Om te onderbouwen dat een ontgeuringsinstallatie niet voldoet aan artikel 3.103, eerste lid, onder b, van de Activiteitenregeling moet inzichtelijk worden gemaakt dat de waargenomen geur onaanvaardbaar is.
Casus
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam heeft vanwege geuroverlast aan een café (een VOF) een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van artikel 3.132 van het Activiteitenbesluit milieubeheer in samenhang met artikel 3.103 van de Activiteitenregeling. In de last staat dat het café ervoor moet zorgen dat de overtreding, die eruit bestaat dat in de inrichting voedsel wordt bereid waarvan de dampen niet op een juiste wijze worden afgevoerd, beëindigd is en blijft en dat dit kan door ofwel het bereiden van voedsel waarbij dampen vrijkomen te staken en gestaakt te houden, ofwel door ervoor te zorgen dat de dampen conform artikel 3.103, eerste lid, van de Activiteitenregeling worden afgevoerd. Bij besluit van 5 november 2020 heeft het college een verbeurde dwangsom van € 2.500 van het café ingevorderd omdat uit een constateringsrapport van 21 augustus 2020 blijkt dat de last op 14 augustus 2020 is overtreden.
Rechtsvraag
Kan uit het constateringsrapport worden opgemaakt dat de last is overtreden?
Uitspraak
Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is de Afdeling van oordeel dat het college niet voldoende heeft gemotiveerd dat de VOF ten tijde van belang de last heeft overtreden. Uit het constateringsrapport kan niet worden opgemaakt dat de in het restaurant aanwezige ontgeuringsinstallatie niet doelmatig was. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 7 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2610, heeft overwogen, moet voor de onderbouwing dat een aanwezige ontgeuringsinstallatie niet voldoet aan het bepaalde in artikel 3.103, eerste lid, aanhef en onder b van de Activiteitenregeling uit het constateringsrapport niet alleen blijken dat geur is waargenomen, maar moet het rapport ook inzichtelijk maken waarom de waargenomen geur onaanvaardbaar zou zijn. In het rapport van 21 augustus 2020 staat weliswaar dat de geur afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen duidelijk is waar te nemen, maar wordt de mate van hinderlijkheid niet inzichtelijk gemaakt. Ook in het invorderingsbesluit, dat in bezwaar is gehandhaafd, wordt niet gemotiveerd waarom de waargenomen geur onaanvaardbaar zou zijn. Het college heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd dat de VOF de last heeft overtreden, waardoor van rechtswege een dwangsom is verbeurd die mocht worden ingevorderd.
Rechtelijke Instantie : Raad van State
Datum Uitspraak : 24-12-2024
Eclinummer : ECLI:NL:RVS:2024:5416
Jelle van de Poel
