Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 8 september 2021 (ABRvS 202101785/1/R4): Awb, Wro; bpl, herontwikkeling winkelcentrum, woningen
* 8 september 2021 (ABRvS 202101185/1/A2): Awb; verzoek om herziening, planschade/bpl
* 8 september 2021 (ABRvS 202100848/1/R3): Awb, Wro; bpl, woonwijk, zorgwoningen, belanghebbende/6:13
* 8 september 2021 (ABRvS 202100738/1/R4): Awb, Wro; bpl, tankstation met LNG, relativiteit ten aanzien van diverse aspecten als natuur, externe veiligheid en parkeren
* 8 september 2021 (ABRvS 202100188/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, woning, uitbreiding hoofdgebouw/bijbehorend bouwwerk, Bor (Rb Limburg 20/515)
* 8 september 2021 (ABRvS 202006778/1/A3): Awb, Gmw; evenementenvergunningen/ ontheffing Zondagswet, handboogschietwedstrijden, geen openbare vermakelijkheid, Zondagswet niet van toepassing (Rb Den Haag 19/7857)
* 8 september 2021 (ABRvS 202006736/1/A2): Awb, Wvw; verkeersbesluit, gebruik parkeervak voor opladen elektrische voertuigen, belangenafweging (Rb Rotterdam 19/5689)
* 8 september 2021 (ABRvS 202006245/1/R3): Awb, Wro; bpl, woning, privacy
* 8 september 2021 (ABRvS 202006121/1/A3): Awb, Wabo, Hvw; handhaving, gebruik woningen door prostituees, strijd met bpl en huisvestingsverordening (Rb Den Haag 19/5479 19/5503 19/5505)
* 8 september 2021 (ABRvS 202006083/1/R4): Awb, Wabo, Gmw; handhaving/dwangsom/ omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, bedrijven in pand van meerdere verdiepingen, strijd met bpl/Bouwbesluit, geen zicht op legalisatie, Dienstenrichtlijn (Rb Midden-Nederland 19/2247 en 19/5306)
* 8 september 2021 (ABRvS 202005675/1/A2): Awb, Wro; planschade, ontvankelijkheid, gelijkheidsbeginsel, taxatie (Rb Den Haag 19/2752)
* 8 september 2021 (ABRvS 202005562/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor kappen, bouwen en afwijken bpl, zonnevelden, vvgb, landschappelijke inpassing (Rb Overijssel AWB 19/2453)
* 8 september 2021 (ABRvS 202005480/1/R1): Awb, Ww, Gmw; handhaving, zeer spoedeisende bestuursdwang, niet werkende brandmeld- en ontruimingsinstallatie, Bouwbesluit, verhaal kosten, motivering (Rb Noord-Holland 19/5095)
* 8 september 2021 (ABRvS 202004862/1/R1): Awb, Wbb, Wm, Gmw; handhaving, dwangsom, invordering, drugsresten in mestkelder, bodem/grondwater
* 8 september 2021 (ABRvS 202004702/1/R1): Awb, Wbb, Wm, Gmw; handhaving, dwangsom, invordering, opslag van houtzaagsel met drijfmest, bodem
* 8 september 2021 (ABRvS 202004400/1/R1): Awb, Wro; bpl, parapluplan/verbrede reikwijdte, ontvankelijkheid/6:13, overgangsrecht
* 8 september 2021 (ABRvS 202004240/1/R1): Awb, Waterwet; vergunning voor slopen en bouwen woning, handelingen in rijkswaterstaatswerk en waterkering, beleidsregels, motivering (Rb Gelderland  19/5648)
* 8 september 2021 (ABRvS 202003351/1/A2): Awb; handhaving, afsluiting van parkeerterreinen, bevoegdheid, belanghebbendheid (Rb Noord-Nederland 19/1961)
* 8 september 2021 (ABRvS 202003348/1/A2): Awb, Wvw; verkeersbesluit, afsluiting parkeerterrein, overlast, illegale vuilstort, bereikbaarheid bos, belanghebbendheid (Rb Noord-Nederland 19/1440)
* 8 september 2021 (ABRvS 202002766/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, huisvesting arbeidsmigranten, beleidsregels. Motivatie (Rb Noord-Holland 17/2525 en 17/2526)
* 8 september 2021 (ABRvS 202002644/1/R4): Awb, Ww, Gmw; handhaving, dwangsom, invordering, stutten keldermuur, stabiliteit, Bouwbesluit, geen omgevingsvergunning, draagconstructie/Bor (Rb Midden-Nederland 19/2693)
* 8 september 2021 (ABRvS 202000045/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor veranderen uitweg, APV, beleidsregels, verkeersveiligheid, gelijkheidsbeginsel (Rb Gelderland 19/164)
* 8 september 2021 (ABRvS 201908756/1/R2): Awb, Wabo; mededeling van rechtswege verleende omgevingsvergunning, omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, tijdelijk parkeerterrein (Rb Zeeland-West-Brabant 19/290)
* 8 september 2021 (ABRvS 201907171/1/A2): Awb; nadeelcompensatie, omzetderving, werkzaamheden, overschrijding verjaringstermijn, speciale last, tussenuitspraak (Rb Overijssel 19/444)
* 8 september 2021 (ABRvS 201906731/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, hotel in monumentaal pand (Rb Midden-Nederland 18/1212)
* 8 september 2021 (ABRvS 201906716/1/A3): Awb, Gmw; exploitatievergunning, hotel,  woon- en leefklimaat (Rb Midden-Nederland 19/105)
* 8 september 2021 (ABRvS 201905145/1/R2): Awb, Wro; bpl, woonkavels, geur, Wgv, nertsen
* 8 september 2021 (ABRvS 201904957/2/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken, mestbassin en hekwerk, verkeer, omgevingsverordening  motivering, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak (Rb Noord-­Nederland 18/3096)
* 7 september 2021 (Rb Overijssel ZWO 21/1048 en 21/1151): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, volkstuincomplex, verwijderen bouwwerken zonder vergunning, verwijderen dieren en afval, zicht op legalisatie, dieren/motivering, overtreder, begunstigingstermijn
* 7 september 2021 (CBb 19/1139): Wet dieren; zorgplicht, grote grazers in Oostvaardersplassen, Bhd niet van toepassing, breder welzijnsbegrip, invulling zorgplicht
* 7 september 2021 (CBb 20/746, 20/681, 20/761, 20/752, 19/1758 en 20/637): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrecht, EP/geen sprake van individuele en buitensporige last, knelgevallenregeling, stalcapaciteit, jongvee, voorzienbaarheid, bevoegdheid, EVRM, peildatum, excretieforfait
* 6 september 2021 (ABRvS 202105097/2/R1): Awb, Wm; vovo, aanwijzing locatie ORAC, afvalstoffenverordening, hinder
* 3 september 2021 (Rb Rotterdam ROT 20/177, ROT 20/178, ROT 20/179, ROT 20/180, ROT 20/181, ROT 20/182, ROT 20/401, ROT 20/403, ROT 19/5364, ROT 19/5646, ROT 19/5850, ROT 19/5852, ROT 19/5853, ROT 19/5894, ROT 19/5895, ROT 19/5896, ROT 19/5897, ROT 19/5898, ROT 19/6314, ROT 19/6315, ROT 19/6316 en ROT 19/6317): Awb, Visserijwet; intrekking pulstoestemming, pulskorvissen, Europese Verordeningen, uitspraak EH, technische maatregelen, evenredigheid/schadevergoeding
* 2 september 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 21/484): Awb; invordering dwangsom, kamerverhuur, verjaring
* 2 september 2021 (ABRvS 202104043/2/R4): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, buitenopslag, bpl (Rb Gelderland 20/4074)
* 2 september 2021 (ABRvS 202104554/3/A3): Awb, Wob; vovo, openbaarmaking van gegevens agrarische bedrijven, PAS-meldingen, dwangsom (Rb Noord-Nederland 20/1980 en 20/1981)
* 2 september 2021 (ABRvS 202104802/2/R4): Awb, Wro; vovo, bpl, kleinschalig bedrijventerrein, dassenburcht
* 2 september 2021 (ABRvS 202105595/2/R4): Awb; vovo, handhaving, lasten, begunstigingstermijn (Rb Oost-Brabant 21/1443 en 21/1439)
* 2 september 2021 (EH C-22/20): Niet-nakoming, behandeling van stedelijke afvalwater, Zweden, secundaire behandeling of een gelijkwaardig proces vóór lozing
* 1 september 2021 (Rb Noord-Holland HAA 20/3391): Awb, Msw; handhaving, bestuurlijke boete, overtreding gebruiksnormen
* 1 september 2021 (Rb Limburg ROE 21/1986 en ROE 21/2031): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid, bijzondere omstandigheden
* 1 september 2021 (ABRvS 202103666/2/R4): Awb, Wabo; vovo, tijdelijke omgevingsvergunning voor afwijken bpl, modelvliegtuigterrein, vliegcirkel, vlieghoogte, goede ruimtelijke ordening (Rb Midden-Nederland 21/999 en 21/1042)
* 1 september 2021 (Rb Overijssel ZWO 21/26): Awb, Opiumwet, Gmw; handhaving, dwangsom, woning, drugs, intrekking, procesbelang, stok achter de deur, bevoegdheid
* 1 september 2021 (Rb Overijssel ZWO 21/542): Awb, Wabo; wijziging omgevingsvergunning, woning, afwijken bpl, kortere afstand tot perceelgrens
* 1 september 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/6394 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, cafetaria met bovenwoning, geen strijd met bpl
* 1 september 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/6071 GEMWT): Awb; invordering dwangsommen, permanente bewoning recreatiewoning, geen bijzondere omstandigheden
* 31 augustus 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/1854 WABOM): Awb, Wabo; niet tijdig nemen beslissing op verzoek o omgevingsvergunning voor bouwen, varkensstal, dwangsom
* 30 augustus 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/360 WABOA, BRE 21/370 GEMWT en BRE 21/735 GEMWT): Awb, Wabo, Gmw; intrekking omgevingsvergunning/dwangsom, bijgebouw, mantelzorg, bevoegdheid, overtreder
* 30 augustus 2021 (Rb Amsterdam AMS 21/3999, AMS 21/4221 en AMS 21/4329): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, dwangsommen, sportscholen, strijd met bpl, planregels en verbeelding, bedrijventerrein, motivering
* 26 augustus 2021 (Rb Noord-Holland HAA 20/6668): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, restaurant, parkeren, geluid, Activiteitenbesluit
* 26 augustus 2021 (Rb Noord-Holland HAA 21/2755 en HAA 21/2756 ): Awb, Wabo, Gmw; vovo en kortsluiten, dwangsom, aanbouw en dakopbouw, geen vergunning, strijd met bpl, geen zicht op legalisatie
* 24 augustus 2021 (Rb Noord-Holland HAA 21/3295): Awb, Wnb; vovo, handhaving, kappen bomen, verleende ontheffing, overtredingen
* 23 augustus 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 20/2464 en 20/2468): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, woningen, ontsluiting percelen, bpl met experimenteel karakter, procesbelang, ontvankelijkheid
* 20 augustus 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 21/1720): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid, evenredigheid
* 18 augustus 2021 (Rb Rotterdam ROT 21/4055): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid
* 12 augustus 2021 (Rb Den Haag SGR 21/3160, SGR 21/3161, SGR 21/3162 en SGR 21/3431): Awb, Wabo, Gmw; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunningen voor voorzieningen aan voorgevel winkelpand/invordering dwangsom, strijd met bpl, welstand, invordering vs. lopende procedures
* 11 augustus 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 20/3106): Awb, Opiumwet, Gmw; handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid, evenredigheid
* 4 augustus 2021 (Rb Den Haag SGR 21/4959 OPIUMW): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs en wapens, bevoegdheid, evenredigheid, psycho/medische problematiek minderjarig kind
* 3 augustus 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 20/3076T): Awb, Wro; planschade, planvergelijking, normaal maatschappelijk risico, inschakeling STAB, tussenuitspraak
* 29 juli 2021 (Rb Noord-Holland HAA 20/3945): Awb, Gmw; aanwijzing als gemeentelijk monument, verordening, bouwmogelijkheden en technische staat geen meewegende factor
* 29 juli 2021 (Rb Noord-Nederland 20/1136 en 20/1833): Awb, Wnb; handhaving/dwangsom/vergunning, wijziging bestaande waterput/aanleggen nieuwe waterput, vergunningplicht, Natura 2000-gebied, beheerplan, bevoegdheid
* 16 juli  2021 (Rb Den Haag SGR 21/3812 en SGR 21/3815): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, erfafscheiding, eerder verzoek, ontvankelijkheid, niet tijdig nemen besluit
* 14 juli 2021 (Rb Amsterdam AMS 20/2887, AMS 20/2888, AMS 20/4477, AMS 21/1082 en AMS 21/1083): Awb, Wabo, Gmw; omgevingsvergunning voor bouwen/ligplaatsvergunning woonboten/handhaving/ last onder bestuursdwang, belanghebbenden, strijd met bpl
* 12 mei 2021 (Rb Amsterdam AMS 19/6169): Awb; nadeelcompensatie, verbod op groepsfietsen in centrum stad, risicoaanvaarding, normaal maatschappelijk risico
* 7 april 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/2634 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, verbouwen bankgebouw tot appartementen, parkeren, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 1 april 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/8511 VEROR): Awb, Gmw; aanwijzing gemeentelijk monument, belanghebbende, ontvankelijkheid
* 17 maart 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/5621 WET): Awb, Opiumwet, Gmw; handhaving, sluiting woning en berging, drugs, bevoegdheid, evenredigheid, motivering
* 17 februari 2021 (Rb Den Haag SGR 21/489): Awb, Wnb; vovo, opdracht, reduceren populatie damherten, verwilderde dieren, verkeersveiligheid

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 8 september 2021 (ABRvS 202100188/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, woning, uitbreiding hoofdgebouw/bijbehorend bouwwerk, Bor (Rb Limburg 20/515)
3.4.    Zoals is overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1465), wordt onder bijbehorend bouwwerk ook de uitbreiding van een hoofdgebouw verstaan. In de uitspraak is overwogen dat artikel 4, aanhef en onder 1, van Bijlage II van het Bor niet de beperking bevat dat het moet gaan om een uitbreiding van een reeds bestaand gebouw. Daarnaast volgt uit deze uitspraak dat artikel 4, aanhef en onder 1, van bijlage II van het Bor, niet de beperking bevat dat de uitbreiding functioneel of bouwkundig moet te zijn onderscheiden van de rest van het gebouw.

Gelet op het voorgaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het gedeelte van de woning dat niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan aan de westelijke zijde, is aan te merken als een uitbreiding van het hoofdgebouw, die valt onder de in artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor opgenomen definitie van bijbehorend bouwwerk. Het betoog slaagt.

* 8 september 2021 (ABRvS 202006778/1/A3): Awb, Gmw; evenementenvergunningen/ ontheffing Zondagswet, handboogschietwedstrijden, geen openbare vermakelijkheid, Zondagswet niet van toepassing (Rb Den Haag 19/7857)
6.       Voor het oordeel dat de wedstrijden niet zijn aan te merken als openbare vermakelijkheid in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Zondagswet vindt de Afdeling steun in de wetsgeschiedenis van de Zondagswet. HKS verwijst in dit verband terecht naar de memorie van toelichting. Daarin is het volgende opgenomen:

“het al aanstonds duidelijk (is), dat de huidige wetgever tegenover sportbeoefening op Zondag niet dezelfde houding kan aannemen als de oude wet (…). Te dezen dient enerzijds te worden bedacht, dat de behoefte aan ontspanning in deze tijd voor velen is samengegroeid met de behoefte aan een wekelijkse rustdag. Wat de beoefening van sport en andere lichaamsbeweging in de open lucht betreft, voor hen, die op werkdagen daartoe geen gelegenheid hebben, mag dit gevoeglijk een levensbehoefte heten. (…) Anderzijds behoeft de openbare godsdienstoefening van sportbeoefening in de voor godsdienstoefening gebruikte tijd niet onvermijdelijk werkelijke hinder te ondervinden. Anders wordt het, zodra de sportbeoefening voor anderen dan die daaraan deelnemen, als een openbare vermakelijkheid wordt georganiseerd (…).” (Kamerstukken II 1950/51, 2176, nr. 3, p. 1-2)
6.2.    Gelet op het bovenstaande is het verbod uit artikel 4, eerste lid, van de Zondagswet in dit geval niet van toepassing omdat deze wedstrijden van HKS niet zijn aan te merken als openbare vermakelijkheid in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Zondagswet
.

* 8 september 2021 (ABRvS 202005480/1/R1): Awb, Ww, Gmw; handhaving, zeer spoedeisende bestuursdwang, niet werkende brandmeld- en ontruimingsinstallatie, Bouwbesluit, verhaal kosten, motivering (Rb Noord-Holland 19/5095)
3.3.    De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat op 7 december 2018 sprake was van een zodanige spoedeisende situatie die het toepassen van zeer spoedeisende bestuursdwang, als bedoeld in artikel 5:31, tweede lid, van de Awb, rechtvaardigde. De volgende omstandigheden zijn van belang. Op 4 december 2018 is geconstateerd dat de brandmeld- en ontruimingsinstallatie was uitgeschakeld. Het college is toen niet tot handhavend optreden overgegaan, omdat hij ervan uitging dat de installatie op korte termijn zou worden gereactiveerd. In zijn mail van 4 december 2018 naar aanleiding van de constatering, heeft de toezichthouder vermeld dat mogelijk zou worden gehandhaafd als de installatie bij de controle op de volgende dag nog niet was gereactiveerd. Toen reactivering op korte termijn niet mogelijk bleek, hebben de toezichthouder en de leidinggevende van [appellante] op de daarop volgende dagen elke dag telefonisch dan wel in persoon, in ieder geval mondeling, contact gehad over de te treffen maatregelen om een brandonveilige situatie te voorkomen. Ter zitting is door het college bevestigd dat de inzet van BHV-ers om de brandveiligheid te garanderen totdat de brandmeld- en ontruimingsinstallatie gereactiveerd zou zijn, in de gesprekken tussen de toezichthouder en de leidinggevende van [appellante] aan de orde is gesteld. Ter zitting heeft het college ook erkend dat die communicatie met [appellante] over de te treffen maatregelen niet dan wel onvoldoende op schrift is gesteld.

Uit het bovenstaande volgt dat het college [appellante] vanaf 4 december 2018 een aantal dagen heeft gegund om ervoor te zorgen dat de veiligheid in het pand gewaarborgd zou zijn. Het college heeft gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden niet aannemelijk gemaakt dat, ondanks dat het een aantal dagen heeft laten verstrijken, de situatie op 7 december 2018 niet meer toeliet dat [appellante] een korte begunstigingstermijn zou worden gegund om de veiligheid in het pand te waarborgen. Onder de gegeven omstandigheden had het college op 7 december 2018 een last onder bestuursdwang op moeten leggen met een korte begunstigingstermijn om aan de last te voldoen, temeer omdat een korte begunstigingstermijn van een beperkt aantal uur in dit geval voldoende was geweest om maatregelen te treffen. Bovendien waren dan de verschillende maatregelen die [appellante] kon treffen om aan haar zorgplicht te voldoen, op schrift gesteld, zodat daarover geen onduidelijkheid kon bestaan. Dit betekent dat op 7 december 2018 ten onrechte is overgegaan tot de toepassing van zeer spoedeisende bestuursdwang op grond van artikel 5:31, tweede lid, van de Awb. Het betoog slaagt.

* 8 september 2021 (ABRvS 202003351/1/A2): Awb; handhaving, afsluiting van parkeerterreinen, bevoegdheid, belanghebbendheid (Rb Noord-Nederland 19/1961)
* 8 september 2021 (
ABRvS 202003348/1/A2): Awb, Wvw; verkeersbesluit, afsluiting parkeerterrein, overlast, illegale vuilstort, bereikbaarheid bos, belanghebbendheid (Rb Noord-Nederland 19/1440)
5.5.    Hoewel het in deze zaak niet gaat om een omgevingsvergunning, maar om een verzoek om handhaving, ziet de Afdeling geen aanleiding om tot een ander oordeel over de belanghebbendheid van de Stichting te komen dan in de uitspraak van 15 februari 2017. Het belang vermeld in artikel 3, derde lid, van de statuten – het behartigen van de belangen van alle bezoekers van een openbare parkeerplaats – is op zichzelf niet voldoende onderscheidend om als belanghebbende te worden aangemerkt. Uit de stukken en het ter zitting verhandelde blijkt echter dat het de Stichting daar in deze zaak ook niet om is te doen, maar dat zij zich specifiek inzet voor de belangen van hop-bezoekers die gebruikmaken van de desbetreffende parkeerterreinen. De belangen van die bezoekers behoren tot de collectieve belangen die de Stichting blijkens artikel 3, negende lid, van de statuten behartigt. Anders dan de rechtbank ziet de Afdeling geen reden om voor het aannemen van belanghebbendheid een strikt onderscheid te maken tussen het afsluiten van een feitelijk als hop gebruikt (natuur)terrein en het afsluiten van een daaraan grenzend parkeerterrein dat als toegang tot het (natuur)terrein dient. de Stichting heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat het aanwezig zijn van een parkeerterrein een voorwaarde is om gebruik te kunnen maken van een hop, hop-bezoekers elkaar ook op de parkeerterreinen ontmoeten en bijvoorbeeld op koude dagen daar in de auto’s samenkomen. Dat is ook het geval bij De Kibbelkoele, aldus de Stichting. De Afdeling ziet geen reden aan de juistheid van deze verklaring te twijfelen. Ook het college heeft te kennen gegeven ermee bekend te zijn dat De Kibbelkoele een verzamelplaats wordt genoemd voor sekstoeristen.

Aangezien de Stichting zich inzet voor het openhouden van openbare parkeerplaatsen voor hop-bezoekers en de desbetreffende parkeerterreinen feitelijk werden gebruikt door hop-bezoekers, is het belang van de Stichting rechtstreeks bij het verzoek om handhaving betrokken. Het betoog slaagt.

* 7 september 2021 (CBb 19/1139): Wet dieren; zorgplicht, grote grazers in Oostvaardersplassen, Bhd niet van toepassing, breder welzijnsbegrip, invulling zorgplicht
4.4   De vraag of artikel 1.3, aanhef en onder e, van het Bhd van toepassing is ten aanzien van de grote grazers in de Oostvaardersplassen is aan de orde geweest in de uitspraak van de voorzieningenrechter van het College van 11 maart 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:85). Daarin heeft de voorzieningenrechter voorlopig geoordeeld dat dit artikel niet van toepassing is. Hiertoe heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de in artikel 1.3 van het Bhd aangewezen gedragingen volgens de Nota van Toelichting bij het Bhd (Staatsblad 2014, nr. 210, p. 60) ook verboden zijn, indien zij worden verricht ten aanzien van niet gehouden dieren. Uit de omschrijving van de gedragingen in artikel 1.3 van het Bhd maakt de voorzieningenrechter evenwel op dat van een aantal daarvan weliswaar duidelijk is dat zij ook ten aanzien van andere dan gehouden dieren kunnen worden verricht, maar dat dit van andere aangewezen gedragingen juist valt te betwijfelen. Ten aanzien van de in artikel 1.3, aanhef en onder e, van het Bhd aangewezen gedraging “het weiden van een dier op niet beweidbaar land of, anders dan voor korte duur, weiden op slecht beweidbaar land”, valt evenmin goed in te zien dat die kan worden verricht ten aanzien van andere dan gehouden dieren. De begrippen “weiden” of “beweiden” worden in het Bhd noch de Wet dieren gedefinieerd, maar gelet op de betekenis hiervan in het algemeen spraakgebruik volgens Van Dale moet hieronder worden verstaan: “laten weiden op”, waarbij onder “weiden” wordt verstaan: “grazen” of “laten grazen”. In de toelichting op dit artikelonderdeel is onder andere vermeld: “Dieren die op slecht beweidbaar land worden geweid, kunnen door hun verblijf ernstige en pijnlijke ziekten en gebreken oplopen. Een weiland moet geschikt zijn voor de dieren die er worden geweid” (zie de Nota van toelichting bij het Bhd, p. 99). Voor zover het al mogelijk zou zijn dat ook andere dan gehouden dieren worden geweid, acht de voorzieningenrechter het op zijn minst genomen twijfelachtig dat de hier bedoelde grote grazers door Staatsbosbeheer worden geweid in het natuurgebied Oostvaardersplassen. Het gaat hier immers om dieren, ten aanzien waarvan – naar hiervoor is vermeld – ervan wordt uitgegaan dat ze in het wild leven en die (doorgaans) hun hele leven in het gebied hebben verbleven. De dieren hebben, gelet ook op de beschikbare oppervlakte binnen de Oostvaardersplassen, zelf de keuze waar zij grazen.

4.5   Het College ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de voorzieningenrechter en neemt dat oordeel en de overwegingen waarop het berust hier over. Het College wijst voorts erop dat het kenmerkende verschil tussen gehouden dieren en in het wild levende dieren is de volledige beschikkingsmacht van de mens over het dier. Bij gehouden dieren is die macht volledig, terwijl deze bij in het wild levende dieren niet of slechts beperkt aanwezig is. Bij de grote grazers is er geen volledige beschikkingsmacht van de mens, hooguit is deze in beperkte mate aanwezig. De omstandigheden dat (aan het einde van de winter) wordt bijgevoerd en een deel van de Konikpaarden in een vangkraal is gebracht met het oog op transport naar elders, doen niet eraan af dat de grote grazers in het algemeen zelf de keuze hebben waar zij binnen het gebied verblijven.
9.7   Er bestaat op de door verweerder uiteengezette gronden (zie de weergave daarvan onder 6.5) geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het onderzoek dat verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, onvoldoende zorgvuldig is. Ten aanzien van de stelling van appellante dat ernstig moet worden getwijfeld aan de integriteit en onafhankelijkheid van de bij de rapporten van bevindingen betrokken personen overweegt het College in aanvulling hierop dat appellante deze stelling niet nader heeft onderbouwd. Ook overigens is het College van een gebrek aan integriteit en onafhankelijkheid niet gebleken, zodat het College verder aan deze stelling voorbijgaat.

* 1 september 2021 (Rb Overijssel ZWO 21/26): Awb, Opiumwet, Gmw; handhaving, dwangsom, woning, drugs, intrekking, procesbelang, stok achter de deur, bevoegdheid
15.2.   De door verweerder in dit kader in het bestreden besluit aangevoerde rechtspraak, inhoudende dat van degene die een woning verhuurt wordt verwacht dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik dat van het pand wordt gemaakt, is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak niet van toepassing. Immers, in de aan deze rechtspraak ten grondslag liggende feitencomplexen is er (veelal) sprake van de verhuur van een woning of een (bedrijfs)pand, waarin vervolgens een hennepplantage of een xtc-laboratorium wordt aangetroffen. In een verhuurrelatie wordt van de verhuurder verlangd dat hij concreet toezicht houdt op het gebruik van dat pand/die woning.

In deze zaak is het feitencomplex anders. Er is geen sprake van een verhuurrelatie maar er is sprake van een familielid die af en toe logeert in de woning om de hoofdbewoonster te helpen vanwege ziekte. In een dergelijke situatie (een familielid die af en toe blijft logeren) is het hoogst ongebruikelijk om dat familielid mee te delen dat bezoeken en logeren is toegestaan onder de voorwaarde dat de logee geen drugs in de woning verstopt. Ook is het hoogst ongebruikelijk dat in een dergelijke situatie de logeerkamer en andere ruimten worden doorzocht om te achterhalen of de logee drugs heeft verstopt.

Gelet hierop en gelet op wat in de bestuurlijke rapportage is vermeld over de doorzoeking van de woning (waaruit blijkt dat de drugs goed waren verstopt; de drugs lagen niet open en bloot op de keukentafel) oordeelt de rechtbank dat eiseres (en haar beide zoons) niet op de hoogte waren en evenmin redelijkerwijs op de hoogte konden zijn van de aanwezigheid van de aangetroffen drugs in de woning. Eiseres (en haar zoons) kan daarom geen verwijt worden gemaakt van het overtreden van de Opiumwet.

15.3.    Verder overweegt de rechtbank dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden na de aanhouding van de broer. Eiseres zal alerter zijn en haar broer, op het moment dat deze haar woning bezoekt, erop wijzen dat zij niet accepteert dat hij (wederom) drugs meeneemt en in haar woning verstopt/achterlaat. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat eiseres haar broer niet in deze zin zal aanspreken.

De door verweerder gewenste ‘stok achter de deur’ is daarom naar het oordeel van de rechtbank niet noodzakelijk.

15.4.   Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid niet op het standpunt kunnen stellen dat het opleggen van de last onder dwangsom, inhoudende dat eiseres er zorg voor moet dragen dat in de woning geen softdrugs of harddrugs worden verkocht, afgeleverd, verstrekt of daartoe aanwezig zijn, noodzakelijk en evenredig is.

* 30 augustus 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/360 WABOA, BRE 21/370 GEMWT en BRE 21/735 GEMWT): Awb, Wabo, Gmw; intrekking omgevingsvergunning/dwangsom, bijgebouw, mantelzorg, bevoegdheid, overtreder
6.   Voor de interpretatie van het begrip ‘mantelzorg’ sluit de rechtbank aan bij wat er in bijlage II bij het Bor onder ‘mantelzorg’ wordt verstaan.

In artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Bor is – voor zover relevant – bepaald dat in deze bijlage onder ‘mantelzorg’ wordt verstaan: intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond.

Voorts is in artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Bor bepaald dat onder ‘huisvesting in verband met mantelzorg’ wordt verstaan: huisvesting in of bij een woning van één huishouden van maximaal twee personen, van wie ten minste één persoon mantelzorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de woning.

De rechtbank volgt [naam eiser 1 & 2] niet in hun standpunt dat de zorg die [naam eiser 2] aan haar man verleent c.q. wil verlenen in het bijbehorend bouwwerk bij de woning van [naam eiser 3] valt onder de definities van ‘mantelzorg’ en ‘huisvesting in verband met mantelzorg’ als bedoeld in bijlage II bij het Bor. Het begrip ‘mantelzorg’ moet worden gelezen in samenhang met het begrip ‘huisvesting in verband met mantelzorg’ (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2924). Beide zijn bepalend voor de mogelijkheden die bijlage II bij het Bor biedt voor het faciliteren van mantelzorg. In de definitie van ‘huisvesting in verband met mantelzorg’ staat dat sprake is van huisvesting van een huishouden van twee personen in of bij een woning met bewoners, dus van twee huishoudens. De mantelzorg dient plaats te vinden vanuit het ene huishouden/woning – bijvoorbeeld het huishouden dat de hoofdwoning bewoont – aan de zorgbehoevende uit het andere huishouden/woning. De zorg in de mantelzorgwoning die door de ene huisgenoot wordt verleend aan de andere, valt niet onder de definitie van ‘mantelzorg’ en/of ‘huisvesting in verband met mantelzorg’ in de zin van bijlage II bij het Bor omdat mantelzorg wordt verleend binnen één huishouden/woning.

De door [naam eiser 1 & 2] overgelegde verklaring van de huisarts maakt dat niet anders. De huisarts heeft op 3 juli 2020 verklaard dat het voor [naam eiser 1] , vanwege zijn lichamelijke handicap en uitgebreid benodigde verzorging, om medische redenen nodig is dat hij mantelzorg krijgt. De rechtbank leidt daaruit af dat er weliswaar een zorgbehoefte bestaat, maar dat betekent nog niet dat de zorg die [naam eiser 2] als huisgenoot aan haar man verleent kan worden aangemerkt als mantelzorg in de zin van bijlage II bij het Bor.

Dat leidt ertoe dat het college terecht heeft aangenomen dat het in geding zijnde bijbehorend bouwwerk in strijd met de verleende omgevingsvergunning is/wordt gebruikt.

* 12 mei 2021 (Rb Amsterdam AMS 19/6169): Awb; nadeelcompensatie, verbod op groepsfietsen in centrum stad, risicoaanvaarding, normaal maatschappelijk risico
17.   [eiseres] stelt dat het voor haar, bij de start van de onderneming en ten tijde van de investeringen, niet voorzienbaar was dat het verbod op bierfietsen in het centrum van Amsterdam zou worden ingevoerd. Daarom is volgens [eiseres] geen sprake van risicoaanvaarding.

  1. Anders dan [eiseres] betoogt is het niet van belang of zij bij de start van de onderneming wist dat er een verbod zou komen en dat sprake was van een concreet beleid. Dat is namelijk van belang bij de beoordeling van risicoaanvaarding. Risicoaanvaarding is een ander leerstuk dan het normaal maatschappelijk risico en kent een ander beoordelingskader dan het onder 13 weergegeven en door de burgemeester gehanteerde beoordelingskader voor het normaal maatschappelijk risico.9 Gelet op wat hiervoor ten aanzien van de speciale last en het normaal maatschappelijk risico is geconcludeerd, heeft de burgemeester de aanvraag om nadeelcompensatie terecht afgewezen. Hieruit volgt dat aan de bespreking van het betoog van [eiseres] over risicoaanvaarding niet wordt toegekomen en dat deze beroepsgrond niet slaagt.

    * 17 februari 2021 (Rb Den Haag SGR 21/489): Awb, Wnb; vovo, opdracht, reduceren populatie damherten, verwilderde dieren, verkeersveiligheid
    8.1 De in deze procedure te beantwoorden fundamentele vraag of verweerder er terecht vanuit is gegaan dat de damherten verwilderde dieren zijn als bedoeld in artikel 3.18, vierde lid, van de Wnb, leent zich naar zijn aard niet voor beantwoording middels een voorlopig oordeel in een spoedprocedure. Dat betekent dat de voorzieningenrechter in deze procedure zal volstaan met het aan de hand van een belangenafweging beoordelen of aanleiding bestaat tot het treffen van een voorlopige voorziening.
    8.4   Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient op het moment van het nemen van deze beslissing aan het belang van verzoekers meer gewicht te worden toegekend dan aan de belangen van verweerder.

Hoewel de voorzieningenrechter oog heeft voor de verkeersveiligheid in de Hoeksche Waard en omstreken kan er niet aan voorbijgegaan worden dat, blijkens de stukken en de verhandeling ter zitting, volgens verweerder de kans op aanrijdingen met damherten thans nog vrij klein is en de verkeersveiligheid pas wordt bedreigd als het aantal damherten verder groeit. Nu ter zitting is gebleken dat het aantal damherten reeds met negen is verminderd door afschot – waarmee de verwachte aanwas over 2020 bijna geheel teniet is gedaan – zal het aantal damherten in de Hoeksche Waard minder snel toenemen dan het aantal waarvan verweerder in zijn prognose voor 2021 is uitgegaan. Daarom valt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet te verwachten dat de verkeersveiligheid in de Hoeksche Waard in gevaar zal komen voordat uitspraak is gedaan in de bodemprocedure. Aan het belang van de bedreiging van de verkeersveiligheid komt daarom thans niet hetzelfde gewicht toe als aan de belangen die verzoekers behartigen. Datzelfde geldt voor het voorkomen van schade aan landbouwgewassen. Dat de populatie damherten dit jaar naar verwachting maar in beperkte mate zal groeien heeft ook tot gevolg dat een substantiële toename van de gestelde schade aan landbouwgewassen niet in de lijn der verwachting ligt. Zulks daargelaten dat de door verweerder in het bestreden besluit genoemde schadebedragen aan gewassen en vegetatie door verzoekers in twijfel worden getrokken.

  1. De voorzieningenrechter zal het verzoek dan ook toewijzen en de voorlopige voorziening treffen dat het bestreden besluit wordt geschorst tot zes weken na de uitspraak op het beroep.

Samenvattingen van jurisprudentie op STAB-site

Op de website van STAB wordt recente jurisprudentie ook samengevat.
De volgende uitspraken zijn deze week nieuw geplaatst:
Vzr Rb Den Haag 18 juni 2021 Brief met bevindingen toezichthouder is een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb, omdat het een voorafgaande goedkeuring betreft.
ABRvS 18 augustus 2021 Bestemmingsplan, niet aannemelijk dat trompeteffect vanwege de HSL-spoorlijn zich zal voordoen.

ABRvS 25 augustus 2021 Omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan, geurverwijderingsrendement van de vergunde luchtwasser van 85% is voldoende gemotiveerd.