Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 3 november 2021 (ABRvS 202007112/1/A2): Awb, Wro; planschade, normaal maatschappelijk risico (Rb Zeeland-West-Brabant 19/3132)
# 3 november 2021 (ABRvS 202007110/1/A2): Awb, Wro; planschade, voorzienbaarheid, taxatie, normaal maatschappelijk risico, drempel/handvatten, zelf in de zaak voorzien (Rb Zeeland-West-Brabant 19/3133)
* 3 november 2021 (ABRvS 202007081/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, woningen, Chw, belanghebbenden, ontvankelijkheid
* 3 november 2021 (ABRvS 202006570/1/R2): Awb, Wabo; handhaving, omvang van geschil, welstandsexces, evenredigheid, definitieve beslechting (Rb Zeeland-West-Brabant 20/4982)
* 3 november 2021 (ABRvS 202005870/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, uitbreiden loods met wormenkwekerij, strijd met structuurvisie/bpl, VNG-brochure(Rb Midden-Nederland 19/1990)
* 3 november 2021 (ABRvS 202005348/1/R2 en 202005358/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, woning met bijbehorend bouwwerk, belanghebbende, inrichtingsplan als toetsingskader, motivering (Rb Oost-Brabant 20/1904 en 20/1910)
* 3 november 2021 (ABRvS 202003947/1/R3): Awb, Wro; bpl, loon- en grondverzetbedrijf, landschappelijke inpassing
* 3 november 2021 (ABRvS 202003798/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, woningen in voormalig kantoorcomplex, vrijstelling parkeereis, bijzonder gewenste ontwikkeling/zeer uitzonderlijk geval, bezonning (Rb Rotterdam 20/212)
* 3 november 2021 (ABRvS 202003367/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor gewijzigd gebruik, stallen van caravans in bedrijfshal, goede ruimtelijke ordening, VNG-brochure, geen bijzondere omstandigheid (Rb Overijssel 19/1496)
# 3 november 2021 (ABRvS 202002974/1/R4): Awb, Wro; bpl, woningen in plaats van bedrijfsbebouwing, functieveranderingsbeleid, boomkwekerij, groensingel, gewasbeschermingsmiddelen, motivering, tussenuitspraak
* 3 november 2021 (ABRvS 202002945/2/R4): Awb. Wabo; omgevingsvergunning voor tijdelijk verwijderen van orgel uit monumentale kerk, terugplaatsing (Rb Midden-Nederland 19/4835)
* 3 november 2021 (ABRvS 202002848/1/A3): Awb, Gmw; intrekking exploitatievergunning, koffiehuis, illegale bingo, APV, slecht levensgedrag, motivering (Rb Midden-Nederland 20/762 en 20/763)
* 3 november 2021 (ABRvS 202002474/3/R3): Awb, Wro; bpl, buitengebied, gasverdeelstation, veiligheidszone, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 3 november 2021 (ABRvS 201906056/1/R4: Awb, Kew; goedkeuring financiële zekerheid, buiten bedrijf gestelde kerncentrale, methode kostenraming/Bkse, onzekerheden
* 2 november 2021 (ABRvS 202105410/1/R1 en /2/R1): Awb, Wro; vovo en kortsluiten, wijzigingsplan, minicamping, wijzigingsvoorwaarden moederplan
* 2 november 2021 (ABRvS 202105572/2/R1): Awb, Wro, Wgh, Wabo; vovo, bpl/HGW en omgevingsvergunning voor bouwen, woningen, provinciale verordening, bufferzone
* 2 november 2021 (CBb 21/1006): Awb; herziening, fosfaatrechten
*1 november 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 21/495): Awb, Mbw; mijnbouwschade, gaswinning, wijze van schadevaststelling op abstracte wijze, model Atlas Research, beleidsregels
* 1 november 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 20/3368): Awb, Gmw; handhaving, carbidschieten, APV, ontheffing, voorwaarden, afstanden tot woningen, motivering
* 29 oktober 2021 (Rb Overijssel ZWO 20/2481): Awb, Wabo; handhaving, kinderdagverblijf, procesbelang, waardedaling woning/WOZ, sociaal-medische doeleinden, begripsuitleg, geen strijd met planregels
* 29 oktober 2021 (ABRvS 202006708/2/R4): Awb, Wro; vovo, bpl, woningen, samenhang, cluster- en slooplocatie, beleid, motivering
* 29 oktober 2021 (ABRvS 202105299/2/R3): Awb, Wro; vovo, bpl, woningen, parkeren, mobiliteitsplan, bezonning, groen, motivering
* 29 oktober 2021 (ABRvS 202105599/2/R4): Awb, Wro; vovo, bpl, appartementencomplexen, bedrijf, geluid, VNG-brochure, Activiteitenbesluit, motivering
* 28 oktober 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/54 GEMWT): Awb, Wabo, Gmw; handhaving dwangsom, ontbreken parkeerplaatsen, afwijking omgevingsvergunning, beroepsgronden vergunninghoudster
* 28 oktober 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/9704 GEMWT): Awb; verzoek invordering dwangsom, afrastering plat dak, geen overtreding
* 28 oktober 2021 (ABRvS 202102516/4/R3): Awb, Wabo; verzoek om opheffing vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, brug/aanpassing kade, beschermd stadsgezicht, cultuurhistorische waarden (Rb Noord-Nederland 19/3096 en 19/3180)
* 28 oktober 2021 (Rb Noord-Holland HAA 21/2761): Awb, Gmw; vovo, handhaving, overlast van meeuwen, mediation, stoppen met voeren
* 27 oktober 2021 (ABRvS 202105661/2/R3): Awb, Ontgrondingenwet; vovo, vergunning, natuurontwikkelingsproject, noodzaak, das, aardkundig monument
* 27 oktober 2021 (EH C-357/20): Prejudiciële verwijzing, Habitatrichtlijn, veldhamster, rust- en voortplantingsplaatsen, beschadiging of vernieling
* 28 oktober 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/4286 OPIUMW VV): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs
* 28 oktober 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 21/2815): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning milieu, energiecentrale, uitbreiding hoeveelheid biomassa, meetvoorschrift kwik (Hg), waterstof-fluoride (HF) en zoutzuur (HCl), RIE, BBT, Bor, Activiteitenregeling/NvT
* 27 oktober 2021 (Rb Gelderland ARN 20/4147 en 20/4832): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor aanleggen, rioolpersleiding, alternatieve tracés, landschappelijke en natuurwaarden, voorschrift/bomenkap
* 27 oktober 2021 (Rb Noord-Holland HAA 19/2117 en HAA 21/3392): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl, aanleggen en maken uitweg,  reconstrueren weg met rotondes/kruispunten, vvgb, ruimtelijke onderbouwing
* 25 oktober 2021 (Rb Den Haag SGR 21/6065): Awb, Gmw; vovo, sluiting horeca/intrekking exploitatievergunning, koffiehuis, handel in drugs,
* 22 oktober 2021 (Rb Den Haag SGR 21/5763): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor vellen bomen, verschil van inzicht bomendeskundigen
* 22 oktober 2021 (Rb Den Haag SGR 21/5938): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, veranderen berging naar atelier, beheersverordening, bijgebouw, woonvoorzieningen, motivering
* 21 oktober 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 21/852 en SHE 21/2330): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, appartementen in voormalige horeca, Bor, Bouwbesluit, parkeren, herstelbesluit
* 21 oktober 2021 (Rb Limburg ROE 21/2320): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, evenredigheid
* 18 oktober 2021 (Rb Limburg ROE 21/2413): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, motivering
* 14 oktober 2021 (Rb Limburg ROE 20/671): Awb, Wro; planschade, taxatie, normaal maatschappelijk risico, zelf in de zaak voorzien
* 14 oktober 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/3407 GEMWT VV): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, staken bewoning huis door buitenlandse werknemers, strijd met bpl
* 14 oktober 2021 (Rb Limburg ROE 21/2106): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, paardenstal en bouwwerken, overleg, draagvlak, goede ruimtelijke ordening, belangenafweging, alternatievenjurisprudentie
* 13 oktober 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/3931 OPIUMW VV): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, motivering
* 13 oktober 2021 (Rb Limburg ROE 20/2885): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, bedrijfsmatig houden van varkens, strijd met bpl, geen bijzondere omstandigheid
* 12 oktober 2021 (Rb Amsterdam AMS 20/2837 en AMS 20/4731): Awb, Wabo; niet tijdig bekend maken van rechtswege verleende omgevingsvergunning, dwangsom
* 12 oktober 2021 (Rb Limburg ROE 21/1854 en ROE 21/1950): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen, zorgappartementen, onvoldoende parkeerplaatsen, strijd met bpl, zelf in de zaak voorzien
* 5 oktober 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 21/109): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, diverse activiteiten op sportpark, aanleg pad valt buiten vergunning
* 4 oktober 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/3733 WABAO VV): Awb, Wabo; vovo, verzoek om intrekking omgevingsvergunningen, bouwstop, heien van palen, schade
* 4 oktober 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/3660 VV): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs
* 24 september 2021 (Rb Limburg ROE 21/2020): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid
* 1 september 2021 (Rb Amsterdam AMS 20/2567): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, tijdelijke gebouwen en parkeerplaatsen, huisvesting arbeidsmigranten, geluid, wonen
* 12 mei 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/94 GEMWT): Awb, Wm, Gmw; handhaving, horeca, geluid, Activiteitenbesluit, sluis
# 20 december 2018 (Rb Noord-Nederland LEE 17/2472): Awb, Wm, Gmw; handhaving, dwangsom, veehouderij, nieuwe inrichting, geen overgangsrecht, strijd met Activiteitenbesluit

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

# 3 november 2021 (ABRvS 202007110/1/A2): Awb, Wro; planschade, voorzienbaarheid, taxatie, normaal maatschappelijk risico, drempel/handvatten, zelf in de zaak voorzien (Rb Zeeland-West-Brabant 19/3133)
7.15.  De Afdeling zal voor het bepalen voor de hoogte van de drempel de volgende handvatten geven. Indien de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het gedurende een reeks van jaren gevoerde ruimtelijke beleid past, mag het bestuursorgaan een drempel van 5 procent van de waarde van de onroerende zaak toepassen. Indien aan één van beide indicatoren maar voor een deel wordt voldaan, is het hanteren van een drempel van 4 procent in beginsel aangewezen. Indien aan één van beide indicatoren in zijn geheel niet wordt voldaan of indien aan beide indicatoren deels wordt voldaan, is het hanteren van een drempel van 3 procent in beginsel aangewezen. Indien slechts aan één van beide indicatoren voor een deel wordt voldaan, of indien aan beide indicatoren in het geheel niet wordt voldaan, is in beginsel het toepassen van het minimumforfait van 2 procent, zoals bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wro aangewezen.

7.16.  Omstandigheden die verder van belang kunnen zijn, zijn de afstand van de locatie waar de ontwikkeling heeft plaatsgevonden tot de onroerende zaak van de aanvrager en de aard en de omvang van het door de ontwikkeling veroorzaakte nadeel. De afstand is alleen relevant bij het beantwoorden van de vraag of de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving past en/of past binnen het gedurende een reeks van jaren gevoerde ruimtelijke beleid. Aan die afstand komt geen zelfstandige betekenis toe omdat de omvang van de waardevermindering van onroerende zaken wordt bepaald door de afstand van de onroerende zaak tot de locatie waar de ontwikkeling heeft plaatsgevonden, zodat het ervoor dient te worden gehouden dat die afstand al in de waardevermindering van de onroerende zaak is verdisconteerd (uitspraak van de Afdeling van 8 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2620, onder 9.8).

* 3 november 2021 (ABRvS 202006570/1/R2): Awb, Wabo; handhaving, omvang van geschil, welstandsexces, evenredigheid, definitieve beslechting (Rb Zeeland-West-Brabant 20/4982)
5.2.    De Afdeling overweegt onder verwijzing naar haar uitspraak van 15 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1569) dat de reikwijdte van een handhavingsverzoek kan worden uitgebreid voordat het primaire besluit is genomen. De inhoud van het verzoek is bepalend voor de omvang van het geschil. Nu [wederpartij] in het tweede handhavingsverzoek, dat is ingediend voordat het primaire besluit is genomen, heeft verwezen naar de welstandsvoorschriften en het college in het besluit van 16 augustus 2019 en ook in het besluit op bezwaar van 11 februari 2020 daar een beslissing over heeft genomen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het welstandsaspect onderdeel van de reikwijdte van het geschil is.

Naar het oordeel van de Afdeling biedt artikel 8:69, tweede lid, van de Awb de rechtbank de mogelijkheid om ook in te gaan op het welstandsexces, omdat dit als onderdeel van de welstand is opgenomen in de welstandsnota. De rechtbank is daarmee niet buiten de omvang van het geschil getreden. Daarbij komt dat het college in het besluit op bezwaar het bezwaar van [wederpartij] gegrond heeft verklaard voor wat betreft de aanwezigheid van een welstandsexces. De verwijzing door het college naar de uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2010 gaat niet op, nu, anders dan in die zaak, het geschil in deze zaak niet uitdrukkelijk is beperkt.

Het betoog slaagt niet.

* 29 oktober 2021 (Rb Overijssel ZWO 20/2481): Awb, Wabo; handhaving, kinderdagverblijf, procesbelang, waardedaling woning/Woz, sociaal-medische doeleinden, begripsuitleg, geen strijd met planregels
9.1.   Procesbelang houdt in dat iemand een belang bij de uitkomst van de procedure nastreeft met het bezwaar of (hoger) beroep. Het doel dat de belanghebbende met het instellen van het rechtsmiddel wil bereiken, moet hij ook daadwerkelijk kunnen bereiken en dat resultaat moet voor de indiener feitelijk van betekenis zijn. Belang bij het rechtsmiddel kan onder meer worden aangenomen indien wordt gesteld dat ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming schade is geleden die voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen en dit tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt.

9.2.   In deze zaak hebben eisers ter zitting desgevraagd meegedeeld dat zij overwegen een schadeclaim bij de gemeente Hengelo in te dienen. Indien de rechtbank oordeelt dat het gebruik in strijd is met bestemmingsplan 2007, heeft verweerder ten onrechte al die jaren dat zij klagen over (geluids)overlast afgezien van handhavend optreden, resulterend in een waardedaling van hun woning. Dat daarvan sprake is, blijkt uit meerdere opvolgende Woz-waarderingen, aldus eisers.

9.3.   De rechtbank oordeelt dat eisers de schade, bestaande uit de waardedaling van hun woning, aannemelijk hebben gemaakt. Daartoe verwijst de rechtbank naar meerdere uitspraken van deze rechtbank over de Woz-waarde van de woning van eisers. Laatstelijk is deze waarde door de rechtbank bepaald op € 100.000,-. Dat tegen die uitspraak hoger beroep is ingesteld (waardoor het oordeel van de rechtbank nog niet onherroepelijk is) laat onverlet dat de Woz-waarde van de woning van eisers de afgelopen jaren een dalende lijn vertoont.

Eisers kunnen daarom in hun beroep worden ontvangen.
14.   Uit de definiëring in de Van Dale volgt dat de term ‘medisch’ ziet op medisch handelen door een daartoe (wetenschappelijk) opgeleid persoon, gericht op het genezen van ziektes. Naar het oordeel van de rechtbank impliceert gebruik ten behoeve van medische doeleinden dat dit medisch handelen wordt uitgevoerd in een daartoe ingerichte medische omgeving. Dit, ter onderscheid van incidenteel medisch handelen dat plaatsvindt in een niet-medische omgeving, zoals bijvoorbeeld het thuis bezoeken en behandelen van een patiënt door een huisarts. Immers, dit medische handelen door een daartoe opgeleid persoon, betekent niet dat daarmee het woongebruik van de woning (tijdelijk) wordt omgezet in gebruik ten behoeve van medische doeleinden. Het gebruik is wonen en blijft wonen. Het behandelen van een patiënt door de huisarts in zijn/haar praktijk is daarentegen wel te duiden als gebruik ten behoeve van medische doeleinden.

In deze zaak bestaan de gestelde medische handelingen uit het aan enkele kinderen toedienen van medicijnen, het aan enkele kinderen geven van sondevoeding en het bij enkele kinderen vervangen/reinigen van een stoma. Voor het verrichten van deze handelingen is geen medische opleiding vereist. Deze handelingen worden normaliter door de ouders thuis (dus in een niet-medische omgeving) gedaan en de ouders hebben geen medische opleiding nodig om deze handelingen bij hun kinderen te kunnen verrichten. De ouders krijgen hiervoor een training, zo is ter zitting door de stichting betoogd. Dat medewerkers van [naam 2] (enkele) opgevangen kinderen medicijnen toedienen, sondevoeding geven en stoma’s vervangen, maakt naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet dat de activiteiten van [naam 2] moeten worden geduid als gebruik ten behoeve van medische doeleinden. Dat in het jaarverslag het project ‘medische zorg’ wordt genoemd, maakt dit niet anders.

De stelling van eisers dat [naam 2] de medische eindverantwoordelijkheid draagt voor kinderen met een zorgzwaartepakket 6 of 7, is door de stichting toereikend bestreden. Ter zitting heeft de stichting toegelicht dat zij ook woonvormen exploiteert waarin 24/7 zorg wordt verleend. Als voorbeeld is onder andere verwezen naar [naam 3] in Tubbergen. Deze cliënten wonen in een woonvorm van de stichting en de stichting is eindverantwoordelijke voor de medische zorg aan deze cliënten. [naam 2] vangt geen kinderen op met een dergelijk zorgzwaartepakket. De kinderen die worden opgevangen bij [naam 2] wonen bij hun ouders of elders, niet zijnde een woonvorm van de stichting. De medische eindverantwoordelijkheid ligt bij de huisarts en/of de behandelend specialist en niet bij [naam 2] .

Het behandelen van enkele kinderen ter plaatse door een fysiotherapeut kan naar het oordeel van de rechtbank eveneens niet worden geduid als gebruik ten behoeve van (sociaal-) medische doeleinden. Het is gebruikelijk dat fysiotherapeuten niet mobiele cliënten thuis (dus geen medische omgeving) behandelen.

De activiteiten van [naam 2] kunnen dan ook niet worden geduid als gebruik ten behoeve van sociaal-medische doeleinden.
16.   Omdat de activiteiten van [naam 2] kunnen worden geduid als gebruik ten behoeve van sociaal-maatschappelijke doeleinden en dit gebruik in overeenstemming is met artikel 6.1, onder a, 4e gedachtestreepje, van bestemmingsplan 2007, wordt het gebruiksverbod, neergelegd in artikel 6.5.1 van bestemmingsplan 2007 niet overtreden. Verweerder heeft zich terecht niet bevoegd geacht om handhavend op te treden

* 29 oktober 2021 (ABRvS 202105299/2/R3): Awb, Wro; vovo, bpl, woningen, parkeren, mobiliteitsplan, bezonning, groen, motivering
5.3.    In het mobiliteitsplan staat dat de geldende parkeernormen geen recht doen aan de specifieke eigenschappen van dit plan. In het mobiliteitsplan zijn drie factoren vermeld waardoor het aantal benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein kan worden verminderd.

Eén van die factoren is deelmobiliteit en MaaS (Mobility as a Service). MaaS is, zo staat in het mobiliteitsplan, een dienst waarbij voor een bepaald bedrag per maand gebruik kan worden gemaakt van mobiliteit op maat. Voor alle bewoners van de woongebouwen zijn drie deelbakfietsen en twaalf deelauto’s beschikbaar. Het deelmobiliteitsaanbod is direct bij oplevering beschikbaar. Er wordt een uitgebreid kennismakingsaanbod aan de bewoners geboden in de vorm van een proefpakket met € 100,00 vrije kilometers per huishouden. Om zoveel mogelijk drempels weg te nemen, worden er tenminste twee informatieavonden op locatie gehouden om uitleg te geven over de voertuigen, tarieven en het gebruik ervan. Bij de huur en verkoop van de appartementen wordt er een informatiebrochure verstrekt. Indien deze factor wordt toegepast, kan de parkeereis met 30%, ofwel 60,2 parkeerplaatsen, worden gereduceerd.

Rekening houdend met alle drie de reductiefactoren en het aantal benodigde parkeerplaatsen voor bezoekers komt het aantal benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein uit op 205. Er zullen 234 parkeerplaatsen worden gerealiseerd.
5.5.    In het bestemmingsplan is niet geborgd dat MaaS gedurende een bepaalde periode beschikbaar wordt gesteld voor bewoners en andere gebruikers. In het bestemmingsplan is ook niet geregeld dat de toekomstige bewoners gebruik moeten maken van de deelauto’s. Uit het mobiliteitsplan en het verweerschrift blijkt dat deelname aan MaaS – en ook het daaraan deel blijven nemen – is gebaseerd op vrijwilligheid. De kans bestaat daardoor dat minder bewoners dan verwacht van deze dienst gebruik zullen (blijven) maken en dat meer bewoners een eigen auto zullen hebben. Dat zou dan kunnen betekenen dat er meer parkeerplaatsen nodig zijn dan de 234 die zullen worden gerealiseerd. In het mobiliteitsplan staat weliswaar dat het gebruik zal worden gemonitord en kan worden bijgestuurd, en de raad verwijst hier ook naar zijn verweerschrift, maar de vraag is of dit tot het gewenste resultaat zal leiden. De voorzieningenrechter wijst er daarbij op dat gelet op onder meer de toegekende bestemmingen, die parkeervoorzieningen mogelijk maken, en de toegestane maximale hoogte van de voorziene parkeerdekvoorziening niet is gebleken dat, indien meer bewoners dan verwacht een eigen auto zullen hebben, op eigen terrein meer dan 234 parkeerplaatsen kunnen worden gerealiseerd, terwijl het op eigen terrein voorzien in de parkeerbehoefte een uitgangspunt van het plan is.

De voorzieningenrechter betwijfelt daarom of het plan waar het betreft het op eigen terrein voorzien in de parkeerbehoefte van de voorziene woningbouwontwikkeling zorgvuldig is voorbereid en berust op een deugdelijke motivering.

* 28 oktober 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/54 GEMWT): Awb, Wabo, Gmw; handhaving dwangsom, ontbreken parkeerplaatsen, afwijking omgevingsvergunning, beroepsgronden vergunninghoudster
5.1   Vergunninghoudster heeft zelfstandige beroepsgronden gericht tegen het bestreden besluit. Ter zitting is besproken of artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) daarvoor ruimte biedt. Vergunninghoudster voert aan dat zij binnen de grenzen van dit artikel blijft omdat zij geen procesbelang had bij het instellen van een eigen beroep.

5.2   De rechtbank overweegt dat vergunninghoudster een toegelaten partij is in de zin van artikel 8:26 van de Awb. Naar het oordeel van de rechtbank heeft vergunninghoudster daarom geen invloed op de grenzen van het geschil. De wijze waarop vergunninghoudster een oordeel tracht te verkrijgen over haar standpunten past niet in het systeem van de Awb. De buitengrens van het geschil wordt volgens artikel 8:69, eerste lid, van de Awb immers bepaald door de omvang van het ingestelde beroep. Dit betekent dat moet worden beslist op het ingestelde beroep. Dat beroep kan uitsluitend gegrond of ongegrond zijn. Omdat vergunninghoudster geen beroep heeft ingesteld kunnen de door haar opgeworpen beroepsgronden eenvoudigweg niet leiden tot gegrond of ongegrondverklaring van het beroep. Dat vergunninghoudster geen procesbelang had om zelf beroep in te stellen tegen het bestreden besluit maakt het voorgaande niet anders.

5.3   De beroepsgronden die door vergunninghoudster zijn opgeworpen zijn ook niet van openbare orde zodat deze niet ambtshalve getoetst moeten worden.

5.4   Het voorgaande betekent dat vergunninghoudster zich in deze zaak slechts kan verweren tegen aantasting van haar belangen als gevolg van de door eiser uitgelokte toetsing. De door vergunninghoudster opgeworpen beroepsgronden zullen daarom niet besproken worden in deze uitspraak.

* 27 oktober 2021 (EH C-357/20): Prejudiciële verwijzing, Habitatrichtlijn, veldhamster, rust- en voortplantingsplaatsen, beschadiging of vernieling
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 12, lid 1, onder d), van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna moet aldus worden uitgelegd dat het in deze bepaling gebezigde begrip „voortplantingsplaats” zich mede uitstrekt tot de directe omgeving van die plaats wanneer deze omgeving noodzakelijk blijkt te zijn om de beschermde diersoorten die worden vermeld in bijlage IV, onder a), bij die richtlijn, zoals de Cricetus cricetus (veldhamster), in staat te stellen zich met succes voort te planten.

2)      Artikel 12, lid 1, onder d), van richtlijn 92/43 moet aldus worden uitgelegd dat de voortplantingsplaatsen van een beschermde diersoort moeten worden beschermd zolang dit noodzakelijk is om deze diersoort in staat te stellen zich met succes voort te planten, zodat deze bescherming zich tevens behoort uit te strekken tot voortplantingsplaatsen die niet meer worden bewoond, wanneer de kans voldoende groot is dat de betrokken diersoort naar die plaatsen zal terugkeren.

3)      Artikel 12, lid 1, onder d), van richtlijn 92/43 moet aldus worden uitgelegd dat de in deze bepaling gebezigde begrippen „beschadiging” en „vernieling” zien op de geleidelijke vermindering van de ecologische functionaliteit van een voortplantings- of rustplaats van een beschermde diersoort respectievelijk op het volledige verlies van die functionaliteit, ongeacht of dergelijke aantastingen opzettelijk zijn.

* 28 oktober 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 21/2815): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning milieu, energiecentrale, uitbreiding hoeveelheid biomassa, meetvoorschrift kwik (Hg), waterstof-fluoride (HF) en zoutzuur (HCl), RIE, BBT, Bor, Activiteitenregeling/NvT
6.3.   Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bevoegd is om in dit geval een eigen BBT-afweging te maken. In dit verband wijst verweerder erop dat hij ingevolge artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo moet borgen dat er binnen de inrichting tenminste BBT wordt toegepast. Hieruit volgt in de visie van verweerder de bestuurlijke vrijheid om met een zorgvuldige onderbouwing verder te mogen gaan dan de in aanmerking komende beste beschikbare technieken. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat er geen sprake is van het afwijken van een algemeen verbindend voorschrift als bedoeld in artikel 2.22, vijfde lid, van de Wabo. Voor zover er sprake is van het verlenen van de revisie-vergunning in strijd met de wettelijke systematiek, is verweerder van mening daartoe bevoegd te zijn, omdat artikel 2.22, vijfde lid (tweede volzin), in samenhang gelezen met artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo, toestaat dat wordt getoetst aan provinciaal beleid (het Milieuplan) op het gebied van BBT.

6.4   Voor zover verzoekster betoogt dat verweerder in dit geval niet bevoegd was om (maatwerk)voorschriften te stellen, overweegt de voorzieningenrechter dat dit op een onjuiste lezing van artikel 2.22, vijfde lid, van de Wabo berust. Ingevolge artikel 2.22, vijfde lid, van de Wabo kunnen, voor zover met betrekking tot de activiteit algemeen verbindende voorschriften gelden, de voorschriften die aan de vergunning worden verbonden daarvan alleen afwijken voor zover dat bij die regels is toegestaan. In afwijking van de eerste volzin worden aan een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, met betrekking tot een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort, voorschriften verbonden die afwijken van de algemeen verbindende voorschriften, bedoeld in de eerste volzin, voor zover met die voorschriften niet wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens het tweede of derde lid of artikel 2.14. Tussen partijen is niet in geschil, en de voorzieningenrechter neemt dit als een vaststaand gegeven aan, dat tot de inrichting van verzoekster een IPPC-installatie behoort. Gelet hierop volgt uit artikel 2.22, vijfde lid, van de Wabo naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat verweerder in dit geval in beginsel bevoegd was tot het stellen van (maatwerk)voorschriften die afwijken van de toepasselijke algemeen verbindende voorschriften. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat door middel van een toelichting op een ministeriele regeling deze aan verweerder op grond van een wet in formele zin toekomende wettelijke bevoegdheid als bedoeld in artikel 2.22, vijfde lid, van de Wabo, niet kan worden ingeperkt. Deze grond van verzoekster slaagt niet.

Samenvattingen van jurisprudentie op STAB-site
Op de website van STAB wordt recente jurisprudentie ook samengevat.
De volgende uitspraken zijn deze week nieuw geplaatst:
Rb Noord- Nederland 1 september 2021 Omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan voor melkveehouderij, terinzagelegging, m.e.r.-beoordeling, verwijzing naar geurverordening, passeren gebreken
ABRvS 13 oktober 2021 Handhaving, gebruik granuliet voor verondiepen plas, bevoegdheid gemeente ten aanzien van eisen kwaliteitsborging bodembeheer

ABRvS 15 september 2021 Peilbesluit, belangenafweging, gevolgen van CO2-uitstoot door veenoxidatie voldoende betrokken