Site icoon STAB

Bestemmingsplan/Nijmegen

Bevi-inrichting niet langer als zodanig bestemd vanwege externe veiligheidsrisico’s van haar tankwagentransport van butaan en propaan.

Casus

De raad heeft voor de herontwikkeling van het Winkelsteeggebied een bestemmingsplan vastgesteld voor de realisatie van een woon-werkgebied. Antargaz is gevestigd in het plangebied en exploiteert een opslagdepot voor propaan. Antargaz maakt voor het transport van propaan en butaan gebruik van een weg die is aangewezen als weggedeelte waarover gevaarlijke stoffen mogen worden vervoerd (hierna: de transportroute), die loopt naar haar bedrijfslocatie. De herontwikkeling van het Winkelsteeggebied tot een woon-werkgebied en de ligging daarvan aan de transportroute voor gevaarlijke stoffen zijn de voornaamste aanleiding geweest voor de raad voor een beperking van de gebruiksmogelijkheden van Antargaz.

Antargaz kan zich er niet mee verenigen dat haar Bevi-inrichting (een inrichting als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen) als gevolg van het bestemmingsplan niet langer als zodanig is bestemd. Het beroep van Antargaz is gericht tegen het voorziene planologische regime van haar percelen.

STAB heeft in deze kwestie een deskundigenbericht uitgebracht.

Rechtsvragen

1. Had in de berekeningen van het groepsrisico uitgegaan mogen worden van het transport met bulktankwagens van 50 m3?
2. Heeft de raad gekeken naar andere mogelijkheden – naast de verplaatsing van het bedrijf – bij de beoordeling van de vraag of het groepsrisico kan worden verlaagd.

Uitspraak

1. Over het betoog van Antargaz dat de berekende groepsrisico’s – zowel in de referentiesituatie als in de toekomstige situatie – zijn overschat, omdat er bij de berekening in voornoemde rapporten ten onrechte van is uitgegaan dat alle transportbewegingen van Antargaz bestaan uit bulkwagens met een inhoud van 50 m3, overweegt de Afdeling het volgende. In voornoemde rapporten is toepassing gegeven aan de rekenmethodiek RBM II. RBM II is een rekenmethodiek voor transportrisico’s waarmee kan worden berekend of sprake is van een overschrijding of dreigende overschrijding van een risicoplafond. Hoewel de transportroute geen deel uitmaakt van het Basisnet, dient op grond van artikel 8, vierde lid, van het Besluit externe veiligheid transportroutes in samenhang bezien met artikel 15, eerste lid, van de Regeling basisnet, het groepsrisico te worden berekend door toepassing van de rekenmethodiek transportrisico’s, waaronder RBM II. Uit het deskundigenbericht volgt dat het RBM II voorschrijft om met tankwagens met een inhoud van 50 m3 te rekenen en dat binnen dit programma geen mogelijkheden bestaan om hiervan af te wijken. In de enkele stelling van Antargaz dat zij haar leveringen aan particulieren hoofdzakelijk verricht met tankwagens met een inhoud kleiner dan 50 m3, ziet de Afdeling, wat daar ook van zij, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de berekening van het groepsrisico op de transportroute – naast de wettelijk voorgeschreven RBM II – een alternatieve rekenmethodiek had moeten toepassen voor de berekening van het groepsrisico. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit het deskundigenbericht volgt dat het gas aan Antargaz wordt geleverd met bulkwagens van derden met een inhoud van ongeveer 50 m3, hetgeen Antargaz niet heeft bestreden. Daarnaast is niet uitgesloten dat Antargaz op enig moment voor de (door)levering aan klanten ook hoofdzakelijk gebruik gaat maken van tankwagens met een inhoud van ongeveer 50 m3. De omgevingsvergunning van Antargaz van 12 augustus 2022 voor het op- en overslaan van propaan en butaan en het vullen van gasflessen staat daar bijvoorbeeld niet aan in de weg. Dat de raad om die reden het zogenoemde ‘worst case’-scenario van tankwagens met een inhoud van ongeveer 50 m3 als uitgangspunt heeft genomen bij de berekeningen van het groepsrisico acht de Afdeling in dit geval dan ook niet onjuist. In wat Antargaz heeft aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet mocht uitgaan van de in voornoemde rapporten berekende groepsrisico’s.

2. Naar aanleiding van het betoog van Antargaz dat de raad zich in het kader van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb onvoldoende vergewist heeft van de daadwerkelijke noodzaak van de verplaatsing van Antargaz, en dat het groepsrisico volgens haar ook kan worden verlaagd door alternatieve maatregelen, overweegt de Afdeling het volgende. In paragraaf 6.6.1.3 van de plantoelichting wordt uitgebreid ingegaan op de mogelijkheden die de raad – naast de verplaatsing van Antargaz – heeft betrokken bij beoordeling van de vraag of het groepsrisico kan worden verlaagd. Voorbeelden hiervan zijn de verlegging van de transportroute voor gevaarlijke stoffen en de verschillende maatregelen aan de bron en/of aan de woningen. De raad is gemotiveerd tot het oordeel gekomen dat deze maatregelen, of een combinatie daarvan, de noodzaak van verplaatsing van Antargaz in het licht van een goede ruimtelijke ordening niet wegnemen en daarmee niet geschikt zijn. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad daarmee de noodzaak van de verplaatsing van Antargaz voldoende aangetoond. Het betoog van Antargaz dat de raad onvoldoende heeft onderzocht in hoeverre het groepsrisico met minder dan 1.500 transportbewegingen per jaar aan tankwagens met brandbare gassen van Antargaz tot een aanvaardbaar niveau kan worden gereduceerd, volgt de Afdeling niet. In paragraaf 6.6.1.3 van de plantoelichting staat dat het vervoer van en naar Antargaz op 1.500 bewegingen per jaar wordt geschat. Antargaz heeft haar betwisting van deze stellingname van de raad in de plantoelichting niet met concrete gegevens gestaafd.

Rechtelijke Instantie : Raad van State
Datum Uitspraak : 12-02-2025
Eclinummer : ECLI:NL:RVS:2025:535
Peter-Arjen Boers

Mobiele versie afsluiten