Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* 11 mei 2022 (ABRvS 202108170/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, zonnepark met recreatieve bouwwerken, zonneladder (Rb Midden-Nederland 20/2634)
* 11 mei 2022 (ABRvS 202107123/1/R1): Awb, Wro; bpl, vervangende nieuwbouw, noodzaak, motivering, verkeer/CROW, geluid, koplampen
* 11 mei 2022 (ABRvS 202104364/1/A2): Awb, Wro; planschade, ontsluiting, voorzienbaarheid (Rb Oost-Brabant 20/203 en 20/204)
* 11 mei 2022 (ABRvS 202104309/1/A3): Awb, Gmw; exploitatievergunning, restaurant, bijbehorend terras, horecaverordening (Rb Midden-Nederland 19/5080 en 19/5081
* 11 mei 2022 (ABRvS 202104239/1/A2): Awb, Wro; planschade, motivering, zelf in de zaak voorzien (Rb Gelderland 19/3641)
* 11 mei 2022 (ABRvS 202103431/1/A3): Awb, Opiumwet, Gmw; handhaving, sluiting restaurant, drugs, bevoegdheid (Rb Gelderland 21/1210)
* 11 mei 2022 (ABRvS 202103305/1/R1 en 202103307/1/R1): Awb, Wro, Wgh; bpl/HGW, reconstructie weg, nieuwe stukken/goede procesorde, noodzaak, motivering, verkeer(sveiligheid), stikstof, Natura 2000, geluid, m.e.r.-beoordeling
* 11 mei 2022 (ABRvS 202103171/1/R1): Awb, Wm; aanwijzen locatie ondergrondse restafvalcontainer, alternatieven, belangenafweging
* 11 mei 2022 (ABRvS 202102499/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, aanleggen steiger, hek en walkast met oplaadpunten voor elektrische vaartuigen, belanghebbende, ontvankelijkheid (Rb Amsterdam 19/6789)
* 11 mei 2022 (ABRvS 202101318/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, sleufsilo, beheersverordening, afwijking bouwperceel, motivering (Rb Noord­-Nederland 20/686)
* 11 mei 2022 (ABRvS 202100005/1/R3): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, muur met poort, wijziging aanvraag, niet van ondergeschikte aard (Rb Overijssel 20/969)
* 11 mei 2022 (ABRvS 202007031/1/R2): Awb, Wro; bpl, sportcomplex met horeca, categorie, geluid, feesten en partijen, APV/ontheffingen
* 11 mei 2022 (ABRvS 202006575/1/R4 en 202006576/1/R4): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken van bpl, hypermarkt, geen rechtswege vergunning, strijd met bpl, Dienstenrichtlijn (Rb Gelderland 19/5771 en 20/1249)
* 11 mei 2022 (ABRvS 202006169/1/R2): Awb, Wro, Wabo; bpl/omgevingsvergunning voor bouwen, theater, beschermd stadsgezicht, stedenbouwkundige passendheid, geluid, attiek/ kantelen, peil, welstand
* 11 mei 2022 (ABRvS 202004968/2/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, veranderen en vergroten kelder en begane grond van panden, nota, ontbreken handhaafbaar voorschrift barrièrewerking kelder, geohydrologisch rapport, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak (Rb Amsterdam 19/3516)
* 11 mei 2022 (ABRvS 202004963/2/R3): Awb, Wro; bpl, winkelcentrum, detailhandelsbestemming, bouwvlakken, einduitspraak na eerdere tussenuitspraak
* 10 mei 2022 (Rb Noord-Nederland LEE 22/1390): Awb, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, horecabedrijf, overtreding sluitingstijden, APV, geen ontheffing gevraagd
* 10 mei 2022 (Rb Midden-Nederland UTR 21/3797): Awb, Wnb; handhaving, veehouderij, PAS-melder, stikstofdepositie/Natura 2000-gebieden, geen zicht op legalisatie, geschiktheid criteria Logtsebaan-uitspraak, RAV-emissiefactoren
* 10 mei 2022 (Rb Midden-Nederland UTR 22/810 en UTR 22/811): Awb, Wnb; vovo en kortsluiten, verzoek om intrekking vergunning , nog niet gebouwde biovergistingsinstallatie, PAS-beoordeling, passende maatregelen, nieuwe belangenafweging noodzakelijk
* 10 mei 2022 (CBb 20/693): Awb, Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB; subsidie, randvoorwaardenkorting, korting afhankelijk vanwege ontbreken Wnb-vergunning, gevolgen niet-naleving tamelijk gering, motivering
* 10 mei 2022 (HR 20/03138 B): Sv; klaagschrift, illegale invoer van teakhout in strijd met  Europese Houtverordening, competentie, economische delicten en niet-economische delicten in samenhang met elkaar begaan, economische raadkamer en niet-economische raadkamer kunnen optreden als raadkamer, conclusie PG
* 10 mei 2022 (HR 20/01803 en 20/02903 P): Sv, Wm, Wed; milieuovertredingen en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, afvalstoffen/lozen, milieuvergunning, afwijken/toename milieubelasting, uitleg artikel 8.1 lid 1 Wm (oud), conclusie PG 1 en PG2
* 6 mei 2022 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 20/8749 WABOM): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor milieuneutraal veranderen, producent van ingrediënten voor brood- en banketbakkerijen, belanghebbende, ontvankelijkheid
* 6 mei 2022 (Rb Oost-Brabant SHE 20/2731): Awb, Wabo; omgevingsvergunning  milieu voor recycling van metaalhoudende afvalstoffen, branddetectiesysteem/NEN 2535, compartimentering, PGS 15/BREF, invulling zorgplicht BRZO
* 6 mei 2022 (ABRvS 202201333/2/R3): Awb, Wro; vovo, bpl, ruimte-voor-ruimteregeling, woningen, omgevingsverordening, vereist aantal sloopmeters, erfinrichtingsplan/NNN
* 5 mei 2022 (EH C-61/21): Verzoek om een prejudiciële beslissing, Conclusie AG, luchtkwaliteit, grenswaarden voor bescherming van de gezondheid van de mens, overschrijding, aansprakelijkheid van de Staat, direct causaal verband
* 5 mei 2022 (EH C-525/20): Prejudiciële verwijzing, Kaderrichtlijn water, begrip “achteruitgang” van de toestand van een oppervlaktewaterlichaam, tijdelijke effecten
* 4 mei 2022 (Rb Oost-Brabant C/01/324449 / HA ZA 17-545): BW; aansprakelijkheid i.v.m. wateroverlast en schadevaststelling na deskundigenbericht, blokkade duiker na heftige regenval, model
* 4 mei 2022 (ABRvS 202200556/2/R2): Awb, Wro; vovo, bpl, buitengebied, inpandige hondenschool, geluid, provinciale verordening, grondbewerking/archeologie
* 4 mei 2022 (ABRvS 202201144/1/R4): Awb, Ww, Wm, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, productie in pand van (met)amfetamine(olie), opruimen kwik(II)chloride, verwijderen restanten van actief koolfilters en gevaarlijke afvalstoffen door erkend bedrijf, overtreder, belangenafweging
* 4 mei 2022 (ABRvS 202201976/2/R3): Awb, Wabo, Gmw; vovo; handhaving, dwangsom, verwijderen o.m. veestalling en hooiopslag, vergunningvrij/Bor, strijd met bpl, bevoegdheid  (Rb Noord-Nederland 21/380)
* 4 mei 2022 (Rb Rotterdam ROT 21/264): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, buitenschoolse opvang, ontoelaatbare hinder voor de (woon)omgeving
* 3 mei 2022 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/2763 WABOA en BRE 19/2764 WATER): Awb, Wabo, Waterwet; vergunning, keerwand, privaatrechtelijke belemmering, bevoegdheid, welstand, onderhoudsplicht
* 3 mei 2022 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/1802 WABOA): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, bedrijfsgebouw, ontvankelijkheid
* 3 mei 2022 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/1998 GEMWT): Awb, Wabo; handhaving, bedrijfsgebouw, geen strijd met bpl
* 3 mei 2022 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 19/3544 GEMWT): Awb, Wabo; handhaving,
voorziening voor het opladen van accu’s van voertuigen, Bor, geen vergunningvrij bouwwerk vanwege omvang, geluid transformatoren
* 2 mei 2022 (Rb Rotterdam ROT 21/2944): Awb, Wabo; herhaald verzoek om handhaving, geen gewijzigde omstandigheden, eerdere uitspraak Afdeling, vergunningvrije bouwwerken
* 29 april 2022 (Rb Rotterdam ROT 20/5046): Awb, Wabo; handhaving, monument, brandveiligheid gevel, ramen in gevel, afwijking bouwvergunning, evenredigheid, lift, relativiteit
* 29 april 2022 (Rb Noord-Holland HAA 20/6627 en HAA 20/6628): Awb, Wabo, Gmw; bouwstop/omgevingsvergunning voor bouwen, terrasafscheiding bij horeca, strijd met bpl
* 28 april 2022 (Rb Zeeland-West-Brabant BRE 21/1603 VEROR): Awb, Gmw; afwijzing om panden als gemeentelijk monument aan te wijzen, erfgoedverordening, motivering
* 26 april 2022 (Rb Midden-Nederland UTR 21/2938): Awb, Wabo; handhaving, telen van mais op weilanden, ligging nabij NNN, geen strijd met bpl/dubbelbestemming, bevoegdheid
* 26 april 2022 (Rb Noord-Holland HAA 22/1555 en 22/1484): Awb, Wabo, Gmw; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsom, overtredingen, bouwwerken en houden van paarden, geen vergunning, strijd met bpl, opslag van materieel/-aal, oppervlakteverharding en inrit, APV
* 26 april 2022 (Rb Noord-Holland HAA 22/1586): Awb, Opiumwet, Gmw; vovo. handhaving, sluiting woning, drugs, bevoegdheid, evenredigheid
* 15 april 2022 (Rb Oost-Brabant SHE 20/2815): Awb; verzoek om schadevergoeding, onrechtmatige besluiten, kermisfeesten, geluidsoverlast, immateriële schade, causaal verband
* 15 april 2022 (Rb Noord-Nederland LEE 21/3630): Awb, Mbw; mijnbouwschade, gaswinning, bewijsvermoeden, ontstaansmoment schade, motivering
# 13 april 2022 (Rb Den Haag SGR 20/2991): Awb, Wro; planschade
* 13 april 2022 (Rb Den Haag SGR 20/7386 en SGR 20/7390): Awb, Wabo; handhaving/ omgevingsvergunning voor bouwen, aanpassing woning, vergunningvrij,  bouwkundig en functioneel één geheel. motivering
* 12 april 2022 (Rb Oost-Brabant SHE 19/3143): Awb, Msw; boete, overtreding, (nauwkeurigheids)marges, wijze bepalen eindvoorraad mest, perceel landbouwgrond, matiging voor overschrijding redelijke termijn
* 12 april 2022 (Rb Oost-Brabant SHE 21/975): Awb, Wro; planschade, ambtshalve toets van planschadeoorzaak, verzoek redelijkheidstoets artikel 6.1 Wro
* 6 april 2022 (Rb Den Haag SGR 21/6626): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, tulpenbroeierij, grondgebonden bollenteeltbedrijf, geen strijd met bpl, aanvullende gegevens gevraagd, geen besluit van rechtswege, ontvankelijkheid
* 29 juni 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 20/2443): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, bestuursdwang, verwijderen steiger, balk en schip, strijd met bpl, overtreder
* 28 juni 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 20/4697): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, zonnepark, Chw, geen strijd met structuurvisie, geen vvgb nodig
* 17 juni 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 21/1869): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, pluimveebedrijf, herinrichting stal, mestdroogtunnel, ontvankelijkheid, motivering
* 23 april 2021 (Rb Midden-Nederland  UTR 20/4196): Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor bouwen, vergroten woning, belangenafweging
* 23 april 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 20/3247): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, vervangende woning op recreatiepark, welstand, motivering, tussenuitspraak
* 2 februari 2022 (Rb Midden-Nederland UTR 19/3174): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen, vergroten dakterras, balustrade en buitenttrap, planregels, strijd met bpl, beschermd stadsgezicht, privacy

 

# = betrokkenheid STAB

! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* 11 mei 2022 (ABRvS 202104239/1/A2): Awb, Wro; planschade, motivering, zelf in de zaak voorzien (Rb Gelderland 19/3641)
11.     Gelet op artikel 8.41a van de Awb, mede gelet op de omstandigheid dat de kosten van een bestuurlijke lus voor beide partijen niet opwegen tegen de verwachte hoogte van de tegemoetkoming in planschade van [appellant], zal de Afdeling de hoogte van de tegemoetkoming zelf vaststellen.

* 11 mei 2022 (ABRvS 202103305/1/R1 en 202103307/1/R1): Awb, Wro, Wgh; bpl/HGW, reconstructie weg, nieuwe stukken/goede procesorde, noodzaak, motivering, verkeer(sveiligheid), stikstof, Natura 2000, geluid, m.e.r.-beoordeling
5.2.    Ter zitting heeft de Afdeling besloten dat de stukken en rapporten wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moeten worden gelaten. Vast staat dat verweerders de nadere stukken, behoudens die van 6 dagen voor de zitting, hebben ingediend met inachtneming van de tien-dagen termijn als bedoeld in artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Dit neemt niet weg dat het overleggen van stukken in strijd met een goede procesorde kan zijn, indien deze verwijtbaar zodanig laat zijn ingediend dat de andere partijen worden belemmerd daarop adequaat te reageren of de doelmatige procesgang daardoor anderszins wordt belemmerd.

5.3.    Gelet op de aard en de omvang van het grote aantal stukken en de tijdstippen waarop deze zijn ingediend kan een zinvolle bespreking daarvan ter zitting niet plaatsvinden. Zo kunnen de andere partijen niet adequaat daarop reageren en komt het algemeen belang van een doelmatige procesgang door deze wijze van procederen in het gedrang. In dat verband acht de Afdeling van betekenis dat deze stukken en rapporten aanvankelijk zonder nadere toelichting zijn ingediend. Verweerders hebben pas bij brief van 17 februari 2022, dat wil zeggen 11 dagen voor de zitting, een verweerschrift ingediend. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat verweerders de nadere stukken eerder hadden kunnen indienen. Voorts is van belang dat de nadere stukken, anders dan verweerders stellen, niet slechts actualisering van de aan het plan ten grondslag gelegde onderzoeken betreffen, maar dat tevens aanvullende en nieuwe onderzoeken zijn overgelegd. Dit geldt voor de onderzoeken ter zake van de onderwerpen geluid, verkeer en stikstof. Daarbij is van belang dat voortschrijdend inzicht heeft geleid tot wijziging van de primaire doelstelling van het plan. Zie daarover verder onder 10.2 van deze uitspraak. Gelet op het voorgaande worden de onder 5.1 genoemde stukken en rapporten in deze procedure wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing gelaten.

* 11 mei 2022 (ABRvS 202102499/1/R1): Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken bpl, aanleggen steiger, hek en walkast met oplaadpunten voor elektrische vaartuigen, belanghebbende, ontvankelijkheid (Rb Amsterdam 19/6789)
4.1.    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2494) wordt een aanvrager om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk in beginsel verondersteld belanghebbende te zijn bij een beslissing op de door hem ingediende aanvraag. Dit is anders indien aannemelijk is gemaakt dat het bouwplan niet kan worden verwezenlijkt. Die situatie doet zich in dit geval voor, nu de aanvrager, Demi Trading, geen eigenaar is van de grond waarop de aanvraag betrekking heeft en de eigenaar van de grond, de gemeente, zich tegen bebouwing daarvan verzet. Dit is door Demi Trading niet bestreden.

Gelet op het voorgaande, kan de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwplan niet worden aangemerkt als een verzoek van een belanghebbende en daarom niet als een aanvraag om een besluit te nemen in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het college heeft het verzoek daarom ten onrechte als een aanvraag om een omgevingsvergunning in behandeling genomen. De afwijzende beslissing op het verzoek is geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, zodat daartegen geen bezwaar mogelijk was en het college het bezwaar van Demi Trading niet-ontvankelijk had moeten verklaren.

* 10 mei 2022 (Rb Midden-Nederland UTR 21/3797): Awb, Wnb; handhaving, veehouderij, PAS-melder, stikstofdepositie/Natura 2000-gebieden, geen zicht op legalisatie, geschiktheid criteria Logtsebaan-uitspraak, RAV-emissiefactoren
19. De rechtbank zal eerst ingaan op de vraag of wordt voldaan aan de criteria uit de Logtsebaan-uitspraak en zij volgt MOB in dat standpunt. Het is niet in geschil dat in de Natura 2000-gebieden Rottige Meenthe & Brandemeer en Weerribben een significante verstoring van de natuurwaarden dreigt en dat de activiteit waarvoor [bedrijf] een PAS-melding heeft gedaan effecten heeft op die natuurwaarden. Toepassing van de criteria uit de Logtsebaan-uitspraak betekent dat beoordeeld moet worden of het terugdraaien van de wijzigingen in de bedrijfsvoering van [bedrijf] uit 2017, door middel van handhavend optreden, achterwege kan blijven omdat (andere) passende maatregelen getroffen kunnen en zullen worden. De rechtbank oordeelt dat de door gedeputeerde staten genoemde maatregelen te weinig concreet zijn om als passende maatregelen te kunnen worden beschouwd. Het is niet inzichtelijk gemaakt wanneer verwacht wordt dat deze maatregelen effectief zijn en wat de effecten zijn, en op welke wijze de maatregelen bijdragen aan de noodzakelijke daling van de stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden. Hoewel het niet nodig is om concreet aan te geven welke maatregel tot dezelfde reductie van de stikstofdepositie leidt als de (in dit geval) de handhaving van de PAS-melder zou leiden, moet wel duidelijk worden gemaakt of de maatregelen effectief zijn en op welke termijn. Daar komt in dit geval bij dat gedeputeerde staten niet het bevoegd gezag zijn voor het treffen van passende maatregelen in deze Natura 2000-gebieden, en voor de uitwerking, uitvoering en handhaving daarvan afhankelijk zijn van de colleges van gedeputeerde staten van Overijssel en Fryslân.

  1. De conclusie is dat nu niet wordt voldaan aan de criteria uit de Logtsebaan-uitspraak. Alleen al om die reden kunnen de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit niet in stand blijven.

    * 10 mei 2022 (HR 20/03138 B): Sv; klaagschrift, illegale invoer van teakhout in strijd met Europese Houtverordening, competentie, economische delicten en niet-economische delicten in samenhang met elkaar begaan, economische raadkamer en niet-economische raadkamer kunnen optreden als raadkamer, conclusie PG
    Art. 38.1 WED bepaalt dat economische delicten worden behandeld en beslist door economische kamers van rb. O.g.v. art. 39.1 WED behandelen en beslissen economische kamers ook zaken betreffende strafbare feiten die geen economische delicten zijn, indien rb. bevoegd is tot kennisneming van die strafbare feiten en die strafbare feiten zijn begaan in samenhang met een of meer economische delicten, en die strafbare feiten ten laste zijn gelegd samen met een of meer van die economische delicten. Berechting door andere dan economische kamer is o.g.v. art. 39.2 WED mogelijk indien economische delicten zijn begaan in samenhang met een of meer strafbare feiten, niet zijnde economische delicten waarvan rb. bevoegd is kennis te nemen en die economische delicten ten laste zijn gelegd samen met een of meer van die andere strafbare feiten. Gelet op deze wettelijke systematiek moet worden aangenomen dat, in geval dat verdenking bestaat dat economische delicten en niet-economische delicten in samenhang met elkaar zijn begaan, zowel een economische raadkamer als niet-economische raadkamer kan optreden als raadkamer. P-v van behandeling klaagschrift en beschikking rb. houden niet in dat behandeling is gedaan en beslissing is gegeven door economische raadkamer. Gelet op de verdenkingen was echter ook de niet-economische raadkamer bevoegd om klaagschrift te behandelen en daarop te beslissen. Volgt verwerping.* 10 mei 2022 (HR 20/01803 en 20/02903 P): Sv, Wm, Wed; milieuovertredingen en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, afvalstoffen/lozen, milieuvergunning, afwijken/toename milieubelasting, uitleg artikel 8.1 lid 1 Wm (oud), conclusie PG 1 en PG2
    Uit samenstel van bepalingen volgt dat het in het algemeen o.g.v. art. 8.1 lid 1.b Wm verboden was (de werking van) een inrichting zonder een daartoe verleende vergunning te veranderen, tenzij sprake was van een uitzondering omschreven in art. 8.1 lid 3 (na 1 januari 2008 ook lid 4), dan wel 8.19 lid 2 (na 1 januari 2008 lid 1) Wm. Uit wetsgeschiedenis komt naar voren dat wetgever met dat verbod het oog heeft gehad op gevallen waarin de verandering ertoe leidt dat “de toegestane milieubelasting van de inrichting” wordt overschreden. Mede in dit licht bezien moet worden aangenomen dat art. 8.1 lid 1.b Wm ook van toepassing is in gevallen waarin de verandering weliswaar niet een werkwijze of activiteit betreft die specifiek in de eerder verleende vergunning is omschreven, maar die verandering wel leidt tot een andere inrichting of tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken. Hof heeft kennelijk geoordeeld dat slechts dan sprake is van het “veranderen” van (de werking van) de inrichting i.d.z.v. art. 8.1 lid 1.b (oud) Wm, als het gaat om een verandering van een werkwijze of activiteit die deel uitmaakt van de vergunde activiteiten zoals omschreven in de eerder verleende vergunning. Die opvatting is te beperkt. Volgt vernietiging en terugwijzing.

    * 6 mei 2022 (Rb Oost-Brabant SHE 20/2731): Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu voor recycling van metaalhoudende afvalstoffen, branddetectiesysteem/NEN 2535, compartimentering, PGS 15/BREF, invulling zorgplicht BRZO
    4.4   De rechtbank heeft zich afgevraagd wat de grondslag is voor het opnemen van een aanvullend voorschrift voor een branddetectiesysteem. Deze grondslag kan niet worden gevonden in de PGS 15. In het bestreden besluit is aangegeven dat het Best reference document (BREF) Afvalbehandeling (2018) en Afvalverbranding (2019) van toepassing is. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat de BREF voor de op- en overslag van goederen 2006 van toepassing is. De BREF’s bevatten conclusies over de toe te passen best beschikbare technieken (BBT conclusies). Een automatische branddetectievoorziening wordt niet met zoveel woorden genoemd in paragraaf 5.3.4 van de BBT conclusies bij de BREF Op- en overslag. In de BBT conclusies 21 onder a, bij de BREF Afvalbehandeling wordt als beschermingsmaatregel een brand- en explosiebeveiligingssysteem met preventie-, detectie- en blusapparatuur genoemd, maar dat is algemeen omschreven. De eis van een automatisch branddetectiesysteem conform NEN 2535 kan niet uit deze BBT conclusies worden afgeleid. Met andere woorden, verweerder was niet verplicht (ingevolge artikel 2.14, eerste lid onder c, van de Wabo) een automatisch branddetectiesysteem conform NEN 2535 voor te schrijven.

4.5   De rechtbank gaat er daarom van uit dat verweerder in het bestreden besluit nadere invulling heeft willen geven aan de zorgplicht in artikel 5, eerste lid van het BRZO in belang van de bescherming van het milieu. Verweerder is bevoegd om dit te doen en heeft bij het gebruik van deze bevoegdheid een zekere beoordelingsruimte. Bij het gebruik van deze beoordelingsruimte zal verweerder moeten bezien of het opleggen van extra verplichtingen evenredig is. Hierbij onderzoekt de rechtbank in dit geval vooral de noodzaak voor de extra verplichting (gelet op het reeds aanwezige veiligheidsbeheersysteem) en de vraag of van eiseres in redelijkheid kan worden gevergd de kosten te maken die uit de extra verplichting voortvloeien.
……………………..
De rechtbank is verder van oordeel dat dit redelijkerwijze van eiseres kan worden verlangd. Weliswaar zijn er kosten verbonden aan de installatie van dit systeem (ter zitting is een bedrag tussen de € 70.000,00 en € 100.000,00 genoemd), maar eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij zich dit bedrag niet kan veroorloven.

4.9   De rechtbank concludeert dat verweerder in het verweerschrift voldoende heeft gemotiveerd dat het opleggen van extra verplichtingen in dit geval evenredig is. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat, gelet op de discussie tussen partijen over de doelmatigheid van de systemen, verweerder voldoende aanleiding had om de zorgplicht in artikel 5, eerste lid van het BRZO 2015 nader in te vullen in het bestreden besluit.

* 5 mei 2022 (EH C-525/20): Prejudiciële verwijzing, Kaderrichtlijn water, begrip “achteruitgang” van de toestand van een oppervlaktewaterlichaam, tijdelijke effecten
Artikel 4 van richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid moet aldus worden uitgelegd dat het de lidstaten niet toestaat om bij de beoordeling of een programma of een project verenigbaar is met de doelstelling om te voorkomen dat de waterkwaliteit achteruitgaat, tijdelijke effecten die van korte duur zijn en geen langetermijngevolgen voor het water hebben buiten beschouwing te laten, behalve indien het duidelijk is dat dergelijke effecten naar hun aard slechts een geringe impact hebben op de toestand van de betrokken waterlichamen en niet kunnen leiden tot „achteruitgang” daarvan in de zin van die bepaling. Wanneer de bevoegde nationale autoriteiten tijdens de procedure tot goedkeuring van een programma of een project vaststellen dat het een dergelijke achteruitgang kan teweegbrengen, kan dat programma of dat project slechts worden goedgekeurd indien aan de voorwaarden van artikel 4, lid 7, van die richtlijn is voldaan, ook al is die achteruitgang van louter tijdelijke aard.

* 5 mei 2022 (EH C-61/21): Verzoek om een prejudiciële beslissing, Conclusie AG, luchtkwaliteit, grenswaarden voor bescherming van de gezondheid van de mens, overschrijding, aansprakelijkheid van de Staat, direct causaal verband
In haar conclusie neemt advocaat-generaal Kokott het standpunt in dat een overschrijding van de Unierechtelijk vastgestelde grenswaarden ter bescherming van de luchtkwaliteit rechten op schadevergoeding jegens de staat in het leven kan roepen. Ook in dit geval gelden volgens haar de klassieke drie voorwaarden waaronder de staat aansprakelijk kan worden gesteld voor schade die particulieren lijden door schendingen van het Unierecht die aan hem kunnen worden toegerekend.

Aan de eerste voorwaarde is voldaan, aangezien met de in EU-richtlijnen neergelegde grenswaarden voor verontreinigende stoffen in de lucht en verplichtingen om de luchtkwaliteit te verbeteren is beoogd rechten aan particulieren toe te kennen. Het voornaamste doel van deze – voldoende duidelijke – regelingen bestaat namelijk in de bescherming van de menselijke gezondheid.

Daarnaast is de kring van personen die eventueel met succes schadevergoeding kunnen vorderen, niet zo groot dat deze vrijwel iedereen zou omvatten en de mensen elkaar als het ware  via belastingen wederzijds schadeloos zouden moeten stellen. In feite treffen overschrijdingen van de grenswaarden vooral bepaalde, in sterk belaste gebieden wonende of werkende groepen. Vaak zijn dit personen met een lage sociaal-economische status, die in hoge mate op rechterlijke bescherming zijn aangewezen.

De tweede voorwaarde houdt in dat er een gekwalificeerde schending van de regelgeving inzake de bescherming van de luchtkwaliteit is. Van een dergelijke schending is er volgens de advocaat-generaal sprake in alle perioden waarin de respectievelijk toepasselijke grenswaarden werden overschreden zonder dat er een plan ter verbetering van de luchtkwaliteit bestond dat geen klaarblijkelijke tekortkomingen vertoonde. De nationale rechter dient dit te onderzoeken.

De echte moeilijkheid om aanspraken op schadevergoeding te doen gelden is gelegen in de derde voorwaarde, namelijk dat er een rechtstreeks causaal verband moet worden aangetoond tussen de gekwalificeerde schending van de regelgeving inzake luchtkwaliteit en concrete gezondheidsschade.

De benadeelde persoon moet in de eerste plaats bewijzen dat hij gedurende een voldoende lange periode heeft verbleven in een omgeving waarin de Unierechtelijk vastgestelde grenswaarden voor e luchtkwaliteit op gekwalificeerde wijze werden overschreden. De duur van deze periode is een medische vraag waarop een wetenschappelijk antwoord moet worden gegeven.

In de tweede plaats moet hij aantonen dat hij schade heeft geleden die op de een of andere wijze in verband kan worden gebracht met de luchtverontreiniging in kwestie.

In de derde plaats moet de benadeelde persoon aantonen dat er een rechtstreeks causaal verband bestaat tussen de gestelde schade en zijn verblijf op een plaats waar een grenswaarde voor de luchtkwaliteit op gekwalificeerde wijze werd overschreden. Daartoe zullen regelmatig medische adviezen moeten worden verstrekt.

Ten slotte is volgens de advocaat-generaal het laatste woord nog niet gezegd nadat het bewijs is geleverd dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen een gekwalificeerde overschrijding van de grenswaarden en bepaalde gezondheidsschade. Integendeel, de lidstaat kan zich alsnog vrijpleiten door aan te tonen dat deze overschrijdingen zich ook zouden hebben voorgedaan indien hij tijdig luchtkwaliteitsplannen had vastgesteld die aan de vereisten van de richtlijn voldoen.

* 17 juni 2021 (Rb Midden-Nederland UTR 21/1869): Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, pluimveebedrijf, herinrichting stal, mestdroogtunnel, ontvankelijkheid, motivering
5.   De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak in beginsel inderdaad alleen de

overtreder belanghebbende bij de oplegging van een last onder dwangsom, omdat alleen hij de dwangsom kan verbeuren. Dit sluit echter niet uit dat ook een ander dan de overtreder belanghebbende kan zijn als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.2

  1. De rechtbank is van oordeel dat eisers een eigen belang hebben dat rechtstreeks is betrokken bij het besluit, omdat de opgelegde last onder dwangsom tot doel heeft de geuremissie van het bedrijf te beperken. Uit het dossier blijkt dat eisers al geruime tijd (geurover)last ervaren door een aantal activiteiten van het bedrijf. Dit wordt door het college ook niet betwist. Integendeel zelfs, ook het college heeft overtredingen vastgesteld en is daar eerder tegen opgetreden. Ook het nu opnieuw opleggen van een last onder dwangsom duidt er op dat de vrees bestaat dat de door eisers gestelde problemen nog niet voorbij zijn.
  2. De rechtbank overweegt vervolgens dat ook vaste rechtspraak is dat het bestuursorgaan verplicht is tot handhaving over te gaan en daar slecht in uitzonderlijke omstandigheden van kan afzien. Degene die om handhaving verzoekt, zoals eisers meerdere malen hebben gedaan, moet hier ook van uit te kunnen gaan. Wordt het verzoek afgewezen, dan bestaat na bezwaar de mogelijkheid de zaak voor te leggen aan de bestuursrechter om te laten beoordelen of de afwijzing rechtmatig is. De rechtbank vindt het niet uit te leggen dat daarentegen bij een gedeeltelijke toewijzing van een handhavingsverzoek, de inhoud van de last volgens het college niet aan de bestuursrechter zou kunnen worden voorgelegd. De (gedeeltelijke) toewijzing van een handhavingsverzoek heeft immers gevolgen voor de omvang van het recht op handhaving van eisers. Daarom moet het mogelijk zijn om door de bestuursrechter te laten toetsen of het ingezette handhavingstraject dit recht op handhaving niet op een onrechtmatige manier beperkt.

8. De rechtbank is daarom van oordeel dat het college het bezwaar van eisers ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep van eisers is kennelijk gegrond en het besluit van 25 maart 2021 wordt vernietigd. Het college zal opnieuw op het bezwaar van eisers tegen de last onder dwangsom moeten beslissen.