Een vermijdings- en reductieprogramma heeft alleen tot doel om informatie te verschaffen over de vermijding en reductie van zzs.
Casus
MOB heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant verzocht om handhavend op te treden tegen SABIC omdat het vermijdings- en reductieprogramma (VRP) voor zeer zorgwekkende stoffen (zzs), dat SABIC op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet opstellen niet voldoet aan de eisen die het Bal daaraan stelt. Het college heeft dit verzoek afgewezen omdat het VRP volgens het college wel aan deze eisen voldoet.
Rechtsvragen
1. Wat is het doel van een VRP?
2. Voldoet het VRP aan de eisen uit het Bal?
Uitspraak
1. Op grond van artikel 5.24, tweede lid, van het Bal moet bij een VRP een overzicht worden verschaft van de mogelijkheden om het gebruik van zzs te vermijden of te reduceren. Verder moet het informatie bevatten over de bedrijfszekerheid en de kosten van technieken en informatie over afwenteleffecten. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het VRP alleen tot doel heeft om hem informatie te verschaffen over de vermijding en reductie van zzs. Artikel 5.24, tweede lid, van het Bal verplicht er niet toe om verslag te doen van wat een bedrijf in het verleden of tijdens een afgelopen rapportageperiode van vijf jaar aan vermijding of reductie heeft gedaan. Ook volgt er geen verplichting uit tot minimalisatie. Die verplichting volgt uit artikel 2.11 van het Bal maar niet uit artikel 5.24, tweede lid, van het Bal. [Eiseres] heeft artikel 2.11 van het Bal niet ten grondslag gelegd aan haar handhavingsverzoek. Met het artikel 5.24 van het Bal kunnen tot slot geen nieuwe technieken binnen een bepaalde termijn worden afgedwongen om de emissies van zzs te vermijden of te reduceren.
2. Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat het alleen moet beoordelen of voldoende informatie wordt overgelegd over het doel van het voorkomen van emissies van zzs en, indien niet mogelijk, het zo veel mogelijk vermijden van zzs-emissies naar de leefomgeving. Daarbij komt het college enige beoordelingsruimte toe. De rechtbank komt tot de conclusie dat het college de door [naam] met het VRP 2024 aangeleverde informatie als voldoende heeft kunnen beschouwen.
Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [naam] heeft laten weten dat wat betreft de door [eiseres] aangehaalde stoffen, volgens de huidige stand van de techniek nog geen vervangende stoffen beschikbaar zijn, of geen technieken beschikbaar zijn om de emissies verder te reduceren.
Voor de zzs waar dat wel mogelijk was, heeft [naam] de afgelopen jaren het gebruik van zzs weten te vermijden of te reduceren. Onderzoek naar nieuwe technieken, ook onderzoek van [naam], gaat door, maar wijst op dit moment voor de bedoelde stoffen nog niet in een concrete richting. Daarom heeft [naam] in het VRP 2024 volstaan met de mededeling dat onderzoek naar vervanging of reductie van de door [eiseres] zzs nog gaande is. [Eiseres] heeft deze standpunten van [naam] niet of zeer beperkt tegengesproken. [Eiseres] heeft in dit verband gesteld dat [naam] behoorde aan te tonen dat meer acties dan voortzetting van bestaand onderzoek niet nodig zijn. De verplichting om een VRP te maken is er echter in de eerste plaats op gericht om het college inzicht te verschaffen in wat en hoe [naam] aan reductie en vermijding van zzs doet en niet een verplichting om aan te tonen dat het niet nog meer zou kunnen doen of inzicht te verschaffen in alle denkbare mogelijkheden voor vermijding of reductie van zzs. In wat [eiseres] heeft aangevoerd, en gegeven de beoordelingsruimte die het college heeft, ziet de rechtbank daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het college de aangeleverde informatie als onvoldoende heeft kunnen beschouwen.
Rechtelijke Instantie : Rechtbank Oost-Brabant
Datum Uitspraak : 31-10-2025
Eclinummer : ECLI:NL:RBOBR:2025:7046
Jelle van de Poel
