Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

# 18 augustus 2021 (ABRvS 201804189/1/R1): Awb, Wro; bpl verbrede reikwijdte, ondergrondse 150 kV‑kabelverbinding, gezondheid, voorzorgbeleid, beperking bedrijfsvoering, gekozen variant, bouwmogelijkheid bedrijfswoning, aanwijzing beeldbepalende panden, duidelijkheid bouwregels, meldingsplicht met beoordelingscriteria
# 18 augustus 2021 (ABRvS 202000172/1/R4): Awb; instemmingsbesluit gaswinningsplan  Dieverveld, rechtszekerheid, 6:22 Awb, vergelijking Groningenveld, bodemdaling, snelheid gaswinning, invloed op natuur, seismische risicoanalyse (Rb Den Haag 17/6077 en  17/6101)
* 18 augustus 2021 (ABRvS 201909154/1/R1): Awb, Wro; reactieve aanwijzing provincie, gewijzigd bpl, vakantiepark met 160 recreatiewoningen, bestaand stedelijk gebied, relativiteit, voorziene aantal camperstandplaatsen, Barro, landaanwinning, feitelijk bestaande planologisch legale situatie, waarborg moerasgebied, stikstofdepositie, bronemissie aanlegfase, wegverkeer, voortoets vogels en vissen
# 18 augustus 2021 (ABRvS 202000173/​1/​R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor aardgaswinning, cumulatieve bodemdaling, stikstofdepositie, gevolgen hoogfrequent geluid voor natuur (Rb Den Haag 17/6079 en 17/6102)
* 18 augustus 2021 (ABRvS 202000602/1/R1): Awb, Wabo; vergunning van rechtswege, verbouwen pand tot drie zelfstandige woningen, ontvankelijkheid beroep (Rb Amsterdam 19/3662)
* 18 augustus 2021 (ABRvS 202001887/​1/​R3): Awb, Wro; bpl, omvang bouwvlak
* 18 augustus 2021 (ABRvS 202002478/1/R1, 202002480/1/R1, 202002481/1/R1, 202002483/1/R1, 202002484/1/R1, 202002485/1/R1, 202002487/1/R1 en 202002488/1/R1): Awb, Wet beheer rijkswaterstaatwerken; elektrische laadpunten bij benzinestation, Dienstenrichtlijn, basisvoorzieningen, aanvullende voorzieningen, ondergeschiktheid, veilig gebruik verzorgingsplaats, (Rb Amsterdam 18/5236, 18/6148, 18/6151, 18/4470, 18/6479, 18/6480, 18/5238, 18/3761 en 18/5364)
* 18 augustus 2021 (ABRvS 202002745/​1/​R3): Awb, Wabo; handhaving, last onder dwangsom en invordering, strijd met bp, nagenoeg zelfstandige bewoning, wonen met zorg (Rb Den Haag 19/4797, 19/4798 en 18/7109)
* 18 augustus 2021 (ABRvS 202003314/​1/​R3): Awb, Wro; bpl, bestemming waarde-archeologie, onevenredige beperkingen
* 18 augustus 2021 (ABRvS 202003344/1/R3): Awb, Wro; bpl, omgevingsvergunning, woningbouw kloosterterrein, ladder duurzame stedelijke ontwikkeling, groenvoorziening, bomenkap, stikstofdepositie, archeologie, relativiteit, uitvoerbaarheid vanwege soortenbescherming en financieel

* 18 augustus 2021 (ABRvS 202003628/​1/​R1): Awb, Wm; aanwijzing locatie ORAC’s, stank- en geluidsoverlast, riolering
* 18 augustus 2021 (ABRvS 202004574/​1/​R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning schutting, strijd met bp, welstand (Rb Noord-Nederland  20/22)

* 18 augustus 2021 (ABRvS 202004589/​1/​R4): Awb, Wm; Afvalstoffenverordening, last onder dwangsom en invordering, aanbieden bedrijfsafval,
* 18 augustus 2021 (ABRvS 202005243/​1/​A2): Awb, Wro; planschade, skypezitting (Rb Midden-Nederland 19/5573)

* 18 augustus 2021 (ABRvS 202005660/​1/​R1): Awb, Wm; locaties afvalcontainers papier, pbd en gft, geur, geluid, zwerfafval, gft-rolcontainer op standaard
* 18 augustus 2021 (ABRvS 202005979/​1/​R1): Awb, Wm; plaatsingsplan ORAC’s, ondergrondse kabels en leidingen, advies Adviescommissie Openbare Ruimte
* 18 augustus 2021 (ABRvS 202006644/1/R3): Awb, Wro; bpl, Samenspraakverordening, sportbestemming, geluid, trompeteffect
* 17 augustus 2021 (CBb 19/351): Awb, Msw; herziening fosfaatrecht, rechtszekerheidsbeginsel, buiten toepassing laten artikel 74, lid 4, Uitvoeringsregeling
* 13 augustus 2021 (ABRvS 202104112/2/R4): Awb, Wabo; vovo, kap ten behoeve bodemsanering (Rb Midden-Nederland 21/689 en 21/1282)
* 13 augustus 2021 (Rb Utrecht UTR 21/2744): Awb, Wnb; vovo, belanghebbende, ontvankelijkheid, doden heckrunderen Oostvaardersplassen
* 13 augustus 2021 (Rb Gelderland 19-1863): Awb, Wnb; goedkeuring faunabeheerplan, vrijstellingsvoorwaarden
* 12 augustus 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant AWB- 21_3445 VV): Awb, Wabo; vovo, vergunning van rechtswege, tijdig bekendmaken, spoedeisend belang
* 12 augustus 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant AWB- 21_2127 VV): Awb, Wabo; vovo, handhaving, last onder dwangsom, verhuur gedeelte woning, strijd met bestemmingsplan, evenredigheid, grondrechten
* 12 augustus 2021 (Raad voor vergunningsbetwistingen RvVb-S-2021-1254): Habitatrichtlijn, Natuurdecreet; vovo, omgevingsvergunning tomatenkwekerij, passende beoordeling, PAS-significantiekader, drempelwaarde 5%, digitale voortoets, in concreto beoordeling
* 12 augustus 2021 (Rb Noord-Holland HAA 20/2117 en HAA 20/2181): Awb, Wnb; Formule 1‑race, ontheffing rugstreeppad en zandhagedis, andere bevredigende oplossing, dwingende redenen van groot openbaar belang
* 12 augustus 2021 (ABRvS 202104768/1/R4): Awb, Wm, Ww, Wabo; vovo, handhaving, last onder bestuursdwang, asbest, dakplaten, asbestcondities
* 11 augustus 2021 (ABRvS 202103549/2/R4): Awb, Wabo; vovo, vergunning van rechtswege, bekendmaking, spoedeisend belang (Rb Midden-Nederland 20/2350)
* 11 augustus 2021 (ABRvS  202103484/1/R2 en 202103484/2/R2): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, handhaving, last onder dwangsom, strijdig gebruik (Rb Oost­Brabant 20/520 en 20/1696)
* 6 augustus 2021 (Rb Den Haag 6 augustus 2021): Awb; verzoek handhaving, overlast bouw woning, eerdere uitspraak
* 5 augustus 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant 5 augustus 2021 AWB- 21_2912 VV): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning, doorsteek tussen twee wegen, Landelijk Verbeterprogramma Spoorwegovergangen, verkeersonveilige situatie, cijfermatige onderbouwing
* 3 augustus 2021 (Rb Den Haag 3 augustus 2021 21-4284): Awb, Wabo; vovo, woongebouw van 173 meter, omgevingsplan Binckhorst, zonlicht bij woningen, Wnb, relativiteit, woon- en leefklimaat, belangenafweging
* 2 augustus 2021 (Rb Midden-Nederland 2 augustus 2021, UTR 20/4294): Awb, Wabo; invordering dwangsommen, verjaring
* 21 juli 2021 (Rb Rotterdam C/10/595685 / HA ZA 20-427): Civiel recht, BW; burengeschil, onrechtmatige hinder, honden in tuin

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

# 18 augustus 2021 (ABRvS 201804189/1/R1): Awb, Wro; bpl verbrede reikwijdte, ondergrondse 150 kV‑kabelverbinding, gezondheid, voorzorgbeleid, beperking bedrijfsvoering, gekozen variant, bouwmogelijkheid bedrijfswoning, aanwijzing beeldbepalende panden, duidelijkheid bouwregels, meldingsplicht met beoordelingscriteria
29.1.  Ingevolge artikel 7c, vijfde lid, van het Besluit uitvoering Chw kunnen de regels in het bestemmingsplan een verbod inhouden om zonder voorafgaande melding aan burgemeester en wethouders een daarbij aangewezen activiteit te verrichten. In de nota van toelichting bij dit artikellid (Staatsblad 2014, 168) staat dat via een melding de gemeente in staat wordt gesteld om voorafgaand aan het starten van de activiteit te beoordelen of het wellicht noodzakelijk is om aanvullende eisen te stellen of zelf maatregelen te treffen met het oog op de bescherming van de leefomgeving.

29.2.  Ingevolge artikel 141, lid 141.3.1, van de planregels moet – kort weergegeven – de vestiging van een kleinschalige agrarisch aanverwante functie in de bestaande bebouwing, de vestiging van een kleinschalig kampeerterrein of het gebruik van een terrein voor kleinschalig kamperen voor de tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers voorafgegaan worden door een melding aan het college. Daarbij moet voldaan worden aan de voorwaarden, ook beoordelingsregels genoemd, die zijn vermeld in artikel 141.3.2. De melding moet worden gedaan voor aanvang van de realisatie van de voorgenomen verandering met op grond van artikel 141.3.3, onder a, sub 2, daarbij onder meer een onderbouwing dat aan de voorwaarden wordt voldaan.

Naar het oordeel van de Afdeling is het niet verenigbaar met het karakter van het instrument van een meldingsplicht om de toelaatbaarheid van de activiteit afhankelijk te stellen van beoordelingsregels als opgenomen in artikel 141.3.2. Inherent aan een melding is immers dat er geen nader afwegingsmoment volgt. Daarmee hangt samen dat onduidelijk is wat het rechtsgevolg is als de melding een onderbouwing bevat die volgens het college niet toereikend is. Deze planregeling is daarom in strijd met de rechtszekerheid.

* 18 augustus 2021 (ABRvS 202002478/1/R1, 202002480/1/R1, 202002481/1/R1, 202002483/1/R1, 202002484/1/R1, 202002485/1/R1, 202002487/1/R1 en 202002488/1/R1): Awb, Wet beheer rijkswaterstaatwerken; elektrische laadpunten bij benzinestation, Dienstenrichtlijn, basisvoorzieningen, aanvullende voorzieningen, ondergeschiktheid, veilig gebruik verzorgingsplaats, (Rb Amsterdam 18/5236, 18/6148, 18/6151, 18/4470, 18/6479, 18/6480, 18/5238, 18/3761 en 18/5364)

  1. Fastned betoogt primair dat de rechtbank haar beroep op de Dienstenrichtlijn ten onrechte niet inhoudelijk heeft behandeld. Fastned heeft hierover gemotiveerd aangevoerd dat het in strijd is met artikel 10, tweede lid, onder c, van de Dienstenrichtlijn dat alleen houders van een vergunning voor een basisvoorziening een vergunning voor een energielaadpunt als aanvullende voorziening mogen aanvragen, zoals dat in de Kennisgeving is neergelegd. Volgens Fastned heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraken miskend dat de aan vergunninghoudsters verleende vergunningen voor een aanvullende voorziening bij het benzinestation niet in stand kunnen blijven, omdat de minister op basis van dit aan deze besluiten ten grondslag liggende beleid ten onrechte Fastned op voorhand heeft uitgesloten voor deze vergunningen.

5.1.    Deze rechtsvraag heeft de Afdeling in de uitspraak van 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2607, in een vergelijkbare zaak beantwoord. In die zaak verzette Fastned zich tegen de verleende Wbr-vergunning voor een aanvullende voorziening bij het wegrestaurant Burgerveen op Den Ruygen Hoek-Oost. De Afdeling heeft in deze uitspraak onder meer overwogen dat Fastned een beroep op artikel 10 van de Dienstenrichtlijn toekomt. Omdat Fastned ook een vergunning voor een laadstation als aanvullende voorziening op de verzorgingsplaats wil bemachtigen, kan zij de rechtmatigheid van het aan de vergunning ten grondslag liggende beleid aan de orde stellen.

De Afdeling heeft verder geoordeeld dat het in de Kennisgeving opgenomen criterium dat een Wbr-vergunning voor aanvullende voorzieningen bij een basisvoorziening (niet zijnde een energielaadpunt) is voorbehouden aan vergunninghouders van een basisvoorziening in strijd is met artikel 10, tweede lid, onder c, van de Dienstenrichtlijn. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat dit voorbehoud noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan de uit een oogpunt van veiligheid vereiste clustering van voorzieningen op de verzorgingsplaats. Niet gebleken is dat die clustering niet kan worden bereikt op een wijze die minder beperkend is voor de uitoefening van de vrijheid van vestiging van dienstverrichters die geen houder zijn van een vergunning voor een basisvoorziening.
11.1 Omdat het onderscheid tussen basisvoorzieningen en aanvullende voorzieningen van belang is bij de uitvoering van het beleid, heeft Fastned terecht gesteld dat duidelijk moet zijn wanneer een laadstation een aanvullende voorziening is, als bedoeld in het beleid. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat in de Wbr en de Kennisgeving geen maximum is gesteld aan het aantal laadpalen dat als aanvullende voorziening kan worden vergund. De enige beperking die uit de Kennisgeving kan worden afgeleid is volgens de minister dat een laadstation als aanvullende voorziening naar zijn aard ondergeschikt moet zijn aan de hoofdactiviteit van het basisvoorziening waar het bij hoort. Of daarvan sprake is, is volgens de minister afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals de aard en omvang van de basisvoorziening en het aantal aangevraagde laadpalen. Zo zal volgens de toelichting van de minister ter zitting een energielaadpunt als aanvullende voorziening veelal op bestaande parkeerplaatsen worden gerealiseerd, geen eigen toe- en afrit nodig hebben, geen extra ruimte in beslag nemen en geen andere verkeersbewegingen met zich brengen.

Omdat de aanvullende voorziening bij een basisvoorziening hoort, heeft de minister zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat het aanvullend karakter van een voorziening uitsluitend is gerelateerd aan de basisvoorziening waar de laadpalen bij horen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de minister in algemene zijn echter onvoldoende duidelijk gemaakt op welke wijze zij invulling heeft gegeven aan het criterium ondergeschiktheid. Daardoor kan het voor potentiële aanvragers of andere belanghebbenden onvoldoende inzichtelijk zijn of bij een basisvoorziening op een verzorgingsplaats een energielaadpunt als aanvullende voorziening kan worden gerealiseerd en wat de omvang van die aanvullende voorziening dan mag zijn.

* 18 augustus 2021 (ABRvS 202002745/1/R3): Awb, Wabo; handhaving, last onder dwangsom en invordering, strijd met bp, nagenoeg zelfstandige bewoning, wonen met zorg (Rb Den Haag 19/4797, 19/4798 en 18/7109)
7.2 De Afdeling stelt met de rechtbank vast dat bij de aan de panden aan de [locatie 1] en [locatie 2] in het geldende bestemmingsplan toegekende bestemming “Wonen” in het bestemmingsplan het begrip “wonen” niet nader is gedefinieerd. Wanneer dit in het bestemmingsplan niet nader is bepaald, moet, zoals de rechtbank heeft overwogen, voor de beoordeling of een minder traditionele woonvorm zich verdraagt met een woonbestemming in dat geval worden bekeken of sprake is van nagenoeg zelfstandige bewoning (zie onder andere de uitspraak van de Afdeling van 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2529, overweging 2.3).

Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een woonsituatie met nagenoeg zelfstandige bewoning of van een situatie, waarvan het college en de rechtbank uitgaan, waar sprake is van wonen met zorg, moet naar het oordeel van de Afdeling betekenis worden toegekend aan de mate van zorg (toezicht en begeleiding) die aan de bewoner(s) van de betrokken woning(en) wordt verleend.

7.6 Gelet op de wijze van bewoning van de kamers, zoals dit ook als zodanig was vastgelegd in de daartoe opgestelde huurovereenkomsten voor onbepaalde tijd en waarbij huur van de kamer niet is gekoppeld aan een verplicht begeleidings- of behandelingstraject of een vorm van begeleiding of ondersteuning, de beperkte mate waarin en de wijze waarop [appellant] aan een deel van de bewoners vrijwillig begeleiding en ondersteuning bood, lag de nadruk van het verblijf van de bewoners in de kamers van de panden aan de [locatie 1] en [locatie 2] naar het oordeel van de Afdeling op nagenoeg zelfstandige bewoning en niet op zorg. De uit de rapportages gebleken omstandigheden dat de bewoners wellicht niet in staat waren geheel zelfstandig te wonen, daarbij zorg in de vorm van begeleiding en ondersteuning nodig hadden, dat zij die in dit geval niet in voldoende mate kregen, en er sprake was van een woonsituatie die niet aan de geldende eisen uit een oogpunt van hygiëne voldeed, kunnen niet leiden tot het oordeel dat deze woonvorm in strijd was met de in het bestemmingsplan aan de panden toegekende bestemming “Wonen”.

* 12 augustus 2021 (Raad voor vergunningsbetwistingen RvVb-S-2021-1254): Habitatrichtlijn, Natuurdecreet; vovo, omgevingsvergunning tomatenkwekerij, passende beoordeling, PAS-significantiekader, drempelwaarde 5%, digitale voortoets, in concreto beoordeling
3. In het arrest van 25 februari 2021 met nummer RvVb-A-2021-0697 heeft de Raad al principieel geoordeeld dat de in artikel 36ter Natuurdecreet voorziene toetsing (namelijk concreet en individueel, op basis van de specifieke kenmerken/effecten van het project en de specifieke milieukenmerken en ‑omstandigheden van de speciale beschermingszone motiveren waarom betekenisvolle effecten voor de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone uitgesloten zijn, waarbij noodzakelijkerwijs de instandhoudingsdoelstellingen moeten worden betrokken en waarbij ook eventuele cumulatieve effecten onderzocht moeten worden) niet zonder meer vervangen mag worden door een loutere toetsing aan het PAS-significantiekader en de daarin vervatte abstracte kwantitatieve drempels.
5. De verwerende partij vergunt met de bestreden beslissing een grootschalig serrecomplex voor de kweek van tomaten en twee warmtekrachtkoppelingen. Uit het dossier blijkt dat de inrichting een stikstofuitstoot van 11132.54494 kg/jaar, voor elke warmtekrachtkoppeling afzonderlijk, genereert.
(…)

Uit die overwegingen blijkt dat de verwerende partij haar gunstige beoordeling doorslaggevend baseert op de resultaten van de digitale depositiescan, de impact-analyse en het voorlopig “PAS-beoordelingskader”.

De verwerende partij koppelt zo aan het voldoen aan het PAS-significantiekader het besluit dat er geen aanzienlijke effecten ter hoogte van de speciale beschermingszone zullen zijn en meent klaarblijkelijk, op basis van de resultaten van de voortoets, dat het met de bestreden beslissing vergund project geen betekenisvolle aantasting zal veroorzaken.

Buiten een verwijzing naar de 5% norm van het PAS-significantiekader licht de verwerende partij in de bestreden beslissing echter niet toe op basis van welke objectieve gegevens ieder significant gevolg voor de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone met voldoende wetenschappelijke zekerheid kan worden uitgesloten.

De Raad oordeelt op het eerste gezicht dat de beoordeling door de verwerende partij geen rekening houdt met de voor de betrokken speciale beschermingszone vooropgestelde instandhoudingsdoelstellingen. De verwerende partij beperkt er zich in de bestreden beslissing toe te verwijzen naar het bestaan van een PAS-significantiekader en de daarin vermelde drempelwaarden, waardoor een bijdrage van de door het met de bestreden beslissing vergund project veroorzaakte depositie aan de kritische depositiewaarde (van het meest gevoelige habitattype) van minder dan 5% als “niet significant” beschouwd wordt.

Dat is echter helemaal geen in concreto beoordeling van de mogelijke betekenisvolle effecten, minstens blijkt dat niet uit de motivering van de bestreden beslissing. De uitgebreide argumentatie van de tweede tussenkomende partij over de wetenschappelijke deugdelijkheid van de zogenaamde ‘nulcontour’ doet daar geen afbreuk aan, al is het maar omdat, op het eerste gezicht, dergelijke argumentatie niet in de bestreden beslissing zelf vermeld is.
Ook de opmerking van de verwerende partij dat er bij de aanvraag een ‘passende beoordeling’ gevoegd is, zodat de overwegingen van het arrest van de Raad van 25 februari 2021 met nummer RvVb-A-2021-0697 niet van toepassing zijn, doet daar geen afbreuk aan. Uit de bestreden beslissing blijkt immers op het eerste gezicht duidelijk dat de verwerende partij haar beoordeling doorslaggevend baseert op de resultaten van de digitale voortoets.

De Raad oordeelt dat het, op basis van een eerste voorlopig onderzoek van het dossier, niet blijkt dat de verwerende partij de bevindingen van de ‘passende beoordeling’ concreet en zorgvuldig bij haar beoordeling betrokken heeft, en dat die bevindingen dus niet doorslaggevend lijken te zijn geweest.

* 12 augustus 2021 (
Rb Noord-Holland HAA 20/2117 en HAA 20/2181): Awb, Wnb; Formule 1‑race, ontheffing rugstreeppad en zandhagedis, andere bevredigende oplossing, dwingende redenen van groot openbaar belang
7.3.1 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang die de ontheffing rechtvaardigen. Ook bij deze beoordeling neemt de rechtbank in aanmerking dat het CZ een bestaande inrichting is waarbinnen (Formule 1-) races en de aanwezigheid van grote aantallen bezoekers reeds zijn toegestaan. Volgens de rechtbank is een dwingende reden van groot openbaar belang met name gelegen in het naar de eisen van deze tijd weer mogelijk maken van een topsportevenement met statuur en met grote nationale en internationale belangstelling. Het gaat om één van de meest bekeken sportevenementen ter wereld waarmee niet slechts een tijdelijk belang wordt nagestreefd. Verweerder heeft in reactie op de stelling van eiseres sub 1 dat dit sportbelang niet opgaat afdoende toegelicht dat de wijzigingen waarin de ontheffing voorziet nodig zijn om de Formule 1 weer veilig en ordelijk te kunnen organiseren. Door eiseressen is niet gemotiveerd weersproken dat grote aantallen bezoekers nodig zijn om een dergelijk evenement te kunnen bekostigen. Met verweerder is de rechtbank verder van oordeel dat aannemelijk is dat het CZ en Zandvoort door het organiseren van de Dutch Grand Prix een grote exposure zullen krijgen en dat ook aannemelijk is dat die gepaard zal gaan met een economische impuls. Verweerder heeft daarbij de directe en afgeleide (sociaal)economische impulsen op zowel de korte als lange termijn waarop in verschillende (beleid)stukken wordt gewezen van belang kunnen achten. Door te wijzen op het belang dat door meerdere overheidslagen aan het evenement wordt toegekend, heeft verweerder verder afdoende gemotiveerd dat de omstandigheid dat het evenement niet vanuit de publieke maar de private sector wordt georganiseerd, niet afdoet aan het openbaar belang dat ermee is gemoeid.