Site icoon STAB

Omgevingsvergunning/Drenthe

Noodzaak actualisering van omgevingsvergunning milieu voor composteerbedrijf onvoldoende gemotiveerd.

Casus

In 2006 heeft het college een oprichtingsvergunning (milieu) verleend voor het in werking hebben van een composteerinrichting. In 2013 is van rechtswege en veranderingsvergunning verleend. Met het bestreden besluit heeft het college de vergunning ambtshalve gewijzigd. Vergunninghoudster heeft beroep ingesteld, zij voert aan dat in het besluit onvoldoende is gemotiveerd waarom vanwege geurhinder en broei sprake is van een ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu die noopt tot het aanpassen van de vigerende vergunning.

Rechtsvraag

Heeft het college voldoende onderbouwd dat er een noodzaak was om de vergunning te actualiseren?

Uitspraak

Voor zover het college aan het bestreden besluit artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ten grondslag heeft willen leggen, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat het college onvoldoende heeft onderbouwd dat de wijziging van de voorschriften van de van rechtswege verleende omgevingsvergunning uit 2013 nodig is om ernstige nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving te voorkomen, of, voor zover zodanige gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken.

De rechtbank stelt vast dat de van rechtswege verleende omgevingsvergunning dateert uit 2013 en het college pas in 2021 is overgegaan tot het ter inzage leggen van een ontwerpbeschikking voor ambtshalve wijziging. Daargelaten het tijdsverloop tussen deze besluiten, overweegt de rechtbank dat uit het bestreden besluit niet blijkt welke ernstige nadelige gevolgen voor de fysieke omgevingsvergunning het gevolg zijn van de van rechtswege verleende omgevingsvergunning uit 2013. Ook op de zitting heeft het college niet kunnen toelichten welke ernstige nadelige gevolgen van de van rechtswege verleende vergunning uit 2013, aanleiding zijn geweest voor het bestreden besluit. De verwijzing van het college naar een broei-incident en een reeks geurklachten in het najaar van 2020 is naar het oordeel van de rechtbank daartoe onvoldoende. Daarbij ziet het bestreden besluit niet zozeer op aanpassing van de (gevolgen van de) van rechtswege verleende vergunning uit 2013, maar grotendeels op aanpassing van de bestaande voorschriften uit de vergunning van 2006. In het bestreden besluit is weliswaar voorschrift 4.1.2 van de omgevingsvergunning 2013 ingetrokken, maar in dat voorschrift was alleen bepaald dat totaal 32.000 ton groenafvalstromen (waaronder 15.000 ton tuinbouwafval) mocht worden geaccepteerd. In het bestreden besluit is geen specificatie van hoeveelheden te accepteren afvalstromen opgenomen maar is nog steeds opgenomen dat maximaal 32.000 ton groenafval, mag worden gecomposteerd. In zoverre lijkt van een beperking van (de gevolgen van) de vergunning van 2013 geen sprake.

Voor zover het college aan het bestreden besluit artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo ten grondslag heeft willen leggen, heeft het college naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt, gezien de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu, verder kunnen, of, gezien de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu, verder moeten worden beperkt.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat voor afvalverwerkende bedrijven zoals dat van eiseres, in 2018 nieuwe BBT-conclusies zijn gepubliceerd. In het bestreden besluit heeft het college opgenomen dat eiseres moet voldoen aan de best beschikbare technieken uit de BREF Afvalbehandeling en dat om te voldoen aan de BBT-conclusies 1, 2 en 12, de voorschriften 1.1.21 (milieubeheerssysteem), 1.1.22 (acceptatie en sorteringsysteem) en 1.1.23 (geurbeheersplan) zijn opgenomen in het bestreden besluit. Deze korte toelichting is op zichzelf al een summiere motivering voor het gebruik van de bevoegdheid van artikel 2.31, aanhef en onder b, van de Wabo, maar biedt in ieder geval geen grondslag voor de overige gewijzigde vergunningvoorschriften.

Rechtelijke Instantie : Rechtbank Noord-Nederland
Datum Uitspraak : 12-03-2024
Eclinummer : ECLI:NL:RBNNE:2024:840
Jelle van de Poel

Mobiele versie afsluiten