Bij de handhaving van de geluidnormen voor windturbines moet het gemiddelde geluidsniveau over een kalenderjaar bekend zijn. Voor een korte periode is niet vast te stellen of sprake is van een overtreding.
Casus
Op 22 september 2016 hebben de ministers van Economische Zaken en van Infrastructuur en Milieu vier omgevingsvergunningen verleend voor het realiseren van het windmolenpark Drentse Monden en Oostermoer, bestaande uit vier deelgebieden.
Enkele windturbines van het deelgebied Oostermoer staan achter de woning van eiser. Eiser ervaart geluidshinder van de windturbine(s) en heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen de overlast.
Het college heeft dit verzoek afgewezen omdat er geen sprake is van een overtreding van de regels uit het Activiteitenbesluit milieubeheer, nu het windpark Oostermoer nog in de test- en opstartfase zit. Het college heeft met het bestreden besluit van 6 juli 2022 het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de afwijzing van het handhavingsverzoek in stand gelaten. Het college heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van overtreding van de gestelde geluidvoorschriften en er dus geen aanleiding bestaat om te handhaven.
De rechtbank beoordeelt of het college op goede gronden heeft besloten het verzoek af te wijzen en om niet tot handhaving over te gaan.
Rechtsvraag
Heeft het college kunnen afzien van handhaving voor het overschrijden van de geluidnormen door de windturbine?
Deelvragen
a. Was het college gehouden onderzoek te verrichten naar aanleiding van het verzoek van eiser?
b. Heeft het college (voldoende) aan deze onderzoeksplicht voldaan?
c. Heeft het college kunnen concluderen dat er ten tijde van het bestreden besluit niet vast te stellen was of er sprake was van een overschrijding van de normen?
Uitspraak
De rechtbank oordeelt dat het college op goede gronden heeft besloten niet tot handhaving over te gaan.
a. Ten eerste is de rechtbank van oordeel dat eiser met zijn aanvraag voldoende aanknopingspunten voor onderzoek heeft geboden, waardoor het college gehouden was te onderzoeken of er inderdaad sprake was van een overtreding.
De rechtbank overweegt daartoe dat uit vaste jurisprudentie volgt dat van een belanghebbende die om handhaving verzoekt (in beginsel) niet verwacht kan worden dat hij het bewijs van een overtreding levert (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2743). Wel dient degene die om handhaving verzoekt voldoende aanknopingspunten te bieden voor onderzoek naar de vaststelling dat sprake is van een overtreding (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 5 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:147). In het geval van geluidsoverlast, is het moeilijk voor een burger om aan te tonen dat een geluidsnorm wordt overtreden. Een burger beschikt immers meestal niet over geschikte apparatuur om dat aan te tonen. Het is daarom in dit geval niet redelijk om van eiser meer te verlangen dan dat hij specifiek aangeeft waar de vermeende overtreding uit bestaat en waardoor dit veroorzaakt wordt. Eiser heeft daaraan voldaan.
b. Ten tweede is de rechtbank van oordeel dat het college voldaan heeft aan zijn onderzoeksplicht en niet gehouden was eigen metingen te verrichten, zoals door eiser gewenst.
De rechtbank overweegt daartoe dat Lden en Lnight de geluidsbelastingsindicatoren zijn voor de geldende geluidsnormen. Uit richtlijn 2002/49/EG, inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai (de Richtlijn) blijkt dat beide indicatoren uitgaan van het gemiddelde geluidsniveau over een jaar. Om te bepalen of voldaan is aan de normen 47 dB Lden en 41 dB Lnight dienen derhalve de geluidsgegevens over een jaar bekend te zijn.
Volgens de reken- en meetmethode uit bijlage 4 bij de Activiteitenregeling, het Reken- en meetvoorschrift windturbines (RMVW), dient bij het berekenen of aan deze normen wordt voldaan het jaargemiddelde geluidsvermogen LE bekend te zijn. Op grond van artikel 3.14o, onder a, van de Activiteitenregeling, registreert de drijver van de inrichting dit geluidsvermogen LE gedurende het afgelopen kalenderjaar. Dit betekent dat pas na afloop van een kalenderjaar berekend kan worden of er sprake is van overschrijding van de geluidnorm voor dat jaar.
De rechtbank kan het college daarnaast volgen in het standpunt dat een tussentijdse meting geen uitkomst biedt, omdat een kortstondige meting niets zegt over een eventuele overschrijding van het jaargemiddelde. De rechtbank kan het college ook volgen in het standpunt dat handhaving middels directe immissiemetingen uitgesloten is. Uit artikel 2.6 van het RMVW volgt namelijk dat dit niet goed mogelijk is door invloed van stoorgeluid en problemen ten aanzien van representativiteit. Ten slotte volgt de rechtbank het college in het standpunt dat een steekproefsgewijze controle van het geluidvermogen, die op grond van artikel 2.6 van het RMVW mogelijk is, een zeer tijdrovende exercitie is waarvoor geen aanleiding bestaat. Het college heeft namelijk toegelicht een dergelijke meting alleen toe te passen als er twijfels bestaan over het opgegeven vermogen door de inrichtingenhouder of als er sprake is van een technisch mankement. Daarvan was geen sprake.
c. De windturbine waar eiser overlast van ondervindt, is op 1 juli 2021 voor het eerst gaan draaien. Ten tijde van het bestreden besluit op 6 juli 2022 was nog geen kalenderjaar verstreken. De rechtbank concludeert daarom dat uit de antwoorden op deelvragen a en b volgt dat niet was vast te stellen of de geluidnormen werden overschreden en of er dus sprake was van een overtreding.
Rechtelijke Instantie : Rechtbank Noord-Nederland
Datum Uitspraak : 23-05-2024
Eclinummer : ECLI:NL:RBNNE:2024:2076
Kees-Jan Mensinga
