Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 16 maart 2022 (ABRvS 202105219/1/R4 en 202105220/1/R4): Awb, Wro, Wgh; bpl/HGW, appartementen, wegverkeerslawaai, geluid/relativiteit
* 16 maart 2022 (ABRvS 202105064/1/R4): Awb; e-mailbericht geen rechtsgevolg/geen besluit, ontvankelijkheid, afvalpas/recreatiewoning/Wm
* 16 maart 2022 (ABRvS 202104993/1/R4): Awb, Wro, Wabo; bpl/ omgevingsvergunning voor bouwen, appartementengebouw, privacy, bezonning, geluid/relativiteit
* 16 maart 2022 (ABRvS 202104402/1/A2): Awb, WVW 1994; verkeersbesluit, laad- en losplaats winkelcentrum, geluidhinder, motivering (Rb Den Haag 20/3691, 20/3639 en 20/3593)
* 16 maart 2022 (ABRvS 202103724/1/R2): Awb, Wro; bpl, woningen, steenuilen, veldonderzoek, Wnb, compensatiemaatregelen voor wezel, bunzing en kamsalamander
* 16 maart 2022 (ABRvS 202103680/1/R4): Awb, Wro; bpl, woningen, planvoorschrift laat extra woning toe, vereveningsbijdrage, zelf in de zaak voorzin
* 16 maart 2022 (ABRvS 202102363/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, gebouw naar wooneenheden, fietsparkeerplaatsen (Rb Gelderland 20/1085)
* 16 maart 2022 (ABRvS 202102049/1/A2): Awb, WVW 1994; verkeersbesluit, verplaatsen bushaltes, verkeersveiligheid/CROW, belangenafweging (Rb Rotterdam 19/4116)
* 16 maart 2022 (ABRvS 202101783/1/A3): Awb, Opiumwet, Gmw; handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid, motivering (Rb Midden-Nederland 20/4651 en 21/230)
* 16 maart 2022 (ABRvS 202100669/1/R3): Awb, Wro; bpl, woningen, bouwregels, verkeer, woon- en leefklimaat
* 16 maart 2022 (ABRvS 202006689/1/R3): Awb, Wro; bpl, vervangende sporthal, belanghebbenden, ontvankelijkheid
* 16 maart 2022 (ABRvS 202006373/1/R3): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, preventieve last onder dwangsom, pand geschikt maken voor bewoning, strijd met bpl, bevoegdheid (Rb Overijssel 19/2366)
* 16 maart 2022 (ABRvS202005067/1/R3): Awb, Wgh; HGW, wegverkeerslawaai, woning, relativiteit
* 16 maart 2022 (ABRvS 202005063/1/R2): Awb; invordering dwangsom, rookoverlast, schoorsteen zonder vergunning, rijksmonument, bezwaar tegen dwangsom, ontvankelijkheid (Rb Zeeland-West-Brabant 19/6584)
* 16 maart 2022 (ABRvS 202004934/1/R3): Awb, Wro; bpl, verkeersweg/rotonde/ontsluiting, relatie met nieuwe woonwijk, planbegrenzing, verkeersveiligheid, geluid, bomenkap, soortenbescherming
* 16 maart 2022 (ABRvS 202004322/1/R4): Awb, Wro, Wabo; bpl/omgevingsvergunning voor bouwen, kappen en veranderen uitweg, bedrijfsgebouw met erfafscheiding, Ladder/Bro, provinciale verordening, VNG-brochure, woon- en leefklimaat, verkeer/stikstof, vleermuizen, Wnb/aanhaken, tussenuitspraak
* 16 maart 2022 (ABRvS 202003559/1/R2): Awb, Wro; bpl, woontoren, locatiekeuze, Ladder/Bro, uitzicht/privacy, windhinder/NEN 8100, bezonning/norm, parkeren, tussenuitspraak
* 16 maart 2022 (ABRvS 202001987/1/R2): Awb, Wnb, Waterwet, Wro; ontheffing/projectplan en inpassingsplan, Natura 2000/NNB, natuurherstel- en uitbreiding, passende beoordeling, muggen- en knuttenoverlast, schaderegeling, wateroverlast en -schade
# 16 maart 2022 (ABRvS 201901994/3/R4 en ABRvS 202101984/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl, Schipholparkeren, luchtkwaliteit/Vortex, cumulatie (Rb Amsterdam 18/834 en 19/3845)
* 15 maart 2022 (ABRvS 202200429/2/R1): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, appartementengebouw, wonen/recreatie, Bor/hoofdgebouw (Rb Zeeland-West-Brabant 21/4479 en 21/4480)
* 15 maart 2022 (CBb 19/1579): Awb, Wet dieren, Gwd; handhaving, kuikens, water en voedsel, 36-uurs criterium, dierenwelzijn, motivering
* 15 maart 2022 (Rb Gelderland ARN 20/6875): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en aanleggen, zonnepark, landschappelijke inpassing, flora en fauna onderzoek
* 14 maart 2022 (Rb Rotterdam ROT 21/3617): Awb, Hvw; vergunning, kamerbewoning, huisvestingsverordening, verbindendheid
* 11 maart 2022 (Rb Overijssel AWB 22/92): Awb; vovo, invordering dwangsom, verwijderen chalet, bouwwerk, geen vergunning, strijd met bpl
* 11 maart 2022 (ABRvS 202101862/3/R2): Awb Wro; verzoek om opheffing vovo, bpl, bedrijventerrein, woonbootbewoners, veevoederfabriek, geur
* 11 maart 2022 (ABRvS 202200347/2/R1): Awb, Wm; vovo, aanwijzing locatie voor ondergrondse afvalvoorziening, belangenafweging
* 11 maart 2022 (ABRvS 202200763/2/R4): Awb, Mbw; vovo, winningsplan, gas, bodemdaling, seismische risicoanalyse
* 9 maart 2022 (ABRvS 202200906/1/R3 en 202200906/3/R3): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor kappen bomen, behoud of herstel van de cultuurhistorische, natuur- of landschapswaarden, motivering (Rb Rotterdam 21/4478 en 21/6153)
* 8 maart 2022 (Rb Noord-Nederland LEE 20/2921): Awb, Wnb, Gmw; handhaving, dwangsom, voorwaardelijke opzet, vernieling dassenburcht, essentiële vegetatie, deskundigenrapport, overtreding, bevoegdheid
* 9 maart 2022 (Rb Noord-Nederland LEE 22/708): Awb, Gmw, Zondagswet; vovo, evenementenvergunning/ontheffing, off road rit motoren, inspraak/milieugevolgen, Aarhus, veiligheid /openbare orde, Wnb/natuurgevolgen
# 8 maart 2022 (Rb Rotterdam ROT 17/5163): Awb, Wet dieren; boete, overschrijding bezettingsgraad stal voor pluimvee, welzijn, berekeningsmethode
* 8 maart 2022 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/8587 en 21/3194 NATUUR): Awb, Nbw; verzoek om intrekking vergunning, project woningbouw, golfbaan, jachthaven, hotel en restaurant, belanghebbende, gebruik grond/Bbk, gewijzigde omstandigheid, afweging van belangen, motivering, dreigende verslechtering of verstoring met significante gevolgen
* 8 maart 2022 (Rb Den Haag SGR 22/662 en SGR 21/7958): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl en maken inrit, woning
* 7 maart 2022 (Rb Rotterdam ROT 22/647): Awb, Gmw; vovo, exploitatievergunning coffeeshop, gewijzigde openingstijden, beleid, ligging nabij school, maatwerk, motivering
* 7 maart 2022 (Rb Noord-Nederland LEE 21/3054): Awb, Mbw; mijnbouwschade, gaswinning, geen fysieke schade
* 7 maart 2022 (Rb Noord-Nederland LEE 21/2379): Awb, Mbw; mijnbouwschade, gaswinning, fysieke schade, niet door mijnbouwactiviteiten
* 4 maart 2022 (Rb Oost-Brabant SHE 22/231 en SHE 22/232): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo en kortsluiten, handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid, evenredigheid, motivering
* 4 maart 2022 (Rb Limburg ROE 20/2714): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor wijziging brandcompartimentering van pand, belanghebbenden, procesbelang, ontvankelijkheid
* 4 maart 2022 (Rb Amsterdam AMS 21/2437): Awb, Hvw; handhaving, dwangsom, overtreding, gebruik pand voor resocialisatie, strijd met bpl, wonen, motivering, tussenuitspraak
* 3 maart 2022 (Rb Limburg ROE 21/1926): Awb; invordering dwangsom, permanente bewoning recreatiewoning, tweemaal apart invordering, motivering
* 2 maart 2022 (Rb Oost-Brabant SHE 22/300): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving , sluiting woning, drugs, bevoegdheid, evenredigheid
* 2 maart 2022 (Rb Den Haag SGR 21/6763 en SGR 22/501): Awb, Wabo, Gmw; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsom, huisvesting arbeidsmigranten, strijd met bpl, overgangsrecht, geen zicht op legalisatie, evenredigheid
* 2 maart 2022 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 22/56 WABOM VV en BRE 21/456 WABOM en BRE 22/57 WABOM VV en BRE 21/889 WABOM): Awb, Wabo; vovo en korstluiten, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, appartementen, belanghebbenden, gierzwaluwen, sloop niet in dit kader aan de orde, cultuurhistorie, Verdrag van Granada, omvang geding/ontvankelijkheid
* 2 maart 2022 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/9652 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken beheersverordening, appartementengebouw met parkeerplaatsen, strijd met beheersverordening, motivering
* 2 maart 2022 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/9628 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor slopen, bouwen en veranderen rijksmonument, aanpassing kademuren, kapvergunning/geen onlosmakelijke samenhang
* 1 maart 2022 (Hof Arnhem-Leeuwarden 20/00985): Awb, AWR; leges, omgevingsvergunning, verordening, opbrengstlimiet
* 1 maart 2022 (Rb Den Haag SGR 20/3537, SGR 21/173 en SGR 21/174): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, seizoensgebonden bouwwerk op het strand voor kitesurfen, illegale bebouwing, horeca en terras, begunstigingstermijn, Dienstenrichtlijn
* 25 februari 2022 (Rb Rotterdam ROT 21/2146): Awb, Ww, Gmw; handhaving, last onder bestuursdwang, (gedeeltelijke) ontruiming woning, brandgevaar/vuurbelasting, Bouwbesluit, begunstigingstermijn, kostenverhaal, schadevergoeding/bevoegdheid rechter
* 23 februari 2022 (Rb Amsterdam AMS 21/2148): Awb, Gmw; exploitatievergunning, hotel, handgranaatincidenten, APV, Dienstenrichtlijn, externe openbare orde, bevoegdheid, motivering, evenredigheid
* 17 februari 2022 (Hof Den Bosch 20-001765-21): Sr, Wet dieren; geen noodsysteem aanwezig, dood varkens in stal, Bhd
* 17 februari 2022 (Rb Den Haag SGR 20/6515): Awb, Opiumwet, Gmw; handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid
* 15 februari 2022 (Rb Noord-Holland HAA 21/1706): Awb, Wabo; tijdelijke omgevingsvergunning voor halfverhardingen op racecircuit, fundering voor tribunes en begaanbaarheid publiek, procesbelang, landschappelijke waarden, alternatief
* 15 februari 2022 (Hof Den Haag 22-004221-18): Sr, WED, Wm; overbrenging afvalstoffen, EVOA, begeleidingsbrief, ontvankelijkheid OM
* 11 februari 2022 (PG bij HR 21/00550): BW; vensters binnen twee meter van de erfgrens, uitleg erfdienstbaarheid van in- en uitzicht, verzwaring
* 8 februari 2022 (Rb Amsterdam AMS 21/808): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, dakterras en verblijfsruimte, belanghebbende
* 19 oktober 2021 (Rb Overijssel ZWO 19/2252 en 19/2300): Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, afwijken bpl en milieu, veranderen co-mestvergistingsinstallatie, belanghebbende, Wnb/aanhaken
* 25 maart 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 20/2629): Awb, Ffw; ontheffing, doden vossen, uitbreiding toepassingsgebied i.v.m. nieuw kippenbedrijf, procesbelang, ontvankelijkheid
* 25 maart 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 21/285 en UTR 21/287): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor kappen en bouwen, vergroten gebouw woonzorgcentrum, Wnb/geen ontheffing/aanhaken, herplantplicht
* 8 maart 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 21/961): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, dakopbouw
* 25 februari 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 20/3471): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, mantelzorgwoning, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 24 februari 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 19/5418): Awb, Ww, Gmw; handhaving, dwangsom, achterstallig onderheid en veiligheid woning, Bouwbesluit, motivering
* 12 februari 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 20/4573, UTR 20/1359, UTR 20/1360 en UTR 20/1362): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen en bedrijfshal, relatie bpl, geen strijd met bouw- en gebruiksregels

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 16 maart 2022 (ABRvS 202105064/1/R4): Awb; e-mailbericht geen rechtsgevolg/geen besluit, ontvankelijkheid, afvalpas/recreatiewoning/Wm
3.2.    De Afdeling is van oordeel dat het dagelijks bestuur het e-mailbericht ten onrechte als besluit heeft beschouwd. Het verzoek van [appellant] in het webformulier is gericht op een feitelijke handeling, namelijk het toesturen van een afvalpas. De reactie daarop in het e-mailbericht houdt in dat wordt geweigerd om die feitelijke handeling te verrichten. Het e-mailbericht heeft daarom geen rechtsgevolg en is dus geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, waartegen bezwaar openstaat. Dat betekent dat het dagelijks bestuur het bezwaar van [appellant] tegen het e-mailbericht niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Verder betekent dit dat de Afdeling geen inhoudelijk oordeel kan geven over de beroepsgronden van [appellant].

  1. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en wordt het besluit op bezwaar vernietigd. De Afdeling zal zelf in de zaak voorzien door het bezwaar van [appellant] tegen het e-mailbericht niet-ontvankelijk te verklaren en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit op bezwaar.
  2. Het dagelijks bestuur hoeft geen proceskosten te vergoeden.
  3. Ter voorlichting merkt de Afdeling op dat het dagelijks bestuur heeft toegelicht dat geen afvalpas kan worden toegestuurd omdat voor de recreatiewoning geen afvalstoffenheffing als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer wordt betaald. Zoals ter zitting besproken, kan in het kader van een verzoek om een besluit tot oplegging van een aanslag voor afvalstoffenheffing aan de orde worden gesteld of bij de recreatiewoning sprake is van huishoudelijke afvalstoffen waarvoor een inzamelverplichting bestaat op grond van artikel 10.21 van de Wet milieubeheer en waarvoor afvalstoffenheffing moet worden betaald.

    # 16 maart 2022 (ABRvS 201901994/3/R4 en ABRvS 202101984/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijken bpl, Schipholparkeren, luchtkwaliteit/Vortex, cumulatie (Rb Amsterdam 18/834 en 19/3845)
    6. De Afdeling is van oordeel dat het college overeenkomstig de opdracht in de tussenuitspraak nader aandacht heeft besteed aan de mogelijke effecten van de met het besluit van 19 december 2017 vergunde activiteit in combinatie met de vortex. Het college heeft zich, met de door hem gegeven nadere motivering, onder verwijzing naar het deskundigenverslag van de STAB van 4 juni 2020, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vortex geen omgevingsfactor is die, in relatie tot de vergunde activiteit, een negatieve invloed heeft op de luchtkwaliteit door de daarin aanwezige concentraties vervuilende deeltjes vanwege het wegverkeer. Het college heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning hierdoor niet zodanig wordt aangetast dat het verlenen van de vergunning in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

6.1.    Wat betreft het door de erven van [overledene] gestelde over de cumulatie van de verschillende omliggende vervuilende factoren met invloed op de luchtkwaliteit wordt het volgende overwogen. Vooropgesteld wordt dat artikel 5 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen een anticumulatiebepaling bevat. Op grond van dat artikel moet voor daarin genoemde ontwikkelingen in samenhang worden beoordeeld of de gevolgen voor de luchtkwaliteit voldoen aan het Besluit. In zoverre wordt een opeenstapeling van niet in betekenende mate bijdragen voorkomen.

In deze zaak ligt ter beoordeling voor wat de invloed van de vergunningverlening voor Schipholparkeren met 1300 parkeerplaatsen is op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning. Uit het deskundigenverslag van de STAB kan worden opgemaakt dat rekening is gehouden met de specifieke kwaliteit van de lucht in de directe omgeving van de woning. Aan de hand van regionale meetstations kan de luchtkwaliteit in een bepaald gebied worden gemeten. In het geval van de woning is onder andere gebruik gemaakt van de gegevens van het regionale meetstation Oude Meer aan de Aalsmeerderdijk. Dit meetstation ligt ongeveer 400 m ten westen van de Aalsmeer-baan. Door de deskundige van de STAB is, naar aanleiding van een opmerking van de gemachtigde van [overledene] hierover, uitgelegd waarom dit meetstation een goede indicatie geeft van de invloed van het vliegverkeer op de luchtkwaliteit. In zoverre is er rekening gehouden met omgevingsfactoren.

De door de erven van [overledene] genoemde mogelijke toekomstige ontwikkelingen in het gebied hoefde het college niet bij zijn motivering over de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat te betrekken. Mogelijk kunnen de gevolgen voor de luchtkwaliteit van die ontwikkelingen in de toekomst in een procedure over die ontwikkelingen aan de orde komen, maar wat de erven van [overledene] in dit verband aanvoeren staat niet in de weg aan het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteit zoals hier is aangevraagd en waarvoor het college de omgevingsvergunning heeft verleend.

Wat betreft het door de erven van [overledene] aangevoerde over ultrafijnstof wordt het volgende overwogen. Door hen is gewezen op een onderzoek van het RIVM over ultrafijnstof waarvan de resultaten binnenkort worden verwacht. De resultaten van dat onderzoek zijn nog niet bekend, zodat daar geen rekening mee gehouden kan worden. Voorts bevat de Wet milieubeheer geen afzonderlijke grenswaarden voor ultrafijnstof, zodat er in zoverre ook geen grond bestaat voor het oordeel dat het college de omgevingsvergunning niet heeft kunnen verlenen.

* 15 maart 2022 (ABRvS 202200429/2/R1): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, appartementengebouw, wonen/recreatie, Bor/hoofdgebouw (Rb Zeeland-West-Brabant 21/4479 en 21/4480)
6    ………………………
Zoals het college in zijn besluit op bezwaar heeft overwogen, zijn op het perceel waar het bouwplan is voorzien, slechts grondgebonden woningen toegestaan. De voorzieningenrechter ziet geen reden om op voorhand aan te nemen dat de in het bouwplan voorziene parkeergarage met daarboven drie appartementen, die volgens Marx Company tezamen als het hoofdgebouw moeten worden aangemerkt, in overeenstemming zijn met de op het perceel rustende woonbestemming. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter strekken de parkeergarage en de appartementen op de eerste verdieping niet ter verwezenlijking van de aan het perceel toegekende bestemming, omdat uitsluitend grondgebonden woningen dat doen. Dat betekent dat dit deel van het bouwplan niet kan bijdragen aan de verwezenlijking van de op het perceel rustende bestemming, zodat het niet kan worden aangemerkt als hoofdgebouw als bedoeld in artikel 1 van bijlage II van het Bor. Gelet hierop kunnen de vijf op de bovengelegen verdiepingen voorziene appartementen ook niet worden aangemerkt als een bijbehorend bouwwerk bij de voorziene parkeergarage en de daarboven gelegen drie appartementen.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter verzet artikel 5, eerste lid, van bijlage II van het Bor zich ook tegen toepassing van artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II van het Bor. Het bestemmingsplan staat ter plaatse van het perceel de bouw van vier woningen toe. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om op voorhand aan te nemen dat dit maximum aantal uitsluitend geldt voor permanent te bewonen woningen en dat het bestemmingsplan een onbeperkt aantal recreatiewoningen toestaat binnen de bestemming “Wonen”. Een recreatiewoning is een bijzondere vorm van een woning in de zin van het bestemmingsplan. Ingevolge artikel 20.2.1 van de planregels mogen, behoudens de onder b tot en met d van dat artikel genoemde bouwwerken, op het perceel alleen woningen worden gebouwd. Als een recreatiewoning niet onder het begrip woning zou vallen, zoals het college heeft gesteld, zou dat dus betekenen dat de bouw van een recreatiewoning ingevolge dat artikelonderdeel niet is toegestaan. Dat de bouwregels met het maximum van vier wooneenheden, zoals opgenomen in artikel 20.2.2, onder e, van de planregels ook betrekking hebben op recreatiewoningen blijkt ook uit artikel 20.3, aanhef en onder h, van de planregels, waarin is bepaald dat het college uitsluitend ten behoeve van de bouw van recreatiewoningen van het in artikel 20.2.2, onder e, opgenomen maximum van vier wooneenheden mag afwijken. Omdat het bestemmingsplan maximaal vier woningen toestaat, voldoet het bouwplan waarin acht woningen zijn voorzien, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ook niet aan artikel 5, eerste lid, van bijlage II bij het Bor.

* 14 maart 2022 (Rb Rotterdam ROT 21/3617): Awb, Hvw; vergunning, kamerbewoning, huisvestingsverordening, verbindendheid
4.5.1.    Uit de onder 4.4. genoemde uitspraak van de Afdeling met het nummer 1157 (r.o. 9.2 en 9.3) volgt dat zowel per type woning als per wijk moet worden onderbouwd dat sprake is van schaarste. De Afdeling heeft er in haar uitspraak op gewezen dat de gemeenteraad door het instellen van een vergunningplicht inbreuk maakt op het eigendomsrecht van particuliere huizenbezitters. De rechtbank merkt op dat in een grote gemeente als Rotterdam aanzienlijke verschillen per wijk kunnen voorkomen. Zo kent de gemeente Rotterdam ook kernen als Pernis, Rozenburg en Hoek van Holland. Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met de vaststelling dat in de gemeente Rotterdam in zijn geheel bezien sprake is van schaarste zonder dat daarbij wordt aangegeven hoe dit per wijk of een ander deelgebied is. Slechts indien is vastgesteld dat in elke wijk/deelgebied sprake is van schaarste, kan de gemeenteraad in de Huisvestingsverordening een vergunningsplicht voor de gehele gemeente Rotterdam opleggen.

4.5.2.    Hoewel in de toelichting op de Huisvestingsverordening ter onderbouwing van de gestelde schaarste onderscheid wordt gemaakt in verschillende type woningen, is de schaarste niet per wijk toegelicht. In het [naam bedrijf]-rapport 2020, waar verweerder in het bestreden besluit naar heeft verwezen, is dit evenmin gedaan. Noch uit de toelichting noch uit het [naam bedrijf]-rapport 2020 blijkt in welke wijken van Rotterdam sprake is van schaarste aan de diverse typen woonruimte. De rechtbank ziet dan ook geen aanknopingspunten voor de conclusie dat in de wijk [naam wijk] sprake was of is van schaarste aan woonruimte en van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten die het opnemen van een verbod tot woningvorming, met vergunningplicht, rechtvaardigde. Dat, zoals verweerder ter zitting naar voren heeft gebracht, schaarste in de gemeente Rotterdam als geheel betekent dat die schaarste in elke wijk aanwezig is omdat de schaarste zich als een olievlek over de regio verspreidt, acht de rechtbank onvoldoende concreet. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat het onmogelijk is om de schaarste op de woningmarkt op wijkniveau te onderzoeken. Verweerder heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat de schaarste op wijkniveau op geen enkele wijze kan worden onderbouwd. De rechtbank kan overigens niet uitsluiten dat alsnog kan worden gemotiveerd dat een vergunningplicht voor kamerbewoning in de wijk [naam wijk] ten tijde van het vaststellen van de Huisvestingsverordening gerechtvaardigd was.

4.6.    Gelet op het voorgaande moet hoofdstuk 3 van de Huisvestingverordening buiten toepassing worden gelaten. Dit betekent dat verweerder eiseres geen vergunningplicht voor deze woningvorming kon tegenwerpen. De rechtbank zal de overige gronden niet bespreken.

* 8 maart 2022 (Rb Noord-Nederland LEE 20/2921): Awb, Wnb, Gmw; handhaving, dwangsom, voorwaardelijke opzet, vernieling dassenburcht, essentiële vegetatie, deskundigenrapport, overtreding, bevoegdheid

4.4.    Uit vaste jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2016 :1423, volgt dat onder ‘opzet’ zoals bedoeld in voormelde bepalingen niet alleen de situatie valt waarbij iemand het oogmerk heeft om een beschermd dier bijvoorbeeld te doden, maar ook de situatie waarbij iemand willens en wetens de niet te verwaarlozen kans aanvaardt dat een beschermd dier wordt gedood.

4.5.    De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat er uitsluitend sprake is van een overtreding van het bepaalde in artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wnb, indien er sprake is van opzettelijke beschadiging of vernieling van vaste voortplantings- of rustplaatsen van in het wild levende zoogdieren zoals genoemd in bijlage A bij de Wnb waarbij de wil van de overtreder ook gericht was op die beschadiging of vernieling. Gelet op de in rechtsoverweging 4.4. vermelde vaste jurisprudentie van de AbRvS is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat onder opzettelijk tevens dient te worden verstaan voorwaardelijke opzet. Dit betekent dat er ook sprake is van een overtreding van het bepaalde in artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder b. van de Wnb, indien de betrokkene bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de vaste voortplantings- of rustplaats van in het wild levende zoogdieren wordt beschadigd of wordt vernield (vgl. AbRvS, 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1423).

4.6.     Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de wijze waarop hij de houtwal op en om de dassenburcht heeft gesnoeid bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de burcht zou worden beschadigd. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat eiser wist dat de dassenburcht zich daar bevond en dat eiser zonder de vereiste zorg op en om de burcht heeft gesnoeid en bomen heeft gekapt. Dat eiser, naar hij stelt, tijdens de uitgevoerde onderhoudswerkzaamheden aan de houtwal niet het oogmerk of de bedoeling heeft gehad om de aanwezige dassenburcht te beschadigen of te vernielen, doet aan de voorwaardelijke opzet naar het oordeel van de rechtbank niet af. Deze grond van eiser slaagt niet.

* 9 maart 2022 (Rb Noord-Nederland LEE 22/708): Awb, Gmw, Zondagswet; vovo, evenementenvergunning/ontheffing, off road rit motoren, inspraak/milieugevolgen, Aarhus, veiligheid /openbare orde, Wnb/natuurgevolgen
1.6.   De voorzieningenrechter stelt vast dat de gemachtigde van verweerder ter zitting naar voren heeft gebracht dat verweerder zich bij de beoordeling van de aanvraag om evenementenvergunning heeft beperkt tot de aspecten openbare orde en openbare veiligheid. In dit verband heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting nader verklaard dat er vanuit is gegaan dat de evenementenvergunning en de natuurvergunning in dit geval gescheiden trajecten zijn en dat het college van gedeputeerde staten van de provincie Drenthe het bevoegd gezag is in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting stelt de voorzieningenrechter vast dat aannemelijk is geworden dat verweerder de in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Evenementenverordening bedoelde weigeringsgrond, voor zover die betrekking heeft op de bescherming van het milieu/de natuur, niet in zijn beoordeling van de aanvraag om evenementenvergunning heeft betrokken. Door dit na te laten, kleeft er naar het oordeel van de voorzieningenrechter een zorgvuldigheidsgebrek en een motiveringsgebrek aan het bestreden besluit. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat als gevolg van voormelde gebreken ook een kenbare motivering van de door verweerder te verrichten belangenafweging in het bestreden besluit ontbreekt. Dit klemt te meer, nu uit het door verzoekster overgelegde verslag van ecoloog

  1. Baptist blijkt dat niet valt uit te sluiten dat het evenement schadelijke gevolgen kan hebben op uit de winterslaap ontwakende beschermde reptielen en/of amfibieën alsmede eventueel aanwezige broedende vogels in het bos of de bospercelen langs de route. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kunnen ook deze geconstateerde gebreken in het bestreden besluit niet worden hersteld voor zondag 13 maart 2022, de dag dat het evenement zou plaatsvinden. Gelet op voorgaande overwegingen en na een afweging van de betrokken belangen, waarbij doorslaggevend gewicht wordt toegekend aan het feit dat het laten doorgaan van het evenement tot onomkeerbare schade aan de natuur zou kunnen leiden, schorst de voorzieningenrechter bij wege van voorlopige voorziening het bestreden besluit van verweerder in vorenbedoelde zin. Dit betekent dat het evenement op zondag 13 maart 2022 geen doorgang kan vinden.* 15 februari 2022 (Rb Noord-Holland HAA 21/1706): Awb, Wabo; tijdelijke omgevingsvergunning voor halfverhardingen op racecircuit, fundering voor tribunes en begaanbaarheid publiek, procesbelang, landschappelijke waarden, alternatief
    4.2 Op grond van artikel 6:303 Burgerlijk Wetboek komt zonder voldoende belang niemand een rechtsvordering toe. Van een voldoende procesbelang is, voor zover thans van belang, sprake als het resultaat dat de appellant met het instellen van beroep nastreeft, met het beroep kan worden bereikt en voor hem feitelijke betekenis kan hebben.

4.3   Eiseressen voeren aan dat hun procesbelang is gelegen in het zoveel mogelijk herstellen van het duinlandschap. Niet kan worden gezegd dat dat resultaat voor eiseressen geen feitelijke betekenis heeft. Voorts kan niet worden gezegd, dat, indien de vergunning aan de verharding ontvalt en dus die verharding moet worden verwijderd, geen sprake is van herstel in de richting van de landelijke waarden van de locaties nabij T4 en T6 als oorspronkelijk duingebied. Het betoog van verweerder, dat eiseressen geen procesbelang zouden hebben, slaagt daarom niet.
6.1.4   Zowel verweerder als eiseressen hebben hierbij een onjuist beoordelingskader voor ogen. Het mag zo zijn, dat bij de opstelling van de relevante regels de gemeenteraad niet heel helder lijkt te zijn geweest, maar een juiste uitleg van de planvoorschriften leidt tot het volgende beoordelingskader. In artikel 3 is neergelegd dat weliswaar de oorspronkelijke waarden door het actuele gebruik grotendeels teniet zijn gegaan, maar dat de inrichting en het gebruik van de gronden wel gericht moet zijn op behoud en herstel van de landschappelijke waarden. De landschappelijke waarde is volgens de planvoorschriften (artikel 1.27) de aan het gebied toegekende waarde gekenmerkt door het waarneembare deel van het oppervlak. Dat is niet per sé de beschrijving in het duinbeheerplan waarnaar eiseressen verwijzen, omdat dat van langer geleden dateert en ook niet als zodanig in het bestemmingsplan is opgenomen. Het is echter ook niet de staat waar verweerder vanuit gaat nadat van de egalisatievergunning van 5 november 2019 gebruik is gemaakt. Uit de artikelen 1.27, 3 en 5, derde lid, onder C en D van de planvoorschriften volgt juist dat de toestand bij het vaststellen van het bestemmingsplan het uitgangspunt is en dat die toestand zo veel mogelijk moet worden behouden en zo veel mogelijk moet worden hersteld. Uitgaan van de vernieling van die staat door egalisatie, ook al is die vergund, bij opvolgende vergunningverlening strookt daar niet mee. Bovendien gaat verweerder uit van veel ruimere gebruiksmogelijkheden dan op die locaties nabij T4 en T6 is toegestaan. In artikel 5, tweede lid, onder C, van de planvoorschriften staat wat de toegestane gebruiksmogelijkheden zijn. Daar wordt wel verwezen naar medegebruik als bedoeld in lid 1, maar in C4 worden juist weer veel activiteiten die onder lid 1 als toegestaan medegebruik worden genoemd, weer uitgesloten als toegestaan gebruik op de detailbestemming duinterrein. Dat betekent dat verweerder bij zijn motivering dat de oppervlakteverharding wordt toegestaan, is uitgegaan van landschappelijke waarden die veel verder afstaan van de toestand als duingebied waarop de het conserverende bestemmingsplan nu juist ziet.

6.2.1   Toch leidt de constatering onder 6.1.4 niet tot vernietiging van het bestreden besluit. De toetsing dient immers vervolgens gericht te zijn op de vraag of met de tijdelijk vergunde oppervlakteverharding met asfaltgranulaat de in aanmerking te nemen landschappelijke waarden ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor herstel van die waarden onevenredig worden of kunnen worden verkleind.