Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 20 oktober 2021 (ABRvS 202101574/1/R4): Awb, Wro; bpl, brandweerkazerne, zichtlijnen, openheid, verkeersveiligheid
* 20 oktober 2021 (ABRvS 202100589/1/R4): Awb, Wro; bpl, woningen, natuur/relativiteit, bomen/groen
* 20 oktober 2021 (ABRvS 202006878/1/R1, 202007038/1/R1, 202007153/1/R1 en 202101563/1/R1): Awb, Wm; aanwijzing ondergrondse restafvalcontainers, afvalstoffenverordening, geschiktheid locatie/alternatieven, tussenuitspraak
* 20 oktober 2021 (ABRvS 202006379/1/R2): Awb, Wro; bpl, ontsluiting bedrijfsterrein
* 20 oktober 2021 (ABRvS 202005944/1/R1): Awb, Wabo, Gmw; aanzegging bestuursdwang, staken mengformule in bakkerswinkel/eetwinkel, strijd met bpl, vertrouwensbeginsel (Rb Amsterdam 20/4781 en 20/4782)
* 20 oktober 2021 (ABRvS 202005526/1/R2): Awb, Wnb; vergunning, uitbreiding afvalverwerkingsbedrijf, extra verbrandingslijn, eerder verleende vergunning niet vervallen, uitleg voorschrift, stikstof, intern salderen/referentiesituatie, transport- en scheepvaartbewegingen/cumulatie, motivering (Rb Noord-Nederland 20/302)
* 20 oktober 2021 (ABRvS 202005023/1/A3): Awb, DHW, Gmw; intrekking DHW- en exploitatievergunning, Wet Bibob, illegaal gokken (Rb Zeeland-West-Brabant 20/953)
* 20 oktober 2021 (ABRvS 202004469/1/R2): Awb, Wnb; ontheffing, windturbines, omvang vleermuisonderzoek, slachtofferreductie, cumulatie, motivering
* 20 oktober 2021 (ABRvS 202004427/1/R1): Awb, Wro; bpl, klooster, huisvesting van arbeidsmigranten, stikstof/natuur/relativiteit, woon- en leefklimaat, verkeer/CROW
* 20 oktober 2021 (ABRvS 202004317/1/R2): Awb, Wro, Wabo; bpl/omgevingsvergunning voor bouwen, woningen met parkeervoorziening, cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van beschermd stadsgezicht, inpassing, privacy, privaatrechtelijke belemmering, parkeren, verkeersveiligheid, bezonning
* 20 oktober 2021 (ABRvS 202002768/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, strandbrug/natuurmaatregelen, feitelijke gevolgen van enige betekenis, belanghebbende, natuur/relativiteit (Rb Zeeland-West-Brabant 19/2566)
* 20 oktober 2021 (ABRvS 202002678/1/R1): Awb, Waterwet; vergunning/ontheffing Keur, bouwterrein met geasfalteerde toegangsweg, waterkering (Rb Zeeland-West-Brabant 18/8600)
* 20 oktober 2021 (ABRvS 202001561/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl, milieu, windturbines, herbegrenzingsbesluit NNB/verbindendheid, provinciale verordening (Rb Oost-Brabant 19/1415 en 19/1495)
* 20 oktober 2021 (ABRvS 202000282/1/R2): Awb, Wnb; vergunning, windturbines, belanghebbenden, relativiteit, passende beoordeling, cumulatieve effecten, roofvogels, vleermuizen, stikstof/Vlaamse beoordeling
# 20 oktober 2021 (ABRvS 201907875/1/A3): Awb, Gmw; handhaving, dwangsom, invordering, herstellen veldweg, ploeglijn/uitgangssituatie, luchtfoto, zelf in de zaak voorzien (Rb Limburg 18/1816)
* 20 oktober 2021 (ABRvS 201904316/1/R3): Awb, Wro; bpl, categorie bedrijven, wijzigingsbevoegdheid, VNG-brochure, geluidwaarde/kavel, huisvesting arbeidsmigranten/ inconsistente besluitvorming
* 19 oktober 2021 (ABRvS 202105214/2/R3): Awb, Wro; vovo, bpl, woningen, Wnb, soortenbescherming, compensatiegebied, MER/alternatieven
* 19 oktober 2021 (CBb 19/303): melding overdracht fosfaatrechten, procesbelang, schade
* 18 oktober 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 21/112): Awb; verhaal kosten bestuursdwang, opslag van hond na inbeslagname, tijdelijkheid
* 18 oktober 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 21/2854): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, evenredigheid
* 18 oktober 2021 (Rb Gelderland C/05/392694 / KG ZA 21-307): BW; kort geding, onrechtmatige hinder en overlast van windmolens, Activiteitenbesluit, MER, gebruik omgevingsvergunning
* 15 oktober 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 20/2652): Awb, Mbw; mijnbouwschade, gaswinning, ontvankelijkheid, rechtsbescherming, evenredigheid
* 15 oktober 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 21/3688): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, bewoning woonhuis door twee huishoudens, strijd met bpl
* 15 oktober 2021 (HR 20/00989): BW; aardbevingsschade, aansprakelijkheid, onrechtmatige hinder en overlast, vermogens- en immateriële schade, omvang schadevergoeding
* 14 oktober 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/1963 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, schuur naar woning, ontvankelijkheid
* 14 oktober 2021 (Rb Noord-Holland HAA 20/4297): Awb, Wabo, Ww, Gmw; handhaving, dwangsommen, invordering, brand-overslageisen, Bouwbesluit, beheersbaarheid van brand/NEN 6079, bevoegdheid
* 14 oktober 2021 (Rb Noord-Holland HAA 20/5973): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, distributiehal, brandveiligheid, Bouwbesluit, verandering brandcompartiment, gelijkwaardigheid
* 14 oktober 2021 (ABRvS 202101048/3/R2): Awb, Wro, Wabo; vovo, inpassingsplan, omgevingsvergunning voor bouwen, milieu, monumenten, uitweg en kappen, uitbreiding autofabriek, kap groot deel monumentaal bos, mitigatie- en compensatieplan, Wnb, beschermde soorten
* 14 oktober 2021 (ABRvS 202105315/2/R3): Awb, Wro; bpl, cultuurhistorische waarden panden, sloop, beeldbepalende elementen
* 13 oktober 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 21/2736): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning en schuur, stoffen voor productie harddrugs, evenredigheid
* 13 oktober 2021 (ABRvS 202105387/2/R1): Awb, Wro; vovo, bpl, appartementen, veehouderijen, geur, buitenruimten, geluid, VNG-brochure
* 13 oktober 2021 (Rb Noord-Holland C/15/304653 / HA ZA 20-421): BW; onrechtmatige hinder, bebouwing nabij erfgrens/raam, erfdienstbaarheid
* 12 oktober 2921 (Rb Gelderland AWB 20/6324): Awb, Wnb; goedkeuring faunabeheerplan, ontheffing afschieten ganzen, populatiebeheer, schadebestrijding, volksgezondheid of openbare veiligheid/motivering, vervroeging zomerperiode, tussenuitspraak
* 12 oktober 2021 (Rb Gelderland ARN 21/1946): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, zonnepark, vvgb, motivering, zonneladder
* 11 oktober 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/3675 OPIUMW VV en 21/3676 OPIUMW VV): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting garageboxen, hennepteelt
* 8 oktober 2021 (Rb Den Haag SGR 21/5813): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, dakopbouw, strijd met bpl, privaatrechtelijke belemmering
* 7 oktober 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/5761 WET): Awb, Msw; handhaving, bestuurlijke boete, mest, overtredingen
* 7 oktober 2021 (Rb Limburg ROE 20/2253, 20/2254, 20/2255 en 20/2256): Awb, Waterwet; projectplan/legger, belangenafweging, plasdraszone, beperking gebruik, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 6 oktober 2021 (Rb Gelderland 8875841 \ CV EXPL 20-10753 \ 42693 \ 32268): BW; ontbinding huurovereenkomst, onrechtmatige overlast
* 6 oktober 2021 (EH C-668/19): Niet-nakoming, opvang en behandeling van stedelijk, bouw en exploitatie van waterzuiveringsinstallaties, controle op lozingen, kwetsbare gebieden, strengere behandeling van afvalwater
* 4 oktober 2021 (Rb Midden-Nederland C/16/525900 / KG ZA 21-458): BW; kort geding, onrechtmatige hinder van windmolens, Activiteitenbesluit, maatwerkvoorschriften
* 1 oktober 2021 (Rb Den Haag SGR 19/7352): Awb, Wabo, Gmw; aanwijzing gemeentelijk monument, erfgoedverordening, commissie WCE, cultuurhistorische waarden
* 1 oktober 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 20/1824E en SHE 20/1825): Awb, Waterwet; vergunning, berging hemelwater, noodoverloop, monitoring, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 30 september 2021 (Rb Den Haag SGR 20/3919): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, pergola en dakterras, overkapping/schuifbaar doek, welstand, strijd met bpl
* 29 september 2021 (Rb Limburg ROE 19/3191): Awb, Lvw; handhaving, verlenging start- en landingsbaan, Verdrag van Chicago, geluidhinder van taxiën/operationele maatregelen Lhb, ICAO/EASA, omzettingsregeling, veiligheidscertificaat
* 29 september 2021 (Rb Den Haag SGR 19/3655): Awb, Nsw; vergunningaanvraag, geen buitenplaats van voor 1850, geen sprake van met hoofdhuis architectonisch verbonden historische tuin of historisch park van ten minste één hectare, ontvankelijkheid
* 28 september 2021 (Rb Limburg ROE 21/2005 en ROE 21/2004): Awb, Wabo, Gmw; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsom, geen vergunning, afwijking van vergunningvrije maatvoering, welstand, geen geringe overtreding
* 27 september 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 21/280): Awb, Gmw; handhaving, dwangsommen, invordering, APV, openbare orde, bevoegdheid, burgemeester/college
* 24 september 2021 (Rb Rotterdam 8609220 CV EXPL 20-21245): BW; ernstige en structurele overlast, ontbinding huurovereenkomst en ontruiming gehuurde
* 9 augustus 2021 (Rb Amsterdam AMS 20/5872 en 20/5874): Awb, Wabo; handhaving en omgevingsvergunning voor splitsing verdieping in woningen en verandering dakterras op bijgebouw, privacy, relatie bpl
* 2 augustus 2021 (Rb Den Haag SGR 20/1985): Awb, Wabo; handhaving, silo’s buiten bouwblok, zicht op legalisering, opslag
* 5 januari 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 19/3626): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, zeer geringe afwijking bouwvergunning,
* 5 januari 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 19/4250): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, gebruik schuur als B&B, eerder verleende tijdelijk omgevingsvergunning, procesbelang
* 31 december 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/4276): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, woning, beleidsregels
*22 december 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/3364, UTR 19/3366, UTR 19/3367, UTR 19/3368 en UTR 19/2962): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, gebruiken en aanleggen voorzieningen voor parkeerplaats winkelcentrum, beperkte beoordeling/betaald parkeren geen onderdeel besluit
* 24 november 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/2747): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, overtreding, bouw van twee abri’s en het splitsen van de inrit van de parkeerplaats, inmiddels omgevingsvergunning verleend, procesbelang, ontvankelijkheid
* 2 oktober 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 20/2770, UTR 20/2793 en UTR 20/2726): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor slopen, bouwen en afwijken bpl, woning, vvgb en voorbereiding raad, ruimtelijke onderbouwing
* 28 september 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/4732 en UTR 20/3303): Awb, Wabo; handhaving, activiteiten op bosperceel, niet tijdig beslissen, motivering

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 20 oktober 2021 (ABRvS 202005526/1/R2): Awb, Wnb; vergunning, uitbreiding afvalverwerkingsbedrijf, extra verbrandingslijn, eerder verleende vergunning niet vervallen, uitleg voorschrift, stikstof, intern salderen/referentiesituatie, transport- en scheepvaartbewegingen/cumulatie, motivering (Rb Noord-Nederland 20/302)
7.3.  ……………………………….

De Afdeling heeft in haar uitspraak van 20 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:71) overwogen dat zij geen aanleiding ziet om deze rechtspraak over intern salderen te wijzigen. De Afdeling overweegt in die uitspraak dat zij in de rechtspraak van het Hof van Justitie geen aanknopingspunten ziet voor het oordeel dat de referentiesituatie niet betrokken mag worden bij de vraag of op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat de wijziging van een bestaande activiteit significante gevolgen heeft. Daarbij is zij ook ingegaan op de door VSL, VZE en MOB genoemde arresten van het Hof, behalve op het later gewezen arrest van 24 juni 2021.

De Afdeling ziet geen grond om in dit geval anders te oordelen dan in haar uitspraak van 20 januari 2021, ook niet vanwege het recente arrest van 24 juni 2021. Dat arrest gaat over het nemen van passende maatregelen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn in een procedure tussen de Europese Commissie en de lidstaat Spanje, en niet over een project als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, dat hier aan de orde is. Ook in dit arrest ziet de Afdeling daarom geen aanknopingspunten om te oordelen dat de referentiesituatie niet betrokken mag worden bij de vraag of op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat de wijziging van een bestaande activiteit significante gevolgen heeft.

Het betoog slaagt niet.
8.3  ……………………………
Het college heeft dus ten onrechte geen volledig onderzoek gedaan naar de toename van de transportbewegingen die inherent zijn aan het project, namelijk de vrachtwagenbewegingen en scheepvaartbewegingen. Het standpunt dat de toename van transportbewegingen niet leidt tot extra stikstofdepositie is daarom is onvoldoende gemotiveerd. De door EEW overgelegde Aerius-berekening van 20 augustus 2020 is, zoals VSL, VZE en MOB terecht betogen, onvoldoende als onderbouwing van de stelling dat geen sprake zou zijn van extra stikstofdepositie. In die berekening zijn de scheepvaartbewegingen die inherent zijn aan het project in het geheel niet meegenomen.

Het besluit is dan ook in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en berust niet op een deugdelijke motivering.

Het betoog slaagt.

* 20 oktober 2021 (ABRvS 202000282/1/R2): Awb, Wnb; vergunning, windturbines, belanghebbenden, relativiteit, passende beoordeling, cumulatieve effecten, roofvogels, vleermuizen, stikstof/Vlaamse beoordeling
9.1.    Het college stelt dat er zich, op basis van het in Vlaanderen geldende toetsingskader, geen significant negatief effect zal voordoen op het Natura 2000-gebied. Daarbij heeft het college verwezen naar AERIUS-berekeningen. Daaruit blijkt dat voor stikstofgevoelige habitattypen binnen het Natura 2000-gebied sprake is van een bijdrage van stikstofdepositie in de aanlegfase. Het gaat om een bijdrage van 0,11 mol. Volgens het geldende Vlaamse systeem wordt een bijdrage van minder dan 5% voor de depositie van stikstofoxiden gezien als niet significant.

9.2.    In het arrest van 25 februari 2021 (nr. RvVb A/2021/0697, https://dbrc.be), heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen geoordeeld dat het louter verwijzen naar het Vlaamse PAS-significantiekader en de daarin opgenomen drempelwaarden, waarbij een bijdrage van minder dan 5% voor de depositie van stikstofoxiden wordt gezien als “niet significant”, niet in overeenstemming is met artikel 6 van de Habitatrichtlijn. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het college er niet van kon uitgaan dat de methode voor de beoordeling van de gevolgen van de toename van stikstofdepositie in het Vlaamse Natura 2000-gebied in overeenstemming is met artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Het bestreden besluit is in zoverre onvoldoende gemotiveerd.

Het betoog slaagt.

* 18 oktober 2021 (Rb Gelderland C/05/392694 / KG ZA 21-307): BW; kort geding, onrechtmatige hinder en overlast van windmolens, Activiteitenbesluit, MER, gebruik omgevingsvergunning
* 4 oktober 2021 (
Rb Midden-Nederland C/16/525900 / KG ZA 21-458): BW; kort geding, onrechtmatige hinder van windmolens, Activiteitenbesluit, maatwerkvoorschriften
4.7.   Het is -zo volgt uit dit arrest- aan het bestuursorgaan, in dit geval de gemeente, om een omgevingsvergunning met formele rechtskracht al dan niet in te trekken, wanneer aan de in het Kühne & Heitz-arrest genoemde voorwaarden is voldaan. Wanneer de gemeente dit weigert, zoals in het onderhavige geval, is het aan de bestuursrechter (en niet aan de civiele (voorzieningen)rechter) om te onderzoeken of de gemeente het besluit had behoren in te trekken wegens strijd met het Unierecht, een en ander in het licht van de in artikel 2.33 Wabo genoemde intrekkingsgronden. Gebleken is dat Stichting c.s. deze (bestuursrechtelijke) weg inmiddels ook bewandelen (zie 2.12.). De civiele voorzieningenrechter is enkel bevoegd een voorlopige voorziening te treffen indien het voorshands aannemelijk is dat de bestuursrechter in dit specifieke geval zal oordelen dat de gemeente de omgevingsvergunning had moeten intrekken (zie ook 4.3). In dit verband wordt als volgt overwogen.

4.9.   Overwogen wordt dat uit de in het geding gebrachte stukken en het verhandelde ter zitting genoegzaam is gebleken dat de gemeente (voor wat betreft in ieder geval hinder door geluid en slagschaduw) een uitgebreide en op bepaalde punten verderstrekkende eigen afweging heeft gemaakt van de milieueffecten van het windmolenpark en niet slechts heeft volstaan met een verwijzing naar de (voorheen) op grond van het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling geldende normen voor windturbines. Er is een MER uitgevoerd en de gemeente heeft vervolgens eigen (op de MER gebaseerde) normen heeft aangelegd, waar bij de toepassing van die normen steeds is voorzien in een op de onderhavige situatie toegesneden en op zichzelf staande motivering. Zo volgt uit de omgevingsvergunning dat de aanvraag voor de omgevingsvergunning èn het in opdracht van [gedaagde] uitgevoerde MER onderdeel uitmaken van de omgevingsvergunning. Wat betreft geluid blijkt uit de omgevingsvergunning verder dat de gemeente naar aanleiding van het MER voor de zesde variabele turbine een eigen geluidsvoorschrift heeft vastgesteld in de omgevingsvergunning (zie 2.9.). Uit de MER blijkt ook dat niet alleen is gekeken naar de (maximale) geluidsniveaus die volgen uit artikel 3.14a lid 4 van het Activiteitenbesluit (zijnde 47 decibel Lden en 41 decibel Lnight), maar dat tevens in beeld is gebracht hoeveel woningen zijn gelegen binnen de geluidscontour van 37-42 en 42-47 decibel Lden, een en ander toegespitst op de verschillende opstellingsalternatieven van de (nog te plaatsen) windturbines. Van belang is in dit verband verder dat Stichting c.s. niet hebben betwist dat er thans een nieuwe type windturbine wordt geplaatst (de Nordex 117/3600) die (in ieder geval) qua geluidbelasting gunstiger uitvalt dan de in de vergunning opgenomen windturbine (de Nordex 117/3000). Ook is in de MER stilgestaan bij de cumulatieve geluidsbelasting, gespecificeerd per straat waarin de woningen in de omgeving van het windmolenpark liggen en de gehanteerde alternatieven qua opstelling van de windmolens, terwijl het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling in dit verband geen norm voorschrijven.
4.12.   Gelet op het voorgaande valt niet uit te sluiten dat de bestuursrechter tot het oordeel komt dat in de aan [gedaagde] verleende omgevingsvergunning in voldoende mate eigen normen zijn vastgesteld voor het te realiseren windmolenpark, zodat vooruitlopend op de uitkomst van de procedure bij bestuursrechter niet met voldoende mate van zekerheid kan worden gezegd dat de omgevingsvergunning van [gedaagde] in strijd is met het Unierecht en om die reden zal worden ingetrokken. Het moet het er dan ook voor dit kort geding voor worden gehouden dat de omgevingsvergunning in stand blijft, zodat [gedaagde] in beginsel van de aan haar verleende vergunning gebruik mag maken. Windpark Den Tol handelt dan ook niet onrechtmatig door gebruik te (blijven) maken van die vergunning.

* 15 oktober 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 20/2652): Awb, Mbw; mijnbouwschade, gaswinning, ontvankelijkheid, rechtsbescherming, evenredigheid
Tussen partijen is niet in geschil dat het primaire besluit op 20 februari 2020 aan eiser is toegezonden en dat eiser dat besluit daarna heeft ontvangen. Ook is niet in geschil dat eisers reactie op het primaire besluit niet binnen de bezwaartermijn is ingediend.

De rechtbank is van oordeel dat de stellingen van eiser geen grond vormen om een verschoonbare termijnoverschrijding aan te nemen. Hoewel te begrijpen is dat eiser een moeilijke periode heeft doorgemaakt en de situatie als gevolg van de corona-lockdown lastig voor hem was, ontslaan die omstandigheden hem niet van zijn verantwoordelijkheid om op tijd op het primaire besluit te reageren. Verweerder heeft eiser in het primaire besluit uitdrukkelijk gewezen op de mogelijkheid om een bezwaarschrift in te dienen binnen zes weken na de datum van dat besluit. Daar komt bij dat niet in geschil is dat de zaakbegeleider eiser op de bezwaarmogelijkheid heeft gewezen. Daarnaast betrekt de rechtbank dat eiser het primaire besluit heeft ontvangen ruim twee weken voordat de coronacrisis begon. Niet gebleken is dat eiser geen mogelijkheid had om een andere persoon te machtigen om namens hem tijdig een (pro forma) bezwaarschrift in te dienen. Daarbij slaat de rechtbank acht op het feit dat eiser tijdens de bezwaartermijn wel de mogelijkheid heeft benut om een aannemer in te schakelen, ter voorbereiding van een contra-expertise. Dat verweerder lang over de behandeling van eisers aanvraag heeft gedaan, maakt deze omstandigheden niet anders. Ook maakt die lange behandeling niet dat eiser de wettelijke bezwaartermijn opzij kan schuiven. Uit de Memorie van Toelichting bij de Tijdelijke wet Groningen volgt dat de wetgever er uitdrukkelijk voor heeft gekozen om de bepalingen van hoofdstuk 6 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) van toepassing te verklaren op het bezwaar dat door de aanvrager kan worden ingesteld tegen een besluit van verweerder. Ook is er uitdrukkelijk voor gekozen om vast te houden aan de bezwaartermijn van zes weken.

Naar het oordeel van de rechtbank bestaat in de overige stellingen van eiser evenmin aanleiding voor de conclusie dat verweerder niet mocht beslissen tot niet-ontvankelijkverklaring van eisers bezwaarschrift. Nu het verzuim in het onderhavige geval niet verschoonbaar is, biedt artikel 6:11 van de Awb geen ruimte voor een belangenafweging als gevolg waarvan buiten het kader van dat artikel een uitzondering kan worden toegestaan op een voor eiser fatale termijn. De rechtbank begrijpt de stellingen van eiser hierbij aldus dat ook in het geval er geen sprake zou zijn van een verschoonbare termijnoverschrijding, en er daarom sprake is van een gebonden bevoegdheid op grond waarvan verweerder gehouden is eiser niet-ontvankelijk te verklaren, de gelding van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb met zich mee kan brengen dat verweerder, en in het verlengde daarvan de rechtbank, tot het oordeel zou moeten kunnen komen dat het kennelijk onredelijk is om tot niet-ontvankelijkheid van eiser te oordelen. De rechtbank stelt voorop dat, anders dan eiser kennelijk meent, bij de uitoefening van de onderhavige bevoegdheid om eiser niet-ontvankelijk te verklaren niet de toekenning en de omvang van de schadevergoeding centraal staat maar de vraag of eiser toegang moet krijgen tot de rechtsbescherming in de vorm van een nieuwe bestuurlijke beoordeling en in het verlengde daarvan een rechterlijke toetsing van die beoordeling. Hoewel de toegang tot de rechtsbescherming een groot goed is, betekent het enkele feit dat die toegang wordt onthouden niet op voorhand dat eiser de schadevergoeding wordt onthouden waarop hij recht heeft. In deze procedure staat daarom niet het belang van eiser op schadevergoeding centraal maar het belang van eiser om rechtsbescherming te verkrijgen en het belang van verweerder om rechtszekerheid te verkrijgen omtrent de gelding van zijn besluiten.

De rechtbank sluit niet op voorhand uit dat ook voor zover een bevoegdheid op grond van een wet in formele zin een gebonden karakter heeft, de toepassing van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb met zich mee zou kunnen brengen dat in een bijzonder geval die gebonden bepaling niet onverkort wordt toegepast. De rechtbank komt aan de beoordeling van de vraag of de rechtbank een dergelijke toets kan voltrekken echter niet toe omdat de wetgever zelf reeds heeft onderkend dat onverkort vasthouden aan de geldende bezwaar- en beroepstermijn kan leiden tot onbillijkheden en daarom heeft voorzien in de mogelijkheid om van niet-ontvankelijkverklaring af te zien indien de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Bij de beoordeling van de verschoonbaarheid kan het bestuursorgaan en de bestuursrechter beoordelen of het onredelijk zou zijn om gelet op de specifieke omstandigheden van eiser, de rechtszekerheid van verweerder voor te laten op de belangen van eiser om toegelaten te worden tot de rechtsbescherming. Voor een verdergaande toets ziet de rechtbank in deze geen aanknopingspunten.

Dat zou, mede in het licht van de doelstellingen van de TwG, slechts anders kunnen zijn indien het, ook zonder een meer dan oppervlakkige kennisname van het dossier door de bestuursrechter aan de hand van de beroepsgronden, evident zou zijn dat eiser zonder goede grond in hoge mate de schadevergoeding zou worden onthouden waarop hij krachtens de betrokken wettelijke bepalingen recht heeft. De rechtbank acht het overigens in het licht van de doelstellingen van de TwG niet goed voorstelbaar dat verweerder, geconfronteerd met een dergelijk geval niet ambtshalve een nieuw besluit op bezwaar zou nemen zodat eiser alsnog zou krijgen waar hij recht op heeft.

In de onderhavige zaak is daarvan echter geen sprake. Vaststaat dat eisers aanvraag inhoudelijk door verweerder is behandeld en beoordeeld, met inachtneming van de deskundigenadviezen van Jasper en Hummel. Daar heeft eiser geen contra-expertise tegenovergesteld, laat staan een contra-expertise waaruit evident blijkt dat hem zonder goede grond de schadevergoeding is onthouden als hiervoor bedoeld. In dat licht bezien is het ook niet aannemelijk geworden dat een volledige heroverweging in de bezwaarfase zou hebben geleid tot de conclusie dat eiser recht heeft op een veel hogere schadevergoeding dan toegekend in het primaire besluit.

Verweerder heeft het bezwaarschrift van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard.

* 15 oktober 2021 (HR 20/00989): BW; aardbevingsschade, aansprakelijkheid, onrechtmatige hinder en overlast, vermogens- en immateriële schade, omvang schadevergoeding
In cassatie was onder meer aan de orde of het hof mocht oordelen dat de omstandigheid dat iemand bewoner is van een huis waaraan fysieke schade is ontstaan die is veroorzaakt of verergerd door aardbevingen, onrechtmatige hinder en overlast oplevert wat recht geeft op vergoeding van vermogensschade wegens gederfd woongenot. Verder ging het om de vraag of een bewoner van een huis dat minstens tweemaal fysieke schade heeft opgelopen recht heeft op vergoeding van immateriële schade van minimaal € 2.500.

De Hoge Raad oordeelt dat ten aanzien van een bewoner van een huis waaraan fysieke schade is ontstaan die is veroorzaakt of verergerd door aardbevingen, het niveau is bereikt waarop de door NAM veroorzaakte hinder en overlast onrechtmatig is, ongeacht de uiteenlopende omvang van fysieke schade aan woningen. Het in zo’n geval gemiste woongenot komt voor vergoeding in aanmerking. Een bewoner van een huis dat ten minste tweemaal fysieke schade heeft opgelopen heeft daarnaast recht op vergoeding van immateriële schade. Het stond het hof vrij om het smartengeld op minstens € 2.500 per bewoner te bepalen.

* 14 oktober 2021 (Rb Noord-Holland HAA 20/4297): Awb, Wabo, Ww, Gmw; handhaving, dwangsommen, invordering, brand-overslageisen, Bouwbesluit, beheersbaarheid van brand/NEN 6079, bevoegdheid
4.3   De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of verweerder bevoegd was om op grond van artikel 2.3, aanhef en onder b, van de Wabo te handhaven. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Het verbod in artikel 2.3, aanhef en onder b, van de Wabo ziet op voorschriften die met toepassing van artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo aan de vergunning zijn verbonden. Uit de last en het verhandelde ter zitting blijkt niet dat er sprake is van strijdig handelen met voorschriften die met toepassing van artikel 2.22, tweede lid, Wabo aan de vergunning zijn verbonden. Verweerder heeft ter zitting ook bevestigd dat de strijd ziet op het handelen in afwijking van de omgevingsvergunning. Verweerder was gelet op het vorenstaande dan ook niet bevoegd om handhavend op te treden wegens het handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.3, aanhef en onder b van de Wabo.

4.4   De rechtbank ziet echter aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Op grond van het bepaalde in artikel 2.1, eerste lid onder a, van de Wabo, is het verboden te bouwen in afwijking van een omgevingsvergunning. Hoewel verweerder dit artikel niet aan de last ten grondslag heeft gelegd, is het debat tussen partijen gegaan over de wijze waarop de bouwvergunning is uitgevoerd, waarbij door eisers niet is betwist dat zij in afwijking van de bouwvergunning hebben gebouwd. Verweerder was bevoegd op grond van artikel 2.1, eerste lid onder a, van de Wabo, te handhaven. Het formele gebrek van het noemen van het verkeerde rechtsartikel doet aan die bevoegdheid niet af. Wel leidt het gebrek ertoe dat eisers recht hebben op vergoeding van de in beroep gemaakte proceskosten en het griffierecht.

* 13 oktober 2021 (ABRvS 202105387/2/R1): Awb, Wro; vovo, bpl, appartementen, veehouderijen, geur, buitenruimten, geluid, VNG-brochure
4.       De maatschap betoogt dat de in het plan voorziene tuinen en bijgebouwen bij de beoordeling of sprake is van een aanvaardbaar verblijfsklimaat ten onrechte buiten beschouwing zijn gelaten. Voor de beoordeling van de gevolgen van geur, mag niet slechts gekeken worden naar de gevolgen bij de woningen. Ter zitting heeft de maatschap desgevraagd verduidelijkt dat het haar gaat om de balkons.

4.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW7642), kan voor de beantwoording van de vraag of een aanvaardbaar verblijfsklimaat kan worden gerealiseerd niet alleen betekenis worden toegekend aan de vraag of ter plaatse sprake is van een geurgevoelig object in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij. Dit betekent in het voorliggende geval dat de beoordeling of sprake is van een aanvaardbaar verblijfsklimaat niet alleen moet plaatsvinden ter plaatse van de voorziene appartementen, maar ook betrekking moet hebben op de buitenruimten. Weliswaar heeft de raad de buitenruimten niet expliciet in zijn afweging betrokken, maar de voorzieningenrechter ziet hierin geen aanleiding om bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen, aangezien de raad tot de bodemzaak de gelegenheid heeft om het gebrek te herstellen. De voorzieningenrechter verwacht niet dat de Afdeling, na een verbeterde motivering van de raad, zal oordelen dat de raad het verblijfsklimaat ter plaatse van de balkons niet aanvaardbaar heeft kunnen achten.

Het betoog faalt.

* 27 september 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 21/280): Awb, Gmw; handhaving, dwangsommen, invordering, APV, openbare orde, bevoegdheid, burgemeester/college
Zoals verweerder terecht opmerkt volgt uit de uitspraak van de ABRvS van 25 september 2019 niet dat het college exclusief bevoegd zou zijn tot handhaving in openbare orde kwesties in een situatie waarin – kort gezegd – geen direct optreden is vereist. Dat het college onder omstandigheden (mede) bevoegd kan zijn om tot handhaving over te gaan, betekent namelijk niet dat de burgemeester zijn algemene bevoegdheid heeft verloren. In de uitspraak van 3 februari 2020, als ook in de uitspraak van 23 april 2020, heeft de rechtbank daarover een ander standpunt ingenomen. Net als eiser nam de rechtbank namelijk aan dat het opleggen van een last onder dwangsom in situaties, waarin het niet gaat om het feitelijk herstel van de openbare orde, uitsluitend is voorbehouden aan het college. De rechtbank komt hierop echter terug. Zij kan de door verweerder genoemde uitspraak van de ABRvS van 22 april 2020 namelijk niet anders lezen dan dat in een situatie van niet acuut handhaven de burgemeester en het college allebei bevoegd zijn. Uit deze uitspraak volgt, in aanscherping op de Afdelingsuitspraak van 25 september 2019, dat de burgemeester altijd bevoegd is de openbare orde te handhaven, zowel met het oog op het feitelijk herstellen van de openbare orde als in het geval van handhavingskwesties op de langere termijn.

Samenvattingen van jurisprudentie op STAB-site

Op de website van STAB wordt recente jurisprudentie ook samengevat.
De volgende uitspraken zijn deze week nieuw geplaatst:

ABRvS 15 september 2021 Omgevingsvergunning, geen nietigheid van reëel besluit na vergunning van rechtswege.
ABRvS 29 september 2021 Bestemmingsplan, geluid, maximale mogelijkheden, representatieve bedrijfssituatie, indirecte hinder.
ABRvS 25 augustus 2021 Handhaving, projectplan vereist voor onderhoudswerkzaamheden aan waterscheiding