Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 1 september 2021 (ABRvS 202006203/1/R3): Awb, Wro; bpl, detailhandel, medische centrum en parkeerterrein op voormalige sportvelden, landschappelijke inpassing
* 1 september 2021 (ABRvS 202006168/1/R4): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, erfafscheiding, geen vergunning, strijd met bpl, gelijkheidsbeginsel (Rb Midden-Nederland 19/3711)
* 1 september 2021 (ABRvS 202006040/1/A2): Awb, Wnb; faunaschade, ganzen/gras, beleidsregels (Rb Oost-Brabant 19/2616)
* 1 september 2021 (ABRvS 202004892/1/R1): Awb; invordering dwangsommen, verwijderen betonnen bloembak en hekwerk, bijzondere omstandigheden, motivering (Rb Noord-­Holland 20/80)
* 1 september 2021 (ABRvS 202004888/1/A3): Awb, DHW, Gmw; DHW- en exploitatievergunning, Wet Bibob (Rb Overijssel 19/1611)
* 1 september 2021 (ABRvS 202004135/1/A3): Awb, Gmw; exploitatievergunning, ondersteunende horeca en terras, beleidsregels, omvang terras
* 1 september 2021 (ABRvS 202004038/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, bijgebouw, welstand, cultuurhistorische waarden, nadere eisen (Rb Noord-Nederland 19/2273)
* 1 september 2021 (ABRvS 202003806/1/R3): Awb, Wro; bpl, woningen, behoefte en noodzaak, waterberging, provinciale omgevingsverordening, tussenuitspraak
* 1 september 2021 (ABRvS 202002542/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, biowarmtecentrale, milieuvergunningplicht, één inrichting, m.e.r.-plicht, afvalstof, Activiteitenbesluit (Rb Noord-Holland 19/5146)
* 1 september 2021 (ABRvS 202002541/1/R2): Awb, Wnb; vergunning, biowarmtecentrale, belanghebbenden, PAS/Habitatrichtlijn, aanvullende gegevens/goede procesorde (Rb Noord-Holland 19/2564)
# 1 september 2021 (ABRvS 202002509/1/R1): Awb, Wro; bpl verruimde reikwijdte en exploitatieplan, nieuwe woonwijk, Chw/verkavelingsplannen, verkeersonderzoek, maatregelenpakket, Natura 2000-gebieden, stikstof, referentiesituatie, bemesting
* 1 september 2021 (ABRvS 202002505/1/R2): Awb, Ww, Gmw; handhaving, dwangsom, invordering, verwijderen scheermesprikkeldraad bij woonboot, welstand (Rb Zeeland-West-Brabant 19/4940)
* 1 september 2021 (ABRvS 202002079/1/R2): Awb, Wro; weigering bpl vast te stellen, ruimte-voor-ruimtewoning, beleid, motivering
* 1 september 2021 (ABRvS 202000755/1/R2 en 202000837/1/R2): Awb, Wro, Wgh; bpl/HGW,  ruimte-voor-ruimtewoning, m.e.r.-plicht, stedelijke ontwikkeling, relativiteit
* 1 september 2021 (ABRvS 201908316/1/R1): Awb, Wro, Wabo; bpl/omgevingsvergunning voor bouwen, woningen, herstelbesluiten, procedure, provinciale verordening/ Leidraad Landschap en Cultuurhistorie, ruimte-voor-ruimte-regeling/compenserende bebouwing, aardkundig monument, archeologie, landschap, cultuurhistorische waarden, natuur/MER, verkeer
* 1 september 2021 (ABRvS 201907590/1/R3): Awb, Wro; bpl, uitbreiding attractiepark, noodzaak, kap van bomen, omgevingsverordening, compensatie, SGH/SEHS, beschermd stadsgezicht, Natura 2000, passende beoordeling/Wnb, nieuwe onderzoeken, parkeren, PUK, geluid, evenementen, lichthinder, m.e.r.-beoordeling, tussenuitspraak
# 1 september 2021 (ABRvS 201905853/1/A2): Awb; waardevermindering bedrijf/inkomensschade, Beleidslijn Ruimte voor de Rivier, varkenshouderij, winterbed rivier, Wbr, stalbezetting (Rb Limburg 13/3708)
* 1 september 2021 (ABRvS 201809125/4/R1): Awb, Wro; bpl, brede school en woningen, VNG-brochure, geluid, Activiteitenbesluit, stemgeluid, bodemfactor, bronhoogte, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 1 september 2021 (ABRvS 201807760/5/R3): Awb, Wro, Wabo; bpl/omgevingsvergunning voor bouwen, uitbreiding hotel, Natura 2000-gebied, stikstof, Wnb-beoordeling niet doorschuiven, verkeer/AERIUS, significante gevolgen, zelf in de zaak voorzien, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 31 augustus 2021 (Rb Noord-Holland HAA 21/3316): Awb, Wnb; vovo, vergunning, racecircuit, stikstofdepositie, referentiesituatie, STAB, belangenafweging
* 31 augustus 2021 (CBb 20/178): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, schadevergoeding
* 31 augustus 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 21/1744): Awb, Wabo; vovo, handhaving, veehouderij, afwijking van milieuvergunningen, geen luchtwassers, nadelige gevolgen natuur en milieu, economisch delict
* 31 augustus 2021 (Hof Den Haag C/09/610217 / KG ZA 21-341): BW; kort geding, coronamaatregelen niet onmiskenbaar onverbindend, geen noodtoestand of uitzonderingstoestand ex art. 103 Grondwet, Siracusa Principles, toegestane beperkingen op grondrechten
* 30 augustus 2021 (ABRvS 202104156/1/R3 en /2/R3): Awb, Wro; vovo, bpl, bedrijfsverplaatsing, passendheid in omgeving, verkeersveiligheid
* 27 augustus 2021 (Rb Overijssel ZWO 20/2231): Awb; invordering dwangsom, staken woning voor prostitutiewerkzaamheden, bedrijfsmatige activiteiten, APV, bewijslast
* 27 augustus 2021 (Rb Overijssel ZWO 20/2095): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, invordering, verwijderen bouwwerken en materiaal, geen vergunning, strijd met bpl, geen bijzondere omstandigheden
* 27 augustus 2021 (Rb Overijssel ZWO 21/754): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom. verwijderen bouwwerken, bouwcontainer, materialen, geen vergunning, strijd met bpl, bevoegdheid
* 27 augustus 2021 (Rb Overijssel ZWO 20/2444): Awb; schadevergoeding, dwangsom niet onrechtmatig, ambtelijke waarschuwingsbrieven geen handelingen ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit
* 27 augustus 2021 (ABRvS 202102633/2/R2): Awb, Wro; vovo, bpl, 150 kV-hoogspanningsverbinding, vervanging bovengrondse door ondergrondse, koppelpunt, alternatieven
* 26 augustus 2021 (Rb Noord-Holland HAA 20/3434): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, parkeerterrein, anterieure overeenkomst/plankosten, motivering
* 26 augustus 2021 (ABRvS 202104666/2/R3): Awb, Wro; vovo, bpl, woningen nieuwe brandweerkazerne, VNG-brochure, parkeren/CROW
* 26 augustus 2021 (Rb Overijssel ZWO 21/1297, 21/1318 en 21/1319): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, bouwstop/dwangsom, rubberverwerkingsbedrijf, geen omgevingsvergunning voor bouwen, brandveiligheid, bijzondere omstandigheden
* 25 augustus 2021 (Rb Noord-Holland HAA 21/2777 en HAA 21/2778): Awb, Wabo, Gmw; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsom, verwijderen mestopslag, betonplaat en melkkar, geen vergunning, strijd met bpl, zicht op legalisatie, bevoegdheid, bijzondere omstandigheden
* 24 augustus 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/2732 VV en 21/2733 WABO): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, voetgangersbrug, belanghebbende, ontvankelijkheid
* 24 augustus 2021 (Rb Amsterdam AMS 21/3845): Awb, Wabo; vovo, handhaving, zwemmen in water bij steiger, bpl, bevoegdheid, extensief recreatief medegebruik, Bpr
* 20 augustus 2021 (Rb Rotterdam ROT 20/2340): Awb, Wvw; verkeersbesluit, maximumsnelheid, veiligheid
* 19 augustus 2021 (Rb Noord-Holland HAA 19/5088): Awb, Gmw; evenementenvergunning, APV, procesbelang, verdelingsregeling, schaarse vergunning, transparantie
* 16 augustus 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/2626 en 21/3224 GEMWT VV, BRE 21/3315 en 21/3353 WABOA VV): Awb, Wabo, Hvw; vovo en kortsluiten, handhaving/ omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, bewoning door dak- en thuislozen, geen omzettingsvergunning nodig, motivering
* 13 augustus 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/2748 GEMWT VV, BRE 21/485 GEMWT, BRE 21/2803 GEMWT VV en BRE 21/369 GEMWT): Awb, Wabo, Gmw; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsom, recreatief verhuren van woningen, belanghebbenden, strijd met bpl, bevoegdheid
* 11 augustus 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 21/1861): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en milieu, verlengen rundveestal, ontbreken Wnb-aanvraag/bevoegdheid, significante gevolgen Natura 2000-gebied/vvgb, ammoniakemissie, beweiding, Wav/Rav
#! 5 augustus 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 17/419, 19/1569 en 19/1589): Awb, Wabo, Wm; handhaving, transportbedrijf, strijd met bpl, maatwerkvoorschriften, geluid, stof. gewijzigde ligging inrit, piekniveaus, HMRI, meetmethode, inrichtingsgrens, rekenonnauwkeurigheid
* 5 augustus 2021 (Rb Limburg ROE 21/1713): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid, evenredigheid
* 22 juli 2021 (Rb Rotterdam ROT 21/3563): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, hennepplanten, noodzaak
* 16 juli 2021 (Rb Rotterdam ROT 21/3581): Awb, Gmw; vovo, verlenging noodbevel sluiting woning, beschieting, motivering
* 6 juli 2021 (Rb Amsterdam AMS 21/2862): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor kappen bomen, Bomenverordening, deskundige
* 17 juni 2021 (Rb Amsterdam AMS 20/4496): Awb, Wob; openbaarmaking van documenten, milieu-informatie, belangenafweging
* 22 maart 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/949 GEMWT): Awb, Gmw; handhaving, veehouderij, geur/afstand, dieraantallen en diercategorieën, motivering, geen strijd met bpl, nieuwe aanvraag voor nieuwe stal
* 17 maart 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/6724 GEMWT): Awb,  Gmw; invordering dwangsom, overschrijding geluidvoorschriften, horeca, Activiteitenbesluit, evenement, bewijslast, overgangsrecht
* 12 maart 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 17/5787 WABO en 17/7309 WABO); Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, radartoren met uitkijkpost, vvgb, ontvankelijkheid, goede ruimtelijke onderbouwing/toetsing aan Wnb, welstand, motivering

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 1 september 2021 (ABRvS 202006168/1/R4): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, erfafscheiding, geen vergunning, strijd met bpl, gelijkheidsbeginsel (Rb Midden-Nederland 19/3711)
2.4.    Zoals onder 2.1 is overwogen, zal het bestuursorgaan bij prioriteitstelling na een verzoek om handhaving een afweging moeten maken in het individuele geval. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college dat in het besluit op bezwaar niet gedaan, althans niet inzichtelijk. Niet duidelijk is waarom het college gelet op het karakter van het overtreden voorschrift, het daarbij betrokken algemeen belang en de belangen van de verzoekster is overgegaan tot handhaving. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het college aan de handhaving tegen erfafscheidingen in dit gebied een lage prioriteit heeft toegekend. Het algemeen belang bij handhaving lijkt in dit geval dan ook niet zwaar te wegen voor het college. Daarnaast blijkt uit de stukken niet duidelijk in hoeverre de verzoekster om handhaving vanaf haar perceel zicht heeft op de erfafscheiding die naar de weg is gericht en of zij daarvan hinder ondervindt. Het college heeft niet inzichtelijk gemaakt welk gewicht het aan welk belang van de verzoekster heeft toegekend. Ook heeft het college in de besluitvorming niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze het de belangen van [appellante] heeft gewogen. Dit alles leidt de Afdeling tot het oordeel dat het college in het besluit op bezwaar in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het ondanks de prioritering handhavend heeft opgetreden.

Het betoog slaagt.

* 1 september 2021 (ABRvS 202002542/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, biowarmtecentrale, milieuvergunningplicht, één inrichting, m.e.r.-plicht, afvalstof, Activiteitenbesluit (Rb Noord-Holland 19/5146)
7.7.    Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft het college de omgevingsvergunning verleend op grond van de aanvraag voor het oprichten van een centrale met een maximaal thermisch vermogen van 14 MW. De Afdeling ziet geen grond om het vermogen van 2 MW dat, naar SVP ter zitting heeft toegelicht, uit de rookgassen wordt teruggewonnen, aan de stookinstallatie toe te rekenen en op grond van die redenering te concluderen dat het thermisch vermogen 16 MW bedraagt. Bepalend is namelijk niet het thermisch vermogen van alle installaties gezamenlijk, maar uitsluitend dat van de stookinstallatie. Ingevolge bijlage I, onderdeel A, bij het Bor gelezen in samenhang met artikel 1.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit, wordt onder stookinstallatie verstaan, een technische eenheid waarin brandstoffen worden geoxideerd ten einde de aldus opgewekte warmte te gebruiken. De warmteterugwinning in de rookgasreinigingsstraat is geen essentieel onderdeel van de stookinstallatie.

De door MOB overgelegde subsidiebeschikking van 23 december 2019 waarin 16 MW is vermeld, geeft geen aanleiding tot een ander oordeel. Zoals SVP ook ter zitting heeft opgemerkt, geldt daarvoor een ander toetsingskader dan voor de omgevingsvergunning, die hier aan de orde is.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat indien en voor zover blijkt dat de centrale niet in werking is overeenkomstig de verleende omgevingsvergunning, het bevoegd gezag in beginsel gehouden is handhavend op te treden.

7.8.    Omdat het thermisch vermogen van de stookinstallatie van de centrale lager is dan 15 MW, heeft de rechtbank terecht het standpunt van het college onderschreven dat geen omgevingsvergunning milieu is vereist.
8.7.    Uit het voorgaande volgt dat Staatsbosbeheer zich niet ontdoet van de houtsnippers, of moet ontdoen, maar de houtsnippers beschouwt als een van de producten van de door hem beheerde bossen. Ook volgt hieruit dat Staatsbosbeheer de leveranties aan SVP beschouwt als een integraal onderdeel van het productieproces.

8.8.    SVP is eveneens houder in de hiervoor vermelde zin. SVP heeft gesteld dat de leveranties van Staatsbosbeheer voldoen aan het geldende beleid en de regelgeving inzake de toepassing van houtsnippers in een biowarmtecentrale, waaronder de criteria van de Handreiking. SVP heeft gewezen op de contractuele relatie tussen haar en Staatsbosbeheer. Daarmee is verzekerd dat het hout zal worden gebruikt voor de stadsverwarming van Purmerend en dat dus in een vorm van verantwoorde benutting is voorzien. SVP heeft gesteld dat in de contractuele relatie met Staatsbosbeheer is vastgelegd dat de houtsnippers moeten voldoen aan de kwaliteitseisen van de Handreiking. Daarmee is volgens SVP onder meer gewaarborgd dat de houtsnippers niet het maximum van 5 gewichtsprocent aan takken dunner dan 10 cm, bladeren, naalden etc. overschrijden. Verder is van belang dat uit de hiervoor vermelde aanmeldnotitie volgt dat het schoon hout betreft dat onmiddellijk door SVP kan worden gebruikt zonder een verdere behandeling te ondergaan. De Afdeling ziet in het betoog van MOB geen aanleiding het gestelde in twijfel te trekken.

Uit het voorgaande volgt dat SVP een eindgebruiker is van de houtsnippers. SVP zal de houtsnippers als brandstof gebruiken voor de centrale, waarvoor zij een contractuele relatie heeft met Staatsbosbeheer, die de houtsnippers, die voldoen aan de kwaliteitseisen van de Handreiking, zal leveren. SVP ontdoet of moet zich dus naar het oordeel van de Afdeling evenmin ontdoen van de houtsnippers.

8.9.    Gelet op het voorgaande, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de houtsnippers die Staatsbosbeheer aan SVP levert, niet moeten worden aangemerkt als afvalstof in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Dit betekent dat categorie 18.4 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. niet van toepassing is. De rechtbank heeft terecht het standpunt van het college bevestigd dat geen MER behoefde te worden opgesteld.

Het betoog slaagt niet.

# 1 september 2021 (ABRvS 202002509/1/R1): Awb, Wro; bpl verruimde reikwijdte en exploitatieplan, nieuwe woonwijk, Chw/verkavelingsplannen, verkeersonderzoek, maatregelenpakket, Natura 2000-gebieden, stikstof, referentiesituatie, bemesting
5.5.    De Afdeling laat de vraag of een verkavelingsplan als beleidsregel moet worden aangemerkt in het midden. Ook als het standpunt van de raad hierover juist zou zijn, stelt de Afdeling vast dat artikel 7c, zesde lid, van het Besluit uitvoering Chw in dit geval hoe dan ook geen grondslag kan bieden voor uitwerking door middel van een verkavelingsplan. Deze bepaling biedt alleen een wettelijke grondslag voor beleidsregels als deze te herleiden zijn tot in de planregels opgenomen open normen, zie de tussenuitspraak van 19 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2004, over het bestemmingsplan “Retailpark Belvédère” van de raad van de gemeente Maastricht, onder 21.1. Dat wat in het verkavelingsplan moet worden uitgewerkt tot een concrete normering, valt niet te herleiden tot in de planregels opgenomen open normen. De raad heeft dit ten onrechte niet onderkend en het plan op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

De betogen slagen.
7.3.    De Afdeling is van oordeel dat in het verkeersonderzoek ten onrechte alleen is uitgegaan van de aansluiting op de A9. In het verkeersonderzoek had ook moeten worden onderzocht wat de verkeerseffecten van het plan zullen zijn zonder deze aansluiting. Er bestaat een gerede kans dat deze aansluiting niet (tijdig) zal worden gerealiseerd, omdat het bestemmingsplan dat daarin voorzag is vernietigd en er nog geen nieuw bestemmingsplan is vastgesteld dat in de aansluiting voorziet. De nadelige verkeerseffecten van het plan kunnen dan groot zijn, gezien het grote aantal woningen dat het plan mogelijk maakt. Op de zitting heeft de raad ter ondersteuning van zijn standpunt gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 25 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1398. Anders dan in de onderhavige zaak was in die zaak het gebruik van het daar centraal staande bedrijventerrein echter in de planregels uitgesloten, zolang de benodigde aansluiting op de A27 niet feitelijk gerealiseerd was. In het voorliggende plan is geen vergelijkbare regeling opgenomen.

De raad heeft een nader verkeersonderzoek van 10 maart 2021 ingediend. Dit onderzoek gaat ervan uit dat de aansluiting op de A9 er sowieso komt en uiterlijk in maart 2024. Dit onderzoek is ook gebrekkig, omdat daarin evenmin is onderzocht wat de gevolgen zijn als de aansluiting op de A9 er niet (tijdig) komt en alle voorziene woningen worden gerealiseerd. Onderzocht is slechts of er vlak voor opening van de aansluiting op de A9, op basis van het in maart 2024 gerealiseerde aantal woningen, sprake is van een aanvaardbare verkeerssituatie. Daarbij is uitgegaan van 589 woningen. Daarmee is dan ook nog steeds geen inzicht verkregen in de verkeerseffecten van alle nieuwe woningen gezamenlijk zonder de beoogde aansluiting op de A9.

Het betoog slaagt.

* 1 september 2021 (ABRvS 201807760/5/R3): Awb, Wro, Wabo; bpl/omgevingsvergunning voor bouwen, uitbreiding hotel, Natura 2000-gebied, stikstof, Wnb-beoordeling niet doorschuiven, verkeer/AERIUS, significante gevolgen, zelf in de zaak voorzien, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
8.1.    Artikel 4, lid 4.5.2, aanhef en onder e, van de planregels luidt:

“Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

(…)

  1. er sprake is van een significant negatief effect op een Natura 2000-gebied door stikstofdepositie;”.

Lid 4.6 luidt:

“Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in lid 4.5.2 sub e in die zin dat gronden en gebouwen zodanig worden gebruikt dat een significant effect op een Natura 2000-gebied ontstaat door stikstofdepositie, mits hiervoor een natuurbeschermingsvergunning is verleend dan wel een verklaring van geen bedenkingen is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag.”

8.2.    Uit artikel 2.7, eerste lid, van de Wet natuurbescherming volgt dat de raad bij het vaststellen van het plan moet beoordelen of het plan afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Deze beoordeling mag niet worden doorgeschoven naar een later moment, zoals is voorzien in artikel 4, lid 4.5.2, onder e, en lid 4.6 van de planregels. Alleen al hierom slaagt het betoog.

  1. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen tegen het besluit van de raad van 21 april 2020 gegrond. Gelet op het streven van de Afdeling om een geschil zoveel mogelijk definitief beslechten (artikel 8.41a van de Awb), moet worden bezien of en hoe de hiervoor geconstateerde gebreken kunnen worden hersteld. Dit is ook van belang voor de overige beroepsgronden, die met het oog op een definitieve beslechting van het geschil ook nog besproken moeten worden.

9.1.    De onjuiste verwijzing in artikel 4, lid 4.5.2, aanhef en onder d, van de planregels kan door de Afdeling worden hersteld door zelf in de zaak te voorzien.

* 24 augustus 2021 (Rb Amsterdam AMS 21/3845): Awb, Wabo; vovo, handhaving, zwemmen in water bij steiger, bpl, bevoegdheid, extensief recreatief medegebruik, Bpr
6. Tussen partijen staat ter discussie of het gebruik van het water rondom de steiger door de zwemmers valt onder ‘extensief recreatief medegebruik’. Het begrip ‘extensief recreatief medegebruik’ is in het bestemmingsplan niet nader gedefinieerd. Uit de rechtspraak1 over dit begrip leidt de voorzieningenrechter af dat voor de vraag of sprake is van extensief recreatief medegebruik (in tegenstelling tot intensief recreatief (mede)gebruik) van belang is dat geen sprake is van bedrijfsmatige exploitatie of recreatie in verenigingsverband, dat de recreatie een beperkte ruimtelijke uitstraling heeft en dat geen specifiek beslag op de ruimte wordt gelegd.

  1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het zwemmen in het water rondom de steiger moet worden aangemerkt als extensief recreatief medegebruik. Daarbij acht de voorzieningenrechter doorslaggevend dat geen sprake is van bedrijfsmatige exploitatie of recreatie in verenigingsverband, dat het zwemmen in dit geval een beperkte ruimtelijke uitstraling heeft omdat weinig tot geen bebouwing en materialen worden gebruikt ten behoeve van het zwemmen en dat het zwemmen geen afbreuk doet aan de hoofdbestemming ‘Water’. Dat er op bepaalde (warme) dagen veel zwemmers in het water zijn, is onvoldoende om te spreken van intensief recreatief (mede)gebruik. Verder is voor de beoordeling of zwemmen planologisch aanvaardbaar is, niet relevant of een zwemverbod op grond van artikel 8.08 van het Bpr geldt. Dit verbod ziet immers op veiligheid van de zwemmers en het vaarverkeer en niet op de ruimtelijke ordening.
  2. De voorzieningenrechter oordeelt dat verweerder het handhavingsverzoek van verzoekers terecht heeft afgewezen, omdat geen sprake is van een overtreding van het bestemmingsplan. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.* 11 augustus 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 21/1861): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en milieu, verlengen rundveestal, ontbreken Wnb-aanvraag/bevoegdheid, significante gevolgen Natura 2000-gebied/vvgb, ammoniakemissie, beweiding, Wav/Rav
    4.2. De voorzieningenrechter overweegt dat ten tijde van de aanvraag om onderhavige omgevingsvergunning vergunninghouder tevens een aanvraag voor een Wnb-vergunning bij gedeputeerde staten van Groningen had ingediend. Ten tijde van het verlenen van de omgevingsvergunning door verweerder had vergunninghouder de aanvraag om een Wnb-vergunning evenwel weer ingetrokken. Verweerder had daarom ten tijde van het nemen van het bestreden besluit alsnog moeten beoordelen of onderhavig project mogelijk significante effecten gevolgen zou kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied en of een verklaring van geen bedenkingen had moeten worden gevraagd bij gedeputeerde staten van Groningen. Voornoemde beoordeling heeft niet plaatsgevonden. Gelet hierop heeft verweerder het bestreden besluit naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in strijd met het bepaalde in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo gelezen in samenhang met artikel 2.2aa, eerste lid, en artikel 6.10a, eerste lid, van het Bor genomen. Het bestreden besluit zal gelet hierop in beroep geen stand houden. Dit brengt met zich dat de voorzieningenrechter bevoegd is om een voorlopige voorziening te treffen. Of de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening zal treffen, hangt mede af van het oordeel van de voorzieningenrechter over de hierna te bespreken beroepsgronden die betrekking hebben op de besluitvorming door verweerder in het kader van de ruimtelijke ordening.
    7.5. Met betrekking tot de stelling van verzoeksters dat verweerder bij de beoordeling van emissies in de aangevraagde situatie niet zonder meer kon volstaan met een verwijzing naar de door de minister op grond van de Wet Ammoniak en Veehouderij in de Regeling Ammoniak en Veehouderij (RAV) vastgestelde emissies per stalsoort, omdat er op dit moment onvoldoende wetenschappelijke zekerheid bestaat over de emissies, overweegt de voorzieningenrechter allereerst dat in onderhavige procedure geen Wnb-vergunning voor ligt maar een vergunning op grond van de Wabo. Uit het enkele feit dat bij de beoordeling van de vraag of een project in het kader van de Wnb significante effecten op een Natura 2000-gebied kan hebben, er op grond van de Habitatrichtlijn wetenschappelijke zekerheid moet bestaan omtrent het optreden van deze significante effecten, vloeit niet zonder meer voort dat dezelfde wetenschappelijke zekerheid ook bij de toepassing van de onderhavige bepaling van het bestemmingsplan zou moeten bestaan.

erweerder heeft bij de toepassing van de onderhavige bepaling uit het bestemmingsplan er voor gekozen om bij de beoordeling van de vraag of de bouw van de stal zou leiden tot een toename van de ammoniakemissie aan te sluiten bij emissiewaardes per dierplaats op basis van de RAV. Nu er noch in het bestemmingsplan noch elders in het kader van de ruimtelijke ordening regels zijn gegeven omtrent de berekening van die emissies acht de voorzieningenrechter deze keuze van verweerder niet op voorhand kennelijk onredelijk.

Gelet op de systematiek van het bestemmingsplan, waar wordt gerekend met zeer veel onzekerheden en zeer ruime marges, acht de voorzieningenrechter het begrijpelijk en niet kennelijk onredelijk dat verweerder bij de beoordeling van de vraag of in onderhavig geval sprake is van een toename van de ammoniakemissie van het bedrijf, aansluiting heeft gezocht bij de emissiefactoren van de RAV ook al zijn deze factoren, zoals genoegzaam blijkt uit de door verzoeksters overgelegde stukken, omgeven door onzekerheid.

De voorzieningenrechter constateert, zoals door vergunninghouder ook is benadrukt, dat de vraag of de bouw en het gebruik van de stal zal leiden tot significante effecten op de betrokken Natura 2000-gebieden en zo ja, of dat vergunbaar is, door gedeputeerde staten van Groningen zal moeten worden beoordeeld in het kader van de door vergunninghouder aangevraagde vergunning op grond van de Wnb. Gelet op het bovenstaande zullen deze gronden naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet zonder meer kunnen slagen.

* 17 maart 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/6724 GEMWT): Awb,  Gmw; invordering dwangsom, overschrijding geluidvoorschriften, horeca, Activiteitenbesluit, evenement, bewijslast, overgangsrecht
5.5.1   In het meetverslag is aangegeven dat bij aankomst in de omgeving van [naam B.V.] op zondag 10 juni 2018 omstreeks 02.15 uur muziekgeluid uit [naam B.V.] in de ruime omgeving goed hoorbaar was, met name de bastonen. [naam B.V.] ligt in het centrum van [plaatsnaam] waar diverse horeca aanwezig is en waar ook veel versterkte muziek ten gehore wordt gebracht. In de geluidsoverlast was volgens het meetverslag een zeer herkenbaar ritme van het basgeluid waarneembaar. Dit ritmische basgeluid was enkel waarneembaar ter plaatse van [naam B.V.]. Bij aankomst in de omgeving van [naam B.V.] is volgens het meetverslag een luisterronde gemaakt, waarbij is geconstateerd dat het muziekgeluid dat afkomstig was van de overige horecabedrijven niet hoorbaar was in de nabijheid van de gevel van de woning aan de [adres] (de meetlocatie). Bij vertrek van de meetlocatie op 10 juni 2018 omstreeks 02.45 uur was in de omgeving nog steeds muziekgeluid hoorbaar dat afkomstig was uit [naam B.V.].

De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de in het meetverslag neergelegde bevindingen. Anders dan eiseres betoogt, bestond voor het college ook geen aanleiding de muziekresultaten te corrigeren in verband met stoorgeluiden, nu uit het meetverslag afdoende blijkt dat het muziekgeluid afkomstig was uit [naam B.V.] en het muziekgeluid dat afkomstig was van de overige horecabedrijven niet hoorbaar was op de meetlocatie.
5.6.1   Eiseres heeft aangegeven dat de locatie van [naam B.V.] al voor 1 december 1992 in gebruik is voor horeca-exploitatie en dat deze inrichting daarom onder het overgangsrecht uit het Abm valt. Als gevolg hiervan zou zij recht hebben op een 5 dB(A) hogere geluidsnorm dan opgenomen in artikel 2.17 van het Abm.

5.6.2   De rechtbank overweegt dat eiseres haar standpunt dat er voor haar een hogere geluidsnorm zou gelden, aan had moeten voeren in de procedure gericht tegen de oplegging van de last onder dwangsom van 20 april 2016. Zij kan dit niet eerst aanvoeren in de procedure bij de invordering van de verbeurde dwangsom.

5.6.3   Ten overvloede overweegt de rechtbank dat indien het beroep op het overgangsrecht zou slagen en er voor eiseres een 5 db(A) hogere geluidsnorm zou gelden, dit niet betekent dat zij artikel 2.17 van het Abm niet zou hebben overtreden. Immers, volgens het meetverslag is de grenswaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau met 14 dB(A) overschreden. Ook indien er voor eiseres een hogere geluidsnorm zou gelden, dan nog zou de grenswaarde zijn overschreden.