Strafrechtelijke veroordeling (boete) vanwege het niet scheiden van gevaarlijk (gasontladingslampen) en niet gevaarlijk slopafval (vlakglas en armaturen)
Casus
Volgens de tenlastelegging heeft verdachte (een bedrijf) in de eerste plaats gehandeld in strijd met artikel 4.1 van de Regeling Bouwbesluit 2012, doordat zij bouw- en/of sloopafval als bedoeld in artikel 8.9 van het Bouwbesluit, namelijk vlakglas en/of armaturen en/of gasontladingslampen niet gescheiden heeft gehouden en/of gescheiden heeft afgevoerd, terwijl de hoeveelheid afval meer dan 1 m3 bedroeg. Daarnaast heeft zij gevaarlijke afvalstoffen (gasontladingslampen, waarop Euralcode 20 01 21* van toepassing was) gemengd met andere afvalstoffen. Dit is volgens de tenlastelegging een overtreding van artikel 10.54a Wet milieubeheer (Wm).
De economische politierechter heeft de verdachte vrijgesproken. Het openbaar ministerie heeft hiertegen hoger beroep ingesteld.
Rechtsvragen
1. Is komen vast te staan dat gevaarlijke en andere afvalstoffen in dit geval niet zijn gescheiden?
2. Had artikel 10.54a van de Wm (oud) betrekking op de in casu aan de orde zijnde situatie van voorlopige opslag voorafgaand aan inzameling?
3. Kan een andere strafbepaling worden toegepast?
4. Acht het hof bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan?
Uitspraak
1. Gasontladingslampen zijn opgenomen onder Euralcode 20 01 21* (tl-buizen en ander kwikhoudend afval) van de Europese afvalstoffenlijst en 17 09 01* (bouw- en sloopafval dat kwik bevat). Stoffen die op deze lijst met een asterisk zijn aangeduid, worden als gevaarlijk beschouwd. Het hof stelt op grond van de bij de verschillende controles aangetroffen en hiervoor weergegeven situatie op het sloopterrein vast, dat deze afvalstoffen niet op de juiste wijze werden gescheiden. De gasontladingslampen lagen immers met ander afval op hopen en in containers.
2. (…) In de preambule van de Kaderrichtlijn afvalstoffen is onder 15 opgenomen dat bij het begrip inzameling ‘onderscheid moet worden gemaakt tussen de voorlopige opslag van afvalstoffen voorafgaand aan de inzameling, de inzameling van afvalstoffen en de opslag van afvalstoffen voorafgaand aan verwerking. Inrichtingen of ondernemingen waarvan de activiteiten afvalstoffen voortbrengen, dienen niet te worden beschouwd als zijnde actief in afvalbeheer noch als vergunningsplichtig voor de opslag van afvalstoffen voorafgaand aan inzameling’.
(…)
In lijn hiermee en gelet op de omstandigheid dat het mengen van bouw- en sloopafval, evenals het onder feit 1 ten laste gelegde scheiden van bouw- en sloopafval, ten tijde hier van belang reeds was gereguleerd in artikel 4.1, tweede lid, van de Regeling Bouwbesluit 2012 juncto artikel 1b en 2 van de Woningwet (beide vervallen), moet naar het oordeel van het hof worden geconcludeerd dat artikel 10.54a van de Wet milieubeheer (oud), geen betrekking had op de in casu aan de orde zijnde situatie van voorlopige opslag voorafgaand aan inzameling.
3. Het onder de tenlastelegging opgenomen voorschrift (artikel 10.54a van de Wet milieubeheer) is derhalve niet juist, maar de ten laste gelegde gedraging valt wel onder artikel 4.1, tweede lid, van de Regeling Bouwbesluit 2012 juncto artikel 1b en 2 van de Woningwet (beide vervallen) en is thans strafbaar gesteld in artikel 4.3, eerste lid, aanhef en onder a van de Omgevingswet en de artikelen 7.25, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, juncto de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten (WED). Het hof is dan ook van oordeel dat deze andere strafbepaling kan worden toegepast. Verdachte wordt hierdoor niet in enig belang geschaad. De Omgevingswet bevat, voor zover hier van belang, geen overgangsrecht. Nu de Omgevingswet dezelfde gedragingen strafbaar stelt als de Woningwet en ook de daarmee corresponderende strafbedreiging niet gewijzigd is in gunstiger zin voor de verdachte, dient het tenlastegelegde te worden beoordeeld aan de hand van het ten tijde van het delict geldende recht.
Het voorgaande brengt met zich dat de verdachte ingevolge het destijds geldende artikel 4.1, tweede lid, van de Regeling Bouwbesluit 2012 gehouden was gevaarlijke afvalstoffen niet te mengen.
4. Het hof verklaart dat de verdachte het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan. Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 13.500 (dertienduizend vijfhonderd euro).
Rechtelijke Instantie : Gerechtshof Amsterdam
Datum Uitspraak : 30-10-2025
Eclinummer : ECLI:NL:GHAMS:2025:2966
Jelle van de Poel
