Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 13 april 2022 (ABRvS 202107442/3/R4): Awb; verzet, ontvankelijkheid, bijzonder samenstel van uitzonderlijke omstandigheden, nieuwe termijn om gronden van hoger beroep in te dienen
* 13 april 2022 (ABRvS 202105896/1/R4): Awb, Wro; bpl, verplaatsing LPG-tankstation, omgevingsvisie, Ladder/Bro, nieuwe stedelijke ontwikkeling, alternatieven
* 13 april 2022 (ABRvS 202105792/1/R1): Awb; herziening, dwangsom, Waterwet, duiker, geen feiten of omstandigheden die herziening rechtvaardigen (Rb Oost-Brabant 19/534)
* 13 april 2022 (ABRvS 202105630/1/R1): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, bewoning recreatiewoning, strijd met bpl, geen bijzondere omstandigheid (Rb Noord-Holland 20/4109)
* 13 april 2022 (ABRvS 202105387/1/R1): Awb, Wro; bpl, wooneenheden, veehouderij, geur, geluid, VNG-brochure
* 13 april 2022 (ABRvS 202104823/1/R4): Awb, Wabo; handhaving, bestuursdwang, verwijderen overkapping, strijd met bpl, geen bijzondere omstandigheid (Rb Gelderland 20/3326)
* 13 april 2022 (ABRvS 202104530/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, airco-buitenunit, bouwdelen/Bor/ondergeschikte aard  (Rb Noord-Holland 20/3790)
* 13 april 2022 (ABRvS 202104184/1/R1): Awb, Waterwet; projectplan, dijkversterking, noodzaak, belangenafweging, alternatieven, trillinghinder, schaderegeling, kwaliteit grond
* 13 april 2022 (ABRvS 202103626/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afvoerpijp voor een stookinstallatie, Wet Bibob (Rb Midden-Nederland 21/908)
* 13 april 2022 (ABRvS 202103455/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, dakopbouw, strijd met bpl, EP, EVRM (Rb Noord-Holland 20/823)
* 13 april 2022 (ABRvS 202103271/1/R1): Awb; handhaving, zanddepot, Keur, overgangsrecht, motivering, tussenuitspraak
* 13 april 2022 (ABRvS 202103108/1/R1); Awb, Wro; bpl, appartementencomplex, behoud monumentale en cultuurhistorische waarden, motivering,  parkeren, stikstof
* 13 april 2022 (ABRvS 202102942/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, herbestemmen en transformeren van kantoorpanden (Rb Midden-Nederland 20/2954)
* 13 april 2022 (ABRvS 202102738/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, kapverdieping/dakterras met daktoegangsopbouw, geen strijd met planregels, uitleg ‘doorlopend gedeelte’ (Rb Amsterdam 19/5889)
* 13 april 2022 (ABRvS 202006846/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, dakopbouw op woningen, planregels, bebouwingskarakteristiek van een straat (Rb Rotterdam 19/750)
* 13 april 2022 (ABRvS 202006648/1/R4): Awb, Wro; bpl, ontvankelijkheid
* 13 april 2022 (ABRvS 202006260/1/R4): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, verbouwwerkzaamheden zonder vergunning, rijksmonument, bouwstop (Rb Gelderland 20/4675 en 20/4478)
* 13 april 2022 (ABRvS 202006248/1/R4): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, overkapping en klein gebouw voor stalling, duidelijkheid last, strijd met bpl, geen vergunning (Rb Gelderland 20/1620 en 20/1622)
* 13 april 2022 (ABRvS 202005742/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, crematorium, Ladder/Bro/goede ruimtelijke ordening/relativiteit  (Rb Gelderland 19/3100)
* 13 april 2022 (ABRvS 202005655/1/R4): Awb, Wabo. Gmw; handhaving, dwangsom, verwijderen bijgebouw, saunaton en parkeerplaats, nieuwe bpl, bevoegdheid, zicht op legalisatie (Rb Gelderland 19/3536)
* 13 april 2022 (ABRvS 202003359/1/R4): Awb, Waterwet; lozingsvergunning, afvalwater,  bioraffinage-installatie, omgekeerde osmose, verwijderingsrendement, Handboek immissietoets, BBT, chemische en ecologische waterkwaliteit , voorschrift monitoring, motivering (Rb Limburg 18/1222)
* 13 april 2022 (ABRvS 201906981/4/R3): Awb, Wro; bpl, woningen, agrarisch bedrijf, geurverordening, herstelbesluit, waterberging, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak, zelf in de zaak voorzien
* 13 april 2022 (ABRvS 201804031/5/R1): Awb, Wro; bpl, bierbrouwerij, geluid, omvang jaarproductie, verkeersgeneratie, verhuizing, stikstof, interne saldering, parkeren, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 12 april 2022 (Rb Midden-Nederland UTR 21/3024 en UTR 21/3114): Awb, Sr; aanwijzing raad gebied voor openbare naaktrecreatie, bevoegdheid college, besluit, belanghebbende, ontvankelijkheid, bepaling omtrent rest grondgebied gemeente/bevoegdheid
* 12 april 2022 (CBb 21/634): Awb, Lbw; heffing/bonus, fosfaatreductieplan, geen strijd EP/geen individuele buitensporige last, tussenuitspraak
* 12 april 2022 (CBb 20/349 en 20/468): Awb, Wet dieren; boetes, overtredingen, vangletsel, methode van vaststelling, deugdelijkheid (Rb Rotterdam ROT 17/5139, ROT 17/5140, ROT 17/5142 en ROT 17/6292)
* 11 april 2022 (Rb Overijssel ZWO 21/1586): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, gebruik van woning met  zorg, bevoegdheid
* 11 april 2022 (Rb Overijssel ZWO 21/759): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en tijdelijk afwijken van bpl, trekkershutten, archeologische waarden/relativiteit, bevoegdheid
* 11 april 2022 (Rb Overijssel ZWO 21/377): Awb, Wabo; handhaving, gebruik van woning met zorg, strijd met bpl, inmiddels vergunning verleend
# 8 april 2022 (Rb Oost Brabant SHE 20/2665): Awb, Wnb; vergunning, uitbreiden/wijzigen veehouderij, emissiearm stalsysteem, AERIUS-berekening/gebouweninvloed, emissiefactor/ Rav/juistheid, van invloed zijnde factoren, toename ammoniak, beschermingsmaatregelen, STAB-verslag integraal als bijlage uitspraak
* 8 april 2022 (Rb Noord-Holland C/15/326478 / KG ZA 22-129): BW; kortgeding, beroep van Stichting bij bestuursrechter tegen omgevingsvergunning voor bouwen woningen, misbruik van recht , onrechtmatig handelen
* 8 april 2022 (Rb Zeeland-West-Brabant C/02/352459 / HA ZA 18-774): BW; onrechtmatige hinder, trillingen en schade door railverkeer, SBR-richtlijn, risicoaansprakelijkheid/beheerder, schade wegens gederfd woongenot, deskundigenonderzoek voor waardevermindering van woning en bouwkundige schade
* 8 april 2022 (Rb Gelderland AWB 20/5516): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, horeca op verdieping, strijd met bpl, horecavisie
# 7 april 2022 (Rb Noord-Nederland LEE 20/1330): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, overtreding voorschrift, aanpassing besluit, procesbelang, ontvankelijkheid, bevoegdheid Rb om kennis te nemen
# 7 april 2022 (Rb Noord-Nederland LEE 20/1247 en 20/3484): Awb, Wabo, Gmw; handhaving/ omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en milieu, gebouwen en schoorsteen voor insectenkwekerij, procesbelang, productie- of onderzoekslocatie, zwaarste bedrijfscategorie, motivering, geur, maatwerkvoorschriften
* 7 april 2022 (Rb Midden-Nederland UTR 22/867 en UTR 22/868): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunningen bouwen en afwijken bpl, huisvesten arbeidsmigranten in zorgboerderij en nieuwe modules, belanghebbenden, bevoegdheid, afwijkingenbeleid, brandveiligheid, motivering, belangenafweging
* 6 april 2022 (ABRvS 202200426/2/R3): Awb, Wro; vovo, bpl, woningen/woontoren, cultuurhistorische waarden, motivering
* 6 april 2022 (ABRvS 202200516/2/R4): Awb, Wro; vovo, bpl, bouwmogelijkheden
* 6 april 2022 (ABRvS 202200737/2/R3): Awb, Wro, Wabo; vovo, bpl/omgevingsvergunning voor bouwen, zorgwoningen, woon- en leefklimaat
* 6 april 2022 (ABRvS 202200768/2/R3): Awb, Wro; vovo, bpl, woningen, Bro/Ladder, omgevingsverordening
* 6 april 2022 (ABRvS 202200864/2/R3): Awb, Wro; vovo, bpl, zorgappartementen, parkeerplaatsen, eigendomssituatie
* 6 april 2022 (Rb Overijssel AWB 22/568): Awb, Wabo, Gmw; vovo, handhaving, verwijderen stacaravans en gebouwen, zeer korte begunstigingstermijn, ordemaatregel, schorsing
* 6 april 2022 (Rb Rotterdam ROT 22/1067): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting bedrijfspand, drugs, bevoegdheid, noodzaak, evenredigheid
* 5 april 2022 (Rb Limburg ROE 22/531): Awb, Wabo, Wm, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, milieuvergunning, asfaltcentrale, geur, Activiteitenbesluit, benzeen, motivering, emissies ZZS, overtreders, begunstigingstermijn, hoogte dwangsom
* 4 april 2022 (Gerecht in eerste aanleg van Curaçao CUR202200863): BW; kort geding, bouwstop, afwijkingen bouwvergunning, visuele hinder, uitzicht
* 4 april 2022 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/9799 VEROR): Awb, Wabo, Gmw; afwijzing om gebouwen bij molen aan te wijzen als gemeentelijk monument, verordening, waardering
* 4 april 2022 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/8663 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor tijdelijk afwijken bpl, huisvesten arbeidsmigranten op recreatiepark, beleidsregels, short stay, parkeren
* 1 april 2022 (Rb Den Haag SGR 22/1173, SGR 22/1172, SGR 22/1141 en SGR 22/1142): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, dakopbouw op woning en constructieve doorbraak, beleidsregels, motivering
* 31 maart 2022 (Rb Rotterdam ROT 20/6606, ROT 19/5856 en ROT 20/3385): Awb, Wet dieren; boete, vangletsel, methode van vaststelling, overschrijding redelijke termijn
* 31 maart 2022 (Rb Rotterdam ROT 21/183): Awb, Wet dieren, boete, vangletsel, interventiebeleid, eerst waarschuwing
* 31 maart 2022 (Rb Noord-Holland HAA 21/1602): Awb, Gmw; ligplaatsvergunningen, belanghebbende, ontvankelijkheid
* 30 maart 2022 (Rb Den Haag SGR 21/383): Awb, Gmw; intrekking exploitatievergunning, raamprostitutiebedrijven, mensenhandel, EVRM, geen criminal charge, aanwijzingen, handhavingsarrangement
* 30 maart 2022 (Rb Rotterdam ROT 20/6765): Awb, Gmw; melding terras bij horeca, APV, strijd met bpl
* 30 maart 2022 (Rb Noord-Nederland LEE 21/1410): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en maken uitrit, bedrijfsloods met inpandige woning, archeologie, APV
* 30 maart 2022 (Rb Noord-Nederland LEE 21/1401): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, appartementen, bevoegdheid, planregels, matrix, motivering, welstand, bezonning, Bouwbesluit, schoorstenen, parkeren
* 30 maart 2022 (Rb Limburg ROE 20/3093): Awb, Nbw 1998; handhaving, beweiden en bemesten, vergunningplicht, onderzoek op bedrijfsniveau ontbreekt
* 29 maart 2022 (Rb Den Haag SGR 21/24): Awb, DHW, Gmw, Wok; intrekking vergunningen, slecht levensgedrag, evenredigheid
* 28 maart 2022 (Rb Amsterdam AMS 22/1205): Awb, Gmw; vovo, handhaving, sluiting winkelpand, geweldsincidenten, openbare orde, motivering
* 25 maart 2022 (Rb Overijssel AWB 22/319): Awb, Wro; vovo, handhaving, gebruiksregel, waterbergingsvoorzieningen, geen spoedeisende omstandigheden
* 25 maart 2022 (Rb Den Haag SGR 22/1329): Awb, Waterwet; vovo, gedoogplicht, werkzaamheden oeververvanging, belangenafweging
* 25 maart 2022 (Rb Den Haag SGR 20/4752): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, winkel met woning, huurovereenkomst/ privaatrechtelijke belemmering
* 25 maart 2022 (Rb Den Haag SGR 20/4915): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, steiger in meer, niet mogelijk met binnenplanse afwijking, geen medewerking voor buitenplanse afwijking
* 24 maart 2022 (Rb Amsterdam AMS 20/6044): Awb, Ww, Wabo, Gmw; handhaving, spoedeisende bestuursdwang , ontruiming woning, motivering, verhaalskosten
* 24 maart 2022 (Rb Rotterdam ROT 21/2955 en ROT 21/3418): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, kerkgebouw en bijzonder woongebouw, parkeren, beleidsregel, bezonning
* 24 maart 2022 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 22/306 WABOA VV en BRE 21/3176 WABOA): Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, huisvesting arbeidsmigranten, bevoegdheid
* 22 maart 2022 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 22/1176 OPIUMW VV): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo, handhaving, sluiting woning, bevoegdheid
* 17 maart 2022 (Rb Amsterdam AMS 20/3270, 20/3339, 20/4193, 20/5494 en 21/461): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, afgemeerde logiesverblijven/objecten, strijd met bpl en verordening, formulering lasten
* 17 maart 2022 (Rb Overijssel AWB 22/273): Awb, Wabo; vovo, intrekking omgevingsvergunning voor bouwen en milieu, Wet Bibob, evenredigheid
* 28 februari 2022 (Rb Den Haag SGR 20/1405 en SGR 20/1991): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, geplaatste ventilatiepijp, shisha-lounge, geen vergunning, gewijzigd gebruik, overgangsrecht bpl, bewijslast, overtreder
* 9 juli 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 21/92): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, bedrijfswoning als plattelandswoning, bevoegdheid, geen vvgb
* 9 juli 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 21/2497): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor maken uitweg, geen spoedeisend belang
* 24 juni 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 21/843): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, afwijking vergunning, teveel bebouwing

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 13 april 2022 (ABRvS 202102942/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, herbestemmen en transformeren van kantoorpanden (Rb Midden-Nederland 20/2954)
2.3.    Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling heeft het weigeren van een omgevingsvergunning voor een bepaalde activiteit tot gevolg dat de omgevingsvergunning voor de andere activiteiten die daarmee onlosmakelijk samenhangen, ook moet worden geweigerd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1841). [appellante] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid genoemd in artikel 2.7, eerste lid, tweede volzin, van de Wabo om voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voorafgaand aan en los van de overige onlosmakelijke activiteiten een aanvraag om een omgevingsvergunning in te dienen. De rechtbank heeft dus terecht overwogen dat het college gelet op de weigering voor de activiteit bouwen, de omgevingsvergunning ook moest weigeren voor de activiteit gebruiken in strijd met een bestemmingsplan. De omstandigheid dat [appellante] aan het college had verzocht om artikel 2.21 van de Wabo toe te passen leidt niet tot een ander oordeel. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:755) brengt een redelijke uitleg van artikel 2.21 van de Wabo mee dat de bevoegdheid om met toepassing van dat artikel een omgevingsvergunning te verlenen slechts bestaat indien de activiteiten niet onlosmakelijk met elkaar samenhangen als bedoeld in artikel 2.7 van de Wabo.

* 13 april 2022 (ABRvS 202003359/1/R4): Awb, Waterwet; lozingsvergunning, afvalwater,  bioraffinage-installatie, omgekeerde osmose, verwijderingsrendement, Handboek immissietoets, BBT, chemische en ecologische waterkwaliteit , voorschrift monitoring, motivering (Rb Limburg 18/1222)
5.3.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft het dagelijks bestuur hiermee onvoldoende onderbouwd dat de chemische en ecologische kwaliteit van de Gekkengraaf niet in het geding komt door de verlening van de watervergunning.

De Afdeling overweegt daartoe, aan de hand van de beroepsgronden van de Verenigingen, dat de omgekeerde osmose-installatie weliswaar een hoog verwijderingsrendement heeft, maar dat daarmee nog niet vaststaat dat in het geheel geen resten van vee-medicatie of gewasbeschermingsmiddelen op de Gekkengraaf zullen worden geloosd. Zoals de Verenigingen in beroep betoogden, hangt dit immers af van de concentratie van deze stoffen in het water dat door de omgekeerde osmose-installatie wordt geleid en van de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd. Het dagelijks bestuur heeft niet onderbouwd dat buiten twijfel staat dat de vee-medicatieresten en gewasbeschermingsmiddelen die resteren na toepassing van omgekeerde osmose zodanig klein zijn dat nadelige gevolgen voor de chemische of ecologische kwaliteit van de Gekkengraaf kunnen worden uitgesloten. In dat verband is tevens van belang dat, zoals de Verenigingen betogen, in de watervergunning niet is ingegaan op de eigenschappen van de Gekkengraaf, zoals het debiet en de ecologische waarden, en evenmin op de cumulatie van de lozingen van RMS met eventuele andere lozingen. Dat de watervergunning volgens het dagelijks bestuur in overeenstemming is met de Beleidsregel, doet er naar het oordeel van de Afdeling niet aan af dat het dagelijks bestuur in het concrete geval onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de hoeveelheid stoffen die zal worden geloosd en de gevolgen daarvoor voor de Gekkengraaf.

De Afdeling overweegt verder dat in het Handboek immissietoets is uiteengezet dat als er voor een te lozen stof geen norm beschikbaar is, er meerdere manieren zijn om toch een indicatie te geven van de eventuele nadelige volgen van de lozing, namelijk door een veilig geachte concentratie in water, een indicatieve milieukwaliteitseis of een gedegen jaargemiddelde concentratie en maximaal aanvaardbare concentratie af te leiden. Aangezien het Handboek immissietoets als BBT-informatiedocument is aangewezen, had het dagelijks bestuur rekening moeten houden met de daarin opgenomen beoordelingssystematiek voor niet-genormeerde stoffen. Daarvan is niet gebleken.

6.1.    Ter zitting bij de Afdeling is vastgesteld dat de stoffenlijst in bijlage 1a inderdaad alleen gewasbeschermingsmiddelen bevat, geen vee-medicatie. De lijst is dus onvolledig en alleen al daarom wordt de chemische en ecologische kwaliteit van de Gekkengraaf onvoldoende gewaarborgd met voorschrift 6a. Daarbij komt dat dit voorschrift voorbij gaat aan het Handboek immissietoets, waarin meerdere mogelijkheden zijn genoemd om een (indicatieve) normering te bepalen voor stoffen in het oppervlaktewater.

Naar het oordeel van de Afdeling kon de rechtbank daarom niet volstaan met vernietiging van de watervergunning voor zover is nagelaten daaraan een aanvullend voorschrift te verbinden. Omdat niet kan worden uitgesloten dat nader onderzoek naar de te lozen stoffen leidt tot de conclusie dat verlening van de watervergunning niet verenigbaar is met de doelstellingen in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Waterwet, had de rechtbank de watervergunning geheel moeten vernietigen.

Het betoog slaagt.

# 8 april 2022 (Rb Oost Brabant SHE 20/2665): Awb, Wnb; vergunning, uitbreiden/wijzigen veehouderij, emissiearm stalsysteem, AERIUS-berekening/gebouweninvloed, emissiefactor/ Rav/juistheid, van invloed zijnde factoren, toename ammoniak, beschermingsmaatregelen, STAB-verslag integraal als bijlage uitspraak
Dit is een zaak over emissiearme stalsystemen bij melkrundveehouderijen. Deze systemen zijn ontwikkeld om ammoniakemissie te beperken. Daardoor worden de gevolgen voor Natura 2000-gebieden ook beperkt. Al langer leeft de vraag hoeveel ammoniakemissie deze stalsystemen daadwerkelijk kunnen beperken. Bij de toetsing aan deze norm in artikel 2.7 van de Wnb kan niet zonder meer van de haalbaarheid van de in de Rav genoemde emissiefactoren worden uitgegaan. Deze uitspraak gaat over het emissiearme huisvestingssysteem (ook wel stalsysteem genoemd) BWL 2010.34.V8 (A 1.13) dat veel in Nederland wordt toegepast. De rechtbank heeft haar eigen deskundige, de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak ingeschakeld om te onderzoeken hoe het rendement van dit systeem is bepaald en of het beloofde rendement ook kan worden behaald. De rechtbank is naar aanleiding van de bevindingen in het StAB advies over de totstandkoming van deze Rav factor van oordeel dat verweerder in dit geval niet van de Rav factor voor stalsysteem A.1.13 kon uitgaan. Deze Rav factor zal moeten worden gecorrigeerd. Gelet op de algemene onderzoeksrapporten kan verweerder echter ook niet van een gecorrigeerde Rav factor uitgaan. Het staat niet vast dat het project met het aangevraagde emissiearme stalsysteem daadwerkelijk zal leiden tot een gelijkblijvende of lagere stikstofdepositie. Er zijn veel factoren van invloed op de daadwerkelijke ammoniakemissie in een aangevraagd project. Er kunnen meerdere beschermingsmaatregelen worden getroffen. De agrariër kan kiezen en verweerder zal deze keuzes moeten onderzoeken. De rechtbank volstaat met een vernietiging van de aangevraagde natuurvergunning.

* 8 april 2022 (Rb Zeeland-West-Brabant C/02/352459 / HA ZA 18-774): BW; onrechtmatige hinder, trillingen en schade door railverkeer, SBR-richtlijn, risicoaansprakelijkheid/beheerder, schade wegens gederfd woongenot, deskundigenonderzoek voor waardevermindering van woning en bouwkundige schade
4.12.   ProRail heeft terecht aangevoerd dat treinverkeer ter plaatse is toegestaan en een groot maatschappelijk belang dient. Niet in geschil is voorts dat er geen alternatief bestaat voor de huidige spoorroute en dat ProRail geen beleidsruimte heeft voor het nemen van trillingsreducerende maatregelen, zoals een spoorbak, die bovendien zeer kostbaar zijn. Deze omstandigheden brengen echter niet mee dat de veroorzaakte hinder jegens [eiser] niet onrechtmatig kan zijn. Ter zitting is namens ProRail bevestigd dat zij de capaciteit op het spoor regelt en er daarbij op toeziet dat het treinverkeer binnen de geluidsnormen blijft. ProRail houdt daarbij geen rekening met de impact van trillingen, omdat hier geen normen voor gelden. ProRail miskent daarmee echter dat zij bij de uitvoering van haar taak niet alleen rekening dient te houden met wettelijke normen, maar ook met ongeschreven zorgvuldigheidsnormen. Het had op de weg van ProRail – die al sinds de hiervoor aangehaalde metingen op de hoogte is van de door het treinverkeer veroorzaakte hinder als gevolg van trillingen – gelegen om de impact van trillingen op de woning van [eiser] te reduceren, dan wel hem hiervoor te compenseren.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat sprake is van onrechtmatige hinder en dat ProRail gehouden is de dientengevolge door [eiser] geleden schade te vergoeden.
4.15.   Door de toegebrachte onrechtmatige hinder, is ook het recht van [eiser] op ongestoord genot van zijn woning aangetast. Het door hem gederfd woongenot levert vermogensschade op die voor vergoeding in aanmerking komt. Deze schade kan echter naar het oordeel van de rechtbank niet nauwkeurig worden vastgesteld. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 juli 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1278) ten behoeve van een eenvoudige en eenvormige afhandeling van de aardbevingsschade in Groningen richtlijnen gegeven aan de hand waarvan een schatting kan worden gemaakt van de schade door gederfd woongenot, indien deze niet op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld. Daarbij gaat de Hoge Raad uit van het verschil tussen de marktconforme huur die een huurder voor de woning zou hebben betaald in de situatie waarin bodembewegingen (kunnen) plaatsvinden en de marktconforme huur die een huurder voor de woning zou hebben betaald in de situatie waarin dat niet het geval is. De rechtbank is van oordeel dat ook in deze zaak bij het schatten van de omvang van de schade aansluiting kan worden gezocht bij deze richtlijnen. De rechtbank schat de schade wegens gederfd woongenot in dit geval op 25% van de marktconforme huurwaarde. Ook wat betreft deze schade geldt echter dat de vordering is verjaard, voor zover het schade betreft die is geleden voor 24 maart 2012.

# 7 april 2022 (Rb Noord-Nederland LEE 20/1247 en 20/3484): Awb, Wabo, Gmw; handhaving/ omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken bpl en milieu, gebouwen en schoorsteen voor insectenkwekerij, procesbelang, productie- of onderzoekslocatie, zwaarste bedrijfscategorie, motivering, geur, maatwerkvoorschriften
6.6. De rechtbank overweegt dat in dit geval in het kader van de ruimtelijke ordening op grond van het bestemmingsplan een bedrijf in de omschreven categorie 2 of 3.1 is toegestaan op de onderhavige locatie. Vanuit ruimtelijk perspectief betekent dit dat voormeld bedrijf op deze locatie bij recht is toegestaan, indien buiten twijfel staat dat dit bedrijf moet worden gekarakteriseerd als ‘natuurwetenschappelijk speurwerk’ en niet als productiebedrijf of kwekerij van insecten. In dit verband constateert de rechtbank dat de inrichting van derde-belanghebbende in de milieuvergunning als onderzoeksinstelling is gekarakteriseerd. Verder constateert de rechtbank dat uit de opgestelde verslagen volgt dat de StAB onderkent dat dit voorstelbaar is. Tegelijkertijd volgt uit de verleende milieuvergunning dat de inrichting van derde-belanghebbende toestemming heeft verkregen om 1.000 kilo insecten per week, met een maximum van 25.000 kilo insecten per jaar, te kweken. In dit verband acht de rechtbank van belang dat er binnen de inrichting van derde-belanghebbende tevens sprake is van de commerciële verkoop van de (kweek)producten. Derhalve heeft de inrichting van derde-belanghebbende ook kenmerken van een kwekerij dan wel een productiebedrijf.

De rechtbank overweegt dat in een situatie als deze, waarin het bedrijf van derde-belanghebbende op verschillende wijze kan worden gekarakteriseerd, er in het kader van een ruimtelijke afweging in beginsel van de zwaarste bedrijfscategorie dient te worden uitgegaan om te beoordelen of het bedrijf ruimtelijk is toegestaan. Dat zou in het onderhavige geval betekenen dat dat het bedrijf van derde-belanghebbende een categorie 3.2 bedrijf is dat niet is toegestaan op deze locatie. Er kan naar het oordeel van de rechtbank slechts sprake zijn van een categorie 2 bedrijf indien door verweerder met zekerheid kan worden vastgesteld dat de productie en verkoop van insecten binnen het bedrijf van derde-belanghebbende een direct en zuiver uitvloeisel zijn van de onderzoeksactiviteiten ten behoeve van het ‘natuurwetenschappelijk speurwerk’. De rechtbank onderkent dat de onderzoeksactiviteiten mede zijn gericht op het optimaliseren van de productie van insecten zodat productie op zich onlosmakelijk is verbonden met de onderzoeksactiviteiten doch dat laat onverlet dat er tussen de onderzoeksactiviteiten en die productie een onlosmakelijke band moet bestaan en dat er niet meer geproduceerd wordt dan in het kader van de onderzoeksactiviteiten noodzakelijk is. Indien er meer wordt geproduceerd dan in het kader van het onderzoek nodig is, moet het bedrijf van derde-belanghebbende worden gekarakteriseerd als een bedrijf in de categorie 3.2.

In dat verband stelt de rechtbank vast dat verweerder in dit geval niet toereikend heeft onderbouwd naar aanleiding van de bezwaren van eiser of en in hoeverre, los van de onderzoeksactiviteiten ten behoeve van het ‘natuurwetenschappelijk speurwerk’, er in de inrichting van derde-belanghebbende productie en/of de kweek van insecten plaatsvindt. Nu niet in geschil is dat de productie dan wel de kweek van insecten heeft plaatsgevonden, zal verweerder in het kader van de handhavingsprocedure alsnog moeten beoordelen of het in dit geval uitsluitend gaat om ‘natuurwetenschappelijk speurwerk’ met de benodigde spin-off of om een productiebedrijf of kwekerij. Daarbij kan verweerder bijvoorbeeld aan de hand van de onderzoeksverslagen en de wetenschappelijke verslaglegging ten behoeve van het ‘natuurwetenschappelijk speurwerk’ vaststellen welke productieomvang voor dat wetenschappelijk onderzoek dan wel voor deze experimenten noodzakelijk is geweest.

Gelet op de voorgaande overwegingen is het bestreden besluit I naar het oordeel van de rechtbank in zoverre in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb, tot stand gekomen en berust het bestreden besluit I in zoverre niet op een deugdelijke motivering hetgeen schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb oplevert. Deze grond van eiser slaagt. Om die reden is het beroep van eiser gegrond en komt het bestreden besluit I voor vernietiging in aanmerking.

* 5 april 2022 (Rb Limburg ROE 22/531): Awb, Wabo, Wm, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, milieuvergunning, asfaltcentrale, geur, Activiteitenbesluit, benzeen, motivering, emissies ZZS, overtreders, begunstigingstermijn, hoogte dwangsom
10. Ten aanzien van de gestelde overtreding van artikel 2.7a, eerste en derde lid van het Abm in samenhang met artikel 5.46 van het Abm, overweegt de voorzieningenrechter6 dat artikel 2.7a, eerste lid, van het Abm zich richt tot drijvers van inrichtingen. De rechtszekerheid brengt mee dat deze drijvers slechts kunnen worden aangesproken op naleving van deze bepaling voor zover zij vooraf kunnen weten dat hun handelen of nalaten daarmee in strijd is. Artikel 2.7a, eerste lid, van het Abm bevat begrippen die nadere invulling behoeven, waarbij niet één invulling als de enig juiste kan worden beschouwd. In de toelichting bij artikel 2.7a van het Abm is vermeld dat het aan het bevoegd gezag is om te beoordelen welke mate van geurhinder nog aanvaardbaar is. Het derde lid regelt welke aspecten het bevoegd gezag ten minste meeweegt bij het bepalen van het aanvaardbare niveau van geurhinder.7 Hieruit volgt dat niet in alle gevallen duidelijk is waartoe de norm precies verplicht. Daarom moet worden geoordeeld dat handhaving wegens overtreding van artikel 2.7a, eerste lid, van het Abm uitsluitend mogelijk is wanneer het handelen of nalaten van de drijver van de inrichting onmiskenbaar in strijd met die bepaling is.

  1. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is van voornoemde onmiskenbare strijd geen sprake. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder niet heeft beoordeeld welke mate van geurhinder nog aanvaardbaar is, terwijl dit op grond van artikel 2.7a, derde lid, van de Abm aan het bevoegd gezag is om te bepalen. Er is immers geen lokaal geurbeleid en de omgevingsvergunning bevat geen voorschrift of verduidelijking ten aanzien van de vraag wanneer geen sprake meer is van een aanvaardbare geurhinder. Uit artikel 2.7a, derde lid, van het Abm volgt dat verweerder bij het bepalen van een aanvaardbaar niveau van geurhinder ten minste rekening moet houden met de in dat artikellid vermelde aspecten onder a tot en met f. Verweerder moet dat doen aan de hand van de ten tijde van de besluitvorming geldende feiten en omstandigheden.8 De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet gebleken is dat verweerder rekening heeft gehouden met de onder a tot en met c, en onder e en f vermelde aspecten. Verder is, zoals onder 9 al overwogen, niet in geschil dat verzoekers voldoen aan het in de omgevingsvergunning opgenomen artikel 8.4.1 dat uiterlijk 1 januari 2020 de standaardmaatregelen Bijzondere Regeling C5 uit de NER moeten zijn uitgevoerd. In deze regeling is geen algemeen geurconcentratieniveau vastgesteld waarboven hinder optreedt. Wel is een standaardpakket aan geurreducerende maatregelen vastgelegd waarvan wordt verwacht dat het de geuremissie in het overgrote deel van de gevallen afdoende beperkt. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom dit in het onderhavige geval niet zo is.
  2. Verweerder heeft aan de overtreding van artikel 2.7a van het Abm ten grondslag gelegd het aantal klachten, overschrijding van de percentielwaarde en overschrijding van de emissiewaarden voor ZZS-stoffen. Dit laatste is overtreding 2. Voor de voorzieningenrechter is, nu dit niet nader is gemotiveerd door verweerder, niet duidelijk waarom deze overschrijding leidt tot (een onaanvaardbaar niveau van) geurhinder. Dat geldt in ieder geval voor benzeen, waarvan de geur voor zover de voorzieningenrechter bekend nauwelijks waarneembaar is. Verweerder heeft niet gemotiveerd dat de betreffende stoffen tot geurhinder leiden en in welke mate.

Wat betreft overschrijding van de percentielwaarde overweegt de voorzieningenrechter dat dit als zodanig, bijvoorbeeld als overtreding van een vergunningvoorschrift of een regel uit het Abm, niet aan het primaire besluit ten grondslag is gelegd en dat niet zonder meer valt in te zien dat overschrijding van deze percentielwaarde leidt tot een onaanvaardbaar niveau van geurhinder. Dat blijkens het plan van aanpak van AsfaltNu van 31 maart 2021 en de controle van verweerder van 3 mei 2021 niet in geschil is en gebleken is dat de volgens de voormalige NER geldende 99,99-percentielwaarde voor bestaande situaties van 10 ouE/m3 is overschreden, omdat de piekwaarden van de geurconcentratie (99,99-percentiel) in de bestaande situatie bij de meest nabij gelegen woningen tot 14-20 ouE/m3 bedraagt, wil op zichzelf nog niet zeggen dat de geurhinder niet tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt.

Resteert het aantal klachten, dat verband houdt met het aspect genoemd in onderdeel d van het derde lid van artikel 2.7a (het klachtenpatroon). Met verzoekers is de voorzieningenrechter van oordeel dat het enkel benoemen van het aantal klachten, zonder nadere beoordeling en motivering van de gegrondheid daarvan – de asfaltcentrale beschikt immers over een vergunning en mag op grond daarvan tot een bepaald niveau geur veroorzaken – onvoldoende is om te kunnen oordelen dat sprake is van een niet meer aanvaardbaar niveau van geurhinder.
23. Verweerder heeft de dwangsom voor overtreding 2 blijkens het primaire besluit gebaseerd op een gemiddelde prijs van de uit te voeren werkzaamheden om aan de last te voldoen, afgezet tegen een gemiddelde prijs aan het voordeel dat verzoekers hebben met het voortbestaan met de overtreding vermeerderd met een prikkel van 20%. In bijlage 4 bij het primaire besluit is de uitgevoerde berekening inzake de dwangsomhoogte opgenomen. Hierin staat dat de hoogte van het bedrag wordt afgestemd op het financiële voordeel dat het bedrijf kan verwachten met het produceren van het huidige percentage gerecycled oud asfalt. Op basis van de door het bedrijf aangeleverde informatie blijkt dat het totaal aan verbruik oud asfalt in de periode 3 maart 2021 tot en met 4 augustus 2021 109.000 ton bedraagt, wat neerkomt op 4.037 ton per week. 1 ton oud asfalt bedraagt gemiddeld € 66,55 inclusief btw. 4037 ton x € 66,55 = € 268.662,35 + 20% prikkel = € 322.394,82 per week. Van dit bedrag wordt 1/3 als gemiddeld daadwerkelijk voordeel beschouwd (winst) = € 107.464,94. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder hiermee voldoende heeft onderbouwd dat het vastgestelde maximale dwangsombedrag van € 1.075.000,00. in redelijke verhouding staat tot de belangen die worden beschermd door de overtreden voorschriften en de beoogde werking van de dwangsom. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat verzoekers niet gesteld hebben dat deze berekening niet juist zou zijn. Zij hebben enkel gesteld dat de te verbeuren dwangsommen onevenredig hoog zijn en voorbij gaat aan het doel van de herstelsanctie en de incentive van te verbeuren dwangsommen. Bovendien hoeft de hoogte van de dwangsom niet per se te worden gerelateerd aan de financiële voordelen van eisers en mag de dwangsom zo hoog zijn, als naar verwachting nodig is om die naleving te bewerkstelligen.13 Gelet hierop heeft verweerder in redelijkheid de hoogte van de dwangsom vastgesteld op maximaal € 1.075.000,00.