Het college was, gelet op de ontwikkeling van de kennis over de kwaliteit van het milieu, verplicht om de lozingsnorm in de vergunning ambtshalve te weigeren.
Casus
Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant heeft de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit van een bedrijf dat kunststofproducten produceert ambtshalve gewijzigd. In het besluit is een lozingsnorm opgenomen voor het lozen van de stof perfluorbutaatsulfonzuur (PFBS) in het afvalwater dat via de afvalwaterpersleiding op de Westerschelde wordt geloosd. Volgens het bedrijf was het college niet bevoegd om de omgevingsvergunning ambtshalve te wijzigen omdat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van nieuwe wetenschappelijke inzichten op basis waarvan een wijziging van de vergunning noodzakelijk zou zijn. Daarnaast betwist het bedrijf de door het college gehanteerde toetsingsnorm.
Rechtsvraag
Is sprake van ‘een ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu’ als bedoeld in artikel 8.99, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)?
Uitspraak
Op basis van artikel 5.38, eerste lid, van de Omgevingswet (Ow) beziet het bevoegd gezag regelmatig of de voorschriften van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit nog toereikend zijn gezien de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu. Het derde lid van dit artikel biedt de grondslag voor artikel 8.99 van het Bkl. Op grond van artikel 8.99, eerste lid, onder b, van het Bkl wijzigt het bevoegd gezag de aan de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit verbonden voorschriften als door toepassing van artikel 5.38, eerste lid, van de Ow blijkt dat de milieuverontreiniging die de activiteit veroorzaakt, door de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu verder moet worden ingeperkt. Dat artikel verplicht het college regelmatig te bezien of de voorschriften van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit nog toereikend zijn, gezien de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu. Artikel 8.99, eerste lid, van het Bkl bevat een dwingende verplichting. In artikel 8.99, derde lid, van het Bkl is bepaald dat in ieder geval sprake is van ontwikkelingen als bedoeld in het eerste lid als de door de activiteit veroorzaakte milieuverontreiniging zodanig is dat de emissiegrenswaarden die in de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften zijn opgenomen, moeten worden gewijzigd of dat in die voorschriften nieuwe emissiegrenswaarden moeten worden opgenomen. Onder de werking van de Wabo was in artikel 2.31, eerste lid, onder b, van de Wabo een soortgelijke verplichting opgenomen.
In de door partijen genoemde uitspraken van de rechtbank Den Haag [ECLI:NL:RBDHA:2018:7464 en ECLI:NL:RBDHA:2023:3302, r.o. 4.6] heeft de rechtbank geoordeeld dat onder ‘de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu’ ook de ontwikkeling van de kennis over de kwaliteit van het milieu kan worden begrepen en dat nieuwe kennis over de milieugevolgen van de activiteiten van een inrichting daarmee de grondslag kan vormen voor een ambtshalve wijziging van de omgevingsvergunning van die inrichting.
De rechtbank volgt SABIC niet in haar betoog dat bij letterlijke lezing van artikel 8.99, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bkl dat dat artikel maar voor één uitleg vatbaar is. In dit geval is de tekst van artikel 8.99 van het Bkl niet zo duidelijk dat er voor de uitleg hiervan niet meer hoeft te worden gekeken naar bijvoorbeeld de memorie van toelichting of de achtergrond van de wetsbepaling. Het begrip ‘ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu’ is een breed begrip. Er is ruimte om te bepalen hoe de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu moet vastgesteld en aan de hand van welke inzichten dat moet worden vastgesteld. Niet is uitgesloten dat een handeling eerst niet als schadelijk voor het milieu worden beschouwd en later wel, zoals bijvoorbeeld met PFBS het geval is. Bovendien wordt dat begrip in artikel 8.99, derde lid, van het Bkl (in tegenstelling tot artikel 2.31, eerste lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)) verder verduidelijkt en niet eens limitatief verduidelijkt, gelet op het gebruik van de woorden ‘in ieder geval’. Het derde lid sluit nauw aan op de tekst van artikel 21, vijfde lid van de Richtlijn Industriële emissies (RIE).
Daarom ziet de rechtbank ruimte voor de door het college voorgestane richtlijnconforme uitleg van artikel 8.99 van het Bkl. De rechtbank vindt steun voor die opvatting in de voormelde passages in de NvT bij het Bkl, waarin is aangegeven dat met het artikel wordt beoogd een zo groot mogelijke bescherming van de fysieke leefomgeving te bieden. Het college heeft de kennis over de eigenschappen van PFBS (en het aanmerken hiervan als zeer zorgwekkende stof (ZZS)), in combinatie met de informatie in het advies voor de toetsingsnorm van de afdeling Water, Verkeer en Leefomgeving van de Minister na overleg met het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) alsmede de wetenschap van de lozingen van PFBS door SABIC aan kunnen merken als een ontwikkeling die kan leiden tot een zodanige milieuverontreiniging dat nieuwe emissiegrenswaarden in de omgevingsvergunning moeten worden opgenomen.
De rechtbank ziet niet in dat het college eerst met algemeen wetenschappelijk aanvaarde inzichten moet aantonen dat de lozing van PFBS tot een zodanige milieuverontreiniging kan leiden dat nieuwe emissiegrenswaarden in de omgevingsvergunning moeten worden opgenomen. PFBS is als ZZS aangemerkt. Het bestreden besluit is bovendien gebaseerd op de risicogrens voor PFBS van het European Commission’s Joint Research Centre (JRC) voor zout water van 10 ng/l (hierna: de toetsingsnorm). Hierna zal worden beoordeeld of het college van deze toetsingsnorm mocht uitgaan.
Daarnaast ziet de rechtbank evenmin in dat het college pas verplicht is tot het wijzigen van de voorschriften als milieuverontreiniging daadwerkelijk is aangetoond. Met andere woorden: het college hoeft niet te wachten met optreden totdat daadwerkelijk gevolgen van de lozing van PFBS in de Westerschelde zijn geconstateerd. Het college merkt terecht op dat de gevolgen van de lozing van PFBS zich pas na langere tijd van voortdurende blootstelling kunnen openbaren. Als het college daar op gaat wachten, is het (mogelijk) te laat. Dat neemt overigens niet weg dat het college wel de kans op het ontstaan van dergelijke gevolgen voldoende aannemelijk zal moeten maken.
(…)
De rechtbank concludeert dat het college op basis van artikel 5.38 van de Ow in combinatie met artikel 8.99, eerste lid, onder b, en derde lid, van het Bkl, verplicht was om de voorschriften van de omgevingsvergunning van SABIC te wijzigen en een lozingsnorm op te nemen.
Rechtelijke Instantie : Rechtbank Oost-Brabant
Datum Uitspraak : 07-10-2025
Eclinummer : ECLI:NL:RBOBR:2025:6158
Jelle van de Poel
