Site icoon STAB

Bestemmingsplan/Meierijstad

Het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in de planregels in combinatie met het vereiste van een omgevingsvergunning is in strijd met de rechtszekerheid.

Casus

Bij besluit van 23 juni 2022 heeft de raad van de gemeente Meierijstad het bestemmingsplan ‘Wijbosch, herziening [locatie 1]’ vastgesteld. Het plan voorziet in toekenning van een woonbestemming en verplaatsing en restauratie van de historische hoekgevelboerderij aan de [locatie 1] te Schijndel. Het perceel is gelegen buiten de bebouwde kom. Het plan is opgesteld naar aanleiding van een verzoek van [initiatiefnemer], die eigenaar is van het perceel [locatie 1]. Hij wenst de vervallen hoekgevelboerderij te restaureren. In artikel 4.5.2 van de planregels is de voorwaardelijke verplichting opgenomen dat het gebruik en het in gebruik laten nemen van nieuwe bebouwing zonder de uitvoering en instandhouding van de inrichtingsmaatregelen volgens het in bijlage 1 (van de planregels) opgenomen Inrichtingsplan en beplantingsplan niet is toegestaan. Het inrichtingsplan in bijlage 1 ziet op de inrichting van het gehele plangebied, waarbij onder meer is voorzien in weide, een boerentuin, een boomgaard en een gazon.

Appellant woont aan de [locatie 2] te Schijndel en heeft daar een agrarisch bedrijf. Hij vreest dat het onderhavige plan een uitbreiding van zijn bedrijf in het bouwvlak in de weg staat en dat zijn bedrijfsvoering hierdoor wordt beperkt. Hij vreest dat toekomstige bewoners geurhinder zullen ervaren in geval van uitbreiding van zijn agrarische bedrijf binnen het bouwvlak. Hij wijst erop dat in het onderhavige plan weliswaar de afstand van 50 m van het agrarische bouwvlak ten opzichte van de woonbebouwing in acht is genomen, maar dat dit voor een deel van de tuinen binnen de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Kleinschalig landschap’ niet geldt. Volgens appellant heeft de raad onvoldoende gemotiveerd waarom zijn bedrijfsvoering niet wordt gefrustreerd door de ligging van de tuin binnen een afstand van 50 m.

De raad betwist dat appellant in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt. Daarbij stelt zij onder andere dat een tuin alleen is toegestaan na verlening van een omgevingsvergunning, waarbij beoordeeld wordt of er geen belemmering ontstaat voor omliggende agrarische bedrijven.

Rechtsvraag

Is het toegestaan om in de planregels een voorwaardelijke verplichting op te nemen, die strekt tot realisatie van tuinen, en anderzijds de realisatie van die tuinen afhankelijk te stellen van verlening van een omgevingsvergunning, waarbij pas dan wordt beoordeeld of de tuinen in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening?

Uitspraak

De Afdeling stelt vast dat in het inrichtingsplan een deel van de boerentuin is gelegen binnen 50 m vanaf het bouwvlak van [appellant]. Deze boerentuin grenst aan de woning. Uit de voorwaardelijke verplichting volgt dat de raad het gebruiken en het in gebruik laten nemen van de nieuwe woonbebouwing slechts in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening acht, als het plangebied wordt ingericht volgens het inrichtingsplan, waaronder deze boerentuin. Tegelijkertijd heeft de raad, gelet op artikel 3.1.2 van de planregels, voor het inrichten van gronden als tuin grenzend aan de woning een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.3.2 van de planregels vereist. Naar het oordeel van de Afdeling is het in strijd met de rechtszekerheid om enerzijds een voorwaardelijke verplichting op te nemen, die strekt tot realisatie van tuinen, en anderzijds de realisatie van die tuinen afhankelijk te stellen van verlening van een omgevingsvergunning, waarbij pas dan wordt beoordeeld of de tuinen in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening. Daar komt bij dat de raad, voorafgaand aan het vaststellen van het plan, had moeten beoordelen of ter plaatse van een tuin binnen een afstand van 50 m vanaf het bouwvlak van appellant in beginsel in een aanvaardbaar verblijfsklimaat kan worden voorzien. De beoordeling, of ter plaatse van een tuin binnen een afstand van 50 m vanaf het bouwvlak van appellant in beginsel een aanvaardbaar verblijfsklimaat kan worden gegarandeerd, kan naar het oordeel van de Afdeling namelijk niet pas plaatsvinden bij de beoordeling of een omgevingsvergunning kan worden verleend. Evenmin is het voldoende dat in het vorige plan ook al de mogelijkheid voor tuinen was opgenomen. Daarmee is immers nog niet gemotiveerd waarom het plan dat nu voorligt, in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Gelet hierop is het besluit tot vaststelling van het plan niet alleen in strijd met de rechtszekerheid, maar ook onvoldoende gemotiveerd.

Rechtelijke Instantie : Raad van State
Datum Uitspraak : 27-12-2023
Eclinummer : ECLI:NL:RVS:2023:4855
Gijsbert Keus

Mobiele versie afsluiten