van het artikel, volgt – ondanks de moeizame formulering van de aanhef van het onderdeel achttien – dat dat de besluitgever bedoeld heeft vergunningplicht in verband met bestemmingsplanregels voor ondergrondse leidingstelsels geheel uit te sluiten. De voorzieningenrechter leidt hieruit af dat het aanleggen van leidingen zoals hier aan de orde niet vergunningplichtig is. Dat betekent dat er in het kader van artikel 2.7 Awb, het artikel dat ziet op het aanvragen van omgevingsvergunningen voor onlosmakelijke activiteiten, geen verplichting kan zijn voor Liander ook een vergunning voor afwijkend gebruik van het bestemmingsplan aan te vragen. Voorts is er om dezelfde geen grond voor preventief handhavend optreden door verweerder tegen de voorgenomen aanleg en het hebben van de verbindingen op de percelen van verzoekers. De (andere) verweren van Liander, wat daar ook van zij, kan de voorzieningenrechter daarom onbesproken laten.* 30 juli 2021 (Rb Noord-Holland HAA 19/5040, HAA 19/5041 en HAA 19/5042): Awb, Wabo; intrekking deel milieuvergunning en voorschriften op verzoek, belanghebbenden, staken productie geurstoffen, gevaarlijke stoffen, geen veranderingsvergunning
    8.2 Verweerder stelt dat de aanvraag moet worden aangemerkt als een verzoek tot gedeeltelijke intrekking van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.33, tweede lid, onder b, van de Wabo en als een verzoek tot wijziging van een vergunningsvoorschrift als bedoeld in artikel 2.31, tweede lid, onder b, van de Wabo. Van een aanvraag om een veranderingsvergunning is geen sprake. Daarom is een toets aan artikel 2.14 van de Wabo niet aan de orde.

8.3   De rechtbank stelt vast dat verweerder zijn medewerking aan de wijziging van de voorschriften heeft gebaseerd op de artikelen 2.33, tweede lid, onder b, en artikel 2.31, tweede lid, onder b, van de Wabo. De rechtbank begrijpt de stelling van eiseressen sub 1 en 2 zo dat de wijziging niet onder toepassing van voornoemde artikelen mocht worden bewerkstelligd maar dat zou moeten worden beoordeeld of middels een veranderingsvergunning aan de wijziging zou kunnen worden meegewerkt. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Door de beoogde wijziging is geen sprake van een verandering van de werking van de inrichting die niet mogelijk is zonder de grondslag van de aanvraag uit 2005 te verlaten. De bij het bestreden besluit beoogde wijziging heeft immers tot gevolg dat de bij de veranderingsvergunning van 23 februari 2007 verleende uitbreiding van de hoeveelheid gevaarlijke stoffen binnen de inrichting wordt teruggedraaid naar de situatie zoals deze gold op grond van de aan de op 19 oktober 2005 verleende revisievergunning ten grondslag gelegde aanvraag. In die aanvraag is immers uitgegaan van de situatie dat de hoeveelheid gevaarlijke stoffen binnen de inrichting de grenswaarden van het Brzo niet overschrijdt. Gesteld noch gebleken is dat die wijziging leidt tot voor de omgeving zwaardere of ernstigere milieugevolgen dan de milieugevolgen die het gevolg waren van de werking van de inrichting zoals deze is vergund in de revisievergunning uit 2005. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de aanvraag dan ook niet hoeven opvatten als een aanvraag om een veranderingsvergunning maar heeft hij onder toepassing van de artikelen 2.33, tweede lid, onder b, en artikel 2.31, tweede lid, onder b, van de Wabo kunnen meewerken aan de gevraagde wijziging. Het toetsingskader van artikel 2.14 van de Wabo is op de onderhavige aanvraag dan ook niet van toepassing. Het betoog van eiseressen sub 1 en 2 slaagt dus niet.

* 29 juli 2021 (Rb Overijssel AWB 21/983, 21/984 en 21/1041): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, dwangsommen, houden van duiven, zelfstandige gebruiksfunctie, strijd met bpl, geen vergunning, begunstigingstermijn
11.4   Gebleken is dat verzoekers duiven houden bij wijze van hobbymatige activiteit.

Met verweerder is de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel dat het houden van duiven bij wijze van hobbymatige activiteit mogelijk is als ondergeschikte activiteit bij de hoofdfunctie “Wonen”. Nu vaststaat dat op dit perceel geen als hoofdgebouw aan te merken gebouw aanwezig is ten behoeve van de hoofdfunctie “Wonen” staat daarmee vast dat die hoofdfunctie niet is gerealiseerd. Daarmee vormt de activiteit “houden van duiven” een zelfstandige gebruiksfunctie. Die zelfstandige gebruiksfunctie is volgens het bestemmingsplan niet toegestaan.

De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat het houden van duiven op het perceel van verzoekers daarmee in strijd is met de bestemming “Wonen”.

11.5   Verzoekers hebben het standpunt ingenomen dat er geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan aangezien binnen het bouwvlak – dat zich uitstrekt over het kadastrale perceel van verzoekers en twee daarnaast liggende kadastrale percelen – de woonfunctie wel is gerealiseerd en de hobbymatige activiteit van verzoekers daaraan ondergeschikt is.

De voorzieningenrechter volgt verzoekers niet in hun redenering. De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat een hobbymatige ondergeschikte activiteit slechts dan niet in strijd is met het bestemmingsplan als op het perceel waarop die activiteit plaatsvindt ook de hoofdbestemming/gebruik is gerealiseerd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er een rechtstreekse band moet zijn tussen de eigenaar/gebruiker van het perceel en de uitgevoerde hobbymatige activiteit. In dit geval is niet in geschil dat er geen enkele band bestaat tussen de in geding zijnde hobbymatige activiteit en de eigenaren/gebruikers van de naburige percelen waarover het bouwvlak zich uitstrekt.
11.12.4   Vervolgens stelt de voorzieningenrechter vast dat verzoekers op geen enkele wijze hun stelling hebben onderbouwd dat het verhuizen van hun duiven naar een plek elders de gevolgen zullen hebben die zij stellen dat die zullen hebben.

In dit verband stelt de voorzieningenrechter vast dat verzoekers ter zitting van 30 juni 2021 na aanvankelijk het standpunt te hebben ingenomen dat het verhuizen van duiven de gestelde grote gevolgen zou hebben, zij vervolgens instemden met een verhuizing van die duiven uiterlijk op 1 augustus 2021. Wat verzoekers uiteindelijk van gedachten heeft doen veranderen, zoals blijkt uit de e-mail van 23 juli 2021, is voor de voorzieningenrechter onduidelijk gebleven.

11.12.5   De voorzieningenrechter is voorts uit raadpleging van openbare bronnen op internet, waaronder de site www.duivenhouden.com (zoekvraag: “kun je duiven verhuizen”) maar ook andere bronnen, gebleken dat het niet onmogelijk is om postduiven te verhuizen (het zogenoemde “overwennen”) naar een andere locatie en dat zij daarna toch geschikt kunnen blijven voor de wedstrijdsport. Van de grote gevolgen waarvan verzoekers melding maken, blijkt daaruit niet.

* 23 juli 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/3157 VV): Awb, Wabo; vovo, intrekken omgevingsvergunning/bouwstop, windturbines, onherroepelijke vergunning
3.   De voorzieningenrechter stelt voorop dat de omgevingsvergunning van 5 september 2017 onherroepelijk is sedert de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3713. Het bij wijze van voorlopige voorziening in het kader van een geweigerd verzoek tot intrekking van een onherroepelijke omgevingsvergunning alsnog bepalen dat er van die onherroepelijke vergunning geen gebruik mag worden gemaakt, is een naar zijn aard ver strekkende voorziening.

Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat de voorlopige voorzieningprocedure zich niet leent voor de beantwoording van de vraag of de door verzoekers gewenste milieu-herbeoordeling leidt tot strengere normen voor de vier windturbines aan [adres] . Niet kan worden uitgesloten dat de bij de vergunningverlening conform het Activiteitenbesluit in acht genomen windturbinenormen ook na de door verzoekers gewenste milieu-herbeoordeling, ongewijzigd kunnen blijven.

  1. Het vorenstaande leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat bij afweging van alle betrokken belangen aan de rechtszekerheid van vergunninghouder bij behoud van zijn omgevingsvergunning, doorslaggevend gewicht moet worden toegekend.
  2. Het verzoek tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening zal daarom worden afgewezen.* 21 juli 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 18/4820): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, weigering, onoverzichtelijk vergunningenbestand, noodzaak revisievergunning
    7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in redelijkheid kunnen besluiten dat een revisievergunning is vereist, omdat sprake is van een onoverzichtelijk vergunningenbestand. De rechtbank is, anders dan het college, van oordeel dat de leeftijd van de oprichtingsvergunning en de omstandigheid dat de opslag van ethanol in de Galenica-ruimte nog steeds ongelimiteerd is, op zichzelf niet leidt tot een onoverzichtelijk vergunningenbestand. De complexe handhaafbaarheid van de voorschriften door de toepassing van verschillende versies van de PGS 15 en de wijziging van de toegestane hoeveelheid gevaarlijke stoffen, zijn dat ook niet. De rechtbank is het met eiseres eens dat het college hiervoor ook de vergunning kan actualiseren. De rechtbank ziet in de diverse wijzigingen die sinds de oprichting in de omgevingsvergunning zijn doorgevoerd echter wel aanleiding om het college te volgen in zijn stelling dat sprake is van een onoverzichtelijk vergunningenbestand. Uit de stukken en de toelichting van het college op de zitting blijkt dat er sinds de oprichtingsvergunning diverse wijzigingen in de vergunning hebben plaatsgevonden. Het gaat niet alleen om de ambtshalve wijziging van de voorschriften in 2010 en de veranderingsvergunning uit 2011, maar ook om een herstelbesluit van 26 oktober 2017 en de omgevingsvergunning van 16 mei 2018 voor het realiseren van een extra brandwerend compartiment. In tegenstelling tot wat eiseres aanvoert draagt deze omgevingsvergunning er juist aan bij dat het geheel van vergunningen en voorschriften voor de inrichting wordt uitgebreid en complex is in samenhang. Al deze omstandigheden tezamen leiden tot de conclusie dat het college kan worden gevolgd in zijn stelling dat sprake is van een zodanig onoverzichtelijk vergunningenbestand dat hij in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat een revisievergunning vereist is. Daarmee verschilt deze situatie met die in de uitspraak van de ABRvS4 waar eiseres naar verwijst. In die uitspraak had verweerder naar het voorlopig oordeel van de Voorzitter onvoldoende gemotiveerd dat sprake was van een zodanig onoverzichtelijk vergunningenbestand dat hij in redelijkheid gebruik kon maken van zijn bevoegdheid. In deze zaak heeft verweerder dat wel voldoende gemotiveerd.* 1 juni 2021 (Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba CUR201601517 – CUR2019H00353): BW; aansprakelijkstelling Land Curaçao voor luchtverontreiniging benedenwinds industrieterrein, olieraffinaderij, schending artikel 8 EVRM, toepasselijkheid WHO-normen
    2.20.  Het overwogene vanaf 2.12 leidt het gerecht tot het oordeel dat het Land de hem toekomende beoordelingsruimte heeft overschreden. Het Land heeft geen “fair balance” in acht genomen tussen enerzijds het recht van eisers op eerbiediging van hun grondrecht en anderzijds het belang van de samenleving als geheel bij onverminderd behoud van de activiteiten die voor de luchtverontreiniging zorgen.
    2.23.   De conclusie van al het voorgaande moet zijn dat het Land ter zake de luchtkwaliteit in het gebied benedenwinds het Schottegat artikel 8 EVRM heeft geschonden en daarmee onrechtmatig jegens eisers heeft gehandeld. Dit onrechtmatig handelen heeft betrekking op het achterwege blijven van een deugdelijke normstelling, op het achterwege laten van effectieve maatregelen gericht op bescherming van het privéleven en de woonomgeving en op schending van de informatieverplichting uit artikel 8 EVRM. Een verklaring voor recht van deze strekking zal in het dictum worden opgenomen.
    2.36.   Het gerecht komt al met al tot de conclusie dat het Land verplicht is de hoeveelheid zwaveldioxide en fijnstof in overeenstemming te brengen met de WHO-normen, althans in overeenstemming met alternatieve en deugdelijk bekend gemaakte normen (al dan niet de door het Land aangehaalde Europese normen). Het spreekt vanzelf dat die alternatieve normen de toets aan artikel 8 EVRM moeten kunnen doorstaan, waarbij betekenis toekomt aan de WHO-normen, maar het gaat de taak van de rechter te buiten om de inhoud van die normen op voorhand concreet in te vullen.

2.37.   De door eisers gewenste termijn van twee maanden acht het gerecht te kort. Het belang van eisers vergt dat de veroordeling van het Land aan een concrete termijn wordt verbonden, maar het Land moet wel een redelijke mogelijkheid hebben om aan de veroordeling te voldoen. Bovendien moet, mede gelet op de andere belangen waarmee de overheid rekening moet houden, voorkomen worden dat op de overheid een ondraaglijke last wordt gelegd. Het gerecht zal de termijn bepalen op één jaar.

2.38.   Het gerecht zal geen dwangsom verbinden aan deze veroordeling, nu aangenomen mag worden dat het Land ook zonder een dergelijke prikkel aan de uitspraak zal voldoen.
3.23.   Al met al heeft het Land maar heel beperkt, en ook in hoger beroep niet afdoende, inzicht gegeven in de toegepaste belangenafweging. Of en zo ja, hoe het belang van de betrokken burgers in het benedenwindse gebied een rol heeft gespeeld in de belangenafweging is niet inzichtelijk geworden. Dit belang lijkt geheel uit het oog te zijn verloren. Derhalve kan niet met vrucht gesteld worden dat er voldoende gewicht (“due weight”) is toegekend aan het zwaarwegende belang van de betrokken burgers om te worden gevrijwaard van aantasting van hun grondrechten. Tot een “fair balance” tussen dat belang en het belang van samenleving als geheel bij het onverminderd behoud van de activiteiten die voor luchtvervuiling zorgen kan niet worden geconcludeerd. Het Land heeft de hem toekomende (ruime) “margin of appreciation” overschreden. Anders dan het Land stelt, betekent dit niet dat de belangen van een kleine groep burgers benedenwinds het Schottegat gesteld worden boven de belangen van de gehele bevolking.

Samenvattingen van jurisprudentie op STAB-site

Op de website van STAB wordt recente jurisprudentie ook samengevat.
De volgende uitspraken zijn deze week nieuw geplaatst:
ABRvS 28 juli 2021 Bestemmingsplan, een appellant die zich eerst in beroep richt tegen een plandeel waarbij hij geen belanghebbende is, kan worden tegengeworpen dat hij bij dit plandeel geen belanghebbende is.
ABRvS 28 juli 2021 Bij de vaststelling of sprake is van een bodembedreigende stof moeten de protocollen uit de Regeling bodemkwaliteit worden gevolgd.

Vzr Rb Noord-Nederland 6 juli 2021 Omgevingsvergunning muziekfestival en vvgb Wnb. De geluidcontouren voor verstoring van vogels en de cumulatieve geluidseffecten zijn ten onrechte niet beoordeeld.