Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 9 maart 2022 (ABRvS 202106224/1/R4): Awb, Wm, Gmw; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, boete, aanbieden huisvuil, termijn, ontvankelijkheid
* 9 maart 2022 (ABRvS 202103027/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl, uitbreiding tuin, Bor/’aansluitend terrein’, geen kruimelgeval/niet van rechtswege verleend (Rb Amsterdam 20/2838)
* 9 maart 2022 (ABRvS 202102591/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, dakopbouw, Bor, bevoegdheid, stedenbouwkundige aspecten (Rb Noord-Holland 20/241 en 20/290)
* 9 maart 2022 (ABRvS 202102531/1/A3): Awb, Gmw; vaststelling evenementenoverzicht, spreiding risico-evenementen, belanghebbende (Rb Rotterdam 20/1874)
* 9 maart 2022 (ABRvS 202102405/1/A3): Awb, Gmw; standplaatsvergunning, strijd met bpl, APV, geen kiosk (Rb Gelderland 19/5844)
* 9 maart 2022 (ABRvS 202102235/1/A3): Awb, Gmw; standplaatsvergunning, vervanging, geen ontheffing of vrijstelling winkeltijden, geen toezegging (Rb Amsterdam 19/5006)
* 9 maart 2022 (ABRvS 202102234/1/R1): Awb, Wro; bpl, conserverend plan, bouwregels, tussenuitspraak
* 9 maart 2022 (ABRvS 202102094/1/R1): Awb, Wabo; handhaving, bouwen in afwijking van omgevingsvergunning (Rb Noord-Holland 19/1861)
* 9 maart 2022 (ABRvS 202102090/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor aanleggen, uitweg, procesbelang, ontvankelijkheid (Rb Noord-Holland 19/3942)
* 9 maart 2022 (ABRvS 202101732/1/A3): Awb, Wabo; intrekking milieuvergunningen, varkensbedrijven, Wet Bibob, evenredigheid, afweging minder zware sanctie, motivering (Rb Oost-Brabant 20/1603)
* 9 maart 2022 (ABRvS 202101111/1/R1): Awb, Wro, Wabo; bpl/omgevingsvergunning voor bouwen, wooneenheden voor een woonleefgemeenschap, bestaand gebruik/motivering
* 9 maart 2022 (ABRvS 202100585/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, woningsplitsing, kozijnen, uitbouw met kelder en dakterras, tegenrapport/procesorde, grondwaterstand/hydrologie, Bouwbesluit (Rb Amsterdam 20/559)
* 9 maart 2022 (ABRvS 202100368/1/A2): Awb, Wro; planschade, afwijking grondentrechter, normaal maatschappelijk risico, drempel (Rb Midden-Nederland 20/1606)
* 9 maart 2022 (ABRvS 202007153/2/R1): Awb, Wm; aanwijzing locatie ondergrondse afvalcontainer, afvalstoffenverordening, loopafstand, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 9 maart 2022 (ABRvS 202005385/1/R2): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl, plaatsen barbecue in natuurtuin, hinder (Rb Zeeland-West-Brabant 19/5122)
* 9 maart 2022 (ABRvS 202002886/1/A2): Awb; nadeelcompensatie, onbebouwde gronden, winterbed Maas, verjaring (Rb Limburg 19/712)
* 8 maart 2022 (CBb 20/1100): Awb; schadevergoeding, vaststelling fosfaatrechten, niet kunnen verkopen deel rechten, causaal verband
* 8 maart 2022 (CBb 18/670): Awb, Wet dieren; verzoek aanwijzing soort dieren voor circussen of ander optreden, Bhd, concretiserend besluit van algemene strekking, besluit
* 8 maart 2022 (ABRvS 202006208/3/R2): Awb, Wro; vovo, bpl, foodmarkt, foodgerelateerde detailhandel, horeca en ambachtelijke bedrijven in de foodsector met ondergeschikte detailhandel en horeca, restauratie monumentale gebouwen, belangenafweging
* 8 maart 2022 (ABRvS 202200070/2/R4): Awb, Wro; vovo, bpl, bouwvlak, bouwwerken, bezonning, VNG-brochure, verkeer en parkeren
* 8 maart 2022 (ABRvS 202200381/2/R3): Awb, Wro; vovo, bpl, woningen, ontsluiting
* 7 maart 2022 (ABRvS 202200211/3/A3): Awb, DHW, Gmw; vovo, DHW- en exploitatievergunning, horeca, overlast (Rb Limburg 21/2584 en 21/2884)
* 7 maart 2022 (ABRvS 202200600/2/A3): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor slopen en bouwen, tuinhuis, Wet Bibob (Rb Zeeland-West-Brabant 19/1162)
* 4 maart 2022 (Rb Midden-Nederland UTR 22/252): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, overtreding vergunning, GFT-verwerking, geur, hoogte dwangsom
* 4 maart 2022 (ABRvS 202108075/2/R1): Awb, Wro; vovo, wijzigingsplan, belanghebbende, wijzigingsbevoegdheid, geen grondslag wijzigen maatvoering
* 3 maart 2022 (Rb Den Haag SGR 22/300 en SGR 22/301): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, woningsplitsing, parkeerdruk, beleidsregel
* 3 maart 2022 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/3552 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en maken uitwegen, woningen, bpl/instandhoudingstermijn sociale huurwoningen
* 3 maart 2022 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/3823 WABOA, BRE 21/3824 WABOA, BRE 21/3825 WABOA en BRE 21/3826 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en maken uitwegen, woningen, parkeren, woon- en leefklimaat/uitwegen
* 3 maart 2022 (HvJ EU C‑659/20): Prejudiciële verwijzing, CITES, in gevangenschap geboren en gefokte specimens van een diersoort, begrip ‘fokdierenbestand’, vaststelling van de afstamming van het fokdierenbestand
* 3 maart 2022 (Rb Midden-Nederland UTR 21/2030): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, verwijderen bijgebouw, geen vergunning, bouwwerk geen pergola, Bor, strijd met bpl
* 3 maart 2022 (HvJ EU C‑873/19): Prejudiciële verwijzing, Aarhus, bevoegdheid om voor een nationale rechter op te komen tegen de EG‑typegoedkeuring van voertuigen, dieselmotor, thermovenster/manipulatie‑instrument, stand van de techniek
* 3 maart 2022 (ABRvS 202200533/3/A3): Awb, Gmw; opheffing vovo, intrekking exploitatievergunning, coffeeshop, gedoogverklaring, Wet Bibob (Rb Noord-Holland 21/2612 en 21/2614)
* 3 maart 2022 (Rb Amsterdam 81.312264.21): Sr, WED, Wm; voorhanden handen hebben en opslaan illegaal vuurwerk, Vuurwerkbesluit
* 2 maart 2022 (Hof Arnhem-Leeuwarden 21-000972-20): Sr, WED, Wnb; doden smient, Vogelrichtlijn, jacht op schadebestrijding met hond, uitzonderingsbepaling, geen overtreding/strafbaar feit
* 1 maart 2022 (Rb Noord-Holland HAA 22/70): Awb, Gmw; vovo, handhaving, sportveld school/voetbalkooi, APV, geluidoverlast, belangenafweging, bemiddelingstraject
* 1 maart 2022 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/2618 NATUUR): Awb, Wnb; ontheffing, doden hazen met geweer, schade gewassen, andere bevredigende oplossing, motivering
* 1 maart 2022 (Hof Arnhem-Leeuwarden 200.298.826/01): BW: ontbinding huuroverkomst, aanhoudende geluidsoverlast
* 1 maart 2022 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/2321 WABO): Awb, Wabo; buitenbehandeling stellen aanvraag omgevingsvergunning, uitbreiden kinderdagverblijf, ontbrekende gegevens, Mor
* 1 maart 2022 (Rb Rotterdam ROT 22/688): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, sluiting woning, drugs, bevoegdheid, noodzaak, motivering, kruimelgevallenregeling/bevoegdheid
* 25 februari 2022 (Rb Den Haag SGR 22/101): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, vergroten hotel, welstand, parkeren
* 25 februari 2022 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/5709): Awb, Wabo; niet tijdig beslissen op aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen, dwangsom
* 25 februari 2022 (Rb Noord-Holland HAA 19/5544): Awb, Wabo; verzoek om intrekking milieuvergunning, veehouderij, beperkingen exploitatie camping, 3 jaarstermijn, motivering, belangenafweging
* 25 februari 2022 (Rb Limburg ROE 21/3302 en ROE 22/319): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, kindcentrum, ontbreken ruimtelijke onderbouwing/vvgb, passeren gebrek
* 25 februari 2022 (Rb Rotterdam ROT 20/5031, ROT 20/5946 en ROT 20/6345): Awb, Wet dieren, boetes, slachthuis
* 25 februari 2022 (Rb Rotterdam ROT 20/6454): Awb, Wet dieren, boete, vervoer dieren, welzijn
* 24 februari 2022 (Rb Den Haag SGR 21/3424): Awb, Wm, Gmw; vovo, handhaving, dwangsommen, productie van gewasbeschermingsmiddelen en industriële halffabrikaten, ontgeuringsinstallatie/afvalverbrandingsinstallatie, Activiteitenbesluit/-regeling, luchtemissies, uitvoeren studie risico’s voor de gezondheid, de veiligheid en het milieu, meetverplichtingen
* 24 februari 2022 (Rb Noord-Holland HAA 22/8): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en aanleggen, hockeycomplex, vleermuizen/Wnb-vergunning
* 22 februari 2022 (Rb Amsterdam AMS 21/1737, AMS 21/788 en AMS 21/781): Awb, Gmw; omzetting groot aantal exploitatievergunningen passagiersvaart, van onbepaalde naar bepaalde tijd, verwijzing voor motivering naar eerdere uitgebreide uitspraak van Rb
* 22 februari 2022 (Rb Den Haag SGR 22/489): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, uitbouw aan zijkant woning, Bor/planregels
* 22 februari 2022 (Rb Rotterdam ROT 20/5917): Awb, DHW, Gmw; DHW- en exploitatievergunning, horeca, strafbare feiten, Wet Bibob
* 21 februari 2022 (Rb Rotterdam ROT 22/379): Awb, Gmw; vovo, exploitatievergunning, speelautomaten, slecht levensgedrag
* 18 februari 2022 (Rb Midden-Nederland UTR 21/3029): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, supermarkt, strijd met bpl, detailhandels- en gebiedsvisie
* 18 februari 2022 (Rb Rotterdam ROT 21/1756): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, last onder bestuursdwang, bewoning, geen vergunning, strijd met bpl, bevoegdheid, evenredigheid
* 17 februari 2022 (Rb Den Haag SGR 20/8268): Awb, Wnb; verzoek om intrekking vergunning, melkveehouderij, Natura 2000, PAS, passende maatregelen, motivering
* 3 februari 2022 (Rb Noord-Holland HAA 21/2287): Awb, Gmw; handhaving, last onder dwangsom, ophouden openbare plaats, handel softdrugs, APV
* 3 februari 2022 (Rb Noord-Holland HAA 21/2541): Awb, Gmw; handhaving, last onder dwangsom en groepsverbod, verstoringen van openbare orde, straf-/bestuursrecht, motivering dwangsom
* 1 februari 2022 (Rb Amsterdam AMS 21/1138): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, erfafscheiding, geen tuinmeubilair, geen vergunning
* 12 januari 2022 (Rb Den Haag SGR 20/2507): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl en milieu, inrichting voor ferro- en non-ferro afvalrecycling, relatie bpl/motivering, m.e.r.-beoordelingsplicht
* 11 januari 2022 (Rb Limburg ROE 21/3329): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting lokalen, drugs, bevoegdheid, functionele samenhang
* 6 april 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 20/1183): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, extra studio met badkamer en dakterras, uitzicht, privaatrechtelijke belemmering
* 31 maart 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 20/4109): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, bootlift, strijd met bpl, welstand
* 25 maart 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 20/1229 en UTR 20/1284): Awb, Wabo; handhaving, strijdig gebruik perceel, onderzoek inspecteurs, motivering
* 23 maart 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 20/3688): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, bootlift, Bor/vergunningvrij bouwen, bootlift grenst niet aan rivier, beleid/grondslag, motivering

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 9 maart 2022 (ABRvS 202103027/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl, uitbreiding tuin, Bor/’aansluitend terrein’, geen kruimelgeval/niet van rechtswege verleend (Rb Amsterdam 20/2838)
5.1.   …………….
Met de hiervoor genoemde wijziging van het Bor is in artikel 4, aanhef en onderdeel 9, van bijlage II van het Bor expliciet tot uitdrukking gebracht dat onder de reikwijdte van dit artikelonderdeel niet alleen het desbetreffende bouwwerk valt, maar ook het gebruik van het daarbij aansluitend terrein. Het begrip ‘aansluitend terrein’ is in het Bor en de nota van toelichting behorende bij het gewijzigde artikel 4, aanhef en onderdeel 9, van bijlage II (Stb. 2014, 333) niet gedefinieerd. De Afdeling gaat er bij de uitleg van het begrip ‘aansluitend terrein’ in artikel 1, tweede lid, aanhef en onder b, van bijlage II van het Bor van uit dat het moet gaan om het terrein zoals gelegen direct aansluitend aan het bouwwerk (zie onder meer de uitspraak van 25 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2800, r.o. 4.2, en de nota van toelichting bij het Bor (Stb. 2010, 143, blz. 138)). De Afdeling ziet geen aanleiding om aan het begrip ‘aansluitend terrein’ als bedoeld in artikel 4, aanhef en onderdeel 9, van bijlage II van het Bor in deze zaak een andere uitleg te geven. Verder volgt uit de nota van toelichting (Staatsblad 2014, 333, blz. 55) dat een aansluitend terrein het terrein is dat bij het bouwwerk behoort waarop het aansluit en dat een gebruikswijziging van een aansluitend terrein alleen ten behoeve van het (aangevraagde of reeds vergunde) gebruik van het bouwwerk waarop het terrein aansluit kan zijn (vergelijk ook de uitspraken van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:477, r.o. 4.2 en 12 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:995, r.o.5.1). Anders zou, zo staat er in de nota van toelichting (Staatsblad 2014, 333, blz. 55), de ongerijmde situatie kunnen ontstaan dat een bouwwerk na de gebruikswijziging feitelijk onbruikbaar is, omdat het aansluitend terrein niet ten behoeve van het bouwwerk mag worden gebruikt, waardoor bijvoorbeeld de toegang tot het bouwwerk wordt verhinderd.

* 9 maart 2022 (ABRvS 202100368/1/A2): Awb, Wro; planschade, afwijking grondentrechter, normaal maatschappelijk risico, drempel (Rb Midden-Nederland 20/1606)
6.       De Afdeling laat in het midden of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het indienen van het advies van Kraan & De Jong van 30 november 2020 twee weken voor de zitting in strijd was met de goede procesorde. Daarvoor is het volgende van belang.

In de recente uitspraak van 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:363, heeft de Afdeling het volgende overwogen. Voorheen oordeelde de Afdeling dat een voor het eerst in hoger beroep bij haar aangevoerde grond buiten beschouwing moet blijven, als de belanghebbende die grond redelijkerwijs al bij de rechtbank naar voren had kunnen brengen. Dit wordt wel de grondentrechter tussen beroep en hoger beroep genoemd. Ter bevordering van de rechtseenheid tussen de hoogste bestuursrechters en om redenen van rechtsbescherming heeft de Afdeling aanleiding gezien de grondentrechter te verlaten, zij het dat zij in het omgevingsrecht een andere benadering zal volgen om recht te doen aan de positie van derden-belanghebbenden. De Afdeling heeft er dus voor gekozen om de grondentrechter alleen te hanteren binnen het omgevingsrecht en niet langer daar buiten, ook niet in zaken over besluiten waarbij belangen van derden betrokken (kunnen) zijn. Omwille van de uitvoerbaarheid en hanteerbaarheid kiest de Afdeling dus voor een onderscheid tussen ‘omgevingsrechtelijke zaken’ enerzijds en alle andere zaken anderzijds. Zie in dit verband ook de uitspraak van de Afdeling van eveneens 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:362.

Hoewel een besluit over planschade gebaseerd is op artikel 6.1 Wro heeft de Afdeling met zaken op het gebied van het omgevingsrecht niet mede het oog gehad op zaken over tegemoetkoming in planschade. Naar het oordeel van de Afdeling bestaat er geen aanleiding om op dit punt een onderscheid te maken tussen planschadezaken en andere nadeelcompensatiezaken. Net als bij nadeelcompensatiezaken, waarbij het gaat om schade die beweerdelijk is veroorzaakt door een besluit dat niet is gebaseerd op het omgevingsrecht, wordt bij planschadezaken en andere nadeelcompensatiezaken in het omgevingsrecht de grondentrechter verlaten. Er gelden wel enige beperkingen voor het aanvoeren van nieuwe gronden in hoger beroep. Zo zullen gronden die uitdrukkelijk zijn prijsgegeven, buiten beschouwing worden gelaten als zij in hoger beroep (opnieuw) worden aangevoerd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 5 januari 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AU9486, en het arrest van de Hoge Raad van 4 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7213). Verder kan op een gegeven instemming met een door de rechter in eerste aanleg gekozen werkwijze in hoger beroep niet worden teruggekomen (uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP1317). Deze uitzonderingen doen zich in deze zaak niet voor.

* 8 maart 2022 (CBb 18/670): Awb, Wet dieren; verzoek aanwijzing soort dieren voor circussen of ander optreden, Bhd, concretiserend besluit van algemene strekking, besluit
Verzoek van een aantal houders om het rendier (Rangifer tarandus) in bijlage IV als bedoeld in artikel 4.14, eerste lid, van het Besluit houders van dieren (Bhd) aan te wijzen als soort van zoogdieren waarmee deelname aan en vervoer ten behoeve van een circus of een ander optreden is toegestaan. De minister van LNV heeft zich op het standpunt gesteld dat de wet- en regelgeving op het gebied van het houden van dieren ten behoeve van circussen en andere optredens niet voorziet in de bestuursrechtelijke bevoegdheid een zoogdiersoort aan te wijzen als soort die van het verbod van artikel 4.14 van het Bhd is uitgezonderd en dat het verzoek daarom moet worden aangemerkt als een verzoek tot wijziging van een algemeen verbindend voorschrift. Het College is van oordeel dat de minister ten onrechte niet heeft onderkend dat het verzoek ertoe strekt dat op basis van een beoordelingssystematiek en een aanvraagprocedure die voldoen aan de uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) voortvloeiende eisen een concretiserend besluit van algemene strekking wordt genomen. De schriftelijke weigering om een dergelijk besluit te nemen, moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Nu nog geen beoordeling van de aanvraag heeft plaatsgevonden die beantwoordt aan de uit de rechtspraak van het Hof voortvloeiende eisen, zal de minister alsnog inhoudelijk, en met inachtneming van deze uitspraak, op de aanvraag moeten beslissen. Het College stelt hiervoor een termijn van zes maanden, rekening houdend met de complexiteit van de zaak.

* 4 maart 2022 (Rb Midden-Nederland UTR 22/252): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, overtreding vergunning, GFT-verwerking, geur, hoogte dwangsom
9.   De voorzieningenrechter is het wel met verzoekster eens dat de hoogte van de opgelegde dwangsom onevenredig hoog is. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat de hoogte van een dwangsom in verhouding moet staan tot de aard van de overtreding en dat er van de dwangsom een zodanige prikkel moet uitgaan, dat de opgelegde last wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Verweerder motiveert de hoogte van de dwangsom door deze te koppelen aan de kosten voor de investering in de luchtwasser, omdat verzoekster daarmee aan de geurnorm kan voldoen. De voorzieningenrechter kan die toelichting echter niet volgen, omdat verweerder juist heeft aangegeven dat verzoekster ook zonder de luchtwasser aan de norm moet voldoen. Bovendien heeft verzoekster toegelicht dat de luchtwasser al besteld is, waarmee zij ook geen prikkel meer nodig zou hebben om die investering (nog) te doen.

  1. De voorzieningenrechter vindt verder van belang dat verzoekster heeft toegelicht dat zij inmiddels maatregelen heeft genomen, die ertoe hebben geleid dat verzoekster volgens haar eigen metingen aan de norm voldoet. De last onder dwangsom is echter zo geformuleerd dat verzoekster bij één, mogelijk geringe, overschrijding van de norm direct € 250.000,- verbeurt, terwijl dat slechts van één meetmoment in twee maanden tijd afhangt. Indien er op dat moment een overtreding wordt geconstateerd, verbeurt verzoekster direct een dwangsom, en is er voor haar ook geen enkele prikkel meer om zich gedurende de overige termijn van die twee maanden aan de norm te houden. Onder deze omstandigheden oordeelt de voorzieningenrechter dat het meer voor de hand had gelegen om een lagere dwangsom met eventueel meerdere meetmomenten op te leggen. Daarmee kan verweerder over een langere periode meerdere keren controleren of er inderdaad aan de norm wordt voldaan en zal er voor verzoekster ook een constantere prikkel zijn om zich voortdurend aan de norm te houden. Het bezwaar van verzoekster heeft op dit punt dus kans van slagen.* 25 februari 2022 (Rb Noord-Holland HAA 19/5544): Awb, Wabo; verzoek om intrekking milieuvergunning, veehouderij, beperkingen exploitatie camping, 3 jaarstermijn, motivering, belangenafweging
    10.  De vergunning waarvan om intrekking is verzocht is een vergunning die gelijkgesteld is met een omgevingsvergunning, maar geen vergunning in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder a onderscheidenlijk b of g, van de Wabo. De vergunning mag daarom met toepassing van het bepaalde in artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a van de Wabo pas worden ingetrokken als gedurende drie jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.

11.1   Uit het controlerapport van de Regionale Uitvoeringsdienst Noord-Holland Noord blijkt dat het bedrijf van [derde partij] op het adres [locatie] op 3 juli 2017 is bezocht en dat toen is vastgesteld dat het houden van kippen volledig is beëindigd. Verweerder heeft echter ten onrechte niet onderzocht vanaf wanneer geen sprake meer was van een pluimveehouderij. Door dat niet te onderzoeken heeft verweerder gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb. Verweerder dient voorafgaand aan een besluit de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. De stelling van verweerder ter zitting dat niet gecontroleerd kan worden of voor 3 juli 2017 pluimvee werd gehouden omdat daar voor die tijd niet op gecontroleerd is, getuigt van een te beperkte taakopvatting. Uit de artikelen 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat [derde partij] verplicht is aan verweerder alle medewerking te verlenen en alle relevante informatie en documenten te verstrekken die nodig zijn om de vergunning te kunnen controleren. Uit niets blijkt dat verweerder van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, terwijl de rechtbank het aannemelijk acht dat zich bij [derde partij] documenten moeten bevinden waaruit redelijk eenvoudig was op te maken of daar voorafgaand aan 3 juli 2017 wel of niet (58.000) kippen werden gehouden.

12.1   Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

* 25 februari 2022 (Rb Limburg ROE 21/3302 en ROE 22/319): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, kindcentrum, ontbreken ruimtelijke onderbouwing/vvgb, passeren gebrek
14.   Verweerder heeft de afwijkende situering van de gevel dan ook ten onrechte als een bijbehorend bouwwerk aangemerkt en hiervoor dus ook ten onrechte toepassing gegeven aan de Kruimelgevallenregeling, zoals opgenomen in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de Wabo, aangezien ten aanzien van deze afwijking slechts vergunning verleend had kunnen worden met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3º, van de Wabo. Gelet op het bepaalde in artikel 3.10, eerste lid, van de Wabo betekent dit tevens dat verweerder de aanvraag in zijn geheel had moeten voorbereiden met de toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure.

  1. Het feit dat de gewijzigde situering van de voorgevel mede in het belang van eisers is omdat zij daardoor niet de parkeer-, verkeer- en geluidoverlast krijgen die zou ontstaan bij een voorgevel en ingang aan de [straatnaam] in de nabijheid van hun woning, maakt dit niet anders.
  2. Gelet op het bovenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor het Kindcentrum een onjuiste bevoegdheidsgrondslag heeft gehanteerd en een onjuiste voorbereidingsprocedure heeft gevolgd. Het bestreden besluit vertoont in deze opzichten dus een gebrek.
    20. De voorzieningenrechter is van oordeel dat eisers niet zijn benadeeld door het feit dat er geen goede ruimtelijke onderbouwing is opgesteld en er geen verklaring van geen bedenkingen aan de raad is gevraagd en dat ook dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd kan worden. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe dat het doel van een ruimtelijke onderbouwing is, om op grond van deze onderbouwing een beoordeling te maken of het bouwplan/project wel/niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het doel van een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad is duidelijk te maken dat (ook) de raad zich kan vinden in de afwijking van de regels van het bestemmingsplan. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder ook zonder het expliciet voorhanden zijn van een ruimtelijke onderbouwing en een verklaring van geen bedenkingen in redelijkheid tot de conclusie is kunnen komen dat de gevraagde omgevingsvergunning verleend kon worden en dat het alsnog toevoegen van deze stukken niet tot een ander oordeel zou leiden. Eisers zijn door het ontbreken hiervan daarom niet in hun belangen geschaad. De voorzieningenrechter baseert dit oordeel op het navolgende.
    ………….
    32. Nu aan afwijking van de planregels met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3º, van de Wabo materieel dezelfde beoordeling en belangenafweging ten grondslag ligt als aan toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de Wabo, is de voorzieningenrechter van oordeel dat met toepassing van artikel 6:22 van de Awb vernietiging van het bestreden besluit achterwege kan blijven. De rechtbank acht aannemelijk dat eisers door het in stand laten van het bestreden besluit (evident) niet zijn benadeeld. Wel wordt hierin aanleiding gevonden om verweerder te veroordelen in de proceskosten.* 17 februari 2022 (Rb Den Haag SGR 20/8268): Awb, Wnb; verzoek om intrekking vergunning, melkveehouderij, Natura 2000, PAS, passende maatregelen, motivering
    8.2.   Zoals hierboven onder 6 reeds is overwogen, volgt uit de Logtsebaan-uitspraak dat verweerder, als niet bij wijze van passende maatregel tot intrekking of wijziging van de natuurvergunning wordt besloten, niet kan volstaan met de enkele constatering dat andere passende maatregelen kunnen, zullen of worden getroffen. Verweerder dient aannemelijk en inzichtelijk te maken met welke maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied binnen een afzienbare termijn.

8.3.   Verweerder heeft met zijn motivering naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan het criterium zoals hiervoor weergegeven. Verweerder heeft niet kunnen verduidelijken welke van de getroffen en te treffen maatregelen instandhoudingsmaatregelen en welke maatregelen passende maatregelen zijn. Bovendien blijkt uit de gebiedsanalyse dat ondanks de maatregelen bij de habitattypen grijze duinen (kalkarm) en grijze duinen (heischraal) ook in 2030 sprake zal zijn van een matige overbelasting met stikstof bij 100% van het areaal. Verweerder heeft zodoende niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze en in welke mate de maatregelen bijdragen aan de noodzakelijke daling van stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied. Aldus heeft verweerder niet voldaan aan de op hem rustende verplichting om uit te leggen welke passende maatregelen worden getroffen in plaats van het intrekken of wijzigen van de natuurvergunning, binnen welk tijdpad deze maatregelen worden uitgevoerd en wanneer verwacht wordt dat deze effectief zijn. De enkele verwijzing naar de maatregelen die zijn genoemd in de gebiedsanalyse en de ter zitting door verweerder in algemene termen aangekondigde nog nader te bepalen toekomstige maatregelen acht de rechtbank daarom onvoldoende.

  1. Het voorgaande betekent dat verweerder onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt welke andere passende maatregelen dan de intrekking of wijziging van de natuurvergunning zullen worden ingezet. De in bezwaar gehandhaafde afwijzing van het verzoek van eiseressen om de natuurvergunning in te trekken is daarmee gebrekkig gemotiveerd.* 12 januari 2022 (Rb Den Haag SGR 20/2507): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl en milieu, inrichting voor ferro- en non-ferro afvalrecycling, relatie bpl/motivering, m.e.r.-beoordelingsplicht
    13.1 De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat geen sprake is van een wijziging van de inrichting van vergunninghoudster. Het begrip ‘wijziging’ wordt in het Besluit milieueffectrapportage niet nader gedefinieerd, anders dan dat in onderdeel A, onder 2, van de bijlage bijzondere situaties worden genoemd die mede onder dit begrip vallen. Voor de uitleg van het begrip ‘wijziging’ dient daarom in eerste instantie te worden aangesloten bij het normale spraakgebruik. Hoewel het bestreden besluit geen wijziging brengt in de maximaal toegestane opslagcapaciteit van de inrichting, wordt hiermee wel toestemming verleend voor assemblage- en constructiewerkzaamheden en voor het ontvangen van nieuwe afvalstromen die mogelijk zijn verontreinigd met bijvoorbeeld NORM, asbest of kwiksulfide. Uit het bestreden besluit heeft de rechtbank niet kunnen afleiden dat deze afvalstromen in omvang zijn beperkt, anders dan door de maximale opslagcapaciteit van de inrichting. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat – anders dan in de voorheen vergunde situatie – op elk moment een aanzienlijk deel van de capaciteit van de inrichting aangewend kan worden voor het opslaan en bewerken van afvalstoffen die mogelijk verontreinigd zijn met bijvoorbeeld asbest, kwiksulfide of NORM. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee sprake van een relevante wijziging van de aard en samenstelling van de afvalstromen die vergunninghoudster binnen haar inrichting mag ontvangen en verwerken en daarmee van een wijziging van de inrichting.

13.2   Met verweerder is de rechtbank echter van oordeel dat geen sprake is van een overschrijding van de drempelwaarden die behoren bij categorieën D18.1 en D18.8 van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Een wijziging van de inrichting leidt alleen dan tot een (formele) m.e.r.-beoordelingsplicht indien de wijziging betrekking heeft op een activiteit waarmee de drempelwaarden worden overschreden. Een toetsing aan de drempelwaarden moet plaatsvinden aan de hand van de toename van de eerder vergunde situatie (zie de uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:700). Er moet om een (formele) m.e.r.-beoordelingsplicht aan te nemen dus sprake zijn van een toename en die toename moet de drempelwaarden overschrijden. Die situatie doet zich in dit geval niet voor, aangezien de omvang van de afvalstromen binnen de inrichting niet verandert. Verweerder was daarom, gelet op artikel 2, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Besluit milieueffectrapportage niet gehouden tot het verrichten van een (formele) m.e.r.-beoordeling.

Samenvattingen van jurisprudentie op STAB-site
Op de website van STAB wordt recente jurisprudentie ook samengevat.

De volgende uitspraken zijn deze week nieuw geplaatst:
Vzr Rb Rotterdam 11 februari 2022 Omgevingsvergunning milieu en afwijken bestemmingsplan voor multifuel-tankstation, onderzoek externe veiligheid, afwijking van bestemmingsplan onvoldoende gemotiveerd
ABRvS 16 februari 2022 In een warmteplan mogen geen handvatten worden opgenomen over toepassing van de gelijkwaardigheidsbepaling uit het Bouwbesluit
Rb Oost-Brabant 3 februari 2022 Meldingsplicht op grond van het Activiteitenbesluit en handhaving