Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht
* ABRvS 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4407: Awb, Wro; wijzigingsplan, koloniewoningen, draagvlak, cultuurhistorische waarden, aantasting landschap, afsluiting openbare weg, landbouwverkeer, afstand gebied Natuurnetwerk Nederland, soortenbescherming, nu en noodzaak, bevoegdheid tot vaststelling, gewasbeschermingsmiddelen, geen locatie-specifiek onderzoek, afstandseis
* ABRvS 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4415: Awb, Wro; herstelbesluit bpl, ecologische verbindingszone, bos, sport, geluid, verkeersintensiteit, aanvullend onderzoek, maximale bebouwingsmogelijkheden, maximale bouwhoogte, privacy, wandel- en fietspad
* ABRvS 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4414: Awb, Wm; afwijzing handhavingsverzoek, optreden tegen verkoop vislood, art. 9.2.1.2 Wm, REACH-verordening, vangnetfunctie, dwangsom niet tijdig beslissen
* ABRvS 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4432: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, tweelaagse aanbouw woning, constructieve doorbraak draagmuur, ontvankelijkheid, uitvulling souterrain, begrip bouwlaag, strijd met bpl, vlonder met privacyscherm, trap, tuinhok, zonlichttoetreding, Haagse bezonningsnorm, vleermuizen (Rb Rotterdam 20/6446)
* ABRvS 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4406: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, keerwand in afwijking van omgevingsvergunning, legaliserende omgevingsvergunning bouwen, bouwhoogte, stabiliteit, Bouwbesluit 2012, welstand, erfafscheiding niet vergunningsvrij (Rb Den Haag 21/901, 21/1295, 21/5593 en 21/1062)
* ABRvS 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4426: Awb, Wabo; buiten behandeling stellen aanvraag omgevingsvergunning bouwen, 8 woningen, splitsing bestaande woning, onvoldoende gegevens na aanvullingen, beheersverordening, herhaling van gronden, weigering verlenging termijn (Rb Overijssel 21/2146)
* ABRvS 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4420: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, sportkooi, afwijken bpl, geluid, gebiedstype VNG-brochure, maximale planologische mogelijkheden, uitgangspunten akoestisch onderzoek, aansluiting bij grenswaarden Activiteitenbesluit, speltype, brongeluid spelers, bronvermogen ballen tegen palen, representatieve invulling, vergelijking met andere zaken, alternatieven, afzien van voorschriften, overlastbeperkende maatregelen (Rb Den Haag 21/3577)
* ABRvS 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4431: Awb, Wnb; natuurvergunning wijziging betoncentrale, vervangen installatie, sloop en herbouw loods, stikstofdepostie gelijk aan referentiesituatie oude vergunning, intern salderen, Habitatrichtlijn, 18 december-uitspraak, omvang referentiesituatie
* ABRvS 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4421: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, plaatsen akenbank, kunstwerk, zitbank, geschiktere locaties, overlast door hangjongeren, vooroverleg (Rb Noord-Nederland 21/3006)
* ABRvS 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4422: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, bedrijfsverzamelgebouw, wijzigen positie gebouw, afwijken bpl, grens bebouwde kom, bedrijfswoningen, bijbehorend bouwwerk (Rb Noord-Nederland 22/685)
* ABRvS 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4427: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, omheining paardenbak zonder omgevingsvergunning, aanleg en gebruik paardenbak, mestopslag, strijdigheid met beheersverordening, gebruik in privésfeer, geen strijd met bpl, bescherming door overgangsrecht (Rb Noord-Nederland 22/1591 en 22/2951)
* ABRvS 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4423: Awb, Wro; niet vaststellen bpl, 4 woningen, structuurvisie, besluit bevat geen motivering, ontoereikende motivering, toekomstig beleid, onvoldoende rekening met bestaande overeenkomsten, vertouwensbeginsel
* ABRvS 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4424: Awb, Wro; bpl, omzetting naar burgerwoning, anterieure overeenkomst, bouwplan, belangen niet meegewogen, ambtshalve verkleining bestemmingsvlak, tussenuitspraak
* ABRvS 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4425: Awb, Wnb; afwijzing aanvraag doden van vos met behulp van lichtbak, andere bevredigende oplossingen, schrikdraad, sneeuwval, onderhoud, schadevergoeding (Rb Noord-Nederland 22/1877)
* ABRvS 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4411: Awb, Wabo; handhaving, last onder dwangsom, verwijderen stacaravan zonder omgevingsvergunning, vergunningplicht, sprake van overtreding, geen bijzondere omstandigheden (Rb Zeeland-West-Brabant 23/1976)
* ABRvS 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4409: Awb, Wabo; handhaving, last onder dwangsom, schriftelijke toezegging bouwstop, staken bouwwerkzaamheden, plaatsen jacuzzi zonder omgevingsvergunning, grondslag, nieuwe beroepsgrond, strijdigheid met bpl, niet eerder bebouwde grond
* ABRvS 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4433: Awb, Wro; bpl, buitenmuseum, permanente horeca-activiteiten, omzetting agrarisch naar wonen, bereikbaarheid, verkeersgeneratie, belangen voldoende meegewogen
* ABRvS 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4435: Awb, Wro, Wabo; herstelbesluit bpl, bepaling peil, omgevingsvergunning bouwen, 12 appartementen, gecoördineerde voorbereiding, rechtsgevolgen in stand
* ABRvS 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4410: Awb, Wro; planschade, windpark, planvergelijking, tussenliggende gronden, wijze waardering schadefactoren, geluidhinder, toename nachtperiode, taxatiemethode, deskundigheid taxateur, referentieobjecten, deskundigheid beoordeling geluidhinder, wegvallen geluid in dagperiode, uitzichthinder, lichthinder (Rb Noord-Nederland 23/852)
* ABRvS 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4408: Awb, Wro; planschade, windpark, planvergelijking, tussenliggende gronden, wijze waardering schadefactoren, geluidhinder, toename nachtperiode, taxatiemethode, deskundigheid taxateur, referentieobjecten, deskundigheid beoordeling geluidhinder, wegvallen geluid in dagperiode, uitzichthinder, lichthinder (Rb Noord-Nederland 21/2400)
* ABRvS 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4429: Awb, Wabo; handhaving, last onder dwangsom, maatregel ter ondersteuning van voorgevel, acuut gevaar, rijksmonument, lengte begunstigingstermijnen (Rb Zeeland-West-Brabant 23/3115)
* Rechtbank Den Haag 16 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16921: Awb, Wnb; faunabeheerplan, konijn, rechtszekerheid, noodzakelijkheid, andere bevredigende oplossingen, toetsingscriteria Wnb, Habitatrichtlijnsoorten, proportionele alternatieve maatregelen, escalatieladder, gunstige staat van instandhouding
* College van Beroep voor het bedrijfsleven 16 september 2025, ECLI:NL:CBB:2025:460: Awb, Msw; handhaving, bestuurlijke boete, niet voldoen aan verantwoordingsplicht, mest, H1-staten, redelijke termijn
* College van Beroep voor het bedrijfsleven 16 september 2025, ECLI:NL:CBB:2025:463: Awb, Msw; handhaving, bestuurlijke boete, overschrijding gebruiksnorm dierlijke meststoffen, fosfaatnorm, cautie, feitelijke beschikkingsmacht, begin- en eindvoorraad, redelijke termijn
* College van Beroep voor het bedrijfsleven 16 september 2025, ECLI:NL:CBB:2025:465: Awb, Msw; handhaving, bestuurlijke boete, overschrijding gebruiksnorm dierlijke meststoffen, fosfaatnorm, gewekt vertrouwen, matigen boetes, bespreking tijdens eerste aanleg, geen toezegging (Rb Midden-Nederland 23/1070)
* Rechtbank Oost-Brabant 16 september 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:5767: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, stook pelletkachel, hinder, gezondheidsschade, procesbelang, astma, toetsing ex tunc en ex nunc, rookontwikkeling, geen wettelijke grenswaarden fijnstof, rookgasafvoer, stappenplan STAB, Bouwbesluit 2012
* College van Beroep voor het bedrijfsleven 16 september 2025, ECLI:NL:CBB:2025:466: Awb, Msw; handhaving, bestuurlijke boete, overschrijden gebruiksnormen, overtreding mestverwerkingsplicht, bewijsmaatstaf, fosfaatgebruiksnorm, stikstof, controlerapport, matiging boete, overschrijding redelijke termijn (Rb Limburg 21/1695)
* College van Beroep voor het bedrijfsleven 16 september 2025, ECLI:NL:CBB:2025:471: Awb, Msw; bestuurlijke boete, tot een bedrijf behorende landbouwgrond, feitelijke beschikkingsmacht, berekening mestproductie, overschrijding gebruiksnorm, derogatie, overschrijding redelijke termijn (Rb Gelderland 21/910)
* College van Beroep voor het bedrijfsleven 16 september 2025, ECLI:NL:CBB:2025:473: Awb, Msw; handhaving, boete, mestopslag, verantwoordingsplicht, fosfaat, overschrijding redelijke termijn (Rb Noord-Nederland 21/2290)
* Rechtbank Midden-Nederland 12 september 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:4894: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, tijdelijk schoolgebouw, hekwerk, golfkarrenberging, rookabri, tijdelijkheid, onlosmakelijke verbondenheid, verkeersbewegingen, stikstof, noodzaak, alternatieven, geen evidende privaatrechtelijke belemmering
* ABRvS 11 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4298: Awb, Wro; vovo, bpl, 330 woningen, belemmering bedrijfsvoering, vrachtauto’s, beperkt bedrijfsbelang, belang woningbouw
¶ Rechtbank Oost-Brabant 11 september 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:5719 en Rechtbank Oost-Brabant 11 september 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:5720: Awb, Ow; vovo, handhaving, last onder dwangsom, bodemverontreiniging, lekkende mestzakken, vloeistoffenvervoer tankwagen, wederzijdse belangenafweging, voorkomen verdere milieuschade, kosten
* Rechtbank Midden-Nederland 10 september 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:4858: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, ambulancepost, afwijken bpl, geluid, sirenes, schrikkelcirculaire, maatschappelijke noodzaak, verkeersveiligheid, bepaling verkeersgeneratie, parkeerdruk
¶ Rechtbank Noord-Holland 10 september 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:10419: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning bouwen, clubhuis hockeyvereniging, eerdere uitspraak over natuurvergunning, footprint, nieuwe geluidsberekeningen, licht, afname geluidseffecten, vleermuizen, grondwallen, vervuilingen grond, herplantplicht,
* Rechtbank Midden-Nederland 10 september 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:4859: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, ambulancepost, afwijken bpl, locatieonderzoek, ladder voor duurzame verstedelijking, locatieafweging, geluid, verkeersveiligheid, natuur, quickscan, vleermuizen, horizonvervuiling
* Rechtbank Gelderland 9 september 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:7503: Awb, Wabo; tijdelijke omgevingsvergunning beeldentuin, 5 jaar, gebruik strijd bpl, aanvullende voorschriften, beperkingen gebruik, toiletvoorziening, tent, kunstwerken, parkeren, verkeer
* Rechtbank Den Haag 9 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16677: Awb; vovo en kortsluiten, kennelijk niet-ontvankelijk verklaring, bezwaren omgevingsvergunning, eisen bezwaarschrift, belanghebbendheid, aanvullende gegevens identiteit
* Rechtbank Gelderland 9 september 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:7501: Awb, Wabo, Chw; weigering omgevingsvergunning plaatsen zonnepanelen, daken woningen, welstandseisen, voordakvlak niet vergunningvrij, welstandsadvies, zichtbaarheid op ooghoogte, onderzoek niet getoetst aan welstandscriteria, alternatieven
* Rechtbank Gelderland 9 september 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:7502: Awb, Wabo; omgevingsvergunning realisering klepstuw, ontvankelijkheid, limitatief-imperatief stelsel, geen ruimte vergunning te weigeren
* Rechtbank Limburg 8 september 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:8793: Awb, Waterwet, Waterschapswet; handhaving, last onder dwangsom, lozingen afvalstoffen, oppervlaktewater, herhaalde nieuwe lozingen, pluimveebedrijf, overlopen bezinkvijver, overtrederschap, ruime formulering, duidelijkheid last
* Rechtbank Rotterdam 8 september 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:10654: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, erfafscheiding, tuinophoging, pergola, beginselplicht tot handhaving, meting hoogte, aansluitend afgewerkt terrein, bepaling 0-punt, pergola als erfafscheiding
¶ Rechtbank Gelderland 8 september 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:7480: Awb, Ow; brief met strekking dat permanente bewoning niet vergunningsvrij is, geen grondslag brief als besluit, bestuurlijk rechtsoordeel, aanvraag is aangewezen weg
* Rechtbank Overijssel 5 september 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:5454: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, zand- en grindbedrijf, grindwasinstallatie, zeefbak, productiecapaciteit op jaarbasis, melding- of vergunningsplicht, productiecapaciteit gebaseerd op overgelegde bedrijfsgegevens, geen overschrijding redelijke termijn
* Rechtbank Gelderland 5 september 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:7456: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning bouwen, winkelruimte, parkeerterrein, uitweg, parkeren, behoefte, eigen terrein, saldering, maatwerk, welstandseisen, verkeersveiligheid uitweg
* Rechtbank Gelderland 4 september 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:7451: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, kappen zonder omgevingsvergunning, 3 wilgen, nieuwe beslissing op bezwaar, niet voldaan aan uitspraak rechtbank, tussenuitspraak na tussenuitspraak
* Rechtbank Noord-Holland 3 september 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:10244: Awb, Gmw; intrekking uitritvergunning, fietsstraat, verkeersveiligheid, noodzakelijkheid, parkeerplaatsen, overige uitritten wel behouden, onvoldoende motivering
¶ Rechtbank Midden-Nederland 29 augustus 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:4728: Awb, Ow; pand niet aanwijzen als gemeentelijk monument, vertrouwensbeginsel, financiële gevolgen, voorbescherming, nadelen niet onderzocht, tussenuitspraak
* Rechtbank Den Haag 29 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16006: Awb, Wabo; afwijzing omgevingsvergunning uitweg, weigeringsgronden APV, contra-expertise, verkeersveiligheid, bruikbaarheid weg, doelmatig gebruik weg, rijcurve-analyse, beleidsvrijheid, motiveringsbeginsel
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28 augustus 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:5810: Awb, Wabo, Wnb; omgevingsvergunning bouwen, vervangen bedrijfspand, afwijken bpl, aanhaakplicht ontheffing Wnb, onderzoek soortenbescherming, ontbreken Aeriusberekening, gebiedsbescherming, archeologie, zijdelingse perceelgrens, geen evidente privaatrechtelijke belemmering
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27 augustus 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:5790: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, afwijken bpl, B&B, ontvankelijkheid stichting, ambtshalve constatering gebrek, verkeersoverlast, parkeeroverlast
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27 augustus 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:5777: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, woning met aangebouwde garage, afwijken bpl, verklaring van geen bedenkingen, afwijken bouwvlak, schaduwhinder, onvoldoende duidelijk op welke punten afwijken van bpl
¶ Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26 augustus 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:6052: Awb, Gmw, Ow; vovo, omgevingsvergunning plaatsen ketenpark, renovatie 49 woningen, openbaar groen, geluid, privacy, veiligheid, inbraakbeveiliging, APV, geen omgevingsvergunning nodig
* Rechtbank Midden-Nederland 25 augustus 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:4678: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning afwijken bpl, tijdelijke perifere detailhandel, niet in lijn met detailhandelsbeleid, eerdere aanvraag wel, evenredigheidsbeginsel, gelijkheidsbeginsel, vertrouwensbeginsel
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22 augustus 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:5716: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, herstelwerkzaamheden en aanpassingen gevel, bouwveiligheidsplan, Bouwbesluit 2012, meldingen rondom veiligheid, vertrouwensbeginsel
¶ = uitspraak waarop de Omgevingswet materieel van toepassing is (dus niet de uitspraken die vallen onder het overgangsrecht)
# = betrokkenheid STAB
! = (nog) niet gepubliceerd
Bijzondere overwegingen
* ABRvS 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4431: Awb, Wnb; natuurvergunning wijziging betoncentrale, vervangen installatie, sloop en herbouw loods, stikstofdepostie gelijk aan referentiesituatie oude vergunning, intern salderen, Habitatrichtlijn, 18 december-uitspraak, omvang referentiesituatie
Referentiesituatie – Is de toestemming voor het vervaardigen van betonmortel op 1 januari 2013 vervallen?
(…)
5.5 De wijziging van de regelgeving op 1 januari 2013 betekent volgens de rechtbank dat vanaf die datum voor het vervaardigen van betonmortel een obm-vergunning nodig was, ook al beschikte het bedrijf voor die datum over een omgevingsvergunning milieu. Een redelijke uitleg van artikel 2.2a, vijfde lid, onder b, van het Bor brengt volgens de rechtbank echter met zich, dat een bedrijf dat bezig was met het vervaardigen van betonmortel op 31 december 2012 op basis van een omgevingsvergunning milieu, niet ineens op 1 januari 2013 in overtreding was van het verbod in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo, omdat het bedrijf een obm-vergunning nodig had. Zolang het vervaardigen niet stopt en later weer aanvangt of verandert, hoeft het bedrijf geen obm-vergunning aan te vragen.
Omdat het bedrijf al lang gestopt was met het vervaardigen van betonmortel – volgens de rechtbank vanaf 2007 – heeft het bedrijf voor de opstart van de centrale na 1 januari 2013 en het aanvangen met het vervaardigen van betonmortel, een obm-vergunning nodig. De rechtbank gaat er met andere woorden vanuit dat Nautisch Centrum B.V., of haar rechtsvoorganger, vanaf 1 januari 2013 niet langer over een toestemming voor het vervaardigen van betonmortel beschikte.
5.6. De Afdeling is van oordeel dat Nautisch Centrum B.V. en het college terecht betogen dat de rechtbank een onjuiste uitleg geeft aan de wijziging van de regelgeving per 1 januari 2013. Zij licht dat als volgt toe.
5.7. De Afdeling is van oordeel dat artikel 2.2a, vijfde lid, onder b, van het Bor, zoals deze bepaling gold tot 1 maart 2014, zo moet worden gelezen dat een obm-vergunning voor het vervaardigen van betonmortel nodig is voor de oprichting en verandering van die activiteit. Die lezing sluit aan bij de regeling over de omgevingsvergunning milieu en de meldingsplicht op grond van het Activiteitenbesluit, die beide gekoppeld zijn aan de oprichting en verandering van een inrichting. Verder is ook de obm-vergunningplicht voor betoncentrales die vallen onder het derde lid, onder b, gekoppeld aan het oprichten of veranderen van de inrichting. In de nota van toelichting bij de wijziging van het Bor wordt op p. 142 toegelicht dat de obm-vergunningplicht bij de activiteit in het derde lid, onder b nodig is vanwege geluid en bij de activiteit in het vijfde lid, onder b, vanwege luchtkwaliteit. In de nota van toelichting wordt niet ingegaan op het verschil in redactie van beide bepalingen die beide betrekking hebben op inrichtingen voor het vervaardigen van betonmortel. De nota van toelichting biedt geen aanknopingspunten dat met het verschil in redactie is bedoeld de obm-vergunningplicht voor de activiteit in artikel 2.2a, vijfde lid, onder b, op een ander moment te laten ontstaan dan bij de activiteit in artikel 2.2a, derde lid, onder b.
5.8. Een logische en redelijke uitleg bij die lezing van artikel 2.2a, vijfde lid, onder b, is dan dat activiteiten die voor 1 januari 2013 een onherroepelijke en in werking getreden milieuvergunning voor het vervaardigen van betonmortel hadden, obm-vergunningplichtig worden als zij die activiteit gaan veranderen ten opzichte van de milieuvergunde situatie. Deze uitleg is ook te vinden in de nota van toelichting bij een eerdere wijziging van artikel 2.2a van het Bor waarbij andere activiteiten onder de obm-vergunningplicht werden gebracht en niet voorzien werd in een gelijkstellingsbepaling (Stb. 2010/781, p. 34).
5.9. De Afdeling volgt dus niet de uitleg die de rechtbank en de Milieuvereniging geven aan het ontbreken van een gelijkstellingsbepaling, namelijk dat op 1 januari 2013 alle betoncentrales obm-vergunningplichtig werden, ook al beschikten zij voor die datum over een onherroepelijke en van kracht zijnde omgevingsvergunning milieu. Die uitleg houdt, zoals de rechtbank ook onderkende, in dat betoncentrales vanaf 1 januari 2013 in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo in werking zijn. De Afdeling ziet in de nota van toelichting bij deze en ook andere wijzigingen van artikel 2.2a van het Bor geen aanknopingspunten voor deze, uit oogpunt van rechtszekerheid van de “e-vergunninghouders”, verstrekkende uitleg. Integendeel, uit de nota’s van toelichting bij de verschillende wijzigingen van artikel 2.2a van het Bor, kan juist worden afgeleid dat niet beoogd werd dat met het vervallen van de “e-vergunning” opnieuw een omgevingsvergunning – ditmaal een obm-vergunning – moest worden aangevraagd.
5.10. De opvatting van de rechtbank dat een redelijke uitleg van artikel 2.2a, vijfde lid, onder b, van het Bor met zich brengt dat een bedrijf dat op 31 december 2012 op basis van een omgevingsvergunning milieu bezig was met het vervaardigen van betonmortel, op 1 januari 2013 niet obm-vergunningplichtig werd zolang het vervaardigen niet stopt en wel obm-vergunningplichtig werd als het vervaardigen, na feitelijk gestopt te zijn geweest, weer aanvangt, onderschrijft de Afdeling ook niet. De Afdeling ziet in de tekst van artikel 2.2a, vijfde lid, onder b, van het Bor en de nota van toelichting, geen aanknopingspunten voor de uitleg dat het daadwerkelijk vervaardigen van betonmortel op 31 december 2012 relevant is voor het ontstaan van de obm-vergunningplicht voor bedrijven die voor 1 januari 2013 over een onherroepelijke en van kracht zijnde omgevingsvergunning milieu beschikten.
5.11. Het voorgaande betekent dat Nautisch Centrum B.V. en het college terecht betogen dat op 1 januari 2013 de uit de Hinderwetvergunning voortvloeiende toestemming voor het vervaardigen van betonmortel niet is vervallen. In het licht van de 18 december-uitspraak betekent dit dat Nautisch Centrum B.V. beschikt over een milieutoestemming die is verleend voor de referentiedatum en die sindsdien is gecontinueerd.
De omvang van de referentiesituatie
- Nautisch Centrum B.V. en het college betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat voor intern salderen niet alleen de vergunde maar ook de feitelijke situatie relevant is. Voor het bepalen van de omvang van de referentiesituatie is volgens hen, anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, niet van belang of het bedrijf steeds in werking is geweest en de emissieruimte daadwerkelijk is benut.
6.1. Zoals hiervoor onder 4.2 is uiteengezet is in de 18 december-uitspraak de rechtspraak over het bepalen van de omvang van de referentiesituatie die ontleend wordt aan een milieutoestemming gewijzigd. De gevolgen die zijn toe te rekenen aan bestaande onderdelen van de milieuvergunde activiteit mogen in de referentiesituatie worden betrokken, voor zover die onderdelen feitelijk zijn gerealiseerd en, voor zover deze structureel niet meer in gebruik zijn, zonder natuurtoestemming opnieuw in gebruik kunnen worden genomen. Hierbij geldt als peilmoment bij intern salderen met een eigen milieutoestemming, de aanvraag voor een natuurvergunning of een ander objectief bepaalbaar moment.
De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld, zij het op andere gronden, dat ook de feitelijke situatie relevant is voor het bepalen van de omvang van de referentiesituatie die aan de Hinderwetvergunning kan worden ontleend.
* ABRvS 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4414: Awb, Wm; afwijzing handhavingsverzoek, optreden tegen verkoop vislood, art. 9.2.1.2 Wm, REACH-verordening, vangnetfunctie, dwangsom niet tijdig beslissen
1. (…) Bij het besluit van 5 februari 2021 heeft de staatssecretaris het handhavingsverzoek afgewezen. Bij het besluit van 9 juni 2021 heeft de staatssecretaris de afwijzing in stand gelaten. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat niet handhavend kan worden opgetreden omdat er geen overtreding is. De verkoop van vislood is namelijk niet verboden in specifieke regelgeving en daarom biedt artikel 9.2.1.2 van de Wm evenmin grondslag om handhavend op te treden, aldus de staatssecretaris.
(…)
3.1 Artikel 9.2.1.2 van de Wm luidt: “Een ieder die beroepshalve een stof, mengsel of genetisch gemodificeerd organisme vervaardigt, in Nederland invoert, toepast, bewerkt, verwerkt of aan een ander ter beschikking stelt, en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door zijn handelingen met die stof of dat mengsel of organisme gevaren kunnen optreden voor de gezondheid van de mens of voor het milieu, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die gevaren zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.”
In de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 9.2.1.2 van de Wm (Kamerstukken II, 2005/06, 30 600, nr. 3, blz. 24) is vermeld dat dit artikel als vangnet dient en dat deze vangnetfunctie inhoudt dat de zorgplicht voorziet in gevallen dat specifieke regels ontbreken ten aanzien van stoffen, preparaten en ggo’s, zowel in de Wet milieubeheer, als in de overige stofgerichte regelgeving. Daarnaast geldt deze vangnetfunctie ook ten aanzien van handelingen met stoffen die niet onder de reikwijdte van REACH vallen, aldus de memorie van toelichting.
3.2. Vaststaat dat bij of krachtens nationale wetgeving geen specifieke regels zijn gesteld over (de verkoop van) vislood. Ook de REACH-verordening bevat geen restricties hierover. Het standpunt van de staatssecretaris komt erop neer dat artikel 9.2.1.2 van de Wm niet van toepassing is, omdat op basis van de REACH-verordening een verbod op (de verkoop van) vislood zou kunnen worden gesteld.
Naar het oordeel van de Afdeling geeft de tekst van artikel 9.2.1.2 van de Wm geen steun voor het standpunt van de staatssecretaris. Artikel 9.2.1.2 van de Wm is een zorgplichtbepaling die juist geldt als vangnet voor gevallen waarover geen specifieke regels zijn gesteld, zoals (de verkoop van) vislood. Die vangnetfunctie is bovendien uitdrukkelijk vermeld in de memorie van toelichting. Voor zover de staatssecretaris meent dat zijn uitleg wordt ondersteund door de laatste zin van de onder 3.1 weergegeven passage uit de memorie van toelichting, volgt de Afdeling hem daarin niet. De zinssnede dat de vangnetfunctie “ook” geldt ten aanzien van handelingen met stoffen die niet onder de reikwijdte van REACH vallen doet immers geen afbreuk aan de daarvoor opgenomen toelichting dat artikel 9.2.1.2 van de Wm voorziet in gevallen waarin specifieke regels ontbreken. De memorie van toelichting, laat staan de wettekst, biedt dus geen aanknopingspunten voor het standpunt van de staatssecretaris dat artikel 9.2.1.2 van de Wm alleen van toepassing is op stoffen waarover geen restricties in de REACH-verordening kunnen worden gesteld.
Gelet hierop heeft de staatssecretaris onvoldoende gemotiveerd dat niet op grond van artikel 9.2.1.2 van de Wm handhavend kan worden opgetreden tegen de verkoop van vislood.
* ABRvS 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4427: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, omheining paardenbak zonder omgevingsvergunning, aanleg en gebruik paardenbak, mestopslag, strijdigheid met beheersverordening, gebruik in privésfeer, geen strijd met bpl, bescherming door overgangsrecht (Rb Noord-Nederland 22/1591 en 22/2951)
4. [appellant sub 2] en het college betogen beide dat de rechtbank heeft miskend dat het gebruik van de paardenbak niet in strijd is met de beheersverordening.
4.1. Op grond van de “Beheersverordening Buitengebied Menameradiel” (hierna: de beheersverordening) en het bestemmingsplan “Buitengebied” rust op het perceel de bestemming “Landelijk gebied”. Op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van de voorschriften van het bestemmingsplan is binnen deze bestemming onder meer wonen toegestaan.
4.2. De Afdeling gaat ervan uit dat [appellant sub 2] zijn paarden niet bedrijfsmatig houdt en ook de paardenbak alleen gebruikt in de privésfeer bij zijn woning, zoals niet langer in geschil is.
4.3. Zoals de rechtbank heeft overwogen, is het begrip “wonen” in de planregels niet nader omschreven.
4.4. De rechtbank heeft voor haar oordeel dat de paardenbak in strijd met de bestemming is, bepalend geacht dat de definitie van het begrip “wonen” in het Van Dale Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal niet het gebruik van een paardenbak omvat.
4.5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in haar uitspraak van 14 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2587, onder 5.1, hangt het van de specifieke omstandigheden van het geval af of het houden van paarden in overeenstemming is met een woonbestemming. Daarbij is bepalend of de ruimtelijke uitstraling die dat gebruik gezien zijn aard, omvang en intensiteit heeft, van dien aard is dat deze planologisch gezien niet meer valt te rijmen met de woonfunctie van het betrokken perceel. De Afdeling overweegt dat voorzieningen voor het houden van paarden, zoals een paardenbak, hierbij moeten worden betrokken.
Dit betekent dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft aangelegd bij haar beoordeling of de paardenbak in strijd is met de bestemming.
4.6. Dat, zoals [partij] in beroep naar voren heeft gebracht, binnen de bestemming “Landelijk gebied” alleen gronden met de aanduiding “manege” mogen worden gebruikt ten behoeve van paarden- en ponysport, welke aanduiding op het perceel van [appellant sub 2] ontbreekt, is niet bepalend voor het antwoord op de vraag of de paardenbak in strijd met de bestemming is. Het houden van paarden en het gebruiken van een paardenbak bij een woning kan niet geacht worden in alle omstandigheden te vallen onder paardensport.
4.7. Zoals hiervoor is overwogen, verricht [appellant sub 2] op het perceel geen bedrijfsmatige activiteiten en gebruikt hij de paardenbak alleen in de privésfeer. Het gaat verder om een ruim opgezet perceel in het buitengebied met een grote oppervlakte aan bijbehorende gronden, die voorheen agrarisch werden gebruikt. De woning is op de plankaart van het bestemmingsplan aangeduid als woonboerderij en ligt binnen gebied dat op grond van de geldende bestemming “Landelijk gebied” niet alleen voor wonen, maar ook nog steeds voor onder meer agrarische bedrijven is bestemd. Gelet op al deze omstandigheden valt de ruimtelijke uitstraling van de paardenbak naar het oordeel van de Afdeling te rijmen met de bestemming. De Afdeling komt dan ook, anders dan de rechtbank, tot de conclusie dat de paardenbak niet in strijd is met de op het perceel geldende bestemming.
* ABRvS 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4424: Awb, Wro; bpl, omzetting naar burgerwoning, anterieure overeenkomst, bouwplan, belangen niet meegewogen, ambtshalve verkleining bestemmingsvlak, tussenuitspraak
Bouwplan [appellanten sub 1] en anterieure overeenkomst
- [appellanten sub 1] en Stek betogen dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het bouwplan van [appellanten sub 1] dat op basis van de tussen de gemeente en Stek gesloten anterieure overeenkomst is gemaakt. Zij voeren hiertoe aan dat zij op grond van de anterieure overeenkomst bij het opstellen van het bouwplan zijn uitgegaan van een geel bestemmingsvlak “Wonen” van 1.000 m². Zij hebben vóór de vaststelling van het bestemmingsplan bij de gemeente kenbaar gemaakt dat de verkleining van de bestemmingsvlakken tot gevolg zou hebben dat het door hen beoogde bouwplan onmogelijk wordt gemaakt, omdat de bebouwingsmogelijkheden worden beperkt en geen uitrit mogelijk is op de locatie waar zij deze voor ogen hadden. De raad had dit bouwplan moeten betrekken bij het besluit om het bestemmingsplan gewijzigd vast te stellen.
Zij voeren verder aan dat de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe de belangen van zowel [appellanten sub 1] als Stek zijn afgewogen tegen de betrokken ruimtelijk belangen om ambtshalve de bestemmingsvlakken te verkleinen.
4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat [appellanten sub 1] geen aanvraag voor een omgevingsvergunning of een verzoek tot vooroverleg hebben ingediend.
4.2. De Afdeling stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat op 3 mei 2023 een gesprek tussen [appellant sub 1B] en het college heeft plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek heeft [appellant sub 1B] volgens de raad uitgelegd wat zijn bouwplan inhoudt en aangegeven dat hij en [appellant sub 1A] bezwaar hebben tegen de verkleining van het bestemmingsvlak “Wonen – 1” en het bestemmingsvlak “Tuin – 1”, omdat hierdoor onder andere de verplaatsing van de uitrit van het woonperceel niet langer mogelijk zou zijn. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat het college intern overleg heeft gevoerd over het bouwplan van [appellanten sub 1] en de bezwaren tegen de verkleining van de bestemmingsvlakken. Het college heeft toen besloten dat aanpassing van het vast te stellen bestemmingsplan, gezien het ruimtelijke beleid van de gemeente, niet mogelijk was. Het bouwplan van [appellanten sub 1] is daarbij door het college niet aan de raad voorgelegd. Nu de raad op de zitting verder heeft toegelicht dat het plan concreet genoeg was en tijdig door [appellanten sub 1] kenbaar is gemaakt, is naar het oordeel van de Afdeling bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten onrechte geen rekening gehouden met het bouwplan van [appellanten sub 1] en zijn de belangen van [appellanten sub 1] ten onrechte niet meegenomen in de belangenafweging.
* Rechtbank Limburg 8 september 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:8793: Awb, Waterwet, Waterschapswet; handhaving, last onder dwangsom, lozingen afvalstoffen, oppervlaktewater, herhaalde nieuwe lozingen, pluimveebedrijf, overlopen bezinkvijver, overtrederschap, ruime formulering, duidelijkheid last
23. Het vorenstaande neemt naar het oordeel van de rechtbank echter niet weg dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling het rechtszekerheidsbeginsel vereist dat een last zodanig duidelijk en concreet geformuleerd wordt dat degene tot wie de last is gericht niet in het duister hoeft te tasten over wat gedaan of nagelaten moet worden om de overtreding te beëindigen of in dit geval herhaling van een overtreding te voorkomen. Daarbij dient de overtreder wel een keuze te worden gelaten ten aanzien van de middelen die hij wenst toe te passen om aan die overtreding een einde te maken of in dit geval herhaling van een overtreding te voorkomen.
24. De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder bij de primaire besluiten 1 en 2 opgelegde last daaraan niet voldoet, wat strijd oplevert met het rechtszekerheidsbeginsel. De last houdt immers enkel een verbod van overtreding van artikel 6.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Waterwet in en de enige concretisering bestaat er in feite uit dat het hier om lozing in de Vissensteert gaat. Op basis van deze algemeen geformuleerde en ruime last was het voor eisers onvoldoende duidelijk wat voor lozingen hier allemaal onder werden verstaan en wat voor maatregelen zij moesten treffen om aan de last te voldoen. Ter zitting is desgevraagd door de gemachtigde van verweerder bevestigd dat een strikt nalaten (of: het enkel stilzitten) door eisers hiervoor onvoldoende was.
25. Dat onvoldoende duidelijk was wat eisers nou precies moesten doen of nalaten om aan de last te voldoen, blijkt al uit de omstandigheid dat het zelfs voor toezichthouder [gemachtigde] op 18 maart 2024 aanvankelijk niet duidelijk was dat eisers de dwangsom hadden verbeurd. Toezichthouder [gemachtigde] heeft immers op 18 maart 2024 geconstateerd dat er mest vanaf het pluimveebedrijf op het onderhoudspad en op het talud van de Vissensteert waaide, maar zag op dat moment niet in dat dit ook een overtreding van de last was. Dat besef kwam pas later, reden waarom het opgemaakte rapport nadien werd aangepast.
- Daar komt bij dat de last, gelet op de te algemene en ruime formulering, onvoldoende concreet is toegespitst op de aard van de overtredingen die aan de primaire besluiten 1 respectievelijk de primaire besluiten 2 ten grondslag zijn gelegd, zodat de last verder strekt dan het afwenden van het door verweerder gestelde gevaar van herhaling van eerdere overtredingen. De last voldoet daarmee ook niet aan de voorwaarden om, volgens de onder r.o. 19 genoemde vaste rechtspraak, aangemerkt te worden als last strekkende tot voorkoming van herhaling van eerdere overtredingen. Ook om die reden kleeft er aan de primaire besluiten 1 en 2 een gebrek.
- De rechtbank stelt vast dat eisers dit gebrek en de hiervoor geconstateerde strijdigheid met het rechtszekerheidsbeginsel niet expliciet in hun beroepschriften hebben aangevoerd. Wel is in het beroepschrift tegen de bestreden besluiten 1 door eisers aangevoerd dat de last onduidelijk was, omdat verweerder volgens hen heeft nagelaten om concreet te zeggen wat zij moesten doen. Tevens hebben eisers in het beroepschrift tegen de bestreden besluiten 2 gesteld dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden. Ter zitting hebben eisers aangegeven dat het voor hen niet duidelijk was, wat gedaan moest worden om de overtredingen te beëindigen en wanneer het een keer genoeg is. Bovendien is niet duidelijk wanneer een dwangsom verbeurd is. Volgens eisers was op 18 maart 2024 geen sprake van overtreding van de last, en heeft [gemachtigde] dat ook bevestigd. Later heeft verweerder dat teruggedraaid en het alsnog als een overtreding aangemerkt. De rechtbank vat dit met toepassing van artikel 8:69, tweede lid, van de Awb op als een beroep op strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en de hiervoor vermelde vaste jurisprudentie van de Afdeling. Voor zover dat eerst ter zitting is aangevoerd, acht de rechtbank dat niet in strijd met de goede procesorde, omdat verweerder hierop inhoudelijk heeft gereageerd.
- Nu de in de primaire besluiten 1 en 2 opgenomen last, gehandhaafd bij de bestreden besluiten 1 en 2, in strijd is met de rechtszekerheid en bovendien niet aangemerkt kan worden als last strekkende tot voorkoming van herhaling van eerdere overtredingen, zijn de beroepen gegrond en komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de overige beroepsgronden van eisers. De rechtbank realiseert zich dat door gegrondverklaring van de beroepen en daarmee dus ook de vernietiging van de bestreden besluiten, alsmede de herroeping van de daarop gebaseerde invorderingsbesluiten, [eiser] de dans ontspringt, maar dat is een gevolg van de juridisch onjuiste keuze die verweerder heeft gemaakt om op deze wijze handhavend op te treden.¶ Rechtbank Gelderland 8 september 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:7480: Awb, Ow; brief met strekking dat permanente bewoning niet vergunningsvrij is, geen grondslag brief als besluit, bestuurlijk rechtsoordeel, aanvraag is aangewezen weg
5. Artikel 16.64a van de Omgevingswet biedt geen grondslag om de brief van 19 juni 2024 als besluit aan te merken. Deze bepaling bepaalt dat in de kennisgeving van een besluit over een omgevingsvergunning moet worden vermeld of het bevoegd gezag oordeelt dat er geen vergunning nodig is, bijvoorbeeld als de activiteit niet vergunningplichtig is. Deze bepaling is opgenomen in “§ 16.5.2. Reguliere voorbereidingsprocedure”, in hoofdstuk 16.5 ‘de omgevingsvergunning’. In deze paragraaf wordt geregeld wanneer de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is voor omgevingsvergunningen. Gelet op de plek en inhoud van artikel 16.64a van de Omgevingswet biedt deze bepaling geen grondslag voor een procedure om voorafgaand aan de aanvraag van een omgevingsvergunning een of meerdere voorvragen aan het college voor te leggen. De bepaling regelt immers de inhoud van de kennisgeving van een besluit over een omgevingsvergunning. Deze bepaling is daarom geen grondslag om de brief van 19 juni 2024 als besluit te kwalificeren. Ook de vaste rechtspraak over positieve weigeringen waarnaar eisers verwijzen in hun aanvraag, maakt dit niet anders. Het gaat dan immers steeds om aanvragen voor vergunningen, waarop door het bevoegd gezag beslist wordt dat geen vergunning nodig is. Dat is een andere situatie dan het voorleggen van een voorvraag zoals in dit geval.
STAB verzorgt de jurisprudentie voor STAB OGR updates
Tessa Rötscheid, promovenda bij het Utrecht Centre for Water, Oceans and Sustainability Law (UCWOSL), schreef een annotatie bij de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 9 mei 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2238). Deze uitspraak heeft betrekking op de afwijzing van een verzoek om handhavend op te treden tegen het zonder natuurvergunning in werking zijn van twee biomassacentrales. De initiatiefnemer beroept zich op het overgangsrecht uit de Rendac- en Amercentrale-uitspraken. In de annotatie wordt onder meer ingegaan op de vraag of de rechtbank wel terecht is uitgegaan van een procesbelang aangezien de verzoeker om handhaving geen beroep had ingesteld tegen de eerdere positieve weigeringen omdat geen vergunning nodig was.