Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 23 februari 2022 (ABRvS 202105173/1/R4): Awb; beroep tegen verzet, bevoegdheid Afdeling (Rb Midden-Nederland 20/1591)
* 23 februari 2022 (ABRvS 202103665/1/A2): Awb, Wro; planschade, EVRM, schadevergoeding (Rb Den Haag 19/4630)
* 23 februari 2022 (ABRvS 202103413/1/A3): Awb, Gmw; handhaving, last onder bestuursdwang, motorwrak op weg, APV, in depot, geen verhaal kosten, geen bijzondere omstandigheden (Rb Zeeland-West-Brabant 20/6761)
* 23 februari 2022 (ABRvS 202102848/1/A2): Awb, Wro; planschade, passieve risicoaanvaarding (Rb Gelderland 19/7106)
* 23 februari 2022 (ABRvS 202102376/1/A3): Awb, Gmw; handhaving, APV, geen uitweg, openbaar karakter (Rb Den Haag 20/376)
* 23 februari 2022 (ABRvS 202102345/1/R4): Awb, Wabo; Gmw; handhaving, dwangsom, verwijderen hekwerk bij woning, omvang omgevingsvergunning, APV, geen vergunning, bijzondere omstandigheden (Rb Midden-Nederland UTR 20/1645)
* 23 februari 2022 (ABRvS 202102225/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, tuin, parkeren, erfscheiding en een blokhut, verplaatsingsovereenkomst woonboot, tijdelijkheid (Rb Amsterdam 19/5734)
* 23 februari 2022 (ABRvS 202101453/1/R2): Awb, Wro; bpl, verbouwen cultuurhistorisch waardevolle woning, recreatiewoningen
* 23 februari 2022 (ABRvS 202101188/1/A2): Awb, Wro; planschade (Rb Zeeland-West-Brabant 19/3493)
* 23 februari 2022 (ABRvS 202100966/1/R1): Awb, Waterwet; vaststelling legger, waterbergingsgebied, relatie bpl (Rb Oost-Brabant 20/161)
* 23 februari 2022 (ABRvS 202100622/1/A3): Awb, Hvw; boete, onttrekken woonruimte, vakantieverhuur (Rb Midden-Nederland 20/1056)
* 23 februari 2022 (ABRvS 202100579/1/R3): Awb, Wabo; handhaving, kleinschalig kampeerterrein, geen afwijking omgevingsvergunning/beheersverordening (Rb Noord-Nederland 20/1283)
* 23 februari 2022 (ABRvS 202100442/1/R2): Awb, Wabo; handhaving, recreatieterrein, overlast camping, openingstijden horeca en visvijvers  (Rb Limburg 20/663)
* 23 februari 2022 (ABRvS 202100359/1/R3): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, recreatieve verhuur van woning, strijd met bpl, vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel (Rb Rotterdam 20/4711 en 20/5387)
* 23 februari 2022 (ABRvS 202006952/1/A3): Awb, Opiumwet, Gmw; handhaving, sluiting woning, bevoegdheid, evenredigheid (Rb Limburg 20/2853 en 20/2851)
* 23 februari 2022 (ABRvS 202006793/1/R3): Awb, Wro; bpl, woningen, structuurvisie, beheersverordening, bezonning, parkeren, herstelbesluit
* 23 februari 2022 (ABRvS 202006586/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, supermarkt op bedrijventerrein, belanghebbende, procesbelang (Rb Noord-Nederland 19/4295)
* 23 februari 2022 (ABRvS 202006067/2/R3): Awb, Wro; bpl, woningbouw, bedrijfsuitrit, herstelbesluit
* 23 februari 2022 (ABRvS 202005213/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, werktuigenberging, strijd met bpl, noodzaak/volwaardigheid, motivering (Rb Midden-Nederland 19/4928)
* 23 februari 2022 (ABRvS 202004640/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM), geitenhouderij, geen strijd met bpl, provinciale omgevingsverordening, geitenstop, peildatum, VGO/gezondheid (Rb Overijssel 19/1794)
* 23 februari 2022 (ABRvS 202003775/1/R3): Awb, Wro; bpl, belanghebbende, luchtkwaliteit, WHO, wijzigingsbevoegdheid
* 23 februari 2022 (ABRvS 202003203/1/A2): Awb, Wro; planschade, sleufsilo’s, invulling van de planologische mogelijkheden, normaal maatschappelijk risico (Rb Midden-Nederland 18/3416)
* 23 februari 2022 (ABRvS 202002286/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik en milieu, uitbreiden geitenhouderij, bescherming van milieu, VGO-onderzoek, voorzorgsbeginsel, motivering (Rb Midden-Nederland 19/2622)
* 23 februari 2022 (ABRvS 201903169/2/R2 en 201902204/2/R2): Awb, Wro, Wgh; bpl/HGW, propaantank, afstanden, PGS19, vergunningvrije objecten, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak, zelf in de zaak voorzien
# 23 februari 2022 (ABRvS 201809540/1/R2): Awb, Wro; bpl, bedrijvenpark, plan grenst aan motorcrossterrein, belanghebbenden, geluid, RBS, bronvermogens, dempingsfactor, bouwhoogte parkeergarage, geluidwallen, Natura 2000/relativiteit, tussenuitspraak
* 22 februari 2022 (HvJ EH C-300/20): Prejudiciële verwijzing, m.e.r.-plicht, vastgesteld landschapsbeschermingsbesluit, verbodsbepalingen en vergunningsplichten worden vastgelegd, zonder voldoende gedetailleerde regels vast te stellen over de inhoud, voorbereiding en uitvoering van projecten
* 22 februari 2022 (HvJ EU C‑160/20): Prejudiciële verwijzing, productie, presentatie en verkoop van tabaksproducten, meetmethode, meting van de maximumemissieniveaus voor teer, nicotine en koolmonoxide volgens ISO-normen
* 22 februari 2022 (ABRvS 202107913/2/R1): Awb, Wbb; vovo, vaststelling geval van ernstige bodemverontreiniging waarvan spoedige sanering noodzakelijk is, lood, zware metalen en PAK’s
* 22 februari 2022 (Rb Amsterdam AMS 21/1453): Awb, Gmw; omzetting exploitatievergunning voor passagiersvaart van bepaalde naar onbepaalde tijd, Dienstenrichtlijn, EP/EVRM, verordening, evenredigheid
* 22 februari 2022 (CBb 21/220 en 21/788): Awb; verstrekking van subsidie voor het saneren van varkenshouderijlocaties in verband met geurhinder, proceskosten, schade
* 22 februari 2022 (CBb 20/585): Awb, Msw; vaststelling fosfaatrechten, knelgevallenregeling, geen individuele of buitensporige last, EVRM/schadevergoeding
* 22 februari 2022 (CBb 20/1103): Awb; schadevergoeding, fosfaatrechten, geen juist besluit, gederfde winst
* 22 februari 2022 (CBb 20/869): Awb, Msw; derogatievergunning, buiten behandeling stellen aanvraag, ontvangstbevestiging is tevens besluit tot verlening
* 21 februari 2022 (Rb Midden-Nederland UTR 22/441, UTR 22/443, UTR 22/446 en UTR 22/448): Awb, Nbw; vovo, vergunningen voor vissen op spiering met pelagische sleepnetten, belangenafweging
* 21 februari 2022 (Rb Den Haag SHE 20/3711 en SHE 20/3714): Awb, DHW, Gmw; intrekking DHW- en exploitatievergunningen, horecabedrijven, slechts levensgedrag, evenredigheid
* 21 februari 2022 (ABRvS 202107896/2/R1): Awb, Wro; vovo, bpl, kleinschalig recreatiepark met recreatiewoningen en voorzieningen, woon- en leefklimaat, natuur ,quickscan, geluid, VNG-brochure, verkeer, CROW
* 21 februari 2022 (ABRvS 202200639/1/R3): Awb, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, zonneveld op voormalig golfterrein, aanpassen waterpartij, ontgrondingsvergunning, omgevingsverordening, diepte van ontgronden
* 18 februari 2022 (Rb Gelderland 22/314): Awb, Gmw; vovo, handhaving, sluiting café, openbare orde, APV, bevoegdheid, evenredigheid, motvering
* 18 februari 2022 (Rb Gelderland ARN 22/696): Awb, Gmw; vovo, last onder bestuursdwang, staken exploitatie massagesalon, APV, geen vergunning seksinrichting, bevoegdheid, bewijslast
* 17 februari 2022 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/1425 VEROR): Awb, Gmw; vaststelling uitvoeringsbesluit afvalstoffenverordening, belanghebbende, rechtbank onbevoegd
* 17 februari 2022 (Rb Noord-Nederland LEE 22/40): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, bewoning bijgebouw, strijd met bpl, geen zicht op legalisatie, relatie dwangsom met andere overtredingen, motivering
* 17 februari 2022 (ABRvS 202107900/2/R2): Awb, Wro; vovo, bpl, woningen, houtwal, structuurvisie, verkeer, parkeren
* 17 februari 2022 (Rb Midden-Nederland UTR 21/1923, UTR 21/1930, UTR 21/1926, UTR 21/1952 en UTR 21/1928): Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en maken uitweg, poort en uitweg doodlopend deel van straat, APV, verkeersveiligheid, parkeerplaatsen, groen, welstand
* 17 februari 2022 (Rb Midden-Nederland UTR 21/98): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijkend gebruik, tijdelijk strandpaviljoen, provinciale verordening, NNN, wijze van salderen
* 16 februari 2022 (Rb Midden-Nederland UTR 21/1854 en UTR 21/2143): Awb, Wnb; ontheffing voor nachtelijk afschot van vossen, Regeling natuurbescherming onverbindend op dit punt, noodzaak, motivering
* 16 februari 2022 (Rb Oost-Brabant SHE 20/3037 en SHE 20/3036): Awb, Wnb; handhaving, biomassa-energiecentrales, PAS-melder, geen vergunning, geen zicht legalisatie, belangenafweging en bijzondere omstandigheden die daarbij moeten worden betrokken
* 15 februari 2022 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/4979 en BRE 20/4924): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen garages, proceskosten
* 14 februari 2022 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/5359 HOREC VV): Awb, Gmw; vovo, handhaving, sluiting horecabedrijf, geen exploitatievergunning
* 14 februari 2022 (Rb Den Haag SGR 21/6951 en SGR 21/7869): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen en tijdelijk afwijken bpl, bedrijfspand naar autobedrijf, kruimelgevallenregeling
* 11 februari 2022 (Rb Noord-Nederland LEE 22/184): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, escaperoom, strijd met bpl, geen zicht op legalisatie, onvoldoende gegevens overgelegd, bevoegdheid, hoogte dwangsom
* 11 februari 2022 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/5232 WABOA VV): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, appartementen in voormalig kantoorpand
* 11 februari 2022 (Rb Overijssel AWB 21/2069): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, permanente bewoning recreatiewoning, strijd met bpl, bewijslast, motivering
* 11 februari 2022 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/6861 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijkend en brandveilig gebruik, kantoor naar onderwijs en dagverblijf
* 11 februari 2022 (Rb Rotterdam ROT 22/239): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs/voorbereidende handelingen, bevoegdheid
* 11 februari 2022 (Rb Noord-Holland HAA 21/7001): Awb, Wabo; vovo, handhaving, aanpassingen aan rijksmonument, zicht op legalisatie
* 10 februari 2022 (Rb Noord-Nederland LEE 21/3519): Awb; vovo, intrekking dwangsom, motorcrosscircuit, naleving geluidsnorm, geen spoedeisend belang
* 10 februari 2022 (Rb Limburg ROE 22/1 en ROE 21/3455): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo en kortsluiten, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid, evenredigheid!!!!!!!!
* 10 februari 2022 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/5781): Awb; vaststelling omgevingsvisie, geen rechtshandeling/geen besluit, bevoegdheid rechtbank
* 10 februari 2022 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/5625): Awb; niet tijdig beslissen na uitspraak, dwangsom
* 10 februari 2022 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/7141 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, foodcafé, detailhandelsvisie, Dienstenrichtlijn
* 7 februari 2022 (Rb Midden-Nederland UTR 21/4055 en UTR 21/4074): Awb, WVW 1994; verkeersbesluit, aanwijzen van parkeerplaatsen bij een laadpaal, civielrechtelijke afweging die de gemeente als grondeigenaar, motivering !!!!!!!!!!!!
* 2 februari 2022 (Rb Gelderland ARN 20/6384): Awb, Wabo; handhaving, indeling bedrijf in milieucategorie/SBI-code, geen strijd met bpl, geluid
* 31 januari 2022 (Rb Noord-Nederland LEE 21/2320): Awb, Mbw; mijnbouwschade, gaswinning, waardedaling woning, vordering/notariële leveringsakte van registergoeder
* 28 januari 2022 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 22/312 WABO VV en 22/326 WABO VV): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, woning, natuurvergunning, geen onomkeerbare gevolgen
* 25 januari 2022 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/5704 OPIUMW VV): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid, evenredigheid
* 24 januari 2022 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/5759 OPIUMW VV): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid, evenredigheid
* 19 januari 2022 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/5545 WABOA VV en BRE 21/5555 WABOA VV): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, recreatiewoningen, relatie bpl/motivering, welstand, Wnb
* 29 december 2021 (Rb Noord-Holland HAA 21/112 en 21/113): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, gebruik van gronden met bestemming groen en tuin
* 29 december 2021 (Rb Noord-Holland HAA 21/465): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor slopen, stolpschuur, hergebruik, herstelkosten
* 13 december 2021 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/5440 OPIUM VV): Awb, Opiumwet, Gmw; handhaving, sluiting woning, drugs, ordemaatregel
* 29 maart 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 20/3499): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, doorbreken muur t.b.v. vergroten café, geen strijd met bpl
* 25 maart 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 20/2894): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor gewijzigd gebruik, kantoor naar woning met kantoor, strijd met bpl, vertrouwensbeginsel
* 22 maart 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 20/2623): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, kerkelijk centrum, beheersverordening, afwijkende maatschappelijke activiteiten, bevoegdheid
* 10 maart 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 20/1937): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, aanbouw woning, peil, bouwhoogte, bezonning
* 7 december 2020 (Rb Midden-Nederland UTR 19/5425): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, vervangen stenen muur door stalen hekwerk, welstand, motivering

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 23 februari 2022 (ABRvS 202105173/1/R4): Awb; beroep tegen verzet, bevoegdheid Afdeling (Rb Midden-Nederland 20/1591)
2.       De aangevallen uitspraak is een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb. Gelet op artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb, kan daartegen geen hoger beroep worden ingesteld. Voor kennisneming van een hoger beroep in weerwil van deze bepaling kan grond bestaan, in geval van zodanige schending van beginselen van een goede procesorde, dan wel fundamentele rechtsbeginselen, dat geoordeeld moet worden dat er geen eerlijk proces is geweest.
6.       De Afdeling is onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.

* 23 februari 2022 (ABRvS 202100966/1/R1): Awb, Waterwet; vaststelling legger, waterbergingsgebied, relatie bpl (Rb Oost-Brabant 20/161)
6.       Uit de definitiebepaling van artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet volgt dat pas sprake is van een bergingsgebied als het gebied krachtens de Wet ruimtelijke ordening voor waterstaatkundige doeleinden is bestemd en ook op de legger als bergingsgebied is opgenomen. Dit betekent dat er twee verschillende besluitvormingsprocedures moeten worden doorlopen alvorens sprake is van een bergingsgebied waarvoor de duldplicht van artikel 5.26 van de Waterwet en de regels van de Keur gelden. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat in de Waterwet niet dwingend is voorgeschreven dat een bergingsgebied eerst in een bestemmingsplan moet zijn opgenomen voordat het op een legger mag worden opgenomen. Het dagelijks bestuur heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de Waterwet er niet aan in de weg staat dat de percelen van [appellant] als bergingsgebied met de aanduiding ‘natuurlijk overstromingsgebied’ op de legger als onderdeel van het regionaal waterbergingsgebied worden opgenomen, ook al zijn deze nog niet als zodanig in het bestemmingsplan bestemd. Dat deze percelen bij de vaststelling van de eerste legger waterberging in 2013 daarop nog niet waren opgenomen in afwachting van de ruimtelijke inpassing in een bestemmingsplan, leidt niet tot een ander oordeel. Het dagelijks bestuur heeft daarvoor een redelijke verklaring gegeven, namelijk dat de provinciale verordening toen nog niet voorzag in instructieregels met kaartmateriaal ter zake van het regionale waterbergingsgebied, zoals ten tijde van de vaststelling van de legger waterberging 2019 wel het geval was.

  1. Uit het voorgaande volgt dat het dagelijks bestuur de percelen van [appellant] op de legger kon opnemen voorafgaande aan de opneming daarvan in een bestemmingsplan. Uit het voorgaande volgt ook dat zolang die percelen niet tevens in het bestemmingsplan als bergingsgebied zijn bestemd, ervan moet worden uitgegaan dat de gronden van [appellant] nog geen bergingsgebied in de zin van de Waterwet of de Keur zijn en dat dan ook op grond van die bepalingen, anders dan hij vreest, niet handhavend kan worden opgetreden……….* 23 februari 2022 (ABRvS 202006586/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, supermarkt op bedrijventerrein, belanghebbende, procesbelang (Rb Noord-Nederland 19/4295)
    7.2. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat artikel 4, onderdeel 9, van bijlage II van het Bor het mogelijk maakt om bouwwerken te gebruiken anders dan het bestemmingsplan toestaat en dat het artikel niet het wijzigen van gebruik van onbebouwde gronden beoogt zonder dat bouwwerken aanwezig zijn. Hiervoor verwijst de Afdeling naar de Nota van Toelichting bij het Bor (Stb. 2014, 333, blz. 54), waarin staat dat onderdeel 9 alleen ziet op de mogelijkheid om aan bestaande gebouwen een andere functie te geven. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 4 februari 2020, (ECLI:NL:RVS:2020:338), onder 4.2, biedt artikel 4, aanhef en onderdeel 9, van bijlage II van het Bor geen grondslag voor het in afwijking van het bestemmingsplan gebruiken van een gebouw dat niet feitelijk aanwezig en vergund is. In onderdeel 9 staat namelijk dat het afwijkende gebruik alleen vergund mag worden als dat niet gepaard gaat met bouwactiviteiten die ertoe leiden dat de bebouwde oppervlakte en het bouwvolume worden vergroot. In geval van nieuwbouw gaat het afwijkende gebruik per definitie gepaard met bouwactiviteiten. Anders dan RetailPlan B.V. kennelijk meent, bestaat er dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat deze zinsnede uit het negende lid alleen betrekking heeft op het vergroten van bestaande gebouwen en dat daarom het gebruik van te realiseren nieuwe gebouwen, zolang een dergelijk nieuw gebouw niet groter is dan het eerder aanwezige gebouw, op grond van artikel 4, onderdeel 9, van bijlage II van het Bor wel vergund kan worden.

In de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2433), is onder 12.1 op de eis dat het moet gaan om een bestaand gebouw een uitzondering gemaakt in een geval waarin er weliswaar nog niet een gebouw feitelijk aanwezig was, maar voor dat gebouw wel al een in werking getreden vergunning voor het bouwen voorlag. In het geval van het perceel van RetailPlan B.V. is echter, zoals zij desgevraagd op de zitting heeft erkend, geen nieuwe omgevingsvergunning voor het (her)bouwen van het eerder op het perceel aanwezige en verbrande gebouw aangevraagd, laat staan verleend en in werking getreden.

* 23 februari 2022 (ABRvS 202004640/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM), geitenhouderij, geen strijd met bpl, provinciale omgevingsverordening, geitenstop, peildatum, VGO/gezondheid (Rb Overijssel 19/1794)
8.3.    Over het toetsingskader voor de heroverweging in bezwaar in het algemeen, oordeelt de Afdeling dat het bestuursorgaan als hoofdregel zijn eerdere besluit moet heroverwegen op basis van de feiten en omstandigheden ten tijde van de heroverweging en op basis van het op dat moment geldende recht of beleid. Het bestuursorgaan moet bij zijn heroverweging rekening houden met nieuwe feiten en omstandigheden die van belang zijn voor toepassing van de desbetreffende norm. Het bestuursorgaan moet verder rekening houden met eventueel overgangsrecht of een in een beleidsregel opgenomen overgangsregel. Er zijn echter situaties waarin het meenemen van nieuwe feiten en omstandigheden van ná het eerdere besluit niet voor de hand ligt, bijvoorbeeld door de aard van een besluit. Dit doet zich onder andere voor bij besluiten waarbij de situatie op een bepaald tijdstip (peilmoment) of in een bepaald tijdvak bepalend is. Zie de uitspraak van 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2571.
8.6.    Ten tijde van het indienen van de aanvraag om een OBM door [appellante sub 1] was artikel 2.1.7a van de Omgevingsverordening Overijssel nog niet in werking getreden. Het artikel trad eerst in werking op de dag na het besluit van 5 maart 2019. Dat betekent dat [appellante sub 1] op het moment van het indienen van de aanvraag niet overeenkomstig artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo ook een aanvraag kon indienen voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van die wet, voor gebruik in strijd met artikel 2.1.7a van de Omgevingsverordening Overijssel. Gelet op artikel 2.7 van de Wabo draagt de aanvrager er zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project. Gelet hierop dient de aanvrager, op het moment van het indienen van de aanvraag, na te gaan voor welke onlosmakelijk samenhangende activiteiten een aanvraag moet worden ingediend. Zoals hiervoor is overwogen, gold artikel 2.1.7a van de Omgevingsverordening Overijssel nog niet ten tijde van het indienen van de aanvraag. Dat betekent dat de aanvraag van [appellante sub 1] niet aan artikel 2.1.7a van de Omgevingsverordening Overijssel kon worden getoetst en dus geen deel uitmaakte van het toetsingskader van de aanvraag. Dit heeft de rechtbank niet onderkend.

Het betoog slaagt. Dat betekent dat niet wordt toegekomen aan een inhoudelijke bespreking van de gronden van [appellante sub 1] die betrekking hebben op de Omgevingsverordening Overijssel.

* 23 februari 2022 (ABRvS 202002286/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik en milieu, uitbreiden geitenhouderij, bescherming van milieu, VGO-onderzoek, voorzorgsbeginsel, motivering (Rb Midden-Nederland 19/2622))
4.3.    In dit geval gaat het om een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo. Een omgevingsvergunning voor die activiteit kan op grond van artikel 2.14, derde lid, van de Wabo alleen worden geweigerd als dat in het belang van de bescherming van het milieu is. Het bevoegd gezag heeft beoordelingsruimte bij de vraag wat in het belang van de bescherming van het milieu nodig is.

Naar het oordeel van de Afdeling geeft dit toetsingskader aan het bevoegd gezag niet de ruimte om een omgevingsvergunning uitsluitend uit voorzorg te weigeren. Het college moet nagaan of het belang van de bescherming van het milieu eraan in de weg staat dat de vergunning wordt verleend. Dit betekent dat het aan het bevoegd gezag is de belangen te benoemen die zich verzetten tegen het toelaten van de aangevraagde milieuactiviteit. Alleen belangen waarover voldoende duidelijkheid en zekerheid bestaat, kunnen in dit verband een rol spelen. Ook voor belangen die zijn gerelateerd aan gezondheid betekent dit, anders dan zou kunnen worden afgeleid uit de uitspraken van 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2395, en van 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1267, dat op grond van algemeen wetenschappelijk aanvaarde inzichten moet vast staan dat de activiteit waarvoor de vergunning wordt gevraagd zodanige risico’s oplevert, dat om die reden nadere voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden dan wel dat de vergunning om die reden moet worden geweigerd.

Wat betreft de activiteit die hier aan de orde is, uitbreiding van het aantal geiten, is dit naar het oordeel van de Afdeling niet komen vast te staan. Aan de conclusie van de afweging van provinciale staten van Utrecht over de geitenstop komt in dit verband geen doorslaggevende betekenis toe omdat, zoals hiervoor is vastgesteld, die afweging is gegeven met het oog op een goede ruimtelijke ordening. Dit geldt ook voor het bij die afweging betrokken VGO. Onbetwist is namelijk dat het VGO geen algemeen wetenschappelijk aanvaarde inzichten biedt over het verband tussen het houden van geiten en negatieve gevolgen voor de gezondheid van omwonenden. Hiermee is gegeven dat op grond van de aan het besluit van 4 juni 2019 ten grondslag gelegde motivering niet is gesteld dat de aangevraagde uitbreiding leidt tot negatieve gevolgen voor de gezondheid van omwonenden. Het college heeft verder geen ander onderzoek verricht waaruit blijkt dat uitbreiding van het aantal geiten leidt tot negatieve gevolgen voor de gezondheid van omwonenden. Gelet hierop heeft het college niet deugdelijk onderzocht en gemotiveerd waarom de door [appellante] gevraagde omgevingsvergunning geweigerd moet worden in het belang van de bescherming van het milieu.

Het betoog slaagt.

* 16 februari 2022 (Rb Midden-Nederland UTR 21/1854 en UTR 21/2143): Awb, Wnb; ontheffing voor nachtelijk afschot van vossen, Regeling natuurbescherming onverbindend op dit punt, noodzaak, motivering
13.   De wetgever heeft in de Wnb een bevoegdheid opgenomen om bij algemene maatregel van bestuur soorten van, onder meer, in het wild levende zoogdieren aan te wijzen die niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen, en die in het gehele land schade veroorzaken. Vervolgens heeft de wetgever ten aanzien van dergelijke, bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten, aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (inmiddels: de minister voor Natuur en Stikstof) de bevoegdheid gegeven om een vrijstelling van het verbod om te doden te geven. De wettelijke systematiek is dus dat soorten eerst worden aangewezen in een algemene maatregel van bestuur, en dat vervolgens door de minister een algemene vrijstelling wordt verleend voor het doden van die soorten.

  1. Voor wat die eerste stap betreft is de hiervoor beschreven systematiek dus gevolgd, met de aanwijzing van de vos in artikel 3.1 van het Bnb als algemene maatregel van bestuur. De rechtbank overweegt dat bij de totstandkoming van deze aanwijzing is overwogen dat aan de criteria daartoe is voldaan, waarbij is verwezen naar diverse rapporten en onderzoeken, onder andere over faunaschade en predatie bij weidevogels. In het licht hiervan vindt de rechtbank dat niet kan worden gezegd dat in het Bnb onvoldoende is gemotiveerd dat de vos in het gehele land schade veroorzaakt of dat die conclusie in redelijkheid niet juist is. De rechtbank acht de aanwijzing van de vos in het Bnb rechtmatig.
  2. De minister heeft voor het doden van de vos vervolgens echter geen vrijstellingsbesluit genomen zoals de wet voorschrijft, maar heeft die vrijstelling in artikel 3.1 van de Rnb opgenomen. Een bepaling in een ministeriële regeling moet echter uitdrukkelijk berusten op een wet, of een algemene maatregel van bestuur die op zijn beurt dan op de wet moet berusten. Doorgaans blijkt dit uit de formulering “bij ministeriële regeling kan…”. Die formulering staat niet in de Wnb of het Bnb ten aanzien van de algemene vrijstelling voor soorten die niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen, en die in het gehele land schade veroorzaken. De rechtbank oordeelt dan ook dat noch de Wnb, noch het Bnb een dergelijke uitdrukkelijke grondslag geeft.
  3. De rechtbank wijst daarbij op het verschil met de tot 1 januari 2017 geldende regeling uit de toenmalige Flora- en faunawet. Ook die regeling gaf een bevoegdheid tot het aanwijzen van soorten in een algemene maatregel van bestuur, maar bepaalde vervolgens uitdrukkelijk dat bij ministeriële regeling kon worden toegestaan dat de grondgebruiker ten aanzien van die soorten verboden handelingen verrichtte, waaronder het doden. De rechtbank heeft in de geschiedenis bij de totstandkoming van de Wnb geen verklaring kunnen vinden voor deze wijziging in de systematiek rondom de algemene vrijstelling. Gedeputeerde staten en de faunabescherming hebben er op de zitting terecht op gewezen dat met de overgang van de Flora- en faunawet geen beleidswijzigingen zijn beoogd. Dat betekent echter niet dat de bevoegdheid tot het geven van een ministeriële regeling kan worden ‘ingelezen’ in de Wnb. Dat zou zich niet verhouden tot het vereiste dat een ministeriële regeling uitdrukkelijk moet berusten op een door of krachtens de wetgever gegeven bevoegdheid.
  4. De conclusie is dat de algemene vrijstelling voor het doden van de vos onbevoegd in de Rnb is opgenomen. De rechtbank verklaart deze bepaling – artikel 3.1, tweede lid, van de Rnb – onverbindend ten aanzien van de vos. Het gevolg daarvan is dat een ontheffing enkel voor het gebruik van het geweer in de nacht onvoldoende is voor het op die wijze mogen doden van vossen in de nacht. Een ‘zwaardere’ ontheffing op grond van artikel 3.10, tweede lid, van de Wnb is vereist.* 16 februari 2022 (Rb Oost-Brabant SHE 20/3037 en SHE 20/3036): Awb, Wnb; handhaving, biomassa-energiecentrales, PAS-melder, geen vergunning, geen zicht legalisatie, belangenafweging en bijzondere omstandigheden die daarbij moeten worden betrokken
    10.4 De rechtbank stelt vast dat de door verweerder genoemde omstandigheden gelden voor heel veel, zo niet alle PAS-melders. Er is niet een verzoek om handhaving ingediend tegen alle PAS-melders maar dat zou een kwestie van tijd kunnen zijn na de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 20229 op basis waarvan de Minister van LNV bedrijfsadresgegevens van agrarische PAS-melders aan eiseres moet geven. Dat maakt de afweging van verweerder een erg algemene afweging. De HAC merkte in haar advies (ten aanzien van meerdere PAS-melders) al op dat verweerder niet was ingegaan op de concrete situatie. Ook de rechtbank vindt dat een algemene afweging te veel afbreuk doet aan de hierboven genoemde beginselplicht tot handhaving. Verweerder kan slechts afzien van handhaving als dit onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen en doelen in een concrete situatie. Dit wordt ook benadrukt in de recente uitspraak van de Afdeling van 2 februari 202210 naar aanleiding van de conclusie van de advocaten-generaal Widdershoven en Wattel van 7 juli 2021.11 De rechtbank is van oordeel dat verweerder eerst alle feiten en omstandigheden van dit concrete geval in kaart zal moeten brengen en pas daarna kan afwegen of handhavend optreden zo onevenredig is dat daarvan ten aanzien van de derde-partij moet worden afgezien. Hierbij zal verweerder in dit geval de volgende omstandigheden moeten betrekken of inventariseren en de volgende vragen moeten beantwoorden:
  • Evident is dat als gevolg van de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 201912 het ervoor moet worden gehouden dat de gevolgen van het bedrijf voor Natura 2000-gebieden nooit voldoende passend zijn beoordeeld. Daarom kan niet worden uitgesloten dat al enige tijd significante gevolgen voor de betrokken Natura 2000-gebieden optreden. Handhavend optreden (sluiting) kan een geschikt middel zijn om deze gevolgen te voorkomen en om de strijdigheid met artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb en artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn op te heffen.
  • Zijn er voor het bedrijf andere manieren om een natuurvergunning te verkrijgen? Met andere woorden, is het voor het bedrijf noodzakelijk om het PAS Legalisatieprogramma af te wachten? De rechtbank wijst erop dat het bedrijf ook een passende beoordeling van de gevolgen van de activiteit voor Natura 2000-gebieden zou kunnen maken. Het bedrijf zou verder kunnen kiezen voor het treffen van extra beschermingsmaatregelen (bijvoorbeeld emissie-reducerende maatregelen) of voor extern salderen. Weliswaar zijn hiermee kosten gemoeid, maar het bedrijf kan deze kosten mogelijk verhalen op de overheid bij een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Mogelijk moeten op basis van andere regelgeving al extra maatregelen worden getroffen met een emissie-reducerend effect als gevolg waarvan geen natuurvergunning meer nodig is of het bedrijf genoodzaakt is te stoppen.
  • Wat is het betrokken natuurbelang? Is het noodzakelijk om het bedrijf te sluiten of kan de natuur een stootje hebben? Hierbij zal de staat van de Natura 2000-gebieden in kaart moeten worden gebracht die gevolgen ondervinden van het bedrijf. Verweerder heeft op dit moment niet in beeld wat de staat van de Natura 2000-gebieden is, omdat de geactualiseerde analyses van de verschillende Natura 2000-gebieden pas in het najaar van 2022 beschikbaar zijn. Mogelijk is de staat van Natura 2000-gebieden zo goed, dat alleen daarom al geen significante gevolgen van een beperkte stikstofdepositie te verwachten zijn. Het kan ook zijn dat de staat van de Natura 2000-gebieden (en de daarin voorkomende voor stikstof gevoelige habitats) dusdanig is verslechterd dat een natuurvergunning niet (meer) kan worden verleend. De enkele omstandigheid dat verweerder van mening is dat sprake is van een geringe stikstofdepositie van dit bedrijf, is onvoldoende. Vele kleine beetjes hebben toch een groot gevolg en verweerder is bij vergunningverlening gehouden te kijken naar de cumulatieve effecten met andere activiteiten die gevolgen hebben voor de Natura 2000-gebieden.
  • Wat is de stand van zaken met betrekking tot het legalisatieprogramma? Hoeveel depositieruimte is beschikbaar of komt beschikbaar op afzienbare termijn? De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de termijn in artikel 1.13a van de Wnb geen harde termijn lijkt te zijn, in de zin dat het legalisatietraject van PAS-melders na die termijn zonder meer wordt afgesloten, of het traject nu succesvol is geweest voor alle PAS-melders of niet.
  • Verweerder merkt terecht op dat de regelgeving de derde-partij dwong om een melding in te dienen in plaats van een vergunning aan te vragen.
  • Wat zijn de gevolgen van handhaving (sluiting van het bedrijf?) en kunnen deze gevolgen op een andere wijze worden voorkomen? In dit geval is van belang dat het bedrijf nu zijn volledige capaciteit niet benut. Een ander bedrijf is afhankelijk van de derde-partij voor de levering van stoom. Verweerder zal moeten nagaan of sluiting evenwichtig is in het licht van deze gevolgen.

Dit is geen volledige lijst van feiten en omstandigheden. Er kunnen ook andere feiten en omstandigheden zijn die een rol kunnen spelen. Verweerder moet in ieder geval alle relevante feiten, omstandigheden en belangen die door partijen worden aangevoerd meewegen en dat is nu onvoldoende gebeurd.

10.5    De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd en gemotiveerd dat handhavend optreden zo onevenredig is dat hij van handhaving tegen de biomassa-energiecentrale van de derde-partij moest afzien. Hij heeft in ieder geval de specifieke omstandigheden van het bedrijf onvoldoende in kaart gebracht en hij is onvoldoende ingegaan op de staat van de Natura 2000-gebieden die gevolgen ondervinden van het bedrijf. Zo kan verweerder geen goede afweging maken van de betrokken belangen.

* 7 februari 2022 (Rb Midden-Nederland UTR 21/4055 en UTR 21/4074): Awb, WVW 1994; verkeersbesluit, aanwijzen van parkeerplaatsen bij een laadpaal, civielrechtelijke afweging die de gemeente als grondeigenaar, motivering
9.   Het college heeft er terecht op gewezen dat voor de plaatsing van een laadpaal geen bestuursrechtelijke toestemming nodig is. Die plaatsing wordt beheerst door de mogelijkheden die de grondeigenaar van een beoogde locatie heeft en dat is een civielrechtelijk vraagstuk. Als een publiekrechtelijke rechtspersoon zoals de gemeente de grond bezit, dan kan zij over de afwegingen die daarbij gemaakt worden, waaronder ook de locatiekeuze, een beleidsregel vaststellen. Op die wijze kan de gemeente invulling geven aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaraan zij zich immers ook moet houden als zij civielrechtelijk handelt. Dit is wat de gemeente heeft gedaan met de vaststelling van de beleidsregel 2021, waarin wordt verwezen naar het eigendomsrecht uit het Burgerlijk Wetboek.

  1. Het standpunt van het college dat de locatiekeuze vervolgens geen rol meer kan spelen bij het verkeersbesluit is onjuist. Dat standpunt doet geen recht aan de belangenafweging die het college bij een verkeersbesluit moet maken, en aan de vraag over de eventuele onevenredige uitkomst van een verkeersbesluit die daarbij moet worden betrokken. Bij het aanwijzen van parkeerplaatsen voor het opladen van elektrische auto’s vergt de afweging van de belangen van het waarborgen van de bruikbaarheid van de weg en het beperken van de door het verkeer veroorzaakte milieuschade dat wordt ingegaan op de locatie van die parkeerplaatsen. Door de vraag van de locatiekeuze geheel te laten bij de civielrechtelijke afweging die de gemeente als grondeigenaar maakt bij de plaatsing van een laadpaal, miskent het college zijn verantwoordelijkheid als bestuursorgaan bij het nemen van een verkeersbesluit. Van omwonenden zoals eisers kan niet worden gevergd dat zij zich tot de civiele rechter wenden met een vordering tot vaststelling van onrechtmatig overheidshandelen, om af te dwingen dat zij invloed kunnen uitoefenen op de locatiekeuze van een laadpaal, en daarmee indirect op de locatie van de daarvoor aan te wijzen parkeerplaatsen. Daarmee zou op onaanvaardbare wijze afbreuk worden gedaan aan de wettelijke systematiek rondom het nemen van verkeersbesluiten, waarbij door de wetgever is beoogd dat een afweging van alle relevante belangen plaatsvindt.
  2. De rechtbank vindt hiervoor steun in de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over verkeersbesluiten ten behoeve van parkeerplaatsen bij laadpalen, waarin ook op de locatiekeuze wordt ingegaan. Daaruit volgt impliciet bevestiging van het hiervoor gegeven oordeel dat er in de bestuursrechtelijke procedure tegen het verkeersbesluit argumenten kunnen worden aangevoerd over die locatiekeuze.

12.   De conclusie is dat de beslissingen op bezwaar een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek hebben.