Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 16 februari 2022 (ABRvS 202103285/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, woningen, rechtsgevolgen (Rb Gelderland 21/952 en 20/5634)
* 16 februari 2022 (ABRvS 202102933/1/R3): Awb, Wro; bpl, woningen, raadsamendement, verkeer
* 16 februari 2022 (ABRvS 202102540/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning/intrekking vergunningen, zeevisgroothandel/afvalverwerking en productie groen gas, Wet Bibob (Rb Midden-Nederland 20/2602)
* 16 februari 2022 (ABRvS 202102033/1/R4): Awb, Wgh, Wabo; HGW en omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, woningen, relativiteit
* 16 februari 2022 (ABRvS 202100577/1/A3): Awb, Gmw; handhaving, dwangsom, aanbieden sloep met schipper, verhuur, strijd met verordening binnenwater (Rb Amsterdam 19/2381)
* 16 februari 2022 (ABRvS 202100504/1/A3): Awb, CITES; in/uitvoervergunning, bestuursdwang, inbeslagname, schoenen gemaakt van pythonleer (Rb Amsterdam 19/6354)
* 16 februari 2022 (ABRvS 202100486/1/A3): Awb, Gmw; ontheffing parkeerverbod, APV, bus, vertrouwensbeginsel, motivering (Rb Noord-Nederland 20/1732)
# 16 februari 2022 (ABRvS 202006870/1/R3): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, verlagen erfafscheiding, toegangspoorten/penanten, bevoegdheid, maaiveld/Bor, geen bijzonder omstandigheden (Rb Den Haag 20/5329)
* 16 februari 2022 (ABRvS 202006754/1/A2): Awb, WVW 1994: verkeersbesluit, parkeerverboden, passeren landbouwvoertuigen (Rb Rotterdam 19/3393)
* 16 februari 2022 (ABRvS 202006627/1/R2, 202006628/1/R2, 202006629/1/R2 en 202006630/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, zonneparken, belanghebbenden, vvgb (Rb Zeeland-West-Brabant 19/6132, 19/6101, 19/6011 en 19/6102)
* 16 februari 2022 (ABRvS 202006380/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en maken uitweg, zonnepark, belanghebbenden, beleidskader, herstelbesluit, landschappelijke kwaliteitsverbetering (Rb Zeeland-West-Brabant 19/5482)
* 16 februari 2022 (ABRvS 202004728/1/A2): Awb, Tracéwet; schadevergoeding, waardedaling woning, normaal maatschappelijk risico, drempel, zelf in de zaak voorzien
* 16 februari 2022 (ABRvS 202003906/1/R2): Awb, Wro; bpl, bouwvlak bedrijf, beroep, rechtsopvolging, provinciale verordening, geur/Wgv, concentratiegebied, voor- en achtergrondbelasting, motivering
* 16 februari 2022 (ABRvS 202003856/1/R3): Awb, Wgh; HGW, woningen, wegverkeerslawaai, relativiteit
* 16 februari 2022 (ABRvS 202003437/1/R2): Awb, Wro; bpl, woningen, woon- en leefklimaat, alternatieven, verkeer, parkeren, motivering, tussenuitspraak, vovo
* 16 februari 2022 (ABRvS 202003259/1/R1): Awb, Bouwbesluit; warmteplan, specifiek hoofdstuk, geen concretiserend besluit van algemene strekking, ontvankelijkheid (Rb Amsterdam 19/4664)
* 16 februari 2022 (ABRvS 202002919/1/A2): Awb, Waterwet; nadeelcompensatie, waterschade, geen causaal verband (Rb Oost-­Brabant 19/2152)
* 16 februari 2022 (ABRvS 202001917/1/R2): Awb, Wro; bpl, actualisatie kommen, bedrijventerreinen, woningen, motivering, tussenuitspraak
* 16 februari 2022 (ABRvS 202001827/1/A2): Awb; nadeelcompensatie, overgangsrecht, Waterwet, waterschade, verordening, tijdsduur schade, kapitalisatiefactor, normaal ondernemersrisico, belastingschade (Rb Limburg 19/1145)
* 16 februari 2022 (ABRvS 202000932/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bol, loods voor machineberging, opslag en dierenverblijven, planregels, provinciale verordening, gebruik/grondgebonden veehouderij, motivering, tussenuitspraak (Rb Zeeland-West-Brabant 18/6142)
* 16 februari 2022 (ABRvS 201908901/4/R3): Awb, Wro; bpl, themapark, verkeer, ontsluiting, verkeersaantrekkende werking, CROW, geluid, einduitspraak na eerder tussenuitspraak
* 16 februari 2022 (ABRvS 201908437/2/R4): Awb, Wro; bpl, paardenhouderij met bedrijfswoning, geur, Activiteitenbesluit, geurgebiedsvisie, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 16 februari 2022 (ABRvS 201900845/3/R2): Awb, Wro, Waterwet; inpassingsplan en projectplan, vuilstort/grondwaterstand, verontreiniging stroombanen, veen/kades en afwatering, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 14 februari 2022 (Rb Noord-Holland HAA 21/3286, HAA 21/3484, HAA 21/3485, HAA 21/3486, HAA 21/3487, HAA 21/3488 en HAA 21/3489, HAA 21/4378, HAA 21/4481 en HAA 21/5014): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor slopen, bouwen en wijzigen rijksmonument, gemeentehuis, relatie bpl, parkeren, planregels, advies RCE
* 14 februari 2022 (ABRvS 202102771/2/R1): Awb, Waterwet; vovo, projectplan, oeververvanging stilleggen werkzaamheden (Rb Den Haag 20/4615, 20/4618, 20/42622, 20/4624 t/m 20/4630, 20/4632)
* 14 februari 2022 (ABRvS 202107480/2/R2): Awb, Wro; vovo, bpl, woningen met tuin en parkeervoorzieningen, Natura 2000, passende boordeling, referentiesituatie, ontsluiting
* 11 februari 2022 (Rb Overijssel ZWO 21/860, ZWO 21/857, ZWO 21/1441, ZWO 21/36 en ZWO 21/1076): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, woning, geen strijd met beheersverordening, welstand
* 11 februari 2022 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/9067 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, screens aan voor- en achterzijde gebouw, monument, advies RCE, vertrouwensbeginsel, welstand, motivering
* 11 februari 2022 (Rb Rotterdam ROT 21/6200): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en milieu, multi-fuel tankstation, verkeer/CROW, vvgb, duurzaamheidsvisie, provinciale omgevingsverordening, reclamemast, VNG-brochure, milieucategorie, risico’s/QRA, PGS, inschakeling STAB
* 11 februari 2022 (ABRvS 202200138/2/R4): Awb, Wm; vovo, vaststellen saneringsplan en verlaging geluidproductieplafonds, verkeerswegen, geen spoedeisend belang
* 11 februari 2022 (ABRvS 202200472/2/R4): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, dwangsommen, verwijderen sleufsilo, mestopslag en paardenstal, belangenafweging (Rb Gelderland 21/5210 en 21/5154)
* 11 februari 2022 (Conclusie PG HR 20/01734): BW; onteigening Hedwigepolder: hoogte van de schadeloosstelling, bodembestanddelen, invloed van belang van de haven van Antwerpen op de werkelijke waarde, eliminatieregel, complexwaarde, verwachtingswaarde
* 11 februari 2022 (Rb Amsterdam AMS 21/5316): Awb, CITES: vergunning en certificaten voor uitvoeren dolfijn naar buitenlands attractiepark, commerciële partij/doeleinden, belangenafweging, motivering
* 10 februari 2022 (Rb Midden-Nederland UTR 21/418): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, supermarkt, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 10 februari 2022 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/5679 WABOM VV): Awb, Wnb; vovo, geen vergunning nodig voor wijziging dieraantallen veehouderij, intern salderen, referentiesituatie, emissiefactoren Rav, onderbouwing en motivering
* 9 februari 2022 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/955 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, toegangspoort, wijziging uitvoering, ondergeschikte aard
* 9 februari 2022 (ABRvS 202200071/3/R1): Awb; opheffing vovo, handhaving, invordering dwangsom, kosten bestuursdwang, drugslab in containers, financiële draagkracht
* 8 februari 2022 (Rb Gelderland ARN 22/696): Awb, Gmw; vovo, last onder bestuursdwang, staken exploitatie massagesalon, seksinrichting
* 8 februari 2022 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/8966 GEMWT): Awb, Wabo; handhaving, verhuur chalet, definitie recreatief verblijf, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 8 februari 2022 (Rb Rotterdam ROT 21/3127); Awb, Gmw; exploitatievergunning, horeca, APV, gebiedsgericht beleid
* 7 februari 2022 (Rb Den Haag SGR 21/7793 en SGR 21/7792): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor kappen bomen, APV, boomdeskundige, aanvraag onvolledig, ook aanlegvergunning, motivering, tussenuitspraak
* 7 februari 2022 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/8276 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, vervangen en vergroten schuur, overgangsrecht, strijd met bpl
* 7 februari 2022 (Rb Oost-Brabant SHE 21/3261): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, B&B en aanbieden van wellnessfaciliteiten, geen vergunning, strijd met bpl
* 7 februari 2022 (Rb Noord-Holland HAA 21/3102): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, detailhandel voor zakelijke klanten en particulieren, vrijstelling niet mogelijk
* 7 februari 2022 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/426 OPIUMW): Awb, Opiumwet, Gmw; handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid, evenredigheid
* 4 februari 2022 (Rb Amsterdam AMS 22/261, AMS 22/265, AMS 22/266, AMS 22/267 en AMS 22/437): Awb, WVW 1994; vovo, verkeersbesluit, verkeersveiligheid, werklocatie
* 3 februari 2022 (Rb Noord-Nederland LEE 21/1919): Awb, Mbw; mijnbouwschade, schade onder raaplaag, geen mijnbouwgerelateerde schade
* 3 februari 2022 (Rb Oost-Brabant SHE 20/2240): Awb, Wm; handhaving, veehouderij, afwijkende bedrijfsvoering, geen melding, bevoegdheid, rechtsgevolgen, Wnb, referentiesituatie
* 2 februari 2022 (Rb Noord-Nederland LEE 21/905): Awb, Mbw; mijnbouwschade, waardedaling woning, WOZ, motivering
* 1 februari 2022 (Rb Limburg ROE 21/3399): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, herstelmaatregelen, gebruik vakantiewoning, bijgebouw, geen strijd met planregels
* 1 februari 2022 (Rb Limburg ROE 21/3215 en 21/3217): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo en kortsluiten, handhaving, sluiting woning, bevoegdheid, noodzakelijkheid, evenredigheid
* 1 februari 2022 (Rb Noord-Nederland LEE 21/242): Awb, Mbw; mijnbouwschade, schade aan betonnen erfverharding, motivering
* 1 februari 2022 (Rb Den Haag SGR 21/4060 en SGR 21/3809): Awb, Wabo; tijdelijke omgevingsvergunning voor afwijken bpl, evenemententerrein, belanghebbenden, geluid, motivering, dB(A)/dB(C), muziekspectra, zelf in de zaak voorzien, handhaving, geen inrichting in de zin van de Wm
* 31 januari 2022 (Rb Den Haag SGR 21/757): Awb, Gmw; verwijderen schip, geen ligplaatsvergunning, vertrouwensbeginsel
* 31 januari 2022 (Rb Noord-Nederland LEE 21/2334 en LEE 21/3840): Awb, Mbw; mijnbouwschade, waardedaling woning, overschrijding bezwaartermijn, ontvankelijkheid
* 28 januari 2022 (Rb Midden-Nederland UTR 21/1814): Awb, Wro; planschade, causaal verband
* 27 januari 2022 (Hof Arnhem-Leeuwarden GEMW 200.294.985/01): Awb, Gmw; bestuurlijke boete, aanbieden bedrijfsafval in strijd met voorschriften, afvalstoffenverordening
* 24 januari 2022 (Rb Den Haag SGR 19/7180 en 20/4900): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, sociaal-cultureel centrum en loods met terreininrichting, geur/paardenstal/mestplaat
* 19 januari 2022 (Rb Den Haag SGR 20/3646): Awb; invordering dwangsom, VVE, onvoldoende woningonderhoud, Bouwbesluit, geen excessief formalisme
* 18 januari 2022 (Rb Den Haag SGR 20/2749, SGR 20/2750, SGR 20/2751 en SGR 20/2752 en SGR 21/3890): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, woon- en winkelcomplex, bouwhoogte, parkeren, laden en lossen
* 14 januari 2022 (Rb Den Haag SGR 20/2013, 20/2018, 20/2019, 20/2020, 20/2021 en 20/2023): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, dakkappellen op recreatiewoningen, welstand, motivering
* 22 december 2021 (Rb Noord-Nederland LEE 19/1003, 19/4023 en 21/280): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, (uitbreiding) supermarkt met parkeervoorziening, parkeervoorzieningen en in- en uitrit, raadsmotie, vertrouwensbeginsel, Dienstenrichtlijn, exceptieve toetsing brancheringsregeling en beleidsregels structuurvisie, motivering
* 20 december 2021 (CBb 21/1134 en 21/1136): Awb, Msw; vovo en kortsluiten, vaststelling fosfaatrecht, knelgevallenregeling, kwalificatie soorten rundvee
* 24 maart 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 20/1045): Awb, Msw; bestuurlijke boete, overschrijden van gebruiksnorm dierlijke meststoffen en niet voldoen aan de eigen mestverwerkingsplicht
* 23 maart 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 20/2760): Awb; invordering dwangsommen, recreatiewoningen, strijd met bpl, geen vergunning

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 16 februari 2022 (ABRvS 202003856/1/R3): Awb, Wgh; HGW, woningen, wegverkeerslawaai, relativiteit
5.3   ………………..
[appellant A] en [appellant B] zijn geen eigenaren van één van de te bouwen zorgwoningen en ook is niet gebleken van concrete interesse in de koop en/of bewoning van een van de zorgwoningen. Onder deze omstandigheden strekt de regeling van de Wgh naar het oordeel van de Afdeling kennelijk niet tot bescherming van hun belangen.

Het betoog van [appellant A] en [appellant B] dat zij wel belang hebben bij het treffen van bronmaatregelen of overdrachtsmaatregelen omdat dit zal leiden tot een lagere geluidbelasting ter plaatse van hun woning, en zij daarvan dus kunnen profiteren, maakt dat oordeel niet anders. De betrokken regeling in de Wgh strekt, zoals hiervoor werd overwogen, tot bescherming van de bewoners van de te bouwen woningen. Voor zover [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd dat de Afdeling in de uitspraak van 11 november 2020, onder 6.5, heeft geoordeeld dat indien een appellant zich beroept op overschrijding van een norm en betoogt dat deze overschrijding nadelige gevolgen voor zijn woonsituatie heeft, hij ter onderbouwing van de normoverschrijding kan wijzen op onderzoeksgegevens waaruit naar voren komt dat deze norm ter plaatse van een woning van een derde in zijn directe omgeving wordt overschreden, overweegt de Afdeling als volgt. In de daar aangehaalde uitspraak van 19 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP1352 (Elzenbos Brummen), onder 2.4.3, heeft de Afdeling als volgt overwogen: “Wel kan een belanghebbende zich beroepen op de normen die de Wet geluidhinder stelt, indien een bestemmingsplan de aanleg of verbreding van een weg mogelijk maakt waarvan ook hij nadelige geluidseffecten voor zijn woonsituatie moet vrezen. Die mogelijkheid bestaat ook indien hij volstaat met aannemelijk te maken dat de aanleg of verbreding zal leiden tot overschrijding van de hoogst toelaatbare geluidbelasting van woningen in zijn directe omgeving en daarmee tot nadelige geluidseffecten op zijn woonsituatie.” Vergelijk bijvoorbeeld ook de uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:295), onder 38.2. Deze uitspraken gaan over een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan en het verlenen van een omgevingsvergunning voor onder meer het afwijken van een bestemmingsplan. Anders dan in het nu voorliggende geval van een besluit hogere waarden, gaat het in deze uitspraken om een situatie waarin appellanten dreigden te worden geschaad in een deelbelang dat bescherming vindt in de daar aan de orde zijnde norm van een goede ruimtelijke ordening. Daar is in deze situatie geen sprake van.

Wat [appellant A] en [appellant B] aanvoeren tegen het besluit hogere waarden kan gelet op het voorgaande niet leiden tot vernietiging van dat besluit. Daarom ziet de Afdeling af van een inhoudelijke bespreking van het beroep.

* 16 februari 2022 (ABRvS 202001827/1/A2): Awb; nadeelcompensatie, overgangsrecht, Waterwet, waterschade, verordening, tijdsduur schade, kapitalisatiefactor, normaal ondernemersrisico, belastingschade (Rb Limburg 19/1145)
18.     Anders dan de rechtbank heeft overwogen is artikel 7.14 van de Waterwet in dit geval niet van toepassing. De Waterwet is op 22 december 2009 in werking getreden. In artikel 2.34, eerste lid, van de Invoeringswet Waterwet is bepaald dat artikel 7.14 van de Waterwet niet van toepassing is indien de schade is veroorzaakt door een uitoefening van een taak of bevoegdheid die plaatsvond voor het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel. In dit geval is de gestelde schadeoorzaak (de uitvoering van) het plan Herinrichting Eckeltsebeek van 18 februari 2004.
48.     Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, komt belastingschade voor vergoeding in aanmerking als dergelijke schade rechtstreeks het gevolg is van het desbetreffende schadeveroorzakend besluit of zoals in dit geval van schadeveroorzakend handelen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL1791. Bij de vaststelling van de voor tegemoetkoming in aanmerking komende schade in de vorm van inkomensderving dient ook met fiscale voor- en nadelen rekening te worden gehouden. Daarbij dienen deze voor- en nadelen in onderling verband te worden bezien en in rekening te worden gebracht. Hieruit volgt dat belastingschade niet zozeer een afzonderlijke schadesoort is, maar een bij de vaststelling van de volgens artikel 2 van de verordening voor tegemoetkoming in aanmerking komende schade in de vorm van inkomensderving in aanmerking te nemen nadeel. Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:207.

  1. Ter zitting is door het dagelijks bestuur niet bestreden dat zich mogelijk belastingschade voordoet, omdat mogelijk extra inkomstenbelasting wordt geheven als gevolg van het in één keer uitkeren van het bedrag aan nadeelcompensatie. Het had daarom op de weg van het dagelijks bestuur gelegen om deze schadepost, nu de hoogte ervan in bezwaar nog niet kon worden vastgesteld, als een pro memorie post in het bestreden besluit op te nemen. Gelet op het bovenstaande heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat hieraan in de weg stond dat [appellant] eerst in bezwaar om vergoeding van deze schadepost heeft verzocht.
    50. Het betoog slaagt.

    * 11 februari 2022 (
    Rb Rotterdam ROT 21/6200): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en milieu, multi-fuel tankstation, verkeer/CROW, vvgb, duurzaamheidsvisie, provinciale omgevingsverordening, reclamemast, VNG-brochure, milieucategorie, risico’s/QRA, PGS
    2. De aanvraag van Greenpont van 18 januari 2019 betreft het oprichten en het in gebruik nemen van een motorbrandstoffenverkooppunt voor het wegverkeer waar naast de vloeibare traditionele brandstoffen (benzine en diesel), ook waterstof, LNG (vloeibaar aardgas), CNG (aardgas onder druk) en elektriciteit aan motorvoertuigen (personenauto’s en vrachtwagens) wordt geleverd. Verder is sprake van een verkoopruimte (shop) inclusief een bereidingsruimte voor broodjes en snacks. De aanvraag betreft naast de bouwactiviteit het handelen in strijd met het bestemmingsplan en een oprichtingsvergunning milieu.
    14.3.   De voorzieningenrechter overweegt dat, hoewel niet kan worden ontkend dat het project deels een nieuwe activiteit betreft waar de regelgeving nog niet volledig op is ingericht, dit onverlet laat dat er wel sprake is van interimbeleid en dat aan de omgevingsvergunning met inachtneming van de zogenaamde PGS-richtlijnen een uitgebreid onderzoek naar het aspect externe veiligheid ten grondslag ligt.

Verder overweegt de voorzieningenrechter dat geenszins aannemelijk is gemaakt dat de DCMR ten aanzien van dit onderzoek partijdig zou zijn. Niet wordt door verzoekster betwist dat de DCMR op dit gebied geen deskundigheid bezit. Het enkele feit dat door haar in opdracht van verweerder wel eens onderzoeken worden uitgevoerd is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen reden om op voorhand te twijfelen aan de juistheid, zorgvuldigheid en de objectiviteit van haar bevindingen, vastgelegd in het `Memo – beantwoording vragen [naam verzoekster]’ van 5 mei 2021.

De voorzieningenrechter constateert daarnaast dat tussen partijen niet in geschil is dat een multi-fuel tankstation niet als zodanig in de VNG-Brochure is opgenomen en dat als uitgangspunt in het bestemmingsplan is vastgelegd dat langs de randen van het terrein de milieu-categorieën 3.1 en 3.2 zijn toegestaan. Met de stelling in het verweerschrift en ter zitting dat van het uitgangspunt in het bestemmingsplan niet wordt afgeweken omdat voor wat betreft het aspect veiligheid het multi-fuel tankstation ruimtelijk aanvaardbaar is, miskent verweerder dat het project uiteindelijk als milieucategorie 4.1 is te bestempelen (waarvoor een afstand van 100 meter geldt) en dat er, door het plaatsen van het multi-fuel tankstation op de betreffende locatie, afbreuk wordt gedaan aan de in het bestemmingsplan vastgestelde eis dat aan de randen van het terrein de milieu-categorieën 3.1 en 3.2 zijn toegestaan. Hoewel verweerder bij de totstandkoming van het bestreden besluit de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure heeft gevoerd om af te wijken van het bestemmingsplan, zijn er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in het bestreden besluit geen (afdoende) overwegingen gewijd aan het ter plaatse toestaan van een milieu-categorie 4.1 inrichting. Evenmin heeft daar een (afdoende) belangenafweging aan ten grondslag gelegen. Dat er door AVIV een locatiespecifiek onderzoek is verricht maakt niet dat het bestreden besluit wat betreft de afwijking van het bestemmingsplan aangaande het ter plaatse toestaan van een milieu-categorie 4.1 inrichting, voldoende zorgvuldig is voorbereid.

* 11 februari 2022 (Rb Amsterdam AMS 21/5316): Awb, CITES: vergunning en certificaten voor uitvoeren dolfijn naar buitenlands attractiepark, commerciële partij/doeleinden, belangenafweging, motivering
8.2.   De rechtbank stelt vast dat de bewoordingen van het eerste lid van artikel 8 geen duidelijkheid geven of het verbod op de handel van de in bijlage A genoemde soorten ook geldt voor (weder)uitvoer naar een land buiten de Gemeenschap, een niet-lidstaat als China. Ook andere taalversies van de basisverordening, zoals het Engels of het Frans, geven de rechtbank geen verder houvast. De rechtbank dient bij de uitleg van het Unierecht echter niet alleen rekening te houden met de formulering, maar ook met de context en de doelstelling van de regeling. Gelet op deze context – de systematiek en opbouw van dit artikel ten opzichte van andere artikelen en leden van deze verordening – legt de rechtbank artikel 8, eerste lid, van de basisverordening zo uit dat op grond van dit artikellid alleen handel met bijlage A soorten binnen de Gemeenschap verboden is. Deze uitleg licht de rechtbank als volgt toe.

8.3.   Allereerst verwijst de rechtbank naar de aanhef van het derde lid van artikel 8 van de basisverordening. Dit artikellid regelt namelijk een ontheffingsmogelijkheid van het verbod in het eerste lid in de gevallen genoemd onder a) tot en met h). Deze ontheffing kan worden verleend door afgifte van een certificaat door een administratieve instantie van een lidstaat, waarin het dier zich bevindt. Als het verbod zo ruim uitgelegd zou moeten worden dat het zich uitstrekt tot handel buiten de Gemeenschap, zou er helemaal geen invoer vanuit een niet-lidstaat mogelijk zijn, omdat daar dan nooit een ontheffing voor verleend kan worden. Naar het oordeel van de rechtbank past dit niet binnen het stelsel van de basisverordening. De uitleg van de Stichting zou leiden tot een innerlijke tegenstrijdigheid met de mogelijkheden van artikel 4 (binnenbrengen in de Gemeenschap) en artikel 5 (uitvoer of wederuitvoer uit de Gemeenschap).

8.4.   De rechtbank verwijst daarnaast naar de Reference Guide van de Europese Commissie13 (Guide). De Guide is een hulpmiddel voor de implementatie van de EU-regels. De rechtbank acht van belang dat artikel 8 alleen genoemd is in hoofdstuk 4 (‘What rules govern internal EU trade?’14) van deze Guide en niet in hoofdstuk 3 (‘What are the rules governing trade into and from the EU for species covered by the Regulations?’15).

In paragraaf 4.1. van hoofdstuk 4 (‘General principles’) stelt de Commissie bijvoorbeeld voorop dat, gezien de ‘EU single market’, er geen controles aan de grens zijn en ook ‘wildlife goods’ vrij verhandeld mogen worden binnen de Gemeenschap. Alleen voor wilde soorten van bijlage A is het niet toegestaan om deze voor commerciële doelen te gebruiken en ‘their movement inside the EU is also regulated’. In de voetnoot bij deze zinsnede is het eerste lid van artikel 8 vermeld.

8.5.   De uitleg van de Commissie in de Guide past naar het oordeel van de rechtbank ten slotte bij de doelstelling van de basisverordening, te weten de bescherming van de in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op de internationale handel. De rechtbank verwijst in dit kader ook naar de preambule, zie bijvoorbeeld overwegingen 8) en 10)16. In artikelen 4 en 5 van de basisverordening worden voor dit doel beperkingen opgelegd voor het binnenbrengen van dieren in de Gemeenschap en de uitvoer uit de Gemeenschap en in artikelen 8 en 9 gaat het om beperkingen binnen de Gemeenschap. Dit onderscheid, mede gelet op de steun daarvoor in de Guide, acht de rechtbank het meest voor de hand liggen.
9.3.   De rechtbank is van oordeel dat de bevoegdheid van de minister is ingekaderd met de limitatief opgesomde voorwaarden in het tweede en derde lid van artikel 5 van de basisverordening. In de uitleg van de voorwaarden van dit artikel is er weliswaar een zekere ruimte voor de minister, maar de minister is wel gebonden aan deze voorwaarden. Voor zover de Stichting de ruimte ziet in de woorden “geen andere argumenten” van artikel 5, tweede lid, aanhef en onder d, moeten deze argumenten wel verband houden met de in dit artikeldeel genoemde instandhouding van de soort en gaat het dus niet om dierenwelzijn als zodanig. Voor haar oordeel acht de rechtbank ook van belang dat het dierenwelzijn in het land van bestemming niet als afzonderlijke voorwaarde is opgenomen in artikel 5. Dit is bijvoorbeeld anders in artikel 4, tweede lid, aanhef en onder b17. Daarnaast is in een nationale regel – artikel 4.11 van het Besluit houders van dieren – bepaald dat de vergunninghouder er zich bij overdracht van dieren van verzekerd dat de ontvangende partij de dieren houdt, huisvest en verzorgt op een wijze die overeenkomt met de voorschriften van paragraaf 1 (het houden van dieren in dierentuinen). De Stichting heeft een handhavingsverzoek ingediend op grond van dit artikel, maar die procedure valt buiten de omvang van deze zaak. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister in deze zaak niet het dierenwelzijn in Ocean Paradise als afzonderlijke voorwaarde kan hanteren bij de beoordeling van de vergunningaanvragen.

* 3 februari 2022 (Rb Oost-Brabant SHE 20/2240): Awb, Wm; handhaving, veehouderij, afwijkende bedrijfsvoering, geen melding, bevoegdheid, rechtsgevolgen, Wnb, referentiesituatie
3.3   De rechtbank heeft in een uitspraak van 15 februari 20214 geoordeeld dat, op basis van het Activiteitenbesluit, eerder vergunde rechten met betrekking tot het gehouden veebestand niet vervallen, wanneer gedurende enige tijd de inrichting niet of gedeeltelijk wordt gebruikt. Deze rechten vervallen evenmin wanneer er verzuimd is een melding te doen van een wijziging van de inrichting. Omdat aan een melding geen rechtsgevolgen zijn verbonden (volgens de genoemde uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019), mogen volgens de rechtbank ook geen rechtsgevolgen worden verbonden aan het mogelijke verzuim om een melding te doen.

De rechtbank ziet geen aanleiding om hierover in deze zaak anders te oordelen.

3.4   Wanneer de melding achterwege blijft, staat strikt genomen de mogelijkheid open tot bestuursrechtelijke handhaving, zoals de oplegging van een last onder bestuursdwang of onder dwangsom. Toepassing hiervan ligt echter in het algemeen niet direct in de rede in gevallen als hier aan de orde, omdat de melding geen rechtsgevolgen heeft. Wel zou daartoe kunnen worden overgegaan in situaties waarin door het niet melden aan het bevoegd gezag belangrijke gegevens over de inrichting worden onthouden, waardoor ook de handhaving kan worden bemoeilijkt. Die situatie doet zich naar het oordeel van de rechtbank hier niet voor. Eiseres kan, omdat een melding niet is gericht op rechtsgevolg, met haar verzoek om handhaving vanwege het niet doen van de vereiste melding niet bereiken wat zij wil, namelijk dat er in de toekomst geen of minder dieren op de locatie kunnen worden gehouden. Dit leidt ertoe dat handhaving in die situatie, ten opzichte van daarmee te dienen doelen, onevenredig zou zijn.

3.5    Samenvattend komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder bevoegd was om handhavend op te treden, maar dat gebruikmaking van die bevoegdheid in de gegeven omstandigheden onevenredig zou zijn. Verweerder behoefde dan ook niet, vanwege het niet melden van een verandering in de inrichting, handhavend op te treden.
4.5   In dit geval betekent dit dat de melding ingevolge artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit er niet toe kan leiden dat milieuactiviteiten waarvoor toestemming is verleend bij de in rechtsoverweging 1.1 genoemde vergunning en meldingen niet langer zijn toegestaan. Het doen van een melding kan dan ook niet leiden tot een verandering in de referentiesituatie waarmee bij de toetsing van een aanvraag om een vergunning op grond van de Wnb rekening zou moeten worden gehouden.

Het betoog van eiseres over de betekenis van de melding in het kader van de Wnb faalt.

* 2 februari 2022 (Rb Noord-Nederland LEE 21/905): Awb, Mbw; mijnbouwschade, waardedaling woning, WOZ, motivering
5. De rechtbank stelt vast dat de motivering van verweerder ten aanzien van de WOZ-waarde daling van eiseres in het bestreden besluit van algemene aard is. De motivering is niet toegesneden op de omgevingsfactoren van de woning. Verweerder heeft geen redenen aangegeven ter verklaring van het feit dat ondanks de belofte van een ruimhartige vergoeding de uit het model voortvloeiende uitkomst slechts ongeveer de helft bedraagt van de door eiseres aangevoerde waardedaling. Ook ter zitting heeft verweerder volstaan met het aandragen van algemene factoren die van invloed kunnen zijn op de hoogte van de WOZ-waarde van de woning. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de hoogte van de WOZ-waarde bijvoorbeeld afhankelijk is van de staat van onderhoud van een woning of als oorzaak heeft dat de woning is gelegen in een krimpregio. Eiseres heeft hierop gereageerd door aan te geven dat in haar omgeving geen omgevingsfactoren zijn gewijzigd die van invloed kunnen zijn geweest op de daling van haar WOZ-waarde.

  1. Gelet op de algemene aard van de motivering van verweerder kan de rechtbank de vraag of de daling van de WOZ-waarde in het geval van eiseres een bijzondere omstandigheid is op grond waarvan verweerder in redelijkheid dient af te wijken van het beleid zoals neergelegd in de Procedure en werkwijze, niet beantwoorden.

In zoverre kan de motivering in het bestreden besluit het besluit niet dragen. Het besluit berust dan ook niet op een deugdelijke motivering en is daardoor in strijd met het bepaalde in artikel 7:12 van de Awb tot stand gekomen.

* 1 februari 2022 (Rb Den Haag SGR 21/4060 en SGR 21/3809): Awb, Wabo; tijdelijke omgevingsvergunning voor afwijken bpl, evenemententerrein, belanghebbenden, geluid, motivering, dB(A)/dB(C), muziekspectra, zelf in de zaak voorzien, handhaving, geen inrichting in de zin van de Wm
9.3.   De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij het bestreden besluit niet toereikend heeft gemotiveerd dat omwonenden geen onevenredige geluidshinder ondervinden van de te houden evenementen in de categorieën 1, 2 en 3 in totaliteit en in onderlinge samenhang bezien. Daarbij betrekt de rechtbank in de eerste plaats dat vergunninghoudster bij de aanvraag de behoefte aan evenementen in het Standaard Housemuziek Spectrum (categorie 1) niet kenbaar heeft gemaakt, terwijl de verleende vergunning juist ten aanzien van dit soort evenementen in nadelige zin afwijkt van de volgens de Nota passende geluidsgrenswaarden voor de omgeving. Voorts is relevant dat voor het woon- en leefklimaat van omwonenden niet alleen de toegestane geluidniveaus van belang zijn, maar ook hoe vaak deze geluidniveaus zich mogen voordoen (de blootstellingsduur). De hinder neemt toe naarmate omwonenden langer worden blootgesteld aan geluid, en voor evenementen betekent dit dat zowel de duur als frequentie waarop deze plaatsvinden bij de beoordeling dienen te worden betrokken. In dit licht acht de rechtbank van belang dat de bestreden vergunning op jaarbasis een fors aantal van 23 evenementdagen in categorie 1 en 2 toestaat, waarbij evident sprake is van geluidhinder. Deze evenementen zitten alle reeds aan de bovengrens van wat acceptabel kan worden geacht gelet op de Nota en van een ‘beperkt’ aantal is naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval geen sprake. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom een extra overschrijding tijdens 3 dagen per jaar, waarbij flink wordt afgeweken van het uitgangspunt van een binnenwaarde van 50 dB(A) nog een aanvaardbaar woon- en leefklimaat van eisers zou opleveren. Niet gebleken is dat het noodzakelijk is voor de muziekbeleving van het bezoekende publiek. Dat de vraag naar evenementen in het Standaard Housemuziek Spectrum onder de jongeren in Gouda groot is en dat er in Gouda niet veel terreinen beschikbaar zijn voor evenementen, is onvoldoende onderbouwd. Voor zover verweerder heeft gesteld dat in aanmerking genomen dient te worden de omstandigheid dat ter plaatse een hoog referentieniveau van het omgevingsgeluid geldt ten gevolge van de ligging van de woningen binnen de geluidcontour van een gezoneerd industrieterrein en naburige wegen, slaagt dit argument niet. In de eerste plaats is deze geluidbelasting van een geheel andere orde; verkeersgeluid wordt op andere wijze ervaren dan muziekgeluid. Daarnaast bedraagt de geluidcontour op de gevel 50 dB(A), dat correspondeert met een binnenwaarde van 35 dB(A), zodat ook op dit punt geen sprake is van een deugdelijke vergelijking.
10.3.   In het rapport van Peutz zijn de berekende geluidsniveaus zowel in dB(A) als in dB(C) inzichtelijk gemaakt. In zijn algemeenheid is het voorschrijven van een (maximaal) verschil tussen de dB(A)-waarde en de dB(C)-waarde zinvol, omdat hiermee de bastonen van muziek kunnen worden gereguleerd. Het effect van het voorschrijven van een maximaal verschil is dat in feite het specifieke karakter van ten gehore gebrachte muziek (een bepaald muziekspectrum) wordt vastgelegd. Onbestreden is dat bij het bestreden besluit bij de categorie 1 en 2 evenementen door verweerder geen onderscheid is gemaakt in het toepasselijke muziekspectrum. Hoewel duidelijk is dat de dB(C)-waarde relevant is bij muziekspectra met voornamelijk lage tonen (housemuziek), is niet duidelijk waarom voor de overige muziekspectra (pop-, jazz-, rockmuziek) eveneens is gekozen voor een weergave in dB(C), nu hier de dB(A)-waarde meer representatief is. Voor zover verweerder beoogt om met de evenementen binnen een zekere bandbreedte te kunnen variëren in (muziek)spectra en geluidsniveaus, zonder een overschrijding van de grenswaarden uit de Nota, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte geen rekening gehouden met de samenhang tussen de maxima in dB(A) en dB(C). Met het oog op handhaving van geluidhinder, dienen in de geluidsvoorschriften ook de grenswaarden in dB(A) te worden opgenomen. Op deze wijze is helder wat wel en niet is toegestaan. Op zitting heeft verweerder zich hiermee ook akkoord verklaard. Voor categorie 3 evenementen ziet de rechtbank het nut en de noodzaak niet in om naast een geluidsnorm in dB(A) ook een geluidsnorm in dB(C) op te nemen.


STAB verzorgt de jurisprudentie voor STAB OGR updates

Ruud Veenhof heeft een annotatie geschreven bij de uitspraken van 22 december 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2931) en 12 januari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:82) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In zijn noot gaat hij in op de overwegingen van de Afdeling over vergunningvrij bouwen in relatie tot bestemmingsplannen. Hij licht toe op welke wijze de planwetgever volgens de Afdeling de op grond van het Bor geldende mogelijkheden voor vergunningvrij bouwen kan beperken. Verder schets hij kort de wijze waarop het vergunningvrij bouwen onder de Omgevingswet wordt geregeld (zie OGR 2021-0241).