Site icoon STAB

Jurisprudentie – week 26

Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* ABRvS 25 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2855: Awb, Wro, Wabo, Wnb; bpl, omgevingsvergunning bouwen, windpark, vijf windturbines, herstelbesluit, Verdrag van Aarhus, voorbereidingsprocedure, rol van de gebiedsraad, belangenverstrengeling, vooringenomenheid, onafhankelijkheid deskundigenrapporten, draagvlak, solitaire windmolens, waardevol open gebied, structuurvisie, MER, alternatievenonderzoek, voorkeursalternatief, geluid, jaargemiddelde dosismaat, dosishinderrelatie, afstandsnorm, handhaafbaarheid, berekeningen oplegnotitie geluid, definitie Lden, reken- en meetmethode, laagfrequent geluid, tonaalgeluid, afweging geluidnorm, slagschaduw, externe veiligheid, ijsafslag en -afworp, laagvliegzone, helihaven, cumulatieve geluidbelasting, uitzicht, financiële belangen, soortenbescherming, planschade, evidente privaatrechtelijke belemmering
* ABRvS 25 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2857: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, hotel, 205 kamers en appartementen, restaurant, wellness, fitness, parkeervoorzieningen, ontbreken stukken, terinzagelegging, bezonning, verkeershinder, luchtkwaliteit, geluidsoverlast, parkeren, gemeentelijk beleid, windhinder, winddruk, zwembad (Rb Zeeland-West-Brabant)
* ABRvS 25 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2833: Awb, Wro; verzoek herziening bpl, paraplubestemmingsplan, wonen, parkeren, onafhankelijke en onpartijdige behandeling, geen nieuwe feiten of omstandigheden
* ABRvS 25 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2834: Awb, Wabo; verzoek herziening omgevingsvergunning bouwen, wijzigen gevelindelingen, erker, misbruik machtspositie, criteria herziening, geen nieuwe feiten of omstandigheden
* ABRvS 25 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2835: Awb, Wabo; verzoek herziening omgevingsvergunning bouwen, verbouwen en vergroten woning, criteria herziening, geen nieuwe feiten of omstandigheden
* ABRvS 25 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2831: Awb, Wro; verzoek herziening bpl, criteria herziening, geen nieuwe feiten of omstandigheden
* ABRvS 25 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2829: Awb, Wro; bpl, 1 woning, verlaging toegestane milieucategorie, zand- en grindhandel, huidig bestaand gebruik, opslag- en transportactiviteiten
* ABRvS 25 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2852: Awb; afwijzing verzoek nadeelcompensatie, onttrekkingsbesluit, uitweg, voorzienbaarheid nadelige invloed, verlies kasoppervlak, schade geen gevolg van besluit, beperking eigendomsrecht (Rb Limburg 22/1900)
* ABRvS 25 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2847: Awb, Wabo; omgevingsvergunning tijdelijk gebruik percelen, hondenuitlaatservice, tijdelijk hekwerk, toetsing aan omgevingsverordening, geen waarde hechten aan illegaal gebruik, alternatieve locaties, deskundigenadvies, belangenafweging (Rb Oost-Brabant 22/329, 22/334, 22/335 en 22/337)
* ABRvS 25 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2845: Awb, Wro; afwijzing tegemoetkoming planschade, voorzienbaarheid, wijziging bestemming naar agrarisch, nieuw ruimtebeslag, nieuwvesting, passieve risicoaanvaarding
* ABRvS 25 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2858: Awb, Wabo, Wnb; omgevingsvergunning bouwen, uitbreiden speelplaats, kabelbaan, speelcombinatie, rechtszekerheid, toepassing planregels, zorgvuldigheidsvereiste, volledigheid belangenafweging, gevolgen Natura-2000, tijdelijkheid (Rb Oost-Brabant 22/565)
* ABRvS 25 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2840: Awb, Wro; bpl, actualisatie, autobeklederij, toegestane milieucategorie, bouwmogelijkheden, ontsluiting, attentiegebied ecologische hoofdstructuur, geurzone, tussenuitspraak
* ABRvS 25 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2861: Awb, Wro; afwijzing verzoek herziening bpl, bedrijventerrein, branchbeperkende regels, verhuurbaarheid, Dienstenrichtlijn, noodzakelijkheid, geschiktheid regels
* ABRvS 25 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2849: Awb, Wro; bpl, wijzigingsplan, 1 woning, stedenbouwkundig beeld, positie bouwvlak, oppervlakte gerealiseerde bebouwing, dakvormen, aangrenzende waarden, nadere eisen, antidubbelregel
* ABRvS 25 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2848: Awb, Wro; bpl, darkstores, flitsbezorging, discriminatieverbod, evenredigheid, geschiktheid, effectiviteit, minder beperkende maatregelen, gelijkheidsbeginsel, Dienstenrichtlijn
* ABRvS 25 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2853: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, zeven appartementen, 12 herenhuizen, commerciële ruimten, gebruik begane grondlaag, parkeren, niet-ingrijpende herinrichting openbaar gebied, wijziging van ondergeschikte aard, onttrekking aan openbaarheid, watercompensatie, verklaring van geen bedenkingen, mer-beoordeling, ladder duurzame verstedelijking, parkeerbehoefte, woonbeleid, tussenuitspraak (Rb Midden-Nederland 21/4730)
* Rechtbank Den Haag 25 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10993: Awb, Wnb; natuurvergunning, renovatiewerkzaamheden Binnenhof, realisatiefase, gebruiksfase, AERIUS-berekening, renovatie en gebruik/onlosmakelijk met elkaar verbonden, referentiesituatie, mitigerende maatregel, intern salderen, rechtspraakwijziging, ongewijzigde voortzetting van één-en-hetzelfde project, continuïteit en identiteit, standaardonderdeel, passende beoordeling, Natuurdoelanalyses, Ecologische Autoriteit, beste beschikbare wetenschappelijke kennis, voorschriften
* Rechtbank Den Haag 25 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10988: Awb, Wnb; handhavingsverzoek, renovatiewerkzaamheden Binnenhof, niet tijdig nemen besluit, vaststellen verschuldigdheid en hoogte dwangsom/bij beschikking, reactie ingebrekestelling, prematuur, verlengen beslistermijn, vaststellen, partiële bouwvrijstelling, complexe berekeningen, veelheid werkzaamheden, groot beroep adviesbureaus, bijzondere omstandigheden, geen dwangsom
* Rechtbank Den Haag 25 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10991: Awb, Wnb; afwijzing handhavingsverzoek, renovatiewerkzaamheden Binnenhof, partiële bouwvrijstelling, natuurvergunning benodigd, overtreding, beginselplicht tot handhaving, evenredigheidsbeginsel, Harderwijk-uitspraak, geen concreet zicht op legalisatie, afzien handhavend optreden, AERIUS-berekening, Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO), gevolgen overtreding beperkt, geringe, tijdelijke depositie, elektrificatie van gereedschap en werktuigen, vertraging, grote financiële schade, handhavend optreden onevenredig
* Gerechtshof Den Haag 24 juni 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1162, Gerechtshof Den Haag 24 juni 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1161 en Gerechtshof Den Haag 24 juni 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1160: BW, Wet kolenverbod; rechtmatigheid, elektriciteitscentrale, schadevergoeding door verbod, recht op eigendom, ernst van inbreuk, voorzienbaarheid, onderzoeksplicht, hardheidsclausule, fair balance-vereiste
* ABRvS 20 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2753: Awb, Wabo; vovo, handhaving, last onder dwangsom, staken gebruik pand als sportschool, geluidsoverlast, strijd met bpl, begrip dienstverlening in bpl (Rb Amsterdam 25/1989, 25/1887, 25/1832 en 25/2014)
* Rechtbank Noord-Nederland 20 juni 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:2419: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, garage, parkeren, relativiteitsvereiste, archeologisch onderzoek, welstandsadvies
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19 juni 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:3825: Awb, Wabo, Wnb, Chw; omgevingsvergunning bouwen, 98 flexwoningen, zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang, tijdelijkheid 15 jaar, parkeernorm, parkeren auto’s, parkeren fietsen, milieueffectrapport, ladder voor duurzame verstedelijking, nieuwe stedelijke ontwikkeling, behoefte aan ontwikkeling, bestaand stedelijk gebied, locatiekeuze, participatie, stedenbouwkundige inpassing, geluid parkeerterrein en warmtepompen, ecologische verbindingszone, leefbaarheid omgeving, aansluiting stroomnet, speelveld, verkeer, relativiteitsvereiste, beperkingen sportvereniging, gevelisolatie, water, licht, bestuurlijke lus
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19 juni 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:3824: Awb, Wabo, Wnb; omgevingsvergunning kappen, vellen 9 bomen, alternatieven, herplantplicht, relativiteitsvereiste, zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang
* Rechtbank Noord-Holland 19 juni 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:6709: Awb, Wabo, Wnb; weigering omgevingsvergunning bouwen, melkveestal, strijd met bpl, weigeren binnenplanse afwijkingsmogelijkheid, rechtszekerheid, ammoniakemissie, significante verstorende effecten, verouderde beoordeling
* Rechtbank Gelderland 19 juni 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:4661: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning bouwen, reclamezuil, wijzigen permanente vergunning naar tijdelijke vergunning, wijziging van ondergeschikte aard, gevaar, weigeringsgrond geen deel toetsingskader
* Rechtbank Gelderland 19 juni 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:4701: Awb, Wro; tegemoetkoming planschade, gelijkheidsbeginsel, ander deskundigenrapport, vergelijkbaar geval, lagere vergoeding, eerder uitgangspunt verkeerd
* Rechtbank Gelderland 19 juni 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:4666: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning aanbrengen verharding en stelconplaten, legaliseren, verkoop diervoer, strijd met bpl, verkeersveiligheid, algemeen belang, brandweeroefeningen, openheid, precedentwerking
Rechtbank Noord-Holland 18 juni 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:6667: Awb, Ow; vovo, handhaving, last onder dwangsom, beëindigen lesgeven in bijgebouw, strijd met omgevingsplan, afwikkeling verkeer, parkeren, overeenkomst parkeerplaatsgebruik, overtreding onvoldoende duidelijk
* Rechtbank Noord-Nederland 18 juni 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:2460: Awb, Wabo; omgevingsvergunning plaatsen 2 windturbines, belanghebbendheid, afstandscriterium, geen gevolgen van enige betekenis, aangrenzend perceel
* Rechtbank Noord-Holland 17 juni 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:6719: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, legalisatie, slopen/wijzigen gemeentelijk monument, belangenafweging, uiterlijk verschijningsvorm, afwijken advies erfgoedcommissie, zorgvuldigheidsbeginsel
* Rechtbank Noord-Holland 17 juni 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:6882: Awb, Wnb; ontheffing, vangen en doden van de kauw en de zwarte kraai met gebruikmaking van de vangkooi, de kastval en het (luchtdruk)geweer, artikel 6:19 Awb, andere bevredigende op, lossing, beheer- en inrichtingsmaatregelen, predatiebeheerplan, preventieve maatregelen, bescherming weidevogels, bewijsmaatstaf, aannemelijkheid, wetgever, “aantonen”, periode, populatiebeheer, staat van instandhouding
* Rechtbank Rotterdam 16 juni 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:7193: Awb, Waterwet; legger, leggerkaarten, de leggertabellen en de toelichting op de legger, gehele beheergebied, 6:19 Awb, Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, waterbergingsgebied, beschermingszone, beperkte uitleg, eerdere vaststelling herhaald, ambtshalve, maat stuw, vermogensschade en eigendomsschade, wijziging waterbreedte
* Rechtbank Rotterdam 16 juni 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:7423: Awb, Waterwet; legger, legger waterstaatswerken, Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, waterbergingsgebied, beschermingszone, beperkte uitleg, eerdere vaststelling herhaald, ambtshalve, peilscheiding, kruinhoogte, nieuw kaartmateriaal, projectplan, tracé, onderhoudswerkzaamheden, normatieve toestand waterstaatswerk
* Rechtbank Gelderland 16 juni 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:4540: Awb; handhaving, last onder dwangsom, heroverweging in bezwaar, opslag afval, strijd met bpl, hoor en wederhoor, lengte begunstigingstermijn, hoogte dwangsom
* Rechtbank Gelderland 16 juni 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:4516: Awb, Wabo; handhaving, last onder dwangsom, beëindiging illegale bewoning bedrijfspand, niet onder overgangsrecht, strijd met bpl
* Rechtbank Overijssel 16 juni 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:3805: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, gestapelde betonblokken en grindpalen, erfafscheiding, niet bevoegd, vergunningplichtig
* Rechtbank Overijssel 16 juni 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:3813: Awb, Gmw; weigering exploitatievergunning, terras op looppad, dienstenrichtlijn, gemeentelijk beleid, schaarse vergunningen, gelijkheidsbeginsel
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16 juni 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:3768: Awb, Gmw; vovo, terrasvergunning, geen spoedeisend belang, geen blijvende onomkeerbare situatie, geluidsoverlast, zwerfafval, verkeersveiligheid, drukte weg
* Rechtbank Rotterdam 13 juni 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:7477: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, afwijzing verzoek invordering, tuincentrum, vermeende strijd bpl, detailhandelsactiviteiten, overtreding, overgangsrecht, peildatum, krantenberichten, luchtfoto’s, intensiveren strijdige gebruik, evenredigheid handhavend optreden, Harderwijk-uitspraak, detailhandel abusievelijk wegbestemd, algemeen belang handhaving, feitelijke situatie, juridische situatie, verlengen begunstigingstermijn, bomen en planten niet verplaatsen
* Rechtbank Rotterdam 13 juni 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:7478: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, vermeende strijd bpl, opslaan spullen, tuincentrum, overtreding/niet in geschil, evenredigheid, Harderwijk-uitspraak, bijzondere omstandigheden, geen concreet zicht op legalisatie, geen ontwerpbpl, niet abusievelijk wegbestemd, belang eiser, gevolgen van enige betekenis/belanghebbende, ontvankelijkheid, belanghebbende, wonen naast tuincentrum, ondervinden overlast
* Rechtbank Rotterdam 13 juni 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:7191: Awb, Wabo, Wgv; omgevingsvergunning bouwen, verandering varkenshouderij, ambtshalve wijziging voorschriften, weigering regenkappen luchtwassers, wijzigen dierindeling, afwijken bpl, verbinden geurnorm, BBT, exclusieve werking Wgv, ammoniak, huisvestingssystemen, economische haalbaarheid, goedkeuringseis geurbeheersplan
* Rechtbank Limburg 13 juni 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:5631: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning tijdelijk bewoning voormalige stal, bouwen overkapping, verharding, strijd met bpl, onduidelijkheid termijn, renovatie woning, nieuwbouw
* Rechtbank Gelderland 13 juni 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:4508: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning bouwen, uitbreiden bedrijfsbebouwing, strijd met bpl, wijziging bpl gedurende procedure, ruimtelijke inpasbaarheid, verdere verdichting, gelijkheidsbeginsel
* Rechtbank Rotterdam 12 juni 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:7253: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, aanleggen voorzieningen houden paarden, paden, afgraven en aanleggen drainage, bpl bevat geen weigeringsgronden
Rechtbank Den Haag 12 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10183: Awb, Ow; vovo, afwijzing omgevingsvergunning bouwen, verbouwen bedrijfsruimte naar kinderdagverblijf, realiseren overkapping, hekwerk, geluid, toetspunten, cumulatie, maximale planologische invulling, luifel, parkeereis, verkeersveiligheid, gelijkheidsbeginsel
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11 juni 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:3623: Awb; beleidsregel, mogelijkheden bopa arbeidsmigranten, uitbreiding aantal arbeidsmigranten per adres, geen sprake van besluit
* Rechtbank Midden-Nederland 11 juni 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2803: Awb, Waterwet, Chw; projectplan, damwand, hardhout of beton, onjuiste tekening, verouderde vergunning, feitelijk gebruik
* Rechtbank Den Haag 10 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10059: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning bouwen, garage aan woning, mandaat, zomerhuisjes, bijbehorende bouwwerken, bepaling oppervlakte, hardheidsclausule, evenredigheidsbeginsel
* Rechtbank Noord-Nederland 6 juni 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:2467: Awb, TwG; verzoek om herziening, mijnbouwschade, geen nieuwe feiten of omstandigheden, wijziging beleid, regeling daadwerkelijk herstel
* Rechtbank Noord-Nederland 6 juni 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:2468: Awb, TwG; mijnbouwschade, woning buiten effectgebied, bewijsvermoeden niet van toepassing, causaal verband niet aannemelijk
* Rechtbank Amsterdam 6 juni 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:3848: Sr, Wed, Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden; verordening (EG) 1107/2009, sportvelden en/of de fairway van een golfbaan, toelatingsbesluit, wettelijk gebruiksvoorschrift, voedergrasland, NVWA, strafrechtelijke vervolging, niet-ontvankelijkverklaring OM, gepubliceerde handhavingsdocumenten, gerechtvaardigd vertrouwen, niet zal worden vervolgd, memorie van toelichting bij de Wgb, bestuurlijke boete/uitgangspunt, Handhavingsdocument voor de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biocide, Sanctiestrategie, twee verschillende rechtspersonen, afzonderlijk beoordelen, OM/niet-ontvankelijk
* Rechtbank Amsterdam 6 juni 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:3852: Sr, Wed, Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden; factuur, boomgaardspuit, voorschriften gebruik gewasbeschermingsmiddelen, spuitmachine, driftreductieklasse, NVWA, strafrechtelijke vervolging, niet-ontvankelijkverklaring OM, gepubliceerde handhavingsdocumenten, gerechtvaardigd vertrouwen, niet zal worden vervolgd, memorie van toelichting bij de Wgb, bestuurlijke boete/uitgangspunt, Handhavingsdocument voor de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biocide, Sanctiestrategie, valsheid in geschrifte, strafrechtelijke verantwoordelijkheid rechtspersonen en natuurlijke personen, opportuniteitsbeginsel, toerekenen gedragingen, omstandigheden van het geval, aard van de gedraging, verricht in de sfeer van de rechtspersoon, dienstig, beschikken, aanvaard, bewijsmiddelen, bewezenverklaring, strafbaarheid feiten, strafbaarheid verdachte, vormverzuim, zwijgrecht, cautieplicht, rechtsgevolg, belang geschonden voorschrift, ernst verzuim en nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt, jaarcijfers, winstmarges beperkt, overschrijding redelijke termijn, geldboete
Rechtbank Midden-Nederland 3 juni 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2678: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning bouwen, bouwwerkzaamheden niet onomkeerbaar, geen spoedeisend belang
* Rechtbank Noord-Nederland 16 mei 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:2391 en Rechtbank Noord-Nederland 16 mei 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:2414: Wet inrichting landelijk gebied; indeling in ruilklasse na bodemonderzoek, bepaling lutumgehalte zonder laboratoriumanalyse, marges tussen klei en zavel, nauwkeurigheid bepaling
* Rechtbank Amsterdam 7 maart 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:1432: Awb, Wbr; weigering twee Wbr-vergunningen, aanleggen, behouden, onderhouden 2 laadpalen, tijdelijke beleidsregel, relatieve bevoegdheid rechtbank, vertrouwensbeginsel, afwijken beleidsregel, hoorplicht
* Rechtbank Amsterdam 19 februari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:1022: Awb; niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tiental beschikkingen, termijnoverschrijding, verschoonbaar, samenhang civiele procedure, zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk, niet verwijtbaar
* Rechtbank Amsterdam 18 februari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:974: Awb, Gmw; vovo, afwijzing exploitatievergunning, verzoek behandelen alsof in bezit van vergunning, overname restaurant, onverwijlde spoed, ontruiming, onevenredig nadelige invloed, klachten omwonenden, proeftijd

¶ = uitspraak waarop de Omgevingswet materieel van toepassing is (dus niet de uitspraken die vallen onder het overgangsrecht)
# = betrokkenheid STAB
= (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* ABRvS 25 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2855: Awb, Wro, Wabo, Wnb; bpl, omgevingsvergunning bouwen, windpark, vijf windturbines, herstelbesluit, Verdrag van Aarhus, voorbereidingsprocedure, rol van de gebiedsraad, belangenverstrengeling, vooringenomenheid, onafhankelijkheid deskundigenrapporten, draagvlak, solitaire windmolens, waardevol open gebied, structuurvisie, MER, alternatievenonderzoek, voorkeursalternatief, geluid, jaargemiddelde dosismaat, dosishinderrelatie, afstandsnorm, handhaafbaarheid, berekeningen oplegnotitie geluid, definitie Lden, reken- en meetmethode, laagfrequent geluid, tonaalgeluid, afweging geluidnorm, slagschaduw, externe veiligheid, ijsafslag en -afworp, laagvliegzone, helihaven, cumulatieve geluidbelasting, uitzicht, financiële belangen, soortenbescherming, planschade, evidente privaatrechtelijke belemmering
18.2. Uit artikel 7.7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wm volgt dat een plan-MER een beschrijving moet bevatten van de voorgenomen activiteit en de alternatieven daarvoor die redelijkerwijs in beschouwing dienen te worden genomen. De keuze voor de in beschouwing genomen alternatieven moet worden gemotiveerd. Uit onderdeel e van deze bepaling volgt dat in het plan-MER de gevolgen voor het milieu van de voorgenomen activiteit en de beschreven alternatieven moeten worden beschreven. Vergelijkbare eisen gelden voor een besluit-MER, zo volgt uit artikel 7.23, eerste lid, aanhef en onder b en d, van de Wm.
18.3. De Afdeling stelt voorop dat het antwoord op de vraag welke alternatieven in een MER redelijkerwijs in beschouwing moeten worden genomen, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Pas wanneer met de uitvoering van een bepaald alternatief kan worden beantwoord aan de doelstelling van de initiatiefnemer, kan sprake zijn van een redelijkerwijs in ogenschouw te nemen alternatief (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1250, onder 10.2).
18.5. Over het betoog van Rondeel Ewijk B.V. dat ten onrechte niet is gekeken naar alternatieve manieren om (duurzame) energie op te wekken overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat in het alternatievenonderzoek voornamelijk is gekeken naar alternatieven met kleinere windturbines. Een zonnepark komt volgens de raad niet in de plaats van de beoogde windturbines, maar in aanvulling daarop, zodat aan de energiedoelstellingen kan worden voldaan. Een andere alternatieve manier om energie op te wekken is niet onderzocht, omdat dit niet beantwoordt aan de projectdoelstelling. Dit volgt ook uit onder meer de paragrafen 2.1, 4.6 en 7.2 van het MER. In paragraaf 7.1 staat dat omdat met het project invulling is gegeven aan het gemeentelijk beleid voor duurzame energie, in het combiMER geen onderzoek is verricht naar overige vormen van opwekking van duurzame energie. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanknopingspunten voor de conclusie dat ten onrechte andere vormen van energieopwekking in het combiMER buiten beschouwing zijn gelaten. Daarbij heeft de raad doorslaggevend mogen achten dat zulke vormen van energieopwekking niet beantwoorden aan de projectdoelstelling. Alleen de omstandigheid dat appellanten een andere keuze voor de wijze van opwekking van duurzame energie voorstaan, betekent op zichzelf bezien nog niet dat de door de raad gemaakte afweging onzorgvuldig of onredelijk is.
19.1. Artikel 7.14, eerste lid, aanhef, en onder c, van de Wm luidde ten tijde van belang:
“1. In of bij het plan wordt in ieder geval vermeld:
c. hetgeen is overwogen omtrent de bij het ontwerp van het plan terzake van het milieueffectrapport naar voren gebrachte zienswijzen;”.
19.3. De Afdeling overweegt dat artikel 7.14, eerste lid, van de Wm, zoals dat gold op het moment van de vaststelling van het herstelbesluit, de verplichting bevatte voor het bevoegd gezag om bij de vaststelling van het plan-mer-plichtige plan te vermelden op welke wijze rekening is gehouden met de in het plan-MER beschreven milieugevolgen en wat is overwogen met betrekking tot de in dat rapport beschreven alternatieven, de naar voren gebrachte zienswijzen en het door de Commissie mer uitgebrachte toetsingsadvies. Met de expliciete motiveringsplicht wordt verzekerd dat het bevoegd gezag de gegevens over de gevolgen voor het milieu van een voorgenomen activiteit daadwerkelijk in de planvorming meeweegt. Alleen de omstandigheid dat het plan materieel is gewijzigd ten opzichte van het ontwerp, is naar het oordeel van de Afdeling geen omstandigheid die tot de verplichting leidt om opnieuw de mogelijkheid te bieden tot het geven van zienswijzen. Dat de inhoudelijke, op de windturbines van toepassing zijnde milieunormen zijn gewijzigd ten opzichte van het ontwerp leidt ook niet tot deze conclusie. In de nota van beantwoording zienswijzen is naar het oordeel van de Afdeling toereikend gemotiveerd wat met de zienswijzen over het combiMER is gedaan. Hiermee is voldaan aan de in artikel 7.14, eerste lid, aanhef, en onder c, van de Wm opgenomen verplichting. Het betoog slaagt niet.
20.2. In wat Rondeel B.V. aanvoert, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de raad redelijkerwijs niet voor een gecombineerd plan- en project-MER heeft mogen kiezen. De Wm verzet zich daar niet tegen. (…)
42.3. De Afdeling stelt vast dat uit de rapporten van Adecs AirInfra volgt dat het mogelijk is om zowel het windpark als de helihaven in elkaars nabijheid te laten functioneren. Maar hiervoor is het nodig om enkele windturbines bij bepaalde windomstandigheden stil te zetten, zodat er geen verstoringen voor de helihaven optreden. Daarvoor moet, zoals blijkt uit de rapporten van Adecs AirInfra, nadere afstemming plaatsvinden met [appellant sub 4] over het gebruik van de helihaven en moet een technische voorziening worden gerealiseerd waarmee de windturbines kunnen worden stilgezet. De raad heeft aangegeven dat het in dit licht aannemelijk is dat een Verklaring Veilig Gebruik Luchtruim door de ILT kan worden afgegeven. Maar de Afdeling is er onvoldoende van overtuigd geraakt of, in het licht van het vorenstaande en wat de raad op de zitting heeft verklaard, aannemelijk is dat de benodigde verklaring door de ILT kan worden afgegeven. Daarvoor acht de Afdeling het relevant dat de raad nog geen eerdere ervaringen heeft met het aanvragen van zo’n verklaring, dat niet precies duidelijk is wanneer en onder welke omstandigheden de ILT een verklaring afgeeft, dat er nog geen afstemming heeft plaatsgevonden met [appellant sub 4] en dat het onduidelijk is of een technische voorziening gerealiseerd kan worden. In dit licht heeft de raad onvoldoende aannemelijk kunnen achten dat het bepaalde in artikel 4.4.2 van de planregels op voorhand niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plan. (…)

* ABRvS 25 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2853: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, zeven appartementen, 12 herenhuizen, commerciële ruimten, gebruik begane grondlaag, parkeren, niet-ingrijpende herinrichting openbaar gebied, wijziging van ondergeschikte aard, onttrekking aan openbaarheid, watercompensatie, verklaring van geen bedenkingen, mer-beoordeling, ladder duurzame verstedelijking, parkeerbehoefte, woonbeleid, tussenuitspraak (Rb Midden-Nederland 21/4730)
7.1. Bij toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan moet niet alleen worden beoordeeld of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, maar ook of het bouwwerk daadwerkelijk met het oog op het toegestane gebruik wordt gebouwd. Dit houdt in dat een bouwwerk in strijd is met de bestemming als redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan de doeleinden die de bestemming toestaat.
7.2. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat op grond van de plattegronden die deel uitmaken van de omgevingsvergunning redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend, of in elk geval mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan de doeleinden die de bestemming toestaat. Naar het oordeel van de Afdeling valt redelijkerwijs aan te nemen dat de benedenverdieping van de woningen met bouwnummers 12 tot en met 15 gebruikt zal worden ten behoeve van de woningen op de verdiepingen. De Afdeling overweegt dat het bij een constructie met commerciële functies op de begane grondlaag en wonen op de bovenste bouwlagen onontkoombaar is dat een ondergeschikt deel van de begane grondlaag zal worden gebruikt ten behoeve van de bereikbaarheid van de woningen op de verdiepingen, en dat de aanwezigheid van in ieder geval een voordeur, hal en trap inherent is aan een constructie met commerciële functies op de begane grondlaag en wonen op de bovenste bouwlagen. Naar het oordeel van de Afdeling kan in dit geval op basis van de plattegronden bij de omgevingsvergunning echter niet gesproken worden van een indeling waarbij een ondergeschikt deel van de begane grondlaag wordt gebruikt ten behoeve van wonen. (…) De Afdeling is eveneens met de rechtbank van oordeel dat het op grond van de plattegronden bij de omgevingsvergunning aannemelijk is dat de begane grondlaag van de woning met bouwnummer 16 voor de woning op de overige bouwlagen zal worden gebruikt. (…) Over het betoog van [appellant B] dat de berging wel op de begane grondlaag moet zijn gesitueerd, omdat die op grond van artikel 4.31, derde lid, van het Bouwbesluit 2012 vanaf de openbare weg rechtstreeks bereikbaar dient te zijn, overweegt de Afdeling dat de vraag of het Bouwbesluit 2012 dwingt tot bouwen van de berging op de begane grond niet van belang is. Zelfs als dat zo zou zijn, zou dat er niet aan afdoen dat het gebruik van de begane grondlaag als berging bij de woningen in dit geval in strijd is met het bestemmingsplan. (…)
8.1. Nog daargelaten de vraag of, en zo ja voor welk onderdeel van de aanvraag om een omgevingsvergunning, het college op basis van de in de Wabo neergelegde toetsingsbepalingen kon toekomen aan een afweging van belangen, ziet de Afdeling aanleiding om eerst vast te stellen of van het door [appellant A] gestelde belang, dat hij stelt te ontlenen aan een privaatrechtelijke overeenkomst met de gemeente, wel sprake is, zoals de rechtbank in de bestreden uitspraak heeft aangenomen. Indien dat niet het geval is, slaagt het betoog van het college en [appellant B] reeds daarom.
8.3. Gelet op het vorenstaande behoefde het college bij zijn besluitvorming voor zover het betreft het bepalen van het aantal benodigde parkeerplaatsen, voor zover al mogelijk, geen rekening te houden met door [appellant A] gestelde belangen op grond van zijn privaatrechtelijke overeenkomst met de gemeente. De rechtbank heeft dit miskend door te overwegen dat het college inzichtelijk moet maken hoe de belangen die [appellant A] heeft op grond van zijn privaatrechtelijke overeenkomst met de gemeente zijn meegewogen bij het bepalen van het aantal benodigde parkeerplaatsen voor het voorliggende bouwplan. De betogen van het college en [appellant B] slagen in zoverre.
11.2. In de nota van toelichting bij het gewijzigde artikel 4 van bijlage II van het Bor (Stb. 2014, 333, blz. 54) is het volgende vermeld:
“In het vrijgekomen onderdeel 8 is een nieuwe activiteit toegevoegd. Het gaat om het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied. Het kan bijvoorbeeld gaan om het toevoegen van een aantal parkeerplaatsen in een groenstrook, het verleggen van trottoirs of het aanbrengen van groenvoorzieningen. […] Bij het beantwoorden van de vraag of er al dan niet sprake is van een ingrijpende herinrichting van openbaar gebied, zullen onder andere moeten worden betrokken de te verwachten gevolgen van de herinrichting voor omwonenden en gebruikers van het desbetreffende gebied”.
11.3. De Afdeling ziet met de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de aanleg van de parkeerplaatsen niet kan worden aangemerkt als een wijziging van niet-ingrijpende aard. (…) Daartoe overweegt de Afdeling dat de 23 parkeerplaatsen waar [appellant A] naar verwijst bijna helemaal worden gerealiseerd op gronden met de bestemming “Verkeersdoeleinden”, en dat zij aansluiten bij de overige parkeerplaatsen die bij recht zijn toegestaan en daarmee één parkeerterrein vormen. Voorts overweegt de Afdeling dat de te verwachten ruimtelijke gevolgen voor [appellant A] van het realiseren van 18 parkeerplaatsen die voor een klein deel op gronden met de bestemming “Groenvoorzieningen” zijn geprojecteerd niet zodanig zijn dat daardoor geen sprake is van een niet-ingrijpende herinrichting van het openbaar gebied. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de gehele groenstrook verloren gaat. (…) Het realiseren van bovengrondse parkeerplaatsen die voor een klein deel ook op gronden met de bestemming “Verblijfsdoeleinden” zijn geprojecteerd en voor de rest op gronden met de bestemming “Verkeersdoeleinden”, is dan ook geen ingrijpende herinrichting van het openbaar gebied, ook gelet op de omstandigheid dat er al verhardingen zijn toegestaan op de gronden met de bestemming “Verblijfsdoeleinden”. [appellant A] betoogt voorts ten onrechte dat de rechtbank niet heeft onderkend dat geen sprake is van een niet-ingrijpende herinrichting van het openbaar gebied omdat het college niet inzichtelijk heeft gemaakt wat de te verwachten (verkeers)gevolgen van de herinrichting zullen zijn. Het college heeft toegelicht dat de bereikbaarheid feitelijk niet wijzigt of zelfs verbetert omdat de ruimte voor zijn uitweg is toegenomen. [appellant A] heeft niets aangevoerd waaruit blijkt dat dit niet zo zou zijn. Gelet op het bovenstaande was het college bevoegd om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wabo in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 8, van bijlage II bij het Bor een omgevingsvergunning te verlenen voor het realiseren van parkeerplaatsen binnen de bestemmingen “Groenvoorziening” en “Verblijfsdoeleinden”. Het betoog slaagt niet.
23.3. [appellant A] betoogt terecht dat het college onvoldoende heeft onderbouwd dat het bouwplan in voldoende parkeerplaatsen voorziet. Naar het oordeel van de Afdeling is het college bij het bepalen van het aantal parkeerplaatsen niet uitgegaan van een worst-case scenario. Daartoe overweegt de Afdeling dat de parkeerbehoefte bij het bouwplan wordt bepaald door wat de vergunde aanvraag toestaat, en dat het gebruik van de centrumfuncties niet is beperkt in de aanvraag. Op grond van de aanvraag is het niet uitgesloten dat er ook andere functies met een hogere parkeernorm mogelijk zijn op de gronden van gebouw B, waarin de supermarkt is voorzien. Als het restaurant in gebouw A aan de Boegspriet verdwijnt, kan in gebouw B aan de Spinaker namelijk een restaurant worden gevestigd. De daarvan uitgaande parkeervraag is veel groter dan die van een supermarkt, gelet op de parkeernorm voor de functie ‘restaurant’ (10,0 parkeerplaatsen per 100 m2 BVO) en de parkeerbehoefte van de functie ‘buurtsuper’ (2,2 parkeerplaatsen per 100 m2 BVO). Omdat in de aanvraag niet is gespecificeerd welke commerciële ruimten zullen worden gerealiseerd, en niet is uitgesloten dat zich een restaurant op de bouwlocatie zal vestigen als het restaurant aan de Boegspriet verdwijnt, is het naar het oordeel van de Afdeling niet duidelijk of het bouwplan in voldoende parkeerplaatsen voorziet. Het betoog slaagt.

* ABRvS 25 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2845: Awb, Wro; afwijzing tegemoetkoming planschade, voorzienbaarheid, wijziging bestemming naar agrarisch, nieuw ruimtebeslag, nieuwvesting, passieve risicoaanvaarding
8. Zowel Van der Valk als Vlamovensteenfabriek hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling heeft met partijen op de zitting gesproken over de ontvankelijkheid van het hoger beroep van Van der Valk. De gronden zijn in eigendom van Vlamovensteenfabriek. Dit betekent dat zij een rechtstreeks belang heeft bij het bestreden besluit. Van der Valk International B.V. heeft als enig aandeelhouder en bestuurder van Vlamovensteenfabriek slechts een afgeleid belang (vergelijk de uitspraak van 1 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:410, onder 3.2). Ditzelfde geldt voor Hotel Van der Valk Zuidbroek B.V. en Hotel Van der Valk Zuidbroek Holding B.V., als eigenaar en exploitant van het hotelcomplex Van der Valk Zuidbroek. Op de zitting heeft Van der Valk haar hoger beroep ingetrokken. Dit betekent dat de Afdeling hierna alleen ingaat op het hoger beroep van Vlamovensteenfabriek.
9.4. De Afdeling stelt vast dat de begrippen ‘nieuw ruimtebeslag’ en ‘nieuwvestiging’ niet zijn gedefinieerd in de Omgevingsverordening 2011. Ook volgt uit de toelichting van de Omgevingsverordening niet wat onder deze begrippen moet worden verstaan. In haar uitspraak van 19 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2734, heeft de Afdeling geoordeeld dat onder het begrip nieuwvestiging uit artikel 4.18 van de Omgevingsverordening 2009 – dat ziet op intensieve veehouderij – zoals vastgesteld door Provinciale Staten van Groningen in 2014, moet worden verstaan ‘het planologisch mogelijk maken van een intensieve veehouderij, welke niet was toegestaan op grond van het voorgaande planologische regime’. Naar het oordeel van de Afdeling moeten begrippen binnen dezelfde regeling op een gelijke wijze worden uitgelegd. Dit betekent dat onder (het verbod van) nieuwvestiging als bedoeld in artikel 4.27 moet worden verstaan dat het nieuwe bestemmingsplan niet voorziet in het planologisch mogelijk maken van niet-functioneel aan het buitengebied verbonden functies, welke niet al waren toegestaan op grond van het voorgaande planologische regime. Tegen deze achtergrond moet het begrip ‘nieuw ruimtebeslag’ zo worden uitgelegd dat sprake is van nieuw ruimtebeslag als het nieuwe bestemmingsplan een dergelijke ontwikkeling planologisch mogelijk maakt die niet mogelijk was onder het oude bestemmingsplan. De tekst van de omgevingsverordening biedt geen aanknopingspunten voor de uitleg zoals de rechtbank deze heeft gegeven. Deze uitleg zou betekenen dat bij het positief bestemmen van een illegaal aanwezige, niet aan het buitengebied gebonden functie, geen sprake zou zijn van nieuwvestiging. Bij het opnieuw bestemmen van onbenutte planologische mogelijkheden uit het voorgaande bestemmingsplan zou dan wel sprake zijn van nieuwvestiging. Dit kan niet de bedoeling van het provinciebestuur zijn geweest.
9.5. Bovenstaande brengt met zich dat artikel 4.27 van de Omgevingsverordening 2011 de gemeenteraad niet verplicht om bestaande, nog onbenutte, planologisch mogelijkheden op gronden te wijzigen in functioneel aan het buitengebied gebonden functies. Vlamovensteenfabriek had er als redelijk denkend en handelend eigenaar op grond van de Omgevingsverordening 2011 dus geen rekening mee hoeven te houden dat de bestemming ‘motel, congres en sportcentrum’ op haar gronden zou verdwijnen. Daarom kan Vlamovensteenfabriek geen passieve risicoaanvaarding worden tegengeworpen. Dit betekent dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit in stand heeft gelaten. Het betoog slaagt.

* ABRvS 25 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2848: Awb, Wro; bpl, darkstores, flitsbezorging, discriminatieverbod, evenredigheid, geschiktheid, effectiviteit, minder beperkende maatregelen, gelijkheidsbeginsel, Dienstenrichtlijn
10.1. Eisen waarop de Dienstenrichtlijn van toepassing is en die direct of indirect discrimineren, zijn in strijd met artikel 15, derde lid, van de richtlijn en kunnen niet gerechtvaardigd worden. Dit betekent dat voor dienstverrichters geen direct of indirect onderscheid mag worden gemaakt naar nationaliteit of, voor vennootschappen, de plaats van hun statutaire zetel. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2834, onder 5. Tussen partijen is niet in geschil en ook de Afdeling stelt vast dat met artikel 1.3 geen direct onderscheid wordt gemaakt.
10.2. De in artikel 1.3 van de planregels opgenomen definitie van een darkstore levert naar het oordeel van de Afdeling evenmin een vorm van indirecte discriminatie op naar nationaliteit of statutaire zetel. Het artikel heeft tot doel om te bepalen of bedrijfsvoering moet worden aangemerkt als darkstore of bijvoorbeeld als reguliere detailhandel, waarvoor een afzonderlijke bestemming is opgenomen. Daarvoor is de verhouding tussen de flitsbezorgactiviteiten en detailhandelsactiviteiten van belang. De raad heeft toegelicht dat de beoordeling of de bedrijfsvoering in hoofdzaak is gericht op flitsbezorging onder meer wordt bezien aan de hand van omzetcijfers, uitstraling en inrichting, presentatie, aantal transacties en personeelsbestand. Deze criteria ter invulling van artikel 1.3 van de planregels gelden op dezelfde manier voor alle dienstverrichters die een darkstore willen beginnen. Hierbij worden dienstverrichters uit andere lidstaten niet direct of indirect in een andere positie gebracht dan dienstverrichters uit Nederland (vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van 23 februari 2016, ECLI:EU:C:2016:108 (Commissie tegen Hongarije), punt 85 tot en met 88). Hoogstens leidt artikel 1.3 van de planregels ertoe dat nieuwkomers ongeacht hun nationaliteit sneller moeten worden aangemerkt als darkstore. De Afdeling ziet in wat Flink heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat artikel 1.3 van de planregels er feitelijk toe leidt dat een niet-Nederlandse speler op de Nederlandse dagelijkse boodschappenmarkt eerder als “darkstore” wordt aangemerkt dan een nationale aanbieder van dagelijkse boodschappen. (…) Gelet hierop heeft het gebruiksverbod geen discriminerende werking jegens bepaalde dienstverrichters op grond van hun nationaliteit of statutaire zetel. De conclusie is dat artikel 1.3 er niet toe leidt dat dienstverrichters met een niet-Nederlandse nationaliteit of statutaire zetel uitsluitend of bij uitstek worden geraakt. In dat verband verwijst de Afdeling naar overweging 18.3 van haar uitspraak van 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4173. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat in dit geval geen sprake is van een eis die een direct of indirect onderscheid maakt in de zin van artikel 15, derde lid, onder a, van de Dienstenrichtlijn.
14.3. Daargelaten de vraag of artikel 2.4 van de planregels als vergunningsstelsel als bedoeld in artikel 4, onder 6, van de Dienstenrichtlijn is aan te merken, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 2.4 van de planregels in strijd is met artikelen 9 en 10 van de Dienstenrichtlijn. Hiervoor heeft de Afdeling overwogen dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het gebruiksverbod in artikel 2.2, van de planregels in strijd is met artikel 15, derde lid van de Dienstenrichtlijn. Zoals tijdens de zitting is besproken, bestaat om die reden ook geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 2.4 van de planregels in strijd is met artikel 9, eerste lid, van de Dienstenrichtlijn. Over de stelling dat de voorwaarden die zijn opgenomen in artikel 2.4 niet duidelijk en niet ondubbelzinnig zijn overweegt de Afdeling het volgende. Artikel 10 van de Dienstenrichtlijn verzet zich in beginsel niet tegen vergunningscriteria bij de toepassing waarvan het bevoegd gezag beoordelingsruimte toekomt. Het college zal per geval moeten beoordelen of sprake is van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat, de gebruiksmogelijkheden van de openbare ruimte of de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Wel vereist artikel 10, tweede lid, van de Dienstenrichtlijn dat in zo’n geval vooraf duidelijk is wanneer aan die criteria wordt voldaan (zie punt 58 uit het arrest van het Hof van 8 mei 2013, ECLI:EU:C:2013:288, Libert). Die specificatie kan zijn vastgelegd in de wettelijke regeling van het vergunningstelsel, maar dit kan ook plaatsvinden op bestuurlijk niveau, zoals in een beleidsregel of een ander beleidsstuk. De Afdeling verwijst als voorbeeld naar haar uitspraak van 1 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1560. In dit geval is de specificatie vastgelegd in de Beleidsregel darkstores 2023, waarin concretiserende regels zijn opgenomen. In de Beleidsregels darkstores 2023 is omschreven met welke criteria rekening wordt gehouden. Het gaat daarbij onder meer om milieuhinder, zoals geluid en licht, de verkeersaantrekkende werking, de verkeersveiligheid, het gebruik van de openbare ruimte, de parkeerdruk en de representativiteit. De voorwaarden zijn daarom voor een ieder duidelijk, dan wel kunnen dat zijn (vergelijk uitspraak van de Afdeling van 17 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2594). Het betoog slaagt niet.

* Rechtbank Den Haag 25 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10993: Awb, Wnb; natuurvergunning, renovatiewerkzaamheden Binnenhof, toepasselijke recht, Omgevingswet, Aanvullingswet natuur Omgevingswet, realisatiefase, gebruiksfase, AERIUS-berekening, renovatie en gebruik/onlosmakelijk met elkaar verbonden, referentiesituatie, mitigerende maatregel, intern salderen, rechtspraakwijziging, ongewijzigde voortzetting van één-en-hetzelfde project, continuïteit en identiteit, standaardonderdeel, passende beoordeling, Natuurdoelanalyses, Ecologische Autoriteit, beste beschikbare wetenschappelijke kennis, voorschriften
6.3. De rechtbank volgt het college en het RVB niet in het betoog dat sprake is van de ongewijzigde voortzetting van één-en-hetzelfde project. Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat sprake is van één-en-hetzelfde project als er tussen de vergunde activiteit en de voortgezette activiteit – met name gelet op de aard van deze activiteiten alsook op de plaats waar en de voorwaarden waaronder zij worden uitgevoerd – continuïteit en identiteit bestaat. Er is geen sprake van één-en-hetzelfde project als een activiteit niet doorlopend wordt verricht en wijzigt, met name wat betreft de plaatsen waar en de omstandigheden waaronder zij wordt verricht. Zie de arresten van het Hof van 10 november 2022, ECLI:EU:C:2022:864 (AquaPri) en van 29 juli 2019, ECLI:EU:C:2019:622 (Inter-Environnement Wallonie en Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen). De renovatie moet naar het oordeel van de rechtbank worden gezien als een wijziging van het project. De renovatie zorgt ervoor dat de gebouwen worden aangepast om te voldoen aan de eisen van deze tijd, zodat het gebruik van het Binnenhof wordt voortgezet onder gewijzigde omstandigheden. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4923) is de activiteit zoals die na de wijziging wordt voortgezet (inclusief de ongewijzigde onderdelen die worden gecontinueerd) in dat geval een nieuw project, waarvan beoordeeld moet worden of het significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden kan hebben.
6.4. De rechtbank volgt het college en het RVB ook niet in het betoog dat de inzet van de referentiesituatie met betrekking tot het gebruik van het Binnenhof moet worden gezien als standaardonderdeel. Standaardonderdelen zijn onderdelen in het ontwerp van een project die daar inherent deel van uitmaken en die de schadelijke gevolgen van dat project beperken. Standaardonderdelen worden niet opgenomen ter beperking van de negatieve gevolgen, maar zijn verplicht voor alle projecten van dezelfde soort. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de inzet van de referentiesituatie niet aan deze definitie van standaardonderdelen, reeds omdat de inzet van de referentiesituatie niet verplicht is voor alle renovatieprojecten. Zie het arrest van het Hof van 15 juni 2023, ECLI:EU:C:2023:477 (Eco-Advocacy).
6.5. De rechtbank overweegt verder dat in de passende beoordeling van 12 januari 2024 de stikstofdepositie als gevolg van het gebruik van het Binnenhof vóór de renovatie en de stikstofdepositie als gevolg van het gebruik van het Binnenhof na de renovatie tegen elkaar zijn weggestreept. In de passende beoordeling wordt geconcludeerd dat de gebruiksfase na de renovatie niet tot extra stikstofdepositie zal leiden ten opzichte van de gebruiksfase vóór de renovatie, en dat deze daarom niet nader beoordeeld is. Anders dan het college en het RVB betogen is dit aan te merken als intern salderen met de referentiesituatie. De rechtbank volgt het college en het RVB niet in hun betoog dat alleen sprake is van intern salderen met de referentiesituatie wanneer een bestaande vergunde situatie wordt beperkt of beëindigd. De uitspraken van de Afdeling van 18 december 2024 bieden hiervoor naar het oordeel van de rechtbank geen steun.
8.3. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat in de passende beoordeling van 12 januari 2024 en de aanvullende passende beoordeling van 17 april 2025 geen gebruik is gemaakt van de beste beschikbare wetenschappelijke kennis over de betrokken Natura 2000-gebieden. Dat de EA in haar advies van 9 januari 2024 kritiek heeft geuit op de NDA voor het Natura 2000-gebied ‘Westduinpark & Wapendal’ maakt niet dat deze NDA niet kon worden gebruikt bij de totstandkoming van de passende beoordeling en de aanvullende passende beoordeling. Het college betoogt terecht dat uit het advies van de EA niet volgt dat zij het niet eens is met de in de NDA opgenomen ecologische analyse van de voor deze zaak relevante habitattypen en leefgebieden. (…)

* Gerechtshof Den Haag 24 juni 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1160: BW, Wet kolenverbod; rechtmatigheid, elektriciteitscentrale, schadevergoeding door verbod, recht op eigendom, ernst van inbreuk, voorzienbaarheid, onderzoeksplicht, hardheidsclausule, fair balance-vereiste
6.6 Het geschil draait dus om de volgende vraag: Voldoet het op 20 december 2019 vastgestelde kolenverbod dat voor de MPP3-centrale ingaat op 1 januari 2030 (hierna ook: de maatregel) ook zonder schadevergoeding voor Uniper aan het fair balance-vereiste van artikel 1 EP EVRM?
6.7 Bij de afweging of sprake is van een fair balance kunnen volgens de rechtspraak van het EHRM uiteenlopende factoren een rol spelen, afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In dit geval spelen met name de volgende factoren een rol bij de beoordeling of de maatregel zonder financiële compensatie proportioneel is:

  • -de ernst van de inbreuk op het eigendomsrecht van Uniper;
  • -in hoeverre de maatregel op het moment van de investeringsbeslissing voorzienbaar was voor Uniper;
  • -de door de Staat gekozen ingangsdatum van het verbod voor de MPP3-centrale;
  • -de doelmatigheid van de maatregel.

Het hof zal deze kwesties hieronder achtereenvolgens bespreken. Daarna zal het hof twee andere punten bespreken die Uniper in hoger beroep aan de orde heeft gesteld, te weten de onderzoeksplicht van de Staat en de hardheidsclausule van artikel 4 Wet kolenverbod. Het hof zal vervolgens de relevante factoren afwegen en beoordelen of sprake is van een fair balance, met inachtneming van de beoordelingsmarge (margin of appreciation) die hierbij aan de Staat toekomt.
6.8 Uniper is de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde onrechtmatige daad. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rusten daarom op haar de stelplicht en de bewijslast van feiten die zij daarvoor aanvoert en er is in de context van artikel 1 EP EVRM geen reden om van die hoofdregel af te wijken. Artikel 1 EP EVRM wijkt in zoverre af van de bepalingen van het EVRM waarin de inhoud en omvang van het betrokken grondrecht is vastgesteld in lid 1 (stelplicht en bewijslast met betrekking tot de inbreukvraag bij klager) en de mogelijkheid om bij wet te voorzien in de beperkingen op dat grondrecht die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn ter bescherming van bepaalde belangen is voorzien in lid 2 (stelplicht en bewijslast bij de betrokken overheid).
De ernst van de inbreuk op het eigendomsrecht
6.9 Een belangrijke factor is de mate waarin de maatregel inbreuk maakt op het eigendomsrecht van Uniper. De meest ernstige inbreuk is de in de tweede zin van artikel 1 EP EVRM genoemde ontneming van eigendom. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM valt daaronder niet alleen formele eigendomsontneming, maar ook gevallen die, gelet op de feitelijke omstandigheden, neerkomen op de facto ontneming van eigendom. Het onderscheid tussen (formele of de facto) ontneming van eigendom aan de ene kant en minder ingrijpende vormen van inbreuken op het eigendomsrecht aan de andere kant is van belang. In geval van eigendomsontneming dient volgens het EHRM in de regel financiële compensatie voor de betrokkene te volgen, terwijl bij minder ingrijpende vormen van eigendomsinbreuken dat uitgangspunt niet geldt. In die laatste gevallen is het ontbreken van financiële compensatie slechts een factor die meeweegt bij de beoordeling of sprake is van een fair balance.
6.12 Een van de geschilpunten in deze zaak is of de eigendomsinbreuk als gevolg van de maatregel moet worden aangemerkt als de facto onteigening. De Hoge Raad heeft, onder verwijzing naar rechtspraak van het EHRM, de maatstaf die in een geval als dit moet worden gehanteerd als volgt geformuleerd (HR 16 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2888 (Wet verbod pelsdierhouderij), rechtsoverweging 3.4.2): “Om vast te stellen of sprake is van een de facto onteigening van een onderneming, moet bezien worden wat het werkelijke effect op de onderneming als geheel is van de maatregel waarover wordt geklaagd. Indien de maatregel leidt tot beëindiging van de onderneming, maar de rechthebbende enig economisch belang houdt of een zinvolle gebruiksmogelijkheid behoudt bij (activa van) de onderneming, is geen sprake van een de facto onteigening van de onderneming.”
6.13 Uit het hiervoor onder 6.8 gegeven oordeel volgt dat op Uniper de stelplicht en bewijslast rusten van feiten die zij aanvoert ter onderbouwing van haar stelling dat sprake is van de facto onteigening. Dat betekent dat Uniper in deze procedure voldoende moet onderbouwen – en voor zover relevant: bewijzen – dat er geen alternatieve gebruiksmogelijkheden zijn voor de MPP3-centrale en dat Uniper geen enkel economisch belang of zinvolle gebruiksmogelijkheid meer zal behouden bij (activa van) haar onderneming als gevolg van de maatregel.
6.14 De Wet kolenverbod schrijft niet voor dat elektriciteitscentrales die kolen stoken moeten sluiten. De wet bepaalt alleen dat die centrales niet meer op kolen mogen draaien. Vaststaat dat de MPP3-centrale technisch gezien geschikt kan worden gemaakt om volledig te draaien op biomassa of bepaalde andere brandstoffen. De vraag is echter of dit een rendabel alternatief is, gelet op de daarvoor noodzakelijke investering en de verwachte opbrengsten tijdens de resterende levensduur van de centrale.
6.21 De conclusie tot zover is dat de eigendomsinbreuk niet kan worden gekwalificeerd als de facto eigendomsontneming. Niet alleen is nu nog niet met voldoende zekerheid vast te stellen dat de MPP3-centrale met ingang van 2030 zal moeten sluiten (zoals Uniper stelt), maar ook als dat wel het geval zou zijn, is niet voldaan aan het criterium dat Uniper geen enkel economisch belang of zinvolle gebruiksmogelijkheid meer behoudt bij de activa van haar onderneming zoals bedoeld in de hiervoor onder 6.12 weergegeven maatstaf.
6.22 Hoewel geen sprake is van de facto onteigening, blijft de ernst van de eigendomsinbreuk van belang als factor die meeweegt in de fair balance-toets. Duidelijk is dat als de MPP3-centrale als gevolg van de maatregel in 2030 moet sluiten (wat nu nog niet met voldoende zekerheid te zeggen is), sprake is van een zeer ernstige eigendomsinbreuk, terwijl de inbreuk veel geringer is als een ombouw van de MPP3-centrale economisch wel mogelijk blijkt te zijn. Het hof zal bij de hierna volgende beoordeling uitgaan van de voor Uniper meest ongunstige situatie, namelijk dat sprake is van een zeer ernstige eigendomsinbreuk.
6.47 Het standpunt dat de maatregel alleen als ‘voorzienbaar’ kan worden aangemerkt als die duidelijk volgt uit een op het moment van de investeringsbeslissing bestaande wet gaat niet op. Uit het door Uniper aangehaalde arrest van het EHRM in de zaak Fredin/Zweden (EHRM 18 februari 1991, nr. 12033/86 (Fredin/Zweden), par. 54) volgt weliswaar dat het EHRM in die zaak waarde heeft gehecht aan het feit dat bepaalde maatregelen duidelijk waren voorzien bij wet ten tijde van de betrokken investeringsbeslissing, maar daaruit volgt niet a contrario dat een maatregel voor een voorzichtige marktdeelnemer niet voorzienbaar is als zij niet reeds voorzien is bij wet, maar wel volgt uit duidelijke mededelingen van de overheid. De door het EHRM gehanteerde maatstaf in het kader van de fair balance-toets bestrijkt ook de hiervoor in 6.45 weergegeven vorm en mate van voorzienbaarheid. Dit volgt onder meer uit de beslissing van het EHRM in de zaak O’Sullivan MacCarthy Mussel Development Ltd/Ierland. EHRM 7 juni 2018, nr. 44460/16 (O’Sullivan MacCarthy Mussel Development Ltd/Ierland), EHRC 2018/194, m.nt. M.K.G. Tjepkema. par. 117: “The extent and consequences of any infringement judgment could not be foreseen (…), but the risk of some interruption could clearly not be excluded. This factor cannot be disregarded when assessing the burden on the applicant company. In this respect, the Court notes that the applicant company purchased its new boat in May 2008, notwithstanding the risk referred to above.” In deze zaak deed een Ierse mosselzaadvisser een beroep op artikel 1 EP EVRM wegens een door Ierland op grond van Europese milieumaatregelen afgekondigd tijdelijk verbod om in een bepaalde baai te vissen op mosselzaden. Uit de overwegingen van het EHRM volgt dat het niet zo is dat de betrokken mosselzaadvisser zijn verwachtingen pas hoefde aan te passen na de concrete aankondiging van de sluiting van de haven. Hij had als commerciële partij al eerder – op een abstracter niveau – rekening moeten houden met het risico van beperkende maatregelen, met name ook gelet op de omstandigheid dat de Europese Commissie een inbreukprocedure aanhangig had gemaakt tegen Ierland die mogelijk zou kunnen leiden tot maatregelen, zoals de sluiting van de haven, ook al was de ingrijpendheid van die maatregel niet voorzien.
6.48 De omstandigheid dat Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland de Wm-vergunning voor de op kolen gestookte MPP3-centrale voor onbepaalde tijd heeft afgegeven, brengt niet mee dat Uniper mocht aannemen dat zij gedurende de hele levensduur van deze centrale mocht doorgaan met het uitstoten van aanmerkelijke hoeveelheden CO2 door het stoken van kolen. De overheid had immers specifiek met betrekking tot de bedrijfsactiviteit waarvoor de vergunning werd verleend (elektriciteitsopwekking door het stoken van kolen) al aan investeerders in nieuwe kolencentrales duidelijk gemaakt dat tijdens de levensduur van de centrales tot een drastische reductie van CO2-uitstoot moest worden gekomen en in de vergunning zelf wordt daar ook nog naar verwezen (“De overheden gaan er vanuit dat de CO2-ruimte in de toekomst verder beperkt wordt en spreken de verwachting uit (…) dat de nieuwe centrales zo ver als mogelijk zijn voorbereid op CO2-afvang en -opslag (…)”). In deze relevante opzichten verschilt de situatie van Uniper van de situatie in de door haar aangehaalde zaak Werra Naturstein GmbH & Co KG/Duitsland (EHRM 19 januari 2017, nr. 32377/12 (Werra Naturstein GmbH & Co KG/Duitsland)).
6.65 De Staat heeft ervoor gekozen om het kolenverbod voor de MPP3-centrale pas in 2030 te laten ingaan, de laatste datum waarmee hij door middel van dat verbod nog kon voldoen aan zijn internationaal- en Europeesrechtelijke klimaatverplichtingen, en heeft Uniper daarmee de maximale ‘overgangstermijn’ gegeven. Dat laat echter onverlet dat Uniper zo’n 15 jaar na de inbedrijfstelling van de MPP3-centrale als kolencentrale geconfronteerd wordt met een kolenverbod. Hoe ernstig de inbreuk op het eigendomsrecht van Uniper als gevolg hiervan is, hangt ervan af of de MPP3-centrale kan worden omgebouwd naar centrale die op rendabele wijze gebruik maakt van andere brandstof(fen). Duidelijk is dat als een dergelijk alternatief gebruik van de MPP3-centrale niet mogelijk zal blijken te zijn en de centrale zal moeten sluiten, sprake is van een zeer ernstige inbreuk op het eigendomsrecht van Uniper. Of dat zo is, is echter nog met aanmerkelijke onzekerheid omgeven en kan, anders dan Uniper betoogt, op dit moment nog niet als vaststaand worden aangenomen. Maar ook als er veronderstellenderwijs vanuit wordt gegaan dat een alternatief gebruik van de centrale niet mogelijk is en de centrale moet sluiten, dan staat daar een factor tegenover die zwaar weegt in het nadeel van Uniper. Ten tijde van de investeringsbeslissing kon Uniper namelijk voorzien, althans had zij moeten voorzien, dat als zij de CO2-uitstoot van kolenstook tijdens de levensduur van de MPP3-centrale – specifiek: vóór 2020 – niet zou hebben geëlimineerd of op zijn minst drastisch zou hebben gereduceerd (door CCS of op andere wijze), er een reëel risico was dat de overheid maatregelen zou nemen om dit alsnog te bereiken, zoals een kolenverbod per 2030. Als Uniper desondanks besluit om te investeren in een nieuwe kolencentrale, dan vallen de door de overheid getroffen maatregel en de gevolgen daarvan binnen haar normale ondernemersrisico, ook als die gevolgen ingrijpend zijn. Het voorgaande brengt mee dat voor zover Uniper schade lijdt door de maatregel, die schade voor haar rekening moet blijven. Dat de doelmatigheid van de maatregel mogelijk in zekere mate wordt beperkt door een weglek- en waterbedeffect (welke effecten niet precies zijn te kwantificeren), maakt niet dat de Staat, aan wie op het gebied van milieu en klimaat een ruime beoordelingsvrijheid toekomt, tot een andere afweging had moeten komen en de maatregel niet had mogen invoeren zonder financiële compensatie voor Uniper. De Staat volgt Uniper niet in haar betoog dat de maatregel voor haar onevenredig uitpakt ten opzichte van andere uitstoters van CO2 , zoals de industrie of gascentrales. De reden daarvoor is dat kolencentrales tot de grootste uitstoters van CO2 behoren en de Staat in de periode voor de investeringsbeslissing steeds duidelijk heeft gemaakt dat kolenstook gepaard zou moeten gaan met het sterk reduceren van de CO2-uitstoot. Alles overziende is het hof van oordeel dat de maatregel ook zonder financiële compensatie voor Uniper voldoet aan de fair balance-toets van artikel 1 EP EVRM.

* Rechtbank Gelderland 19 juni 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:4661: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning bouwen, reclamezuil, wijzigen permanente vergunning naar tijdelijke vergunning, wijziging van ondergeschikte aard, gevaar, weigeringsgrond geen deel toetsingskader
3.2 De rechtbank leidt uit de uitspraken van de Afdeling van 4 april 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW0758) en 19 oktober 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3019) af dat het daarbij niet alleen kan gaan om wijzigingen van feitelijke aard, maar ook om een grondslagwijziging. Die uitspraken gingen over de wijziging van een aanvraag voor een vergunning van tijdelijke aard naar een permanente vergunning. De Afdeling heeft in die uitspraken niet overwogen dat een grondslagwijziging niet van ondergeschikte aard kan zijn. De Afdeling heeft wel geoordeeld dat een wijziging van tijdelijk naar permanent niet van ondergeschikte aard is, maar de reden daarvoor was dat een bouwwerk daarmee een blijvende ruimtelijke uitstraling krijgt. In dit geval is dat niet aan de orde. Het enige verschil is dat het bouwwerk met de door eiseres voorgestelde wijziging maximaal 15 jaar ter plaatse mag staan. Ook een bouwwerk met een permanente vergunning mag echter al binnen 15 jaar worden verwijderd, zodat er geen nieuwe mogelijkheden bij komen. Evenmin krijgt het bouwwerk met deze wijziging een andere ruimtelijke uitstraling. Dat er in geval van een tijdelijke omgevingsvergunning een ander toetsingskader geldt waarbij er geen ruimte is voor een welstandstoets maakt het voorgaande niet anders. Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat de mogelijkheid om een aanvraag te wijzigen of aan te vullen juist ook bedoeld is om geconstateerde beletselen voor het verlenen van de vergunning weg te nemen (zie onder meer de uitspraak van 4 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW0758).
3.3. Het college had het expliciete verzoek van eiseres om de aanvraag te wijzigen in een tijdelijke omgevingsvergunning dus moeten aanmerken als een wijziging van ondergeschikte aard en had dit dus moeten meenemen in de beoordeling van de aanvraag. (…)

* Rechtbank Overijssel 16 juni 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:3805: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, gestapelde betonblokken en grindpalen, erfafscheiding, niet bevoegd, vergunningplichtig
9. De rechtbank stelt vast dat het college het handhavingsverzoek heeft beoordeeld op basis van het recht dat gold voor 1 januari 2024, omdat het handhavingsverzoek voor die datum is ingediend. Uit de hiervoor, onder het kopje ‘Toepasselijk wettelijk kader’ aangehaalde rechtspraak volgt evenwel dat het overgangsrecht beperkter is als een gedraging onder oud recht wel een overtreding opleverde en dit ten tijde van het recht dat geldt op het moment dat het besluit wordt genomen niet meer het geval is. De rechtbank zal daarom eerst beoordelen of het plaatsen van de bewuste erfafscheiding, zonder te beschikken over een omgevingsvergunning, zowel onder het oude recht (de Wabo) als onder het nieuwe recht (de Omgevingswet) resulteert in een overtreding. Hierover overweegt de rechtbank het volgende.
9.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de erfafscheiding, bestaande uit gestapelde betonblokken, ten tijde van het handhavingsverzoek (19 oktober 2023) op grond van de toen geldende Wabo vergunningplichtig was, waardoor er sprake was van een overtreding. De rechtbank onderschrijft dit gedeelde standpunt.
9.2. Het college heeft ter zitting meegedeeld dat hij heeft onderzocht of ten tijde van het bestreden besluit (3 september 2024) op grond van de op dat moment geldende Omgevingswet ook sprake was van een overtreding. Dat is volgens het college het geval. Hierbij heeft het college verwezen naar artikel 2.1b, tweede lid, van de Vangnetregeling Omgevingswet. Hierin is de tekst van artikel 2.27, onder f, onder 3, van de bruidsschat gewijzigd/nader verduidelijkt. Deze wijziging is met terugwerkende kracht tot 1 januari 2024 in werking getreden. De bewuste erfafscheiding voldoet niet aan de eis, neergelegd in artikel 22.27, onder f, onder 3, van de bruidsschat, zodat het plaatsen van de erfafscheiding, bestaande uit gestapelde betonblokken, onder de Omgevingswet ook niet vergunningsvrij is. De rechtbank onderschrijft dit standpunt van het college. Omdat de vereiste omgevingsvergunning niet is aangevraagd en verleend, is er onder de Omgevingswet ook sprake van een overtreding.

# Rechtbank Rotterdam 13 juni 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:7191: Awb, Wabo, Wgv; omgevingsvergunning bouwen, verandering varkenshouderij, ambtshalve wijziging voorschriften, weigering regenkappen luchtwassers, wijzigen dierindeling, afwijken bpl, verbinden geurnorm, BBT, exclusieve werking Wgv, ammoniak, huisvestingssystemen, economische haalbaarheid, goedkeuringseis geurbeheersplan
7.3. Het betoog van eiseres komt erop neer dat het college voor de activiteiten bouwen en planologisch strijdig gebruik de grondslag van de aanvraag heeft verlaten, terwijl het college daar op grond van artikel 2.31a, eerste lid, van de Wabo niet toe bevoegd is. De rechtbank is echter van oordeel dat voor de genoemde activiteiten geen sprake is van verlating van de grondslag van de aanvraag. Het gaat eiseres om de voorschriften 10.1.3 en 10.1.4. Daaruit volgt volgens haar dat alle huisvestingssystemen in stal 2 op een luchtwasser moeten worden aangesloten en dat de afvoerbuis moet worden verhoogd. Eiseres stelt op zich terecht dat de bouwkundige aanpassingen die hiervoor nodig zijn niet (volledig) in overeenstemming zijn met de verleende omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en planologisch strijdig gebruik. De genoemde voorschriften gelden echter alleen voor de milieuactiviteit. Voor bouwen en planologisch strijdig gebruik zijn deze voorzieningen niet voorgeschreven. De omgevingsvergunning voor die activiteiten staat toe wat eiseres heeft aangevraagd. De grondslag van de aanvraag is daarom niet verlaten. Het gevolg is wel dat eiseres voor het aansluiten van alle huisvestingssystemen van stal 2 op een luchtwasser of het verhogen van de afvoerbuis een nieuwe omgevingsvergunning voor bouwen en planologisch strijdig gebruik nodig heeft. Overigens is het verhogen van de afvoerbuis wellicht niet de enige mogelijke manier om aan voorschrift 10.1.4 te voldoen, nu is voorgeschreven dat de wijze waarop afvoerlucht uit stal 2 wordt verwijderd moet worden geoptimaliseerd door één of een combinatie van de technieken genoemd in BBT 13 onderdeel C te gebruiken. De beroepsgrond slaagt niet.
8.2. In het bestreden besluit is per huisvestingssysteem beoordeeld of dit voldoet aan de maximale emissiewaarde op grond van het Beh. Voor de stalsystemen D.1.2.100 en D.1.1.100 is dat niet het geval, maar in het bestreden besluit wordt geconcludeerd dat de totale ammoniakemissie van de tot de inrichting behorende huisvestingssystemen lager is dan de totale ammoniakemissie die de huisvestingssystemen op grond van de maximale emissiewaarden per afzonderlijk huisvestingssysteem zouden mogen veroorzaken. Daarom wordt, zoals ook in het bestreden besluit is vermeld, voldaan aan het Beh (artikel 5, eerste en tweede lid) en de regels voor intern salderen uit artikel 3, derde lid, van de Wav. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling worden voor ammoniak de bbt toegepast wanneer de maximale emissiewaarden uit het Beh niet worden overschreden (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 19 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2736, en 24 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2522). Dat de traditionele huisvestingssystemen volgens het college niet (meer) als bbt kunnen worden aangemerkt, doet daar niet aan af. De rechtbank volgt bovendien niet het standpunt van het college dat het intern salderen in de Wav en het Beh niet in overeenstemming is met het EU-recht, in het bijzonder de RIE. Overigens brengt het verbod op omgekeerde verticale werking met zich mee dat het college zich tegenover eiseres niet rechtstreeks mag beroepen op de RIE. Voor zover het college heeft verwezen naar de eisen voor intern salderen op grond van de Habitatrichtlijn, overweegt de rechtbank dat de Habitatrichtlijn een geheel ander toetsingskader is dat niet relevant is voor het intern salderen op grond van de Wav en het Beh.
8.3. Anders dan eiseres betoogt, volgt uit het bovenstaande niet zonder meer dat in de inrichting ook voor geur de bbt worden toegepast. In de uitspraak van 1 juli 2009 heeft de Afdeling overwogen dat het bevoegd gezag er bij het verlenen van een vergunning voor een veehouderij van moet uitgaan dat wanneer de huisvestingsystemen waarop het – destijds geldende – Besluit huisvesting van toepassing is voldoen aan de in deze algemene maatregel van bestuur gestelde eisen, tevens wordt voldaan aan het vereiste dat de geuremissie van het huisvestingsysteem moet overeenkomen met toepassing van de bbt. In de uitspraak van 21 juni 2023 heeft de Afdeling overwogen dat het feit dat de bestaande stallen niet over luchtfilters beschikken, niet betekent dat niet voldaan wordt aan de bbt. Op grond van artikel 3 van het Beh is het namelijk toegestaan om gebruik te maken van intern salderen door verdergaande technieken voor nieuwe stallen toe te passen, waardoor het niet nodig is om de bestaande stallen aan te passen. De hogere emissie van de bestaande stallen wordt daardoor gecompenseerd door een verdergaande reductie in een andere stal. Uit deze laatste uitspraak kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat ook voor geur de bbt worden toegepast als – door middel van intern salderen – aan de eisen van het Beh wordt voldaan. In de uitspraak van 1 juli 2009 heeft de Afdeling dat wel uitdrukkelijk geoordeeld. Uit andere, recentere uitspraken van de Afdeling leidt de rechtbank echter af dat in het geval dat voor ammoniak de bbt worden toegepast omdat aan het Beh wordt voldaan, daarnaast toch afzonderlijk moet worden beoordeeld of ook voor geur sprake is van de toepassing van de bbt. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2460, waarin in zo’n geval is beoordeeld welke bbt-maatregelen er voor geur in de inrichting kunnen worden toegepast. Gelet hierop betekent het feit dat aan de maximale emissiewaarden uit het Beh wordt voldaan en daarom voor ammoniak de bbt worden toegepast niet dat ook voor geur sprake is van toepassing van de bbt.(…)
9.4. Voor de beoordeling van geurhinder van tot veehouderijen behorende dierenverblijven heeft de Wgv exclusieve werking. De Wgv is daarvoor het enige toetsingskader. Dit volgt uit artikel 2, eerste lid, van de Wgv. De voorgeschreven geurnorm van 8,0 OUE/m3 wijkt af van de Wgv, omdat in dit geval artikel 3, derde lid, van de Wgv van toepassing is. De vraag die voorligt, is of de Wgv het college de mogelijkheid biedt om deze geurnorm toch voor te schrijven. Daarbij is in de eerste plaats van belang dat de Wgv in artikel 2, tweede lid, een uitzondering maakt op de exclusieve werking van de wet. Die uitzondering geldt alleen voor het weigeren van de omgevingsvergunning omdat niet ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende bbt worden toegepast en voor het stellen van voorschriften om te bereiken dat ten minste de voor de veehouderij in aanmerking komende bbt worden toegepast. Het college heeft betoogd dat de exclusieve werking van de Wgv niet geldt voor een besluit tot ambtshalve wijziging van de vergunningvoorschriften. Het college heeft de geurnorm voorgeschreven op grond van artikel 2.31, tweede lid, onder b, van de Wabo. Die bepaling maakt het mogelijk om in het belang van de bescherming van het milieu de voorschriften van een omgevingsvergunning voor de milieuactiviteit ambtshalve te wijzigen. Artikel 2, eerste lid, van de Wgv heeft volgens de letterlijke tekst van die bepaling inderdaad alleen betrekking op de beoordeling van geurhinder bij een beslissing inzake de omgevingsvergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij. Daarvan is bij een ambtshalve wijziging van de voorschriften, zoals in dit geval aan de orde, geen sprake. De rechtbank maakt echter uit het bestreden besluit op dat de aanleiding voor het ambtshalve voorschrijven van de geurnorm in voorschrift 10.1.1 in dit geval de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de verandering van de inrichting is geweest. In het kader daarvan zou artikel 3, derde lid, van de Wgv van toepassing zijn en zou het college daar vanwege de exclusieve werking van de Wgv alleen van kunnen afwijken op grond van artikel 2, tweede lid, van de Wgv, dus in verband met de toepassing van de bbt. Gelet op wat de wetgever heeft beoogd met de exclusieve werking van de Wgv, is de rechtbank van oordeel dat het college bij de invulling van het begrip “het belang van de bescherming van het milieu” in artikel 2.31, tweede lid, onder b, van de Wabo en artikel 2.22, vijfde lid, in samenhang met artikel 2.14, derde lid, van de Wabo aansluiting had moeten zoeken bij artikel 2 van de Wgv. Dat wil in dit geval zeggen dat het college alleen ten behoeve van de toepassing van de bbt had mogen afwijken van artikel 3, derde lid, van de Wgv. Een andere uitleg zou betekenen dat het college naar aanleiding van de ingediende aanvraag voor de verandering van de inrichting via een omweg voorschriften zou kunnen stellen die het bij de beslissing op de aanvraag niet aan de omgevingsvergunning had kunnen verbinden en dat de bescherming die artikel 3, derde lid, van de Wgv biedt aan bestaande situaties teniet wordt gedaan. De rechtbank is van oordeel dat voorschrift 10.1.1 er niet toe strekt om te verzekeren dat ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende bbt worden toegepast. In de eerste plaats heeft het college ter zitting gesteld dat de geurnorm niet in verband met de bbt is voorgeschreven, maar meer in het algemeen vanwege het belang van de bescherming van het milieu. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de toepasselijke BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- en varkenshouderij (hierna: de BBT-conclusies) geen concrete geurnormen of een range voor geurnormen bevat, maar zich wat betreft geuremissies in BBT 13 beperkt tot het noemen van technieken. Gelet hierop heeft het college bij de toepassing van artikel 2.31, tweede lid, onder b, van de Wabo onvoldoende gemotiveerd dat voorschrift 10.1.1 noodzakelijk is in het belang van de bescherming van het milieu. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Awb.
10.3. In voorschrift 2.1.1 zijn de aantallen dieren vastgelegd die in de verschillende huisvestingssystemen in stal 1 en 2 aanwezig mogen zijn. In het voorschrift is ook bepaald dat als uitzondering hierop geldt dat de huisvestingssystemen D.1.2.100 en D.1.1.100 tot één jaar na van kracht worden van deze beschikking aanwezig mogen zijn; daarna moeten deze huisvestingssystemen zijn vervangen. De huisvestingssystemen D.1.2.100 en D.1.1.100 zijn traditionele huisvestingssystemen voor kraamzeugen respectievelijk gespeende biggen die al lange tijd in stal 2 aanwezig zijn. Het college beschouwt deze huisvestingssystemen niet als de bbt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college dit standpunt onvoldoende onderbouwd. Uit de BBT-conclusies volgt niet duidelijk dat de hier aan de orde zijnde traditionele huisvestingssystemen niet als de bbt zijn aan te merken. In BBT-conclusie 13 staat dat de bbt een combinatie is van de daar genoemde technieken. In onderdeel B worden als techniek stalsystemen genoemd die aan bepaalde criteria voldoen, maar het college heeft niet onderbouwd dat de huisvestingssystemen D.1.2.100 en D.1.1.100 niet aan die criteria voldoen. Het college heeft zijn standpunt dat deze huisvestingssystemen niet langer als de bbt kunnen worden beschouwd ontleend aan de Oplegnotitie uit 2007 bij het BREF uit 2003, maar naar het oordeel van de rechtbank gaan de BBT-conclusies voor op de Oplegnotitie, die geen betrekking heeft op het meest recente BREF. Het bestreden besluit is op dit punt in strijd met artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank overweegt verder dat uit het bestreden besluit blijkt dat voorschrift 2.1.1 is gesteld in het kader van de beslissing op de ingediende aanvraag om de omgevingsvergunning. Het college heeft dit ter zitting bevestigd. Hierop is artikel 2.22, tweede lid, in samenhang met artikel 2.14 van de Wabo van toepassing en niet artikel 2.31, eerste of tweede lid, van de Wabo voor ambtshalve voorschriften. Door voor te schrijven dat de huisvestingssystemen D.1.2.100 en D.1.1.100, die voor 187 kraamzeugen respectievelijk 2016 gespeende biggen zijn aangevraagd en vergund, binnen een jaar moeten worden vervangen heeft het college de grondslag van de aanvraag verlaten. De rechtbank acht daarbij van belang dat deze huisvestingssystemen voorzien in de huisvesting van een substantieel deel van het vergunde aantal dieren (5224 in totaal) en van de meerderheid van het aantal vergunde kraamzeugen en gespeende biggen. In zoverre is het bestreden besluit in strijd met het systeem van de Wabo.

STAB verzorgt de jurisprudentie voor STAB OGR updates

Julian Kramer, advocaat bij Pels Rijcken, schreef een annotatie bij de uitspraak van de Afdeling van 30 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1928). Het is de eerste uitspraak van de Afdeling over de wijziging van een omgevingsplan. In de annotatie wordt ingegaan op de structuur en de wijze van uitrollen van het omgevingsplan door de gemeente. Daarnaast wordt een kritische kanttekening gemaakt bij de wijze waarop de Afdeling in deze zaak heeft getoetst of appellant wel belanghebbende was.

Mobiele versie afsluiten