Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 29 december 2021 (ABRvS 202102722/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, airco-unit, strijd met bpl, planregels, inpandig plaatsen, motivering (Rb Amsterdam 20/1016)
* 29 december 2021 (ABRvS 202102342/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, uitbouw en dakterras, aantasting daklandschap (Rb Amsterdam 20/1472)
* 29 december 2021 (ABRvS 202100561/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, dakterras, strijd met bpl, belanghebbende, motivering (Rb Noord-Holland 19/5523)
* 29 december 2021 (ABRvS 202100191/1/A3): Awb, Opiumwet, Gmw; handhaving, (spoed)sluiting, drugs/wapens, APV, woon- en leefklimaat, motivatie (Rb Rotterdam 20/1477)
* 29 december 2021 (ABRvS 202100032/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, woningen, parkeren, binnenplans afwijken, planregels (Rb Midden-Nederland 20/1555)
* 29 december 2021 (ABRvS 202100007/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor kappen en afwijkend gebruik, werkterrein, locatie/Tracébesluit, Bomenverordening (Rb Amsterdam 19/3424)
* 29 december 2021 (ABRvS 202006888/1/R4): Awb, Wro; bpl, woningen, woonvisie, parkeerbehoefte, CROW, verkeersveiligheid
* 29 december 2021 (ABRvS 202006193/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor omzetten woonruimte, weigering (Rb Limburg 19/1905)
* 29 december 2021 (ABRvS 202004868/1/R3): Awb, Wro; bpl, aanlegsteiger, woon- en leefklimaat, recreatie-appartementen, parkeerplaatsen
* 29 december 2021 (ABRvS 202004591/1/R3): Awb, Wabo; ingebrekestelling vanwege het niet tijdig bekend maken van een omgevingsvergunning van rechtswege, ontvankelijkheid (Rb Rotterdam 19/3658)
* 29 december 2021 (ABRvS 202004448/1/R4): Awb, Wro; weigering bpl vast te stellen, burgerwoning, gebruiksovergangsrecht, verleende omgevingsvergunning, VNG-brochure, vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel
* 29 december 2021 (ABRvS 202004339/1/A3): Awb, Gmw; exploitatievergunning, horeca, woon- en leefklimaat, APV, feiten en omstandigheden, motivering (Rb Rotterdam 20/1036 en 20/478)
* 29 december 2021 (ABRvS 202004113/1/R3): Awb, Wro; bpl, buitengebied, woning, molenbiotoop, motivering
* 29 december 2021 (ABRvS 202004024/1/A3 en 202004084/1/A3): Awb, Gmw; exploitatievergunning, seksbedrijf, APV, eigenaar/exploitant, motivering, ontvankelijkheid (Rb Noord-Nederland 18/2072)
* 29 december 2021 (ABRvS 202003024/2/R1): Awb, Wro, Wgh; bpl/HGW, woningen in voormalige gevangenis, parkeerplaatsen, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 29 december 2021 (ABRvS 202002949/1/A2): Awb, Wro; planschade, taxatie, normaal maatschappelijk risico/drempel, tussenuitspraak (Rb Overijssel 19/1128)
* 29 december 2021 (ABRvS 202002389/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, dienstverlenende functie/massage en schoonheidsbehandelingen, kernwinkelgebied  (Rb Rotterdam 18/4531)
* 29 december 2021 (ABRvS 202000861/1/A2): Awb, WVW 1994; verkeersbesluit, bushaltes, belanghebbenden (Rb Oost­-Brabant 19/1322, 19/1331, 19/1332 en 19/1339)
* 29 december 2021 (ABRvS 202000354/1/R4): Awb, WbA; vergunning, verrichten van activiteiten in het Antarctisch gebied, belanghebbende, procesbelang, ontvankelijkheid, bevoegdheid/mandatering, relativiteit
* 29 december 2021 (ABRvS 201901888/2/R3): Awb, Wro; bpl, natuurbegraafplaats, zekeren afbraak ceremoniegebouw, voorwaardelijke verplichting, provinciale omgevingsverordening, natuurwaarden, saldobenadering/compensatie, bomen, parkeerplaatsen, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 28 december 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 21/4775): Awb; vovo, handhaving, dwangsom, covid-19, Trm, openstelling voor 18 jaar en ouder met CTB, zwemles, onderwijs/sport, geen binnensportlocatie
* 28 december 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/8553 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning, herstelbesluit, erfdienstbaarheid/parkeren, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 24 december 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 21/1611): Awb, Mbw; mijnbouwschade, gaswinning, nieuwe eigenaar
* 24 december 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 21/2323): Awb, Mbw; mijnbouwschade, gaswinning, waardedalingsvergoeding
* 24 december 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 21/2324): Awb, Mbw; mijnbouwschade, gaswinning, waardedaling
* 24 december 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 21/4589): Awb, Wnb; vovo ,handhaving, vergunning voor afschot grote wilde hoefdieren, verstoring wolf, afschot niet overbodig
* 23 december 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/10077 WET): Awb; handhaving, dwangsom, verwijderen borden, strijd met provinciale omgevingsverordening, Dienstenrichtlijn, hardheidsclausule.
* 23 december 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/9484 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, vergroten oppervlakte recreatiewoning, belanghebbende, ontvankelijkheid
* 23 december 2021 (ABRvS 202102038/3/R2 en /1/R2): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, appartementen, behoefte, parkeren, welstand (Rb Zeeland-West-Brabant 21/64 en 20/10254)
* 23 december 2021 (Rb Overijssel 84.246806-20, 84.029096-21 en 84.029104-21 en 84.176271-20, 84.246772-20, 84.246886-20, 84.246961-20 en 84.247050-20): Sr, WED, Wabo, Wm; niet naleven voorschriften milieuvergunning, afvalstoffen, wijze van opslag, begeleidingsbrieven, leidinggeven aan
* 23 december 2021 (ABRvS 202104061/1/R2 en /2/R2): Awb, Wro, Wabo; vovo en kortsluiten, bpl/omgevingsvergunning voor bouwen, zorgcomplex met voorzieningen, parkeren/CROW, verkeersgeneratie/ASVV
* 23 december 2021 (Rb Rotterdam 10/994504-18 en 10/997506-17): Sr, WED, Wm; werken met chroom-6 houdende stoffen, onvoldoende bescherming, leiding geven aan, niet nakomen zorgplicht, immateriële schadevergoeding
* 23 december 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/149 GEMWT): Awb, Wm; handhaving, gebruik urine als meststof, bevoegdheid rechtbank
* 22 december 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 21/3483): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, beachhouse op recreatiepark, welstand
* 22 december 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 21/2793, SHE 21/2791 en SHE 21/2792): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, houden en fokken van honden, relatie bpl, samenhang met andere besluiten
* 22 december 2021 (Rb Oost-Brabant SHE 21/2753): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor tijdelijk afwijkend gebruik, verkoop gebruikte motorvoertuigen en fietsen, belanghebbende, ondersteunende detailhandel, parkeren buiten, motivering
* 22 december 2021 (Hof Den Bosch 20-000250-17): Sr, WED, Wm; EVOA-handelingen, HvJ EU/’groene-lijst-afvalstoffen’, papieren/verkeerde voorstelling van zaken
* 21 december 2021 (Rb Rotterdam ROT 20/1868): Awb, Arbowet; handhaving, preventieve stillegging, asbest, Arbobesluit, herstelsanctie, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 21 december 2021 (HvJ EU C-876/19 P): Hogere voorziening, Reach/ECHA, lijst van geïdentificeerde stoffen, actualisering van vermelding van stof bisfenol A als zeer zorgwekkende stof
* 21 december 2021 (HvJ EU C‑524/20): Prejudiciële verwijzing, handel in broeikasgasemissierechten, installatie die gebruik maakt van een oxystaaloven, weigering om emissierechten toe te wijzen, ontvankelijkheid
* 21 december 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/3720 WET): Awb; schadevergoeding, art. 8:88 Awb, bevoegdheid rechtbank
* 21 december 2021 (Rb Overijssel ZWO 20/2491, 21/131 en 21/132): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en aanleggen, droogzetvoorziening bij stuw, eerder verleende watervergunning, Aarhus/Natura 2000/‘geen aanzienlijk effect op het milieu’, geen aanhaakplicht, ontvankelijkheid
* 21 december 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/1162 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor sloop en bouw van bouwwerken op landgoed, toets Wet Bibob, motivering, dwangsom
# 17 december 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/5527 ACTMIL): Awb, Wm; maatwerkvoorschriften geluid, supermarkt, ontbreken verdere maatwerkbepalingen, trillingen, dove gevel, akoestisch onderzoek/ontbreken bronnen, motivering
# 17 december 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 20/381): Awb, Wnb; vergunning/ontheffing, muziekfestivals, inspraak/Habitatrichtlijn/Aarhus, geen passende beoordeling
* 17 december 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 20/1038 en 20/1039): Awb, Msw; handhaving, bestuurlijke boetes, mest, latere rechtspraak van CBb geen novum, motivering
* 16 december 2021 (Rb Overijssel AWB 20/2400): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, supermarkt, parkeernormen, bouwverordening, welstand
* 15 december 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/8197, 20/9598 en 21/2705 GEMWT): Awb, Wabo, Gmw; bouwstop/dwangsom, invordering, afwijken bouwvergunning, geen vergunningvrij bouwen/geen (achter)erf, bevoegdheid
* 15 december 2021 (Rb Rotterdam ROT 19/5143, ROT 19/5145, ROT 19/5146, ROT 19/5147, ROT 19/5385, ROT 20/726, ROT 20/5248, ROT 20/5613, ROT 20/5619, ROT 21/3482, ROT 21/3493, ROT 21/4358, ROT 21/4359 en ROT 21/4360 en ROT 20/3237): Awb, Wet dieren; boetes, vangletsel dieren, voetzoollaesiescore
* 10 december 2021 (Rb Amsterdam AMS 20/2483): Awb, Gmw; wijziging exploitatievergunning, raamprostitutie, vergunningvoorwaarden, APV, persoonsgegevens
* 9 december 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 20/2487, 20/3316, 21/6, 21/1434, 21/1470 en 21/2500): Awb; invordering dwangsommen, overtreding voorschriften omgevingsvergunning, scheepswerf, bouwkundige opname woningen voor tewaterlating/uitgewerkt vs., maximaal geluidniveau, geluidsmetingen, onbemande audio-opnames, meteocorrectie, STAB, cameraopstelling/toezicht/openbare orde
* 6 december 2021 (Rb Amsterdam 13-994022-19 en 13-846009-17): Sr, WED, Msw; verhandelen digestaat, vervoersbewijzen, leidinggeven aan/medeplegen
* 16 februari 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 21/139): Awb, Gmw; vovo, exploitatievergunning, seksinrichting, spoedeisend belang, motivering

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 29 december 2021 (ABRvS 202004591/1/R3): Awb, Wabo; ingebrekestelling vanwege het niet tijdig bekend maken van een omgevingsvergunning van rechtswege, ontvankelijkheid (Rb Rotterdam 19/3658)
4.       De Afdeling stelt vast dat de door [appellant] ingediende ingebrekestelling niet een verzoek is om een besluit te nemen, maar, gelet op artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, een voorwaarde om beroep in te kunnen stellen tegen het niet tijdig nemen van een besluit naar aanleiding van een aanvraag of het niet tijdig bekend maken van een van rechtswege verleende beschikking. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1290, heeft overwogen, is een ingebrekestelling geen aanvraag in de zin van de Awb, zodat de reactie daarop geen besluit inhoudt. De brief van het college van 27 februari 2019 is dan ook niet een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. [appellant] had daarom geen bezwaar kunnen maken tegen deze brief.

De Afdeling stelt daarnaast vast dat ingevolge artikel 8.55f, eerste lid, van de Awb tegen het niet tijdig bekend maken van een beschikking van rechtswege rechtstreeks beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter. Een besluit van het college is daarvoor dus niet vereist. Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan een beroep worden ingediend zodra twee weken zijn verstreken na de dag waarop een belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is. De Afdeling wijst erop dat [appellant] overeenkomstig artikel 8:55f, eerste lid, van de Awb en artikel 6:12, tweede lid, van de Awb op 7 maart 2019 beroep heeft ingesteld bij de rechtbank Rotterdam tegen het niet tijdig bekend maken van de volgens hem van rechtswege verleende omgevingsvergunning. Dat beroep is bij uitspraak van 12 juli 2019 ongegrond verklaard en het hoger beroep daartegen is door de Afdeling op 15 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2071, ongegrond verklaard.

  1. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het college en de rechtbank ten onrechte ervan zijn uitgegaan dat de brief van het college van 27 februari 2019 een besluit bevatte als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De aangevallen uitspraak en het besluit van het college van 3 juli 2019 moeten reeds daarom worden vernietigd. Het hoger beroep van [appellant] is gegrond. Het beroep van [appellant] tegen het besluit van 3 juli 2019 is eveneens gegrond. De Afdeling zal zelf in de zaak voorzien door het bezwaar van [appellant] tegen de brief van 27 februari 2019 alsnog niet-ontvankelijk te verklaren en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 3 juli 2019.* 29 december 2021 (ABRvS 202000861/1/A2): Awb, WVW 1994; verkeersbesluit, bushaltes, belanghebbenden (Rb Oost­-Brabant 19/1322, 19/1331, 19/1332 en 19/1339)
    8.4. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat, gelet op de achtergrond van het verkeersbesluit en hetgeen in het verkeersbesluit zelf staat vermeld – waaronder de titel – het doel daarvan het aanleggen van nieuwe bushaltes is om de nieuwe, door het college gewenste, dienstregeling mogelijk te maken. Volgens het verkeersbesluit is een aangepaste busroute in het belang van het beschermen van weggebruikers, het minimaliseren van overlast voor alle belanghebbenden en het waarborgen van de bereikbaarheid. Dit zijn belangen die in artikel 2 van de Wvw 1994 worden genoemd en volgens artikel 21 van het Babw ter motivering van het verkeersbesluit kunnen dienen.

Het betoog slaagt in zoverre.

8.5.    Het standpunt van het college dat een bushalte niet meer betekent dan dat bussen daar plegen te halteren en dat er voor het overige verkeer een stopverbod geldt, wat daar in algemene zin ook van zij, volgt de Afdeling in dit geval niet. Het aanleggen van een bushalte kan hier immers leiden tot een verandering van het aantal verkeersbewegingen op een bepaalde locatie (vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 9 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3398, en 11 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4188). Hoewel de rechtbank zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat de desbetreffende bushaltes niet in de directe nabijheid van de woningen/bedrijven van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen zijn gesitueerd, kan daaruit in dit geval niet worden afgeleid dat de desbetreffende bushaltes geen directe gevolgen voor hen hebben. Zoals volgt uit de hiervoor vermelde brief van het college aan Arriva gaat de aangepaste busroute via de Oranjeboulevard en heeft het college daarom bushaltes aangelegd aan de Vlijmenseweg. Hiermee is aannemelijk dat de onbetwiste toename van het aantal verkeersbewegingen op de Oranjeboulevard in direct verband staat met die omlegging van de busroute en de in verband daarmee aangelegde bushaltes.

Het betoog slaagt ook in zoverre.

  1. De conclusie is dat de rechtbank, in navolging van het college, [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen ten onrechte niet als belanghebbenden bij het verkeersbesluit heeft aangemerkt. Hun bezwaren zijn dus ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het college dient opnieuw en inhoudelijk op die bezwaren te beslissen, waarna vervolgens rechtsbescherming bij de bestuursrechter voor hen openstaat.* 29 december 2021 (ABRvS 202000354/1/R4): Awb, WbA; vergunning, verrichten van activiteiten in het Antarctisch gebied, belanghebbende, procesbelang, ontvankelijkheid, bevoegdheid/mandatering, relativiteit
    10.6. Uit wat hiervoor in 10.3 en 10.4 is overwogen volgt dat het belang van de bescherming van het Antarctisch milieu een algemeen belang is, zij het dat de bescherming niet “territoriaal” is begrensd, in die zin dat niet is uitgesloten dat activiteiten en handelingen op Antarctica gevolgen kunnen hebben voor – bijvoorbeeld – ecosystemen elders of voor het klimaat en de atmosfeer. De Afdeling ziet niettemin geen aanleiding voor het oordeel dat de bescherming van Antarctica nauw is verweven met de bescherming van het woon- en leefklimaat van [appellant] in Heerlen. Weliswaar zou via – bijvoorbeeld – de band van de bescherming van het klimaat kunnen worden geredeneerd dat de wet (mede) strekt tot de bescherming van het mondiale woon- en leefklimaat, maar de Afdeling ziet geen aanknopingspunten voor een dergelijke zeer ruime interpretatie van de aan de orde zijde wettelijke bepalingen voor de toepassing van het relativiteitsvereiste.

10.7.  Het vorenstaande betekent dat het betoog van [appellant] dat de vergunning had moeten worden geweigerd wegens gegronde vrees voor misbruik van de vergunning of voor overtreding van de vergunningvoorschriften, niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit vanwege het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb. Dit betoog behoeft daarom niet inhoudelijk te worden besproken.

  1. Over het betoog van [appellant] dat de aanvraag die ten grondslag ligt aan de vergunning onvolledig en/of gebrekkig was, overweegt de Afdeling als volgt. Deze beroepsgrond ziet op de beweerdelijke schending van procedurele normen. In de genoemde overzichtsuitspraak van 11 november 2020 heeft de Afdeling overwogen dat voor de inroepbaarheid van schending van een procedurele norm het beschermingsbereik van de onderliggende materiële norm bepalend is. De schending kan bij de toepassing van artikel 8:69a van de Awb niet los worden gezien van de materiële normen waarop appellant zich beroept, zodat aan de procedurele normen geen zelfstandige betekenis toekomt. Ook dit betoog kan, gelet op hetgeen hiervoor is geoordeeld over de artikelen 6 en 8, daarom niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, zodat een inhoudelijke bespreking daarvan achterwege kan blijven.* 24 december 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 21/4589): Awb, Wnb; vovo ,handhaving, vergunning voor afschot grote wilde hoefdieren, verstoring wolf, afschot niet overbodig
    16. Het afschot van de grote wilde hoefdieren vindt plaats op basis van de ontheffing. Gedeputeerde staten heeft de ontheffing verleend vanwege verschillende belangen, waaronder het belang van de bescherming van de wilde flora en fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats op de Veluwe. Regulatie van de grote wilde hoefdieren is nodig om de doelstelling van het Natura 2000-gebied te behalen. Gedeputeerde staten en de faunabeheereenheid hebben dus in het kader van de bescherming van andere op grond van de Wnb beschermde soorten en habitats een groot belang bij het doorgaan het het afschot van de grote wilde hoefdieren op de Veluwe. Ook moet onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren worden voorkomen en bestreden. Verder is de ontheffing nodig ter beperking van de omvang van de populatie van de grote wilde hoefdieren in verband met de door de dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied. De Veluwe heeft maar een bepaalde capaciteit voor een bepaald aantal grote wilde hoefdieren. Edelherten en wilde zwijnen veroorzaken ernstige schade aan met name gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom. Ook moet schade of overlast aan sportvelden, schietterreinen en dergelijke worden voorkomen. Ten slotte vindt het afschot van de grote wilde hoefdieren plaats in het belang van de verkeersveiligheid. Bij te hoge dichtheden van de grote wilde hoefdieren vinden er aanrijdingen plaats en die zijn vaak dodelijk voor het dier en gevaarlijk voor de mens.
    17. Het is de voorzieningenrechter duidelijk dat de wolf zich pas kort geleden op de Veluwe heeft gevestigd en dat de komst van deze nieuwe beschermde soort de ontheffing niet ineens overbodig heeft gemaakt. Maar de voorzieningenrechter vindt wel dat nu het moment is om de in de praktijk ontstane situatie opnieuw te bezien en de belangen bij het afschot van de grote wilde hoefdieren af te wegen tegen het belang van de bescherming van de wolf op de wijze zoals de Wnb dat voorschrijft. Op dit moment is naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter geen sprake van een situatie dat de wolven op de Veluwe door het afschot zodanig worden verstoord dat de belangen bij het doorgaan van afschot van de grote wilde hoefdieren tijdens de bezwaarprocedure niet zwaarder wegen.

    * 23 december 2021 (Rb Rotterdam 10/994504-18 en 10/997506-17): Sr, WED, Wm; werken met chroom-6 houdende stoffen, onvoldoende bescherming, leiding geven aan, niet nakomen zorgplicht, immateriële schadevergoeding
    De verdachte wordt veroordeeld voor het feitelijke leidinggeven aan het door de verdachte rechtspersoon handelen in strijd met de in artikel 9.2.1.2 Wm vastgelegde zorgplicht. In het bedrijf, waarvan de verdachte directeur was, werd dagelijks gewerkt met de kankerverwekkende stof chroom-6. De verdachte heeft jarenlang nagelaten afdoende maatregelen te treffen om de gevaren van het werken met chroom-6 voor zijn werknemers en het milieu te beperken. Werknemers waren niet op de hoogte van het gevaar van deze stof, werden nauwelijks voorgelicht over hoe zij met deze stof moesten werken en beschikten niet over (de juiste) persoonlijke beschermingsmiddelen. Ook werd chroom-6 houdende vloeistof in het riool geloosd. Overschrijding van de redelijke termijn, het feit dat de verdachte direct alle maatregelen heeft getroffen waartoe de arbeidsinspectie het bedrijf verplichtte en dat niet is gebleken dat nadien nog arbeids- of milieuregelgeving is overtreden, weegt de rechtbank in strafmatigende zin mee. De rechtbank legt aan de verdachte een geldboete van € 30.000,- op. De verdachte wordt verder veroordeel om aan acht voormalige werknemers, die zich als benadeelde partij hebben gesteld, een bedrag van € 5.000,- per persoon aan immateriële schadevergoeding te betalen o.g.v. art. 6:106, aanhef en onder b BW.

    * 21 december 2021 (Rb Overijssel ZWO 20/2491, 21/131 en 21/132): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en aanleggen, droogzetvoorziening bij stuw, eerder verleende watervergunning, Aarhus/Natura 2000/‘geen aanzienlijk effect op het milieu’, geen aanhaakplicht, ontvankelijkheid
    12.2.2.   Onder de in artikel 6, eerste lid, onder b, van het Verdrag van Aarhus genoemde categorie vallen andere besluiten (dan in bijlage I van het verdrag) over activiteiten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om besluiten waarvoor een passende beoordeling moet worden gemaakt vanwege de ligging nabij een Natura 2000-gebied, of besluiten waarin rechtstreeks werkende Unierechtelijke voorschriften op milieugebied worden toegepast. Zie de hiervoor reeds genoemde uitspraak van de Afdeling van 14 april 2021, r.o. 4.6.

In deze zaak hebben eisers aangevoerd dat de vergunde activiteit (het realiseren van de beoogde droogzetvoorziening) nadelige gevolgen heeft voor het milieu vanwege stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied Vecht- en Beneden-Reggegebied en vanwege het verstoren van beschermde fauna.

De rechtbank zal beoordelen of de door eisers gestelde gevolgen voor het milieu kunnen worden aangemerkt als een ‘aanzienlijk effect op het milieu’ in de zin van artikel 6, eerste lid, onder b, van het Verdrag van Aarhus. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.

Eisers [eiser 2] , [eiser 1] en [eiser 3] hebben een handhavingsverzoek bij gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: GS) ingediend omdat, volgens hen, voor de bouwwerkzaamheden ten behoeve van de beoogde droogzetvoorziening tevens een vergunning en een ontheffing op grond van de Wnb zijn vereist. Voor zover hier van belang hebben GS in hun besluit van 5 augustus 2021, kenmerk 2021/0172065, dat door het waterschap in het geding is gebracht, overwogen dat uit berekeningen met het rekenprogramma AERIUS Calculator 2020 blijkt dat de werkzaamheden een tijdelijke depositie van 0,09 mol stikstof per hectare per jaar op Natura 2000-gebied Vecht- en Beneden-Reggegebied opleveren. In het adviesrapport van advies & ingenieursbureau EcoGroen (hierna: Ecogroen) van 13 juli 2021 is geconcludeerd dat deze stikstofemissie in deze gebieden reeds onderdeel uitmaakt van de achtergrond-depositie (ADW) waardoor er per saldo geen toename van stikstof optreedt op stikstof-gevoelige habitattypen in deze hexagonen. Wat betreft de gestelde schade aan fauna hebben GS overwogen dat uit rapporten van EcoGroen van 11 februari 2020 blijkt dat de werkzaamheden niet zullen resulteren in het overtreden van de verbodsbepalingen in hoofdstuk 3 van de Wnb als de in de rapporten opgenomen mitigerende maatregelen worden gevolgd.

Gelet op deze AERIUS-berekeningen, de rapporten van EcoGroen van 13 juli 2021 en 11 februari 2020, welke documenten aan de gedingstukken zijn toegevoegd en aan partijen genoegzaam bekend zijn (zie r.o. 24 en 30), en de besluitvorming van GS hierover, kan de door eisers gestelde aantasting van het vaker genoemde Natura 2000-gebied en de gestelde verstoring van fauna naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een ‘aanzienlijk effect op het milieu’ als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder b, van het Verdrag van Aarhus.
Het vergunnen van de beoogde droogzetvoorziening valt daarom niet op grond van artikel 6, eerste lid, onder b, van het Verdrag van Aarhus onder de werkingssfeer van dit verdrag.
…………………..
15. In de hiervoor aangehaalde uitspraak van 4 mei 2021 heeft de Afdeling geoordeeld dat, bij besluiten waarop het Verdrag van Aarhus van toepassing is, de toegang tot de bestuursrechter wordt verruimd in afwachting van een aanpassing van artikel 6:13 van de Awb. Voor zover hier van belang houdt deze verruiming in dat niet-belanghebbenden in hun beroep bij de bestuursrechter kunnen worden ontvangen mits zij een zienswijze (dan wel verschoonbaar geen zienswijze) tegen het ontwerpbesluit hebben ingediend.

In deze zaak is het Verdrag van Aarhus niet van toepassing. Dit heeft de rechtbank hiervoor reeds geoordeeld. Dit betekent dat de verruimde toegang tot de bestuursrechter ook niet van toepassing is. De vraag of eisers beroep kunnen instellen (en daaraan voorafgaand bezwaar kunnen maken) moet daarom worden beantwoord aan de hand van het nationale recht.

# 17 december 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 20/381): Awb, Wnb; vergunning/ontheffing, muziekfestivals, inspraak/Habitatrichtlijn/Aarhus, geen passende beoordeling
7.5.   Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 14 juli 2021, ECLI:NL:RVS: 2021:1507, strekken de inspraakverplichtingen in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn niet verder dan de verplichtingen op grond van artikel 6, vierde lid, van de MER-richtlijn – dat een unierechtelijke implementatie is van de inspraakverplichtingen van het Verdrag van Aarhus – en zijn die verplichtingen correct geïmplementeerd in afdeling 3.4 van de Awb. Afdeling 3.4 van de Awb is in de Wnb echter niet van toepassing verklaard op de voorbereiding van de ontheffing en vergunning en evenmin is op andere wijze in de Wnb voorgeschreven dat bij de totstandkoming van de ontheffing en de vergunning inspraak wordt geboden. Omdat niet dwingend is voorgeschreven dat een bestuursorgaan inspraak biedt voordat beslist wordt op een aanvraag voor een natuurvergunning of ontheffing, is artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn op dit punt niet correct geïmplementeerd. Van verweerder mag bij een dergelijke incorrecte implementatie op grond van het beginsel van Unietrouw, zoals verwoord in artikel 4, derde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, verwacht worden dat het met toepassing van artikel 3:10, eerste lid, van de Awb, afdeling 3.4 van die wet van toepassing verklaart op de voorbereiding van de natuur-vergunning en ontheffing. Nu verweerder dat in dit geval heeft nagelaten, komt aan eiseres een rechtstreeks beroep toe op de Habitatrichtlijn voor zover het gaat om de eis dat inspraak wordt verleend bij een toestemmingsbesluit in het kader van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Het betoog van eiseres dat ten onrechte geen inspraak is geboden in het kader van de totstandkoming van het besluit, slaagt. Dat verweerder aan eiseres de aanvraag om ontheffing en vergunning ingevolge de Wnb alsmede de bijbehorende stukken heeft toegezonden, waarbij aan haar de mogelijkheid is geboden om een zienswijze in te dienen, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder te kennen heeft gegeven dat bij de totstandkoming van de primaire besluiten en het bestreden besluit de reguliere voorbereidingsprocedure is gevolgd. In dit verband acht de rechtbank van belang dat de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft verklaard dat er in dit geval niet een ontwerpbesluit met onderliggende stukken voor eenieder ter inzage is gelegd.
…………….
8.4.1.   De rechtbank constateert dat verweerder in beide bestreden besluiten zowel een vergunning heeft willen verlenen, zoals bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb, als ook ontheffing heeft willen verlenen, als bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wnb.

8.4.2.   Uit artikel 2.8, derde lid, van de Wnb volgt dat indien verweerder overgaat tot het verlenen van een vergunning die vergunning gebaseerd dient te zijn op een passende beoordeling waaruit blijkt dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Dat geldt zowel voor de natuurlijke habitats waarvoor dat Natura 2000 gebied is aangewezen als voor de habitats van soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Uit de gedingstukken, de rapportages van de StAB en het verhandelde ter zitting leidt de rechtbank af dat verstorende effecten op de beschermde vogelsoorten en hun beschermde habitats in het Natura 2000-gebied “De Groote Wielen” vanwege voormelde festivals niet kunnen worden uitgesloten. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat een passende beoordeling van voormelde festivals in dit geval vereist was. Tussen partijen is niet in geschil, en de rechtbank neemt dit als een vaststaand gegeven aan, dat een passende beoordeling van voormelde festivals ontbreekt. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn ter zitting naar voren gebrachte stelling dat een bundeling van de uitgebrachte voortoetsen in het kader van de beoordeling van voormelde festivals in het licht van de Wnb als een passende beoordeling kan worden aangemerkt. Uit de voorgaande overwegingen volgt dat verweerder ten onrechte ontheffingen ingevolge de Wnb heeft verleend voor voormelde festivals, aangezien een passende beoordeling van voormelde festivals ontbreekt en dat mogelijk verstorende effecten op de beschermde vogelsoorten en hun beschermde habitats vanwege deze festivals niet valt uit te sluiten. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder in strijd met artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb, in samenhang gelezen met artikel 2.8, derde lid, van de Wnb vergunningen en ontheffingen ingevolge de Wnb voor voormelde festivals heeft verleend. Dit betekent dat het beroep van eiseres ook in zoverre gegrond is.

Samenvattingen van jurisprudentie op STAB-site

Op de website van STAB wordt recente jurisprudentie ook samengevat.
De volgende uitspraken zijn deze week nieuw geplaatst:

ABRvS 15 december 2021 Bestemmingsplan voor motorcrossterrein De Prikkedam, geluidvoorschriften, tonaliteit crossmotoren, maximaal bronvermogen tijdens wedstrijden
Rb Oost-Brabant 8 december 2021 Wnb-vergunning Amercentrale, intern salderen, niet benutte emissieruimte, wel vergund maar niet passend beoordeeld
ABRvS 15 december 2021 Provinciaal inpassingsplan voor N279, verkeer, geluid, maximale mogelijkheden, referentiesituatie, ontbreken voorwaardelijke verplichting