Strafrecht, zonder vergunning inzamelen, opslaan, samenvoegen en mengen van grote hoeveelheden afvalstoffen, feitelijk leidinggeven.
Casus
In een loods en silo’s bij een pluimveehouderij werden grote hoeveelheden stoffen ingezameld en/of opgeslagen en/of overgeslagen en/of bewerkt en/of verwerkt en/of samengevoegd en/of gemengd met een mengmachine. Deze stoffen waren afkomstig van verschillende, voornamelijk Duitse bedrijven. In beroep heeft de rechtbank Oost-Brabant verdachte vrijgesproken van een aantal tenlastegelegde feiten en veroordeeld terzake van het opzettelijk overtreden van de vergunningvoorschriften. Verdachte heeft hiertegen hoger beroep ingesteld.
Rechtsvragen
1. Betekent het feit dat een stof op één van de lijsten in Bijlage Aa bij de Uitvoeringsregeling meststoffenwet staat dat de stof geen afvalstof is?
2. Blijkt uit de bewijsmiddelen genoegzaam dat het bij de verworven en ingenomen stoffen om afvalstoffen gaat?
3. Kunnen verdachte en [medeverdachte 2] als feitelijk leidinggevenden worden aangemerkt?
Uitspraak
1. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de hem onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit oordeelde de rechtbank dat sprake was van de afgifte door [medeverdachte 1] van (een mix van) stoffen die vallen onder één van de onderdelen, opgenomen in Bijlage Aa bij de Uitvoeringsregeling meststoffenwet een gedraging waarop de verbodsbepaling van artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer niet van toepassing is. Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit heeft de rechtbank geoordeeld dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld of al dan niet sprake was van de afgifte door [medeverdachte 1] van stoffen die in Bijlage Aa bij de Uitvoeringsregeling meststoffenwet zijn opgenomen, met als gevolg dat het feit niet wettig en overtuigend kon worden bewezen.
De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat uit de hiervoor beschreven vaststellingen van de rechtbank (t.a.v. feit 2) dat de door [medeverdachte 1] verhandelde stoffen, zoals opgenomen in de tenlastelegging, als Bijlage Aa-stoffen kwalificeerden en (t.a.v. feit 3) dat niet kan worden uitgesloten dat de door [medeverdachte 1] verhandelde stoffen, zoals opgenomen in de tenlastelegging, als Bijlage Aa-stoffen kwalificeerden, volgt dat geen sprake was van afvalstoffen in de zin van artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zodat voor het inzamelen en/of opslaan en/of overslaan en/of bewerken en/of samenvoegen en/of mengen van deze stoffen in en bij de loods aan [adres 2] geen vergunning in de zin van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo juncto categorie 28 van Bijlage 1, onderdeel C, van het Besluit omgevingsrecht vereist was.
Die gevolgtrekking acht het hof onjuist. Vermelding van een stof op één van de lijsten in Bijlage Aa bij de Uitvoeringsregeling meststoffenwet betekent immers enkel dat het zich ontdoen van die stof door afgifte aan een ander niet onder het verbod van artikel 10.37, eerste lid, van de Wet Milieubeheer valt en dat die stof als meststof (al dan niet zijnde een eindproduct van een bewerkingsprocédé) verhandeld mag worden of bij de productie van meststoffen mag worden gebruikt (zulks voortvloeiend uit artikel 22.1, negende lid, van de Wet milieubeheer in combinatie met artikel 4 van de Meststoffenwet en artikel 4 van de Uitvoeringsregeling meststoffenwet). Het antwoord op de vraag of sprake is van (een) Bijlage Aa-stof(fen) is dus enkel van belang bij de beantwoording van de vraag of artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer is overtreden. Daar komt bij dat de vermelding van een stof op één van de lijsten in Bijlage Aa niet meebrengt dat die stof, wanneer die op grond van de Wabo en de Wet milieubeheer als afvalstof kwalificeert, zijn status van afvalstof verliest, temeer nu artikel 4 van de Uitvoeringsregeling meststoffenwet spreekt over ‘afvalstoffen of reststoffen die als meststof kunnen worden verhandeld’.
2. Het hof is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen genoegzaam blijkt dat de door (de vertegenwoordigers van) [medeverdachte 1] verworven en ingenomen stoffen, afvalstoffen in de zin van artikel 1.1 van de Wabo juncto artikel 1.1 van de Wet milieubeheer betroffen. Daarbij heeft het hof naast de in de bewijsmiddelen opgenomen verklaringen omtrent de min of meer gebruikelijke herkomst of het ontstaan van die stoffen met name in aanmerking genomen dat in een brievenbus in de loods een groot aantal vervoersdocumenten, gericht aan [medeverdachte 1], is aangetroffen, waaronder zogenoemde Bijlage II-documenten. Op grond van de Europese verordening betreffende de overbrenging van afvalstoffen (EVOA) is het verplicht om bij het vervoer van afvalstoffen een Bijlage II-document te gebruiken. Voorts heeft het hof gelet op de bewoordingen (ook Duitse) en afvalcodes (Eural-codes of codes van Bijlage IX van het Verdrag van Bazel) die op de desbetreffende vervoersdocumenten ter aanduiding van de vervoerde stoffen zijn gebruikt. Ook het feit dat tijdens de controle en doorzoeking op 12 januari 2016 op het perceel aan [adres 2] een Duitse vrachtauto met aanhanger stond, beide voorzien van een ‘A’-plaat (i.e. een plaat die in Duitsland bij het vervoer van afval verplicht op het voertuig moet worden aangebracht), waarvan de lading, zoals bleek uit de aanwezige vervoersdocumenten, diende te worden gelost bij [medeverdachte 1] locatie [adres 2], acht het hof van belang bij de vaststelling dat door (de vertegenwoordigers van) [medeverdachte 1] afvalstoffen werden verworven en ingenomen. Uit het voorgaande blijkt voor het hof gevoeglijk dat de houder van wie de verdachte de voorwerpen heeft betrokken zich van de desbetreffende voorwerpen heeft ontdaan of voornemens was zich daarvan te ontdoen.
Van belang in dat verband is voorts dat uit het dossier niet is gebleken dat hergebruik van de door de verdachte betrokken stoffen zeker was, noch dat door de houder van wie [medeverdachte 1] de voorwerpen heeft betrokken, is aangetoond dat hergebruik zeker was door ervoor te zorgen dat eerst een daartoe noodzakelijke controle heeft plaatsgevonden en een benodigde handeling voor de nuttige toepassing of reparatie is benut of verricht.
3. Het hof heeft hiervoor reeds vastgesteld dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2], ten tijde van het tenlastegelegde, beiden via [bedrijf 1] middellijk bestuurder en aandeelhouder waren van [medeverdachte 1] De verdachte heeft verklaard dat hij samen met medeverdachte [medeverdachte 2] de dagelijkse leiding had in de onderneming. Samen deelden de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] de zeggenschap over en verantwoordelijkheid voor de activiteiten die binnen de onderneming werden verricht. [medeverdachte 3], die in de loods op zijn perceel aan [adres 2] de feitelijke werkzaamheden voor [medeverdachte 1] uitvoerde, deed dit telkens in opdracht van één van de verdachten. Door medeverdachte [medeverdachte 2] is verklaard dat de verdachte en hijzelf binnen [medeverdachte 1] een gelijke beslissingsbevoegdheid hadden.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat zowel de verdachte als medeverdachte [medeverdachte 2] niet alleen op de hoogte waren van de binnen de inrichting in het voorste gedeelte van loods 4 op het perceel aan [adres 2] ontplooide (strafbare) gedragingen, maar dat zij deze gedragingen ook aanstuurden en het bovendien in hun macht hadden de gedragingen te beëindigen. Om die reden kunnen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] als feitelijk leidinggevenden van de strafbare gedragingen van de rechtspersoon worden aangemerkt.
Rechtelijke Instantie : Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
Datum Uitspraak : 04-10-2024
Eclinummer : ECLI:NL:GHSHE:2024:3147
Jelle van de Poel
