Site icoon STAB

Jurisprudentie – week 49

Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* ABRvS 3 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5862: Awb, Wnb; ontheffing, luchtvaartveiligheid, beheer vogels/dieren, motivering, Faunabeheereenheid, beleidsegels, uitvoeringsmiddelen, faunabeheerplan, escalatieladder, kwantitatieve gegevens, verspreidingsgegevens, landelijke vrijstelling, omgevingsverordening, noodzaak, Vogelrichtlijn, lang gras-beheer (Rb Noord­Nederland 20/2272)
* ABRvS 3 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5865: Awb, Wnb; ontheffing, luchtvaartveiligheid, beheer vogels/dieren, motivering, Faunabeheereenheid, beleidsegels, uitvoeringsmiddelen, faunabeheerplan, escalatieladder, kwantitatieve gegevens, verspreidingsgegevens, landelijke vrijstelling, omgevingsverordening, noodzaak, Vogelrichtlijn, mortaliteitsnorm (Rb  Noord­Nederland 20/2453)
* ABRvS 3 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5863: Awb, Wro; wijzigingsplan, dagactiviteitencentrum, wonen, twee reguliere wooneenheden, voorwaarden wijzigingsbevoegdheid, stedenbouwkundige inpassing, parkeerbalans, bereikbaarheid, beleidsregels, geurbelasting, paardenhouderij, belemmeringen bedrijfsvoering
# ABRvS 3 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5874: Awb, Wro; bouw 1 woning, beperking bedrijfsvoering, landbouwbedrijf, uitbreidingsplannen, goede ruimtelijke ordening, geurbelasting, worstcase scenario’s, geluid, VNG-publicatie, omgevingsverordening, natuurontwikkelingsplan, landschappelijke inpassing, voorwaardelijke verplichting, stikstofberekening, bedrijfseconomische belangen, relativiteitsvereiste
* ABRvS 3 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5869: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, veranderen/vergroten woning, strijd met bpl, splitsing bouwplan, woon- en leefklimaat, karakter wijk, welstand (Rb  Limburg 20/2125, 20/2145 en 20/2146)
* ABRvS 3 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5859: Awb, Wro; bpl, afwijzing verzoek herziening, supermarkt, Dienstenrichtlijn, noodzaak, bescherming stedelijk milieu, evenredigheid, geschiktheid, onderbouwing effectiviteit, coherent en systematisch nastreven doel, minder beperkende maatregelen
* ABRvS 3 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5851: Awb, Wro, Chw; bpl, uitbreiding woonwijk, 3000 woningen, omgevingsverordening, landschappelijke inpassing, borging, bouwmogelijkheden, bouwhoogte, goede ruimtelijke ordening, stikstof, relativiteitsvereiste, woon- en leefklimaat, verkeersgevolgen, voorwaardelijke verplichting, verkeersmodel, beperking bedrijfsvoering, melkveehouderij, afstand, groenvoorzieningen, effecten recreatie
* ABRvS 3 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5877: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, zomer- en winterterras, overlast, aanvrager, belanghebbendheid, APV, onderzoek (Rb Den Haag 21/6958)
* ABRvS 3 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5875: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, uitbreiden woning, breedte aanbouw, balkon, strijd met bpl, begrip oorspronkelijk, meetvoorschriften, evidente privaatrechtelijke belemmeringen, belangenafweging (Rb Den Haag 21/3300)
* ABRvS 3 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5873: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning, tuinbouwkas, stalling caravans, strijd met omgevingsverordening, wijziging structuurniveau, inpassing, ruimtelijke kwaliteit, afwijkingsmogelijkheid, provinciaal beleid, vertrouwensbeginsel, gelijkheidsbeginsel, nader besluit (Rb Rotterdam 20/1916)
* ABRvS 3 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5871: Awb, Wabo; handhaving, agrarisch bedrijf, strijdig gebruik , ondergeschikte detailhandel, varkenshouderij met visvoermakerij,  overtreding, strijd met bpl, onevenredigheid, vertrouwensbeginsel, invorderingsbeschikkingen (Rb Oost­Brabant 22/79)
* ABRvS 3 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5864: Awb; handhaving, afwijzing verzoek, dubbel parkeren, paaltjes en reclamebord, strijd met bpl, uitleg vergunningvoorschriften, bereikbaarheid, manoeuvreerruimte, perceelsgrens, overtreding (Rb Midden­Nederland 21/3971)
* ABRvS 3 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5861: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, buiten behandeling, verbouwen bedrijfspand, bedrijfswoning, kwekerij, ontvankelijkheid, aanleveren gegevens, Mor, alsnog geweigerde omgevingsvergunning (Rb Zeeland­West­Brabant 22/4317)
* ABRvS 3 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5838: Awb, Wro; bpl, herbestemming, voormalig agrarisch bedrijf, bouw vier woningen, kwaliteitsverbetering landschap, voorwaarden beleidsregel, voorwaardelijke verplichting, omgevingsdialoog
* ABRvS 3 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5860: Awb, Wabo; omgevingsvergunning,  verbouw woning, café, biljartruimte, bestemming erf, motiveringsgebrek, toepassing beleidsregel, toepassingsbereik, herstelbesluit, motiveringsgebrek  (Rb Limburg 22/883)
* ABRvS 3 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5716 en  ABRvS 3 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5717: Awb, Wbr; Wbr-vergunning, energielaadpunt, beperkingen geldigheidsduur, Dienstenrichtlijn, Dienstenwet, Tijdelijke beleidsregel, schaarse vergunningen, passende beperkte duur, terugverdientijd noodzakelijke investeringen, belangenafweging (Rb Amsterdam 23/1181 en 23/3232)
* ABRvS 3 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5872: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, bouwen garageboxen, selfstorage, hoofdgebouw, Bor, strijd met bpl (Rb Zeeland-West-Brabant 22/4967)
* ABRvS 3 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5876: Awb; standplaatsvergunning, suikerspinkraam, veiling, grondslag, APV, (Rb  Oost­Brabant 23/1118)
* ABRvS 3 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5857: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, bouwen hostel, parkeerdruk, bandveiligheid, opvolgend huurder, rechtsopvolging onder bijzondere titel, rechtsopvolger, ontvankelijkheid (Rb Rotterdam 22/1387)
* ABRvS 3 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5845: Awb, Wro; wijzigingsplan, 3 woningen, weg, bos, buitenplaats, woon- en leefklimaat, uitzicht, goede ruimtelijke ordening
* ABRvS 3 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5841: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, ecologische verbindingszone, NNN, cultuurlandschap, beperking bedrijfsvoering, evenredigheid, grazende runderen, jakobskruiskruid, waardevermindering gronden, subsidie (Rb Midden­Nederland 22/5970)
* ABRvS 3 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5834: Awb, Ow; vovo, wijzigingsbesluit, omgevingsplan, ontsluitingsweg, bestemming openbaar gebied, groenstrook, omgevingsvergunning aanleggen, spoedeisend belang
* Rechtbank Noord-Nederland 2 december 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:4932: Awb; vovo, handhaving, bewonen bedrijfswoning, uitleg planregels, overtreding, grondslag, begrip bewonen, geen verplichting, leefbaarheid, duiden last, gebrekkige motivering
* College van Beroep voor het bedrijfsleven 2 december 2025, ECLI:NL:CBB:2025:633: Awb; handhaving, afwijzing verzoek, bescherming schapen, wolf, Besluit houders dieren, doelvoorschriften, maatregelen, preventiekit, onvoldoende onderzoek oorzaak
* College van Beroep voor het bedrijfsleven 2 december 2025, ECLI:NL:CBB:2025:635: Awb; handhaving, afwijzing verzoek, bescherming schapen, wolf, Besluit houders dieren, doelvoorschriften, preventiekit, voldoende maatregelen, geen overtreding
* ABRvS 1 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5796: Awb; vovo en kortsluiten, handhaving, bewoning, meerdere huishoudens, splitsing woning, legalisatie, evenredigheid, overgangsregeling, hoogte dwangsom (Rb Den Haag 25/4654 en 25/677)
* Rechtbank Rotterdam 1 december 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:13966: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning, splitsen woning, gemeentelijk beleid, kwetsbare  wijk, belang grote eengezinswoningen, leefbaarheid, goede ruimtelijke ordening, woonvisie
* ABRvS 28 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5794: Awb; vovo, handhaving, strijdig gebruik, voormalig bankgebouw, huisvesten mensen met GGZ-achtergrond, zorgwoning, ruimtelijke relevantie, specifieke doelgroep, specifiek gebruik (Rb Gelderland 24/4206 en 24/4215)
* ABRvS 28 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5791: Awb, Wro; bpl, uitvaartcentrum, crematorium, Bro, behoefte, concurrent, relativiteitsvereiste
Rechtbank Rotterdam 28 november 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:13854: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning, APV, vellen boom, onlosmakelijke samenhang, flora- en fauna-activiteit, Bal, weigeringsgronden, natuur- en milieuwaarden
ABRvS 27 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5789: Awb; vovo en kortsluiten, handhaving, strijd met omgevingsplan, verkameren woning, facetbpl, begrip bestaande situatie, bewijs
(Rb Gelderland 25/3101 en 25/3102)
ABRvS 27 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5790: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning, afwijking planregels, bouwen 17 woningen, nabijgelegen kalveren- en schapenhouderij, belemmering bedrijfsvoering, woon- en leefklimaat, geurnorm, cumulatie, belangenafweging, uitbreidingsmogelijkheden (Rb Overijssel 25/1019 en 25/1525)
Rechtbank Limburg 26 november 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:11638: Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning, 11 woningen, vervallen horecafunctie, ETFAL, BOPA, privacy, uitzicht, zorgwoningen, senioren, sociale veiligheid, evidente privaatrechtelijke belemmering, scheidsmuur
* Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 26 november 2025, ECLI:NL:OGEAC:2025:258: Awb; handhaving, uitblijven beslissing, ontvankelijkheid, niet verstreken termijn
* Rechtbank Gelderland 26 november 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:10191: Awb, BW; kg, onrechtmatige gedraging, vordering legalisatie PAS-melders, Nb, causaal verband, Habitatrichtlijn, geen legalisatieverplichting, eigendomsrecht, vrijheid ondernemerschap
Rechtbank Gelderland 26 november 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:10082: Awb, Ow; omgevingsvergunning, tijdelijk afwijken, evenement, natuurbestemming, procesbelang, nieuwe onherroepelijke vergunning
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26 november 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:8305: Awb, Wabo; intrekking omgevingsvergunning, ver- en nieuwbouw woning, eigendomssituatie, procesbelang, ontvankelijkheid
Rechtbank Rotterdam 25 november 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:13723: Awb, Ow; BOPA, bouwen schuur, ontbreken instemming waterschap, Ob, oppervlakte, functionaliteit
* Rechtbank Rotterdam 25 november 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:13719: Awb, Wabo; handhaving, afwijzing verzoek, verwijderen hekwerk, bestemming tuin, afstand, Keur, passeren voertuigen, prioriteringsbeleid
# ! Rechtbank Oost-Brabant 24 november 2025: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, veevoederbedrijf, veranderen inrichting, participatie, VNG-brochure, milieucategorie, inrichtingsgrens, onduidelijke situatie, Ow, Bal, geluidhinder, Handreiking, gemodelleerde rijroutes vrachtwagens, onduidelijke representatieve bedrijfssituatie, middelvoorschriften, achteruitrijsignalering, geluidwal, natuur, luchtkwaliteit, geur, aanvulling/wijziging voorschriften
* Rechtbank Rotterdam 24 november 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:13929: Awb, Wabo; handhaving, dakterrassen, geen vergunning, overtreding, grondslag, beleidsregels, belangenafweging, onevenredigheid, motiveringsgebrek, herstelmogelijkheden, tussenuitspraak
* Rechtbank Rotterdam 24 november 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:13928: Awb, Wabo; handhaving, afwijzing verzoek, aanbrengen drie vensteropeningen, privacy, vve, motiveringsgebrek, evenredigheid, tussenuitspraak
* Rechtbank Rotterdam 24 november 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:13924: Awb, Wabo; handhaving, zee- en binnenschepen, Activiteitenbesluit, overschrijding geluidgrenswaarden, laden/lossen en op/overslag, grens inrichting, nestgeluid afgemeerde schepen, hotelfunctie, geluidmetingen, representatieve bedrijfssituatie, stoorgeluid, begunstigingstermijn, hoogte dwangsom
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21 november 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:8201: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, oprichting inrichting, grondbank, recycling puin/groenafval/versleten kunstgrasvelden/productie glasschuim, Wgh, bevoegdheid, Bor, milieuwetgeving, goede ruimtelijke ordening, concurrent, geen procedureel gebrek, relativiteitsvereiste, correctie, gelijkheidsbeginsel
Rechtbank Gelderland 21 november 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:9906: Awb; handhaving, afwijzing verzoek, recreatief gebruik buurperceel, geen overtreding, zwembad, ontbreken vergunningen, omvang handhavingsverzoek, geluidsoverlast, beleving
* Rechtbank Gelderland 21 november 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:9905: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, dakopbouw, advies stedenbouwkundige, hoorzitting, niet nader horen, passeren gebrek, onjuiste maatvoering, Bor, begrip dakopbouw, beleidsregels, woon- en leefklimaat, kwalitatieve verplichting koopcontract, evidente privaatrechtelijke belemmering, welstand
* Rechtbank Gelderland 21 november 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:9935: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning, uitweg garage, APV, tweede uitweg, uitwegenbeleid, openbare parkeerplaats, parkeerbehoefte, relatie met vergunning garage
* Rechtbank Rotterdam 21 november 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:13920: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, appartementencomplex, bouwen buiten bouwvlak, goede ruimtelijke ordening, bebouwingskarakteristiek, afwijkingsbevoegdheid, parkeernormen, parkeerbehoefte, te lage parkeercijfers, onderzoek, beleidsregels, beschikbaarheid parkeerplaatsen in omgeving, rechtsgevolgen in stand gelaten
Rechtbank Oost-Brabant 21 november 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:7592: Awb, Wabo, Ow; vovo, omgevingsvergunning, uitbreiding bedrijfspand, weigering intrekking, procesbelang, woon- en leefklimaat, geluid, stank, vrachtverkeer, bouwstart, duiding bouwwerkzaamheden, privaatrechtelijke belemmering, ladderrecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21 november 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:8284: Awb; handhaving, recreatieve verhuur boot, bestemming water, strijdig gebruik, uitleg planregels
* Rechtbank Amsterdam 20 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:9203: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, tijdelijke basisschool, woon- en leefklimaat, uitleg regels exploitatieplan, archeologie, cultuurhistorische waarden, statuten, relativiteitsvereiste, bodemonderzoek, Ror, Bal
* Rechtbank Gelderland 20 november 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:9837: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, bouwen buiten- en binnenzwembad, kappen, camping, ontvankelijkheid, vormverzuim, niet kenbare identiteit bezwaarmakers, niet meer te herstellen gebrek, procesbelang, belanghebbendheid
* Rechtbank Noord-Holland 20 november 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:13705 en Rechtbank Noord-Holland 20 november 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:13704: Awb, Binnenvaartwet; handhaving, bunkerboot, drijvend werktuig, lading rode gasolie, certificaat, vervoer gevaarlijke stoffen, veiligheid, aannemelijk risico of maatschappelijke onrust/milieuschade, bevoegdheid, Regionale Havenverordening Noordzeekanaalgebied, kostenverhaal, overtreding, ligplaats
Rechtbank Amsterdam 20 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:9275: Awb, Ow; BOPA, horecazaak, terras, woon- en leefklimaat, ETFAL, participatie, Omgevingsregeling, tussenuitspraak
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20 november 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:8025: Awb, Wav; proefstalbeschikking, vaststelling bijzondere emissiefactor/BEF, Bleu-Labelsysteem Rav, melkveehouderijen, huisvestingssysteem, ammoniakemissie.
* Rechtbank Gelderland 19 november 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:9920: BW; schadevergoeding, Elektriciteitswet aansprakelijkheid netbeheerder, gederfde huur, appartementencomplexen, geen aansluiting op elektriciteitsnet, onredelijke lange duur aansluiting, bewijsopdracht projectontwikkelaar
* Rechtbank Den Haag 18 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21556: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, kleine windmolen, participatie, Wnb, afstand, relativiteitsvereiste, SMB-richtlijn, geluidmetingen, stiltegebied, omgevingsverordening, Wm, landschap, zichtlijnen, noodzaak, beleid, veiligheid
* Rechtbank Den Haag 18 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22131: Awb, Wabo, Chw; omgevingsvergunning, appartementencomplex met winkels, voorbereidingsprocedure, ladder duurzame verstedelijking, geen nieuwe stedelijke ontwikkeling, parkeerbehoefte, beleidsregel, bezonning, uitzicht, uitvoering, Eerste Protocol EVRM, bodem, archeologie, uitvoerbaarheid
* Rechtbank Noord-Holland 16 september 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:13682: Awb, Wabo; handhaving, gebruik, opslag handelsvoorraad autohandel, stelconplaten, strijd met bpl, overtreding, vertrouwensbeginsel, gelijkheidsbeginsel
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14 november 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:7869: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, 5 woningen, bedrijfsbestemming, afwijken bpl, beeldkwaliteit, goede ruimtelijke ordening, woon- en leefklimaat, bouwhoogte, bezonning, lichte TNO-norm, ruimtelijke impact, parkeren, warmtepompen, geluid
* Rechtbank Den Haag 13 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21284: Awb, Wabo; afwijzing verzoek omgevingsvergunning, veranderen activiteiten afvalverwerkingsbedrijf, doorzet, geen huurovereenkomst, verhuizing, evidente privaatrechtelijke belemmering, geen belanghebbende, geen aanvraag, geen besluit
* Rechtbank Den Haag 13 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21361: Awb; handhaving, herstelbesluit, eigendomssituatie, rechtsopvolger, vertrouwensbeginsel, verbeuren dwangsommen, einduitspraak na tussenuitspraak
Rechtbank Midden-Nederland 12 november 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6100: Awb, Ow; maatwerkvoorschriften, geluidhinder muziek, café, gesloten houden ramen/deuren, relatie met vluchtroutes,
* Rechtbank Midden-Nederland 12 november 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6051: BW; onrechtmatige hinder, dakopbouw,  minder zonlicht, zonnepanelen, afvoer rookassen open haard, berekening rendementsverlies, vergoeding investeringsschade
* Rechtbank Noord-Holland 12 november 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:13703: Awb; omzettingsvergunning, huisvestingsverordening, omzetting onzelfstandige woningen, exceptieve toetsing, leefbaarheid, schaarste woonruimte, quota, belangenafweging, handhavingsmogelijkheden
* Rechtbank Amsterdam 7 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8382: Awb, Wro; planschade, afwijzing aanvraag, omgevingsvergunning, tijdelijke huisvesting, bedrijventerrein, vrachtauto’s, verslechtering woon- en leefklimaat, plangebied structuurvisie, voorzienbaarheid
Rechtbank Amsterdam 5 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8279: Awb, Ow; omgevingsvergunning, legalisering, verhogen dakvlak en constructiewijziging, ontvankelijkheid, eigenaar aangrenzend perceel, belanghebbendheid, feitelijke gevolgen van enige betekenis
* Rechtbank Amsterdam 4 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8243: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning, dakopbouw, dakterras, goede ruimtelijke ordening, privacy, bezonning, uitzicht, willekeur, gelijkheidsbeginsel, maatwerk, beleidsregels, evenredigheidsbeginsel, welstandsgebreken
* Rechtbank Rotterdam 31 oktober 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:13856: Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning, bouwen bedrijfspand, goede ruimtelijke ordening, dakopbouw, woon- en leefklimaat, privacy, bezonning, straatbeeld, Bor, parkeren, verkeer
* Rechtbank Rotterdam 29 oktober 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:13855: Awb, Waterwet; watervergunning, beschoeiing, L-wand, watergang, privaatrechtelijke belemmering, mandeligheid, niet-natuurvriendelijke oever, chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, doelstellingen wet, toetsingskader
* Rechtbank Rotterdam 29 oktober 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:13852: Awb, Wro; planschade, hoogte schadevergoeding, tussenliggende grond, geluidscherm, maximale invulling, uitzicht
Rechtbank Amsterdam 28 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8259: Awb, Ow; omgevingsvergunning, nieuwbouw bedrijfsverzamelgebouw, laadkuil, parkeernormen, Rendac-uitspraak, relativiteitsvereiste, tussenuitspraak
* Rechtbank Amsterdam 28 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8257: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, uitbouw, nieuwbouw levensmiddelengroothandel, parkeernormen, Rendac-uitspraak, relativiteitsvereiste, hoorzitting,
* Rechtbank Limburg 9 oktober 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:9833: Awb; vovo, handhaving, woonunit, verbeuren dwangsommen, onevenredigheid, tijdelijke ordemaatregel
* Rechtbank Noord-Holland 4 april 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:13578: Awb, Wabo; handhaving, tijdelijke omgevingsvergunning, huisvesten personen niet in vorm één huishouden, controle rapport, strijd met bpl, overtreding
* Rechtbank Noord-Holland 3 maart 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:13577: Awb, Wabo; kapvergunning, verordening, bevoegdheid, bomenbeleidsplan, zwaarwegende belangen, sportschool, woningbouw, herplantplan, duurzaam behouden, natuurvergunning, marter, ecologisch onderzoek

¶ = uitspraak waarop de Omgevingswet materieel van toepassing is (dus niet de uitspraken die vallen onder het overgangsrecht)
# = betrokkenheid STAB
= (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* ABRvS 3 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5862: Awb, Wnb; ontheffing, luchtvaartveiligheid, beheer vogels/dieren, motivering, Faunabeheereenheid, beleidsegels, uitvoeringsmiddelen, faunabeheerplan, escalatieladder, kwantitatieve gegevens, verspreidingsgegevens, landelijke vrijstelling, omgevingsverordening, noodzaak, Vogelrichtlijn, lang gras-beheer (Rb Noord­Nederland 20/2272)
5. De Afdeling geeft in deze uitspraak een oordeel over de wijze waarop en met welke onderbouwing het college een ontheffing mag verlenen voor het beheer van dieren op het luchthaventerrein van GAE. In het hoger beroep ligt de vraag voor op grond van welke wettelijke bepaling het college aan luchthaven GAE een ontheffing mag verlenen voor het beheer van dieren op het luchthaventerrein. Het luchthaventerrein van GAE is uitgezonderd van het werkingsgebied van de Faunabeheereenheid. Daarom kan de Faunabeheereenheid geen faunabeheerplan als bedoeld in artikel 3.12 van de Wnb opstellen voor het luchthaventerrein en kan geen ontheffing worden verleend aan de Faunabeheereenheid op grond van artikel 3.17, tweede lid, van de Wnb. Naar het oordeel van de Afdeling is het mogelijk om aan luchthaven GAE een ontheffing te verlenen op grond van artikel 3.17, vierde en vijfde lid, van de Wnb. De noodzaak van de werkzaamheden waarvoor ontheffing wordt verleend, ligt niet zozeer in het duurzaam beheer van populaties, maar in het voorkomen van aanvaringen tussen vliegtuigen en dieren. Hiervoor is specifiek getraind personeel aanwezig op de luchthaven. Uit de toelichting op de Beleidsregels Wet natuurbescherming provincie Drenthe volgt dat het college alleen rechtstreeks, in geval van het belang van veiligheid van luchtverkeer, een ontheffing verleent op basis van een overeenkomstig artikel 3.5 van de Beleidsregels opgesteld faunabeheerplan aan de luchthavenbeheerders van GAE of van vliegveld Hoogeveen.
In de beroepen ligt de vraag voor of de onderbouwing van de ontheffing in de besluiten voldoet aan de vereisten die zijn neergelegd in de Wnb en de Beleidsregels. Zoals volgt uit artikel 3.3, vierde lid, sub b, onder 2º, van de Wnb en artikel 9, eerste lid, onder a, van de Vogelrichtlijn is de veiligheid van het luchtverkeer een gerechtvaardigd belang op grond waarvan een ontheffing mag worden verleend. Wanneer dat belang in het geding is, is de noodzaak gegeven. Deze noodzaak is aldus erkend door de wetgever. Ditzelfde geldt wanneer de noodzaak verband houdt met bestendig beheer van vliegvelden. Naar het oordeel van de Afdeling bevestigt de uitgebreide escalatieladder dat pas tot afschot wordt overgegaan wanneer er geen andere bevredigende oplossing meer voorhanden is. De Afdeling constateert dat het Wildlife Hazard Management Plan & Faunabeheerplan Groningen Airport Eelde 2018 t/m 31 december 2022 op enkele punten niet in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 3.5 van de Beleidsregels. Hoewel voor het merendeel van de diersoorten in het plan een uitgebreide motivering is gegeven, zijn in dat plan de kwantitatieve gegevens ten aanzien van enkele diersoorten waarvan de schade wordt bestreden op de luchthaven minder nauwkeurig weergegeven dan vereist is volgens de Beleidsregels. Zo ontbreken van enkele diersoorten de verspreidingsgegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar. Verder oordeelt de Afdeling dat het college er ten onrechte vanuit is gegaan dat bepaalde vogels op grond van de landelijke vrijstelling mogen worden gedood. Deze vogelsoorten zijn echter niet met het oog op de vliegveiligheid op de landelijke vrijstelling geplaatst. Wanneer deze dieren gedood moeten worden in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer (artikel 3.3, vierde lid, sub b, onder 2º, van de Wnb), moet dat op grond van een faunabeheerplan, een vliegveiligheidsplan als bedoeld in de Beleidsregels of een aparte ontheffing.

* ABRvS 3 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5865: Awb, Wnb; ontheffing, luchtvaartveiligheid, beheer vogels/dieren, motivering, Faunabeheereenheid, beleidsegels, uitvoeringsmiddelen, faunabeheerplan, escalatieladder, kwantitatieve gegevens, verspreidingsgegevens, landelijke vrijstelling, omgevingsverordening, noodzaak, Vogelrichtlijn, mortaliteitsnorm (Rb  Noord­Nederland 20/2453)
5. (…) Ook betoogt de Faunabescherming terecht dat het college een onjuiste maatstaf heeft toegepast om te bepalen of aan artikel 3.3, vierde lid, onder c van de Wnb wordt voldaan. De Afdeling is van oordeel dat het college niet alleen moet beoordelen of het aantal vogels dat door de ontheffing van GAE wordt gedood boven de 1%-mortaliteitsnorm van de landelijke populatie komt. Het college moet ook kijken of er andere bedreigingen zijn die impact hebben op de populatie. Van belang is of de som van deze invloeden, dus ook andere activiteiten die leiden tot de dood van die populatie, niet boven de 1%-mortaliteitsnorm komt. Verder heeft het college ten onrechte niet gekeken of de ontheffing plaatselijk effect heeft op de goede staat van instandhouding. De Afdeling ziet geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen hierover.

* ABRvS 3 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5869: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, veranderen/vergroten woning, strijd met bpl, splitsing bouwplan, woon- en leefklimaat, karakter wijk, welstand (Rb  Limburg 20/2125, 20/2145 en 20/2146)
5.1. De rechtbank heeft terecht vooropgesteld dat het bouwplan als een geheel moet worden beoordeeld en niet kan worden gesplitst. Bij de beoordeling van het bouwplan mag dan ook geen onderscheid worden gemaakt tussen de verschillende delen daarvan. Dat volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling, zoals de uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ3375, onder 3.2. In de uitspraak heeft de rechtbank bij de beoordeling of het bouwplan aan de planregels voldoet dat bouwplan echter ten onrechte alsnog gesplitst. Daarbij heeft de rechtbank ten onrechte het bouwplan niet als één geheel aan de planregels van het bestemmingsplan getoetst. De Afdeling toetst daarom het bouwplan hierna alsnog als een geheel aan de planregels en gaat daarbij ook in op de vraag aan welke planregels moet worden getoetst.
5.2. Bij haar beoordeling heeft de rechtbank daarnaast namelijk ook ten onrechte het bouwplan tegelijkertijd getoetst aan de planregels over “hoofdgebouwen” en aan de planregels over “aan- en/of uitbouwen”. Dat is niet verenigbaar met het onderscheid dat de planwetgever heeft gemaakt tussen hoofdgebouwen en aan- en/of uitbouwen. Het gaat om elkaar uitsluitende begrippen. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar haar uitspraak van 14 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:626, onder 5.2. Het bouwplan moet dus of aan de planregels voor “hoofdgebouwen” of aan de planregels voor “aan- en/of uitbouwen” worden getoetst.
5.3. (…)
De Afdeling concludeert dat het bouwplan als een geheel aan de planregels voor “aan- en/of uitbouwen” moet worden getoetst en dat het bouwplan als geheel niet aan die planregels voldoet en er dus om die reden sprake is van strijd met het bestemmingsplan.
8. (…) De overige hoger beroepsgronden zijn gebaseerd op de door de rechtbank gemaakte onjuiste gesplitste beoordeling van het bouwplan en behoeven daarom geen bespreking meer. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en de redelijke eisen van welstand. Op deels andere gronden komt de Afdeling namelijk ook tot dat oordeel. De uitspraak van de rechtbank wordt daarom bevestigd.

* ABRvS 3 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5716 en  ABRvS 3 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5717: Awb, Wbr; Wbr-vergunning, energielaadpunt, beperkingen geldigheidsduur, Dienstenrichtlijn, Dienstenwet, Tijdelijke beleidsregel, schaarse vergunningen, passende beperkte duur, terugverdientijd noodzakelijke investeringen, belangenafweging (Rb Amsterdam 23/1181 en 23/3232)
13.5.  Zoals hiervoor al onder 13.4 is overwogen, moeten vergunningen die om een dwingende reden van algemeen belang in aantal zijn beperkt, voor een passende beperkte duur worden verleend. De Afdeling licht dat als volgt toe.
De Afdeling heeft in haar uitspraak van 21 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1588, overwogen dat de toepassing van artikel 33, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dienstenwet tot dezelfde uitkomst moet leiden als de toepassing van artikel 33, vijfde lid, van de Dienstenwet over natuurlijke schaarse vergunningen. In artikel 33, vijfde lid, is bepaald dat een bevoegde instantie een natuurlijke schaarse vergunning verleent voor een passende beperkte duur.
Voor de vraag wat een passende beperkte duur is, verwijst de Afdeling naar Overweging 62 van de preambule van de Dienstenrichtlijn. Daarin staat: “Wanneer het aantal beschikbare vergunningen voor een activiteit beperkt is wegens een schaarste aan natuurlijke hulpbronnen of technische mogelijkheden, moet een selectieprocedure worden vastgesteld om uit verscheidene gegadigden te kiezen, teneinde via de werking van de vrije markt de kwaliteit en voorwaarden van het dienstenaanbod voor de gebruikers te verbeteren. Deze procedure moet transparant en onpartijdig zijn en de verleende vergunning mag niet buitensporig lang geldig zijn, automatisch worden verlengd of enig voordeel toekennen aan de dienstverrichter wiens vergunning net is komen te vervallen. In het bijzonder moet de geldigheidsduur van de vergunning zodanig worden vastgesteld dat de vrije mededinging niet in grotere mate wordt belemmerd of beperkt dan nodig is met het oog op de afschrijving van de investeringen en een billijke vergoeding van het geïnvesteerde kapitaal. Deze bepaling belet de lidstaten niet het aantal vergunningen te beperken om andere redenen dan de schaarste van de natuurlijke hulpbronnen of de technische mogelijkheden. Op deze vergunningen zijn in elk geval de overige bepalingen van deze richtlijn inzake het vergunningstelsel van toepassing.”
Dit betekent dus dat ook vergunningen als bedoeld in artikel 33, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dienstenwet voor een passende beperkte duur moeten worden verleend.
13.6. Uit het voorgaande volgt dat bij het bepalen van een passende beperkte duur van een beleidsmatig schaarse vergunning, zoals in dit geval aan de orde, de terugverdientijd van noodzakelijke investeringen als factor moet worden meegenomen. Van belang is of de Tijdelijke beleidsregel en de daarop gebaseerde Wbr-vergunning Fastned voldoende tijd bieden om door haar gepleegde en nog te plegen redelijkerwijs noodzakelijk te achten investeringen, te kunnen terugverdienen.
13.7. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister door in de Tijdelijke beleidsregel een zogenoemde ‘kap’ te zetten op een geldigheidsduur van vijf jaar voldoende heeft gemotiveerd dat binnen die termijn de gepleegde en nog te plegen redelijkerwijs noodzakelijk te achten investeringen kunnen worden terugverdiend. De Afdeling overweegt als volgt.
(…).
Naar het oordeel van de Afdeling zit in de genoemde termijn van vijf jaar de veronderstelling van de minister dat een termijn van vijf jaar voldoende is om de noodzakelijke investeringen terug te verdienen en dat aansluiten bij een nog resterende looptijd van een andere, eerder verleende vergunning voor een basisvoorziening op de betreffende verzorgingsplaats van vijf jaar of meer, zoals is bepaald in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Tijdelijke beleidsregel, daarom dus voldoende is om noodzakelijke investeringen terug te verdienen. De minister heeft niet in de Tijdelijke  beleidsregel en ook niet op de zitting of in de reactie op de vragen van de Afdeling na heropening van het onderzoek, gemotiveerd waarom bij een termijn van vijf jaar een gedane noodzakelijke investering in het algemeen terugverdienbaar is. Daardoor is ook niet onderbouwd of in een specifiek geval voor de geldigheidsduur van de vergunning kan worden aangesloten bij een nog resterende looptijd van een andere, eerder verleende vergunning voor een basisvoorziening op de betreffende verzorgingsplaats.
(…)
De Afdeling kan de minister volgen in zijn standpunt dat de terugverdientijd niet per afzonderlijke vergunning of vergunninghouder behoeft te worden bepaald. Dat leidt, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 21 juli 2021, tot willekeur en is daarom niet verenigbaar met de vereiste rechtszekerheid voor de betrokken vergunninghouders en (potentiële) gegadigden voor de vergunningen. De minister zal de terugverdientijd echter wel gemotiveerd moeten onderbouwen. Dat kan bijvoorbeeld door voor deze branche vast te stellen binnen welke termijn gemiddeld genomen de noodzakelijke investeringen van de exploitant van de basisvoorziening worden terugverdiend. Hoewel de minister terecht stelt dat uitgangspunt van de Dienstenrichtlijn is dat de concurrentie op de markt niet onnodig mag worden beperkt, ziet de Afdeling, anders dan de minister stelt, niet in dat het hanteren van een gemiddelde leidt tot verlening van vergunningen met een zodanig lange looptijd dat daarmee een strijd met de Dienstenwet en Dienstenrichtlijn ontstaat. De stelling van de minister dat het niet mogelijk is voor deze branche een gemiddelde terugverdientijd te bepalen vanwege het ontbreken van objectieve maatstaven, volgt de Afdeling niet. De minister heeft deze stelling onvoldoende onderbouwd, mede gelet ook op de door Fastned genoemde factoren om tot een gemiddelde terugverdientijd te komen waarmee de minister rekening kan houden. (…).
13.9.  Onder deze omstandigheden is de Afdeling, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de Tijdelijke beleidsregel in strijd is met de Dienstenwet. Toepassing van de Tijdelijke beleidsregel is in strijd met artikel 3:46, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en de Tijdelijke beleidsregel moet buiten toepassing worden gelaten. De minister mocht de Tijdelijke beleidsregel daarom niet aan het besluit van 14 februari 2023, zoals gewijzigd bij besluit van 11 juli 2023, ten grondslag leggen. Dat betekent dat het besluit van 14 februari 2023, zoals gewijzigd bij besluit van 11 juli 2023, niet in stand kan blijven. De rechtbank is ten onrechte tot een ander oordeel gekomen.

* ABRvS 3 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5872: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, bouwen garageboxen, selfstorage, hoofdgebouw, Bor, strijd met bpl (Rb Zeeland-West-Brabant 22/4967)
7.1. De Afdeling stelt vast dat het college een deel van de voorziene garageboxen als hoofdgebouw heeft aangemerkt. Allsafe betoogt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat deze garageboxen hoofdgebouwen zijn. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor is een hoofdgebouw een gebouw dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel. De garageboxen zijn in strijd met de geldende bestemming “bedrijf tot en met categorie 3”. Volgens die geldende bestemming zijn namelijk alleen een bepaald soort bedrijven toegestaan en zijn garageboxen niet toegestaan. Deze garageboxen zijn daarom niet noodzakelijk voor de verwezenlijking van de geldende bestemming van het perceel. Ook is niet gebleken dat de garageboxen noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de toekomstige bestemming van het perceel. De overweging van de rechtbank dat, omdat sprake is van een bedrijf, ook sprake is van een hoofdgebouw dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de bestemming van het perceel, is dus niet juist. Nu geen van de gebouwen op het perceel noodzakelijk zijn voor verwezenlijking van de in het bestemmingsplan opgenomen bestemming “bedrijf tot en met categorie 3”, is er geen hoofdgebouw op het perceel, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor. Daarom kan het overige deel van de garageboxen niet worden aangemerkt als een uitbreiding van dat hoofdgebouw en kan dus ook geen sprake zijn van een bijbehorend bouwwerk op het perceel. Het college was daarom niet bevoegd om met toepassing van artikel 4, onderdeel 1, van bijlage II van het Bor de omgevingsvergunning voor het bouwplan te verlenen. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat het college een omgevingsvergunning kon verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo in samenhang met artikel 4, onderdeel 1, van bijlage II van het Bor.

* ABRvS 3 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5857: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, bouwen hostel, parkeerdruk, bandveiligheid, opvolgend huurder, rechtsopvolging onder bijzondere titel, rechtsopvolger, ontvankelijkheid (Rb Rotterdam 22/1387)
4.3. Een rechtsopvolger onder bijzondere titel kan een procedure bij de bestuursrechter alleen overnemen als het belang bij betrokkenheid in de procedure in zijn geheel is overgegaan op de rechtsopvolger. Dit volgt uit onder meer de uitspraak van 15 juli 2025. Dit is bijvoorbeeld het geval als  de eigenaar van een woning een aanspraak op rechtsbescherming heeft opgebouwd vanwege zijn belang als eigenaar. Bij het overdragen van de woning gaat het belang van de eigenaar automatisch en geheel over op een nieuwe eigenaar. Het belang van de eigenaar blijft bestaan en gaat over van de rechtsvoorganger op de rechtsopvolger. Daar is in deze situatie met een opvolgend huurder geen sprake van. [persoon] ontleent zijn aanspraak op rechtsbescherming namelijk aan zijn belang als omwonende. Zijn belang houdt op te bestaan doordat [persoon] de huurovereenkomst opzegt en verhuist. Op dat moment gaat het belang van [persoon] niet automatisch en geheel over op [appellant], maar dat belang eindigt. Voor [appellant] ontstaat een nieuw belang als omwonende op het moment dat hij zelf een huurovereenkomst sluit of op andere wijze de woning gaat bewonen. Op dat moment kon hij de omgevingsvergunning betrekken bij zijn besluit tot het aangaan van de huurovereenkomst of het aanvangen van de bewoning. Daarnaast wijst de Afdeling erop dat bij een huurder zoals [appellant] alleen het bewonersbelang een rol speelt, terwijl bij rechtsopvolgers andere belangen kunnen spelen, zoals bij een eigenaar het risico op waardevermindering van de woning. Gelet op deze verschillen tussen een rechtsopvolger onder bijzondere titel en een opvolgend huurder ziet de Afdeling, in tegenstelling tot de rechtbank, geen aanleiding om een beroep dat is overgenomen door een opvolgend huurder ontvankelijk te achten.
De Afdeling onderkent daarbij dat de aanspraak op rechtsbescherming die is opgebouwd hiermee verloren gaat, maar ziet daarin geen aanleiding voor een ander oordeel. Deze aanspraak gaat namelijk verloren doordat de appellerende huurder de huur opzegt en de woning verlaat, waarbij ook zijn belang als omwonende ophoudt te bestaan. Dit is anders in de situatie waarin bijvoorbeeld het belang van een appellerende eigenaar automatisch en volledig wordt overgedragen aan een rechtsopvolger, die dit belang door de rechtsopvolging aanvaardt.
De Afdeling oordeelt daarom dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellant] ontvankelijk is in het door [persoon] ingestelde beroep.

* College van Beroep voor het bedrijfsleven 2 december 2025, ECLI:NL:CBB:2025:633: Awb; handhaving, afwijzing verzoek, bescherming schapen, wolf, Besluit houders dieren, doelvoorschriften, maatregelen, preventiekit, onvoldoende onderzoek oorzaak
4.5 Voor de vormgeving van artikel 1.6 van het Bhd is gebruikgemaakt van doelvoorschriften die houders ruimte bieden om die middelen te kiezen waarmee het beoogde doel kan worden verwezenlijkt (zie blz. 64 van de nota van toelichting). Of en wanneer in een concreet geval dieren voldoende bescherming wordt geboden tegen roofdieren is niet vastgelegd en behoeft nadere invulling. Zoals het College eerder heeft overwogen in de uitspraken van 17 november 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:368) en van 25 mei 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:514), laat de omstandigheid dat deze open normen in algemene zin nadere invulling behoeven, onverlet dat in een concreet geval sprake kan zijn van een overtreding waartegen in beginsel dient te worden opgetreden. Het is aan degene die om handhaving verzoekt om voldoende aanknopingspunten te bieden voor (nader onderzoek naar) de vaststelling dat sprake is van een overtreding. Hieruit volgt dat Animal Rights in haar handhavingsverzoek concreet moet maken dat de wijze waarop de schapenhouder zijn kudde houdt in strijd is met artikel 1.6, derde lid, van het Bhd, omdat hij zijn dieren onvoldoende bescherming biedt. Animal Rights heeft in dat verband gewezen op de aanbevelingen van de preventiekit en gesteld dat de afrasteringen die de schapenhouder toepast daar niet aan voldoet.
4.6 Het College stelt vast dat de in de preventiekit aanbevolen, beschermende maatregelen (waaronder het wolfwerend raster) niet bij of krachtens de Wet dieren dwingend zijn voorgeschreven. Dat neemt niet weg dat de preventiekit naar het oordeel van het College naar de huidige omstandigheden bruikbare aanknopingspunten biedt voor de beoordeling of een schapenhouder zijn schapen al dan niet voldoende bescherming biedt tegen aanvallen van een wolf. De beschermende maatregelen in de preventiekit zijn als effectief beoordeeld op basis van onderzoek waarbij gebruik is gemaakt van beschikbare studies (wetenschappelijk of praktijk), beoordelingen door experts en ervaringen van agrariërs uit de praktijk.
(…)
toegepast. Gelet op de hiervoor omschreven aanbevelingen van de preventiekit en de daarin aanbevolen methodes die bedoeld zijn om onderdoor kruipen of graven, doorheen gaan, overheen klimmen of springen door de wolf te voorkomen, zijn twee (stroom)draden onvoldoende om een wolf buiten het perceel te kunnen houden. Verder staat vast dat de schapenhouder bij de melding van 22 februari 2022 een perceel had afgezet met drie stroomdraden van 8,0 kV en de bovenste draad had voorzien van fladderlinten. Hoewel deze methode effectief kan zijn om wolven af te schrikken, stonden de bokken (nog) niet binnen deze afrastering en is deze methode van afrasteren bij de andere aanvallen ook niet toegepast. Een volgens de preventiekit effectief te achten wolfwerend raster ontbrak dus bij de aanvallen en niet valt uit te sluiten dat de wijze waarop de schapenhouder zijn percelen heeft afgerasterd ertoe heeft geleid dat de wolf de percelen van de schapenhouder is binnengedrongen. Er waren daarom concrete aanwijzingen dat de schapenhouder zijn schapen onvoldoende bescherming bood tegen de wolf, en de minister had daarom nader onderzoek moeten doen naar aanleiding van het handhavingsverzoek. Daarbij valt op zijn minst te denken aan navraag bij de schapenhouder welke (aanvullende) beschermende maatregelen hij heeft genomen om zijn schapen te beschermen tegen aanvallen door de wolf. Omdat dit niet is gebeurd, heeft de minister bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet de nodige kennis vergaard over de feiten die relevant zijn voor de beantwoording van de vraag of de schapenhouder artikel 1.6, derde lid, van het Bhd heeft overtreden. Daarom is het besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

* College van Beroep voor het bedrijfsleven 2 december 2025, ECLI:NL:CBB:2025:635: Awb; handhaving, afwijzing verzoek, bescherming schapen, wolf, Besluit houders dieren, doelvoorschriften, preventiekit, voldoende maatregelen, geen overtreding
5.8 De schapenhouder heeft gekozen voor afrastering en niet is gebleken dat die wolfwerende rasters gebrekkig waren. Het is niet geheel duidelijk hoe de wolf de percelen van de schapenhouder, ondanks de wolfwerende rasters, is binnengedrongen.
(…)
5.9 De schapenhouder heeft daarmee gedaan wat onder de huidige omstandigheden van hem verwacht kan worden om zijn tegen schapen tegen aanvallen van de wolf te beschermen, zodat geen sprake is van een overtreding van artikel 1.6, derde lid, van het Bhd. De minister was daarom niet bevoegd om handhavend op te treden tegen de schapenhouder. De minister heeft het handhavingsverzoek dus terecht afgewezen.

* ABRvS 28 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5794: Awb; vovo, handhaving, strijdig gebruik, voormalig bankgebouw, huisvesten mensen met GGZ-achtergrond, zorgwoning, ruimtelijke relevantie, specifieke doelgroep, specifiek gebruik (Rb Gelderland 24/4206 en 24/4215)
5.1.  Zoals in de drie door Neocura aangehaalde uitspraken is overwogen, is de ruimtelijke onderbouwing inderdaad op zichzelf geen bindend voorschrift en kan het college slechts in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift gebruik maken van zijn bevoegdheid tot handhavend optreden. In dit geval is echter een omgevingsvergunning aangevraagd om het voormalig bankgebouw in strijd met de bestemming te mogen gebruiken als zorgwoningen en is de ruimtelijke onderbouwing opgesteld ter onderbouwing van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van dat gebruik. In de ruimtelijke onderbouwing is dat gebruik in detail beschreven en is ingegaan op de te verwachten ruimtelijke uitstraling daarvan. Dat betekent dat dit specifiek beschreven gebruik is aangevraagd en vervolgens is vergund op basis van de onderbouwing van de aanvaardbaarheid van dat specifieke gebruik. Dat betekent verder dat een ander met het bestemmingsplan strijdig gebruik, dat niet is beschreven en waarvan de ruimtelijke aanvaardbaarheid niet is onderbouwd, niet is aangevraagd en daarom ook niet is vergund. Tegen dat andere met het bestemmingsplan strijdige gebruik kan dan handhavend worden opgetreden op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, omdat daarvoor geen omgevingsvergunning is verleend. Dat is wat het college in dit geval heeft gedaan bij de besluiten van 11 december 2023. Anders dan Neocura aanvoert, heeft de rechtbank juist geduid dat de ruimtelijke onderbouwing bepalend is voor het aangevraagde en vergunde gebruik van het gebouw en is de rechtbank er terecht van uitgegaan dat het college op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo handhavend kan optreden tegen ander gebruik dat niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan en niet is vergund.

Rechtbank Rotterdam 28 november 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:13854: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning, APV, vellen boom, onlosmakelijke samenhang, flora- en fauna-activiteit, Bal, weigeringsgronden, natuur- en milieuwaarden
5. De voorzieningenrechter stelt vast dat het hier gaat om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Meer precies is het de omgevingsplanactiviteit ‘het vellen van een boom’ (een kapvergunning). Onder de Omgevingswet is de zogeheten onlosmakelijke samenhang zoals die gold onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) komen te vervallen. Onder de Wabo moest kortgezegd in één keer voor alle activiteiten die onlosmakelijk samenhangen een omgevingsvergunning worden aangevraagd en verleend. Het systeem van de Omgevingswet is zo dat de aanvrager zelf bepaalt voor welke activiteiten hij wel en niet gelijktijdig een aanvraag doet. Hier heeft vergunninghoudster alleen voor de omgevingsplanactiviteit een vergunning gevraagd en gekregen. Als de voorzieningenrechter in de termen van de Omgevingswet vertaald wat verzoekers in hun verzoek naar voren hebben gebracht, komt het er kortgezegd op neer dat zij menen dat voor het kappen en verplaatsen van de bomen óók een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk is. De bomen zijn volgens hen namelijk onderdeel van een verblijfplaats of foerageergebied van vleermuizen en slechtvalken, zodat het kappen en verplaatsen van de bomen een verstorende handeling is die niet zonder omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit mag worden verricht. Dat is echter niet de activiteit waarvoor hier vergunning is gevraagd en gekregen. Zoals hiervoor uitgelegd, is het onder de Omgevingswet ook niet meer verplicht om bij een aanvraag om omgevingsvergunning voor een bepaald type activiteit gelijktijdig ook voor andere eventueel noodzakelijke activiteiten een omgevingsvergunning aan te vragen. Dit heeft tot gevolg dat voor de voorzieningenrechter in deze procedure alleen de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit (de kapvergunning) zoals die nu is verleend ter beoordeling voor ligt. Wat verzoekers aanvoeren valt buiten de reikwijdte van die vergunning. De voorzieningenrechter kan zich niet uitlaten over de vraag of een omgevingsvergunning voor een andere activiteit, zoals hier de flora- en fauna-activiteit uit artikel 5.1, tweede lid, onder g van de Ow, noodzakelijk is en of zo’n vergunning kan worden verleend. Althans, hij kan zich er natuurlijk wel over uitlaten maar het punt is dat, als de conclusie zou zijn dat naar zijn voorlopig oordeel voor het kappen en verplaatsen van de bomen vanwege de desbetreffende verbodsbepalingen uit het Besluit activiteiten leefomgeving ook nog een omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit moet worden aangevraagd en verleend, dit niet de rechtmatigheid van de voorliggende vergunning raakt. Met andere woorden: dit levert in juridische zin geen grondslag op om de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit te schorsen. Dat zou nog anders kunnen zijn als het gaat om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit omdat bij de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties wel moet worden gemotiveerd waarom de flora- en fauna-activiteit niet op voorhand de uitvoering van de aangevraagde vergunning onmogelijk maakt. Dit betreft de uitvoerbaarheidstoets. Maar voor een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van de voorliggende kapvergunning is echt alleen het stelsel van weigeringsgronden uit artikel 4:11b van de APV relevant. Vergunninghoudster heeft op dit moment geen omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit aangevraagd bij het daartoe bevoegde gezag, het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland. Gelet op wat de voorzieningenrechter hiervoor heeft overwogen, volstaat hij met de waarschuwing aan vergunninghoudster dat zij van de verleende omgevingsvergunning, ook indien de voorzieningenrechter tot het oordeel zou komen dat die op zichzelf rechtmatig is verleend, geen gebruik mag maken als voor het kappen en verplaatsen van de bomen een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig is.

* Rechtbank Gelderland 26 november 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:10191: Awb, BW; kg, onrechtmatige gedraging, vordering legalisatie PAS-melders, Nb, causaal verband, Habitatrichtlijn, geen legalisatieverplichting, eigendomsrecht, vrijheid ondernemerschap
4.7. FDF stelt zich op het standpunt dat de Staat gehouden is om de rechtmatige situatie te herstellen door de PAS-melders te legaliseren. De schade die de PAS-melders op deze manier vergoed willen hebben, het gebrek aan volledig gelegaliseerde bedrijfsvoering, staat echter niet in csqn-verband met de onrechtmatige gedraging, het opstellen en uitvoeren van het PAS. Indien het PAS wordt weggedacht, hadden de PAS-melders direct een vergunning moeten hebben op grond van de (nu) Omgevingswet. Het feit dat de PAS-melders een vergunning moeten hebben komt niet door het PAS of de invoering daarvan, maar door de Habitatrichtlijn die geïmplementeerd is via de Omgevingswet in combinatie met het onverbindend verklaren van het PAS. Het onverbindend verklaren van het PAS is echter niet onrechtmatig. Integendeel, het PAS is juist onverbindend verklaard omdat het PAS in strijd was met de Habitatrichtlijn en dus onrechtmatig. De rechtmatige situatie is daarmee dat geen onverbindend PAS was vastgesteld en de PAS-melders een vergunning nodig hadden.
De rechtmatige situatie is dus niet dat de PAS-melders hun huidige activiteiten mochten uitvoeren zonder vergunning. Er is daarom ook geen sprake van herstel van die rechtmatige situatie. De PAS-melders gingen hier wel van uit en zij mochten er ook op vertrouwen dat het PAS rechtmatige wetgeving was. Maar dat biedt geen grondslag om de Staat te verplichten om de onrechtmatige situatie zoals die was onder het PAS in stand te houden door de PAS-melders te legaliseren via een generaal pardon. Hoewel FDF heeft aangevoerd dat de stikstofneerslag veroorzaakt door de PAS-melders geen aantoonbaar negatief effect heeft op de Natura-2000 gebieden, is de huidige stand van de rechtspraak en wetenschap anders. Op dit moment is de stand van de rechtspraak en de wetenschap dat de stikstofdepositie van de activiteiten van de PAS-melders schadelijke gevolgen heeft voor de Natura-2000 gebieden, althans dit kan niet (voldoende) worden uitgesloten.
4.9. (…)
De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat volgens FDF de inbreuk op het recht van de PAS-melders eruit bestaat dat zij nu een vergunning nodig hebben. Die verplichting volgt echter uit de Omgevingswet en dient ter implementatie van de Habitatrichtlijn. De vergunningplicht dient daarmee ter uitvoering van unierecht en is niet onrechtmatig. De introductie en uitvoering van het PAS was ook geen eigendomsregulering, maar daarmee werd juist vastgesteld dat de PAS-melders geen vergunning nodig hadden. De situatie dat de PAS-melders eerst geen vergunning nodig hadden en nu wel is feitelijk ontstaan door het onverbindend verklaren van het PAS. Het onverbindend verklaren van het PAS is echter gerechtvaardigd omdat het PAS in strijd was met het unierecht. Dat is niet in strijd met artikel 1 EP of de artikelen 16 en 17 HGEU, althans FDF heeft dit onvoldoende gesteld. Ten slotte geldt ook bij beoordeling van de vraag of sprake is van een inbreuk van een recht, dat zelfs als daarvan sprake is, dit niet betekent dat de Staat dit dient te compenseren door een generaal pardon. Met de Staat is de voorzieningenrechter van oordeel dat een generaal pardon in dit stadium zonder dat sprake is van een individuele beoordeling opnieuw strijdigheid oplevert met de Habitatrichtlijn.
4.11. FDF legt tevens een beroep op nakoming op grond van artikel 3:296 BW ten grondslag aan haar vorderingen. FDF heeft niet gespecificeerd waarvan zij nakoming vordert maar stelt dat de voorzieningenrechter ambtshalve de rechtsgronden moet aanvullen. Voor zover deze grondslag ziet op nakoming van een rechtsplicht van de Staat om de PAS-melders te legaliseren omdat het PAS onrechtmatig was, is reeds geoordeeld dat deze rechtsplicht er niet is. Voor zover de grondslag ziet op nakoming van artikel 22.21 OW geldt dat de Staat voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij geen generaal pardon kan afgeven omdat, onder andere door recente uitspraken van de ABRvS, is gebleken dat het complexer is om stikstofruimte vrij te maken voor de PAS-melders dan voorheen gedacht. Verder acht de voorzieningenrechter het eveneens aannemelijk dat een generaal pardon zoals gevorderd door FDF zonder individuele beoordeling op zichzelf weer in strijd is met de Habitatrichtlijn omdat geen sprake is van de situatie dat geen redelijke wetenschappelijke twijfel bestaat dat de stikstofdepositie van de activiteiten van de PAS-melders geen schadelijke gevolgen hebben voor de Natura-2000 gebieden.

* Rechtbank Rotterdam 24 november 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:13924: Awb, Wabo; handhaving, zee- en binnenschepen, Activiteitenbesluit, overschrijding geluidgrenswaarden, laden/lossen en op/overslag, grens inrichting, nestgeluid afgemeerde schepen, hotelfunctie, geluidmetingen, representatieve bedrijfssituatie, stoorgeluid, begunstigingstermijn, hoogte dwangsom
9.3. De rechtbank maakt uit de stukken op dat het college, zoals ter zitting ook door het college is bevestigd, met de verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:205, niet heeft willen betogen dat de representatieve bedrijfssituatie van eiseres vergelijkbaar is met die van het bedrijf Huisman in Schiedam. Het college heeft met de verwijzing naar deze uitspraak willen laten zien dat als de activiteiten op het afgemeerde schip onderdeel uitmaken van de representatieve bedrijfssituatie, het nestgeluid moet worden meegeteld in de geluidbelasting vanwege de inrichting.
Het bedrijf van eiseres is een type B-inrichting en als zodanig niet vergunningplichtig. De begrenzing van de inrichting kan daarom – anders dan bijvoorbeeld in de uitspraak van 22 januari 2020 – niet uit de vergunningaanvraag worden afgeleid. Naar het oordeel van de rechtbank is de feitelijke situatie in dit geval zo dat zowel de kade als het daar afgemeerde schip binnen de grens van de inrichting liggen. In de stukken van ná de uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 juni 2023 heeft het college voldoende uitgelegd waarom niet alleen de laad- en losactiviteiten op het schip, maar ook de hotelfunctie van het schip tot de representatieve bedrijfssituatie van de inrichting moeten worden gerekend. De rechtbank acht daarbij van belang dat uit de meetrapporten van 21 februari 2023 en 22 maart 2023, in onderlinge samenhang bezien met de nadere notities van 7 juni 2023 en 4 augustus 2023, volgt dat het geluid van het schip rechtstreeks samenhangt met het overslagproces van eiseres. Ten tijde van de metingen waren personeel, materieel, energievoorzieningen en bedrijfsactiviteiten zodanig op elkaar afgestemd dat het schip integraal functioneerde als onderdeel van de laad- en losactiviteiten die tot de kern van de bedrijfsvoering van eiseres behoren. Verder is gebleken dat het schip niet alleen kortdurend tijdens de daadwerkelijke laad- en loswerkzaamheden aan de kade lag, maar daar langer was afgemeerd. De rechtbank oordeelt dan ook dat het nestgeluid van het aan de kade afgemeerde schip tot de representatieve bedrijfssituatie van de inrichting van eiseres behoort.

Rechtbank Oost-Brabant 21 november 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:7592: Awb, Wabo, Ow; vovo, omgevingsvergunning, uitbreiding bedrijfspand, weigering intrekking, procesbelang, woon- en leefklimaat, geluid, stank, vrachtverkeer, bouwstart, duiding bouwwerkzaamheden, privaatrechtelijke belemmering, ladderrecht
4.9.2 Niet in geschil is dat vergunninghoudster in ieder geval in de periode 2021-2024 geen gebruik heeft gemaakt van de omgevingsvergunning. Op grond daarvan komt aan het college de bevoegdheid toe om de omgevingsvergunning in te trekken. Vergunninghoudster heeft dit op de zitting ook niet betwist.
4.9.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college gezien artikel 5.40 van de Ow en haar beleid, zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de bevoegdheid om een omgevingsvergunning in te trekken een zogenoemde discretionaire bevoegdheid betreft. Er is sprake van een ‘kan-bepaling’ en het staat het college vrij om binnen bepaalde marges al dat niet van zijn bevoegdheid om de omgevingsvergunning in te trekken gebruik te maken. Een dergelijk besluit waarbij het college de nodige beleidsruimte heeft, kan door de bestuursrechter slechts terughoudend worden getoetst. Concreet betekent dit dat de rechtbank slechts het bestreden besluit kan vernietigen, indien zij tot het oordeel komt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat het in redelijkheid de belangen van vergunninghoudster bij niet-intrekking van de omgevingsvergunning heeft kunnen laten prevaleren boven de belangen van verzoekers bij intrekking. Daarvan is geen sprake. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt.

Rechtbank Amsterdam 20 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:9275: Awb, Ow; BOPA, horecazaak, terras, woon- en leefklimaat, ETFAL, participatie, Omgevingsregeling, tussenuitspraak
8.1. Deze beroepsgrond slaagt. Volgens het systeem van de Omgevingswet is het een aanvraagvereiste om aan te geven of is geparticipeerd. Het uitgangspunt onder de Omgevingswet is dat participatie door de initiatiefnemer bij omgevingsvergunningen vrijwillig is, maar dat de gemeenteraad gevallen kan aanwijzen waarin participatie een verplicht aanvraagvereiste is. Criteria hiervoor zijn niet in de Omgevingswet opgenomen. De gemeenteraad van Amsterdam heeft alle aanvragen om een BOPA aangewezen als gevallen waarin participatie van en overleg met derden verplicht is. De wijze waarop of met wie die participatie moet plaatsvinden, staat niet in het Aanwijzingsbesluit. Op grond van het Aanwijzingsbesluit zelf zou elke vorm van participatie voldoende zijn. In de toelichting bij het Aanwijzingsbesluit wordt echter verwezen naar de Participatiehandreiking van de gemeente Amsterdam (de Participatiehandreiking). (…)
Wat de invloed van het participatieproces is op de behandeling van een uiteindelijke vergunningsaanvraag wordt in het Vergunningen-, Toezichts- en Handhavingsbeleid bepaald.”
8.3. De rechtbank stelt vast dat het college zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat het terras van [bedrijf] een initiatief is dat middelgrote gevolgen heeft voor de fysieke leefomgeving. De [eiseres] heeft dit standpunt niet betwist. Dit betekent dat [bedrijf] de omgeving in het kader van de voorbereiding van haar aanvraag om een omgevingsvergunning had moeten raadplegen. Bij raadplegen gaat het, aldus de Participatiehandreiking, om het verzamelen van reacties, ideeën en meningen van directe buren, omwonenden en ondernemers in de buurt. Hoewel de gemachtigde van het college heeft gesteld dat uit navraag bij de afdeling Vergunningen, Toezicht en Handhaving van stadsdeel West is gebleken dat [bedrijf] naburige ondernemers en anderen op straat heeft gevraagd wat zij ervan zouden vinden als het terras groter was en deze informatie terug te vinden is op een niet openbaar aanvraagformulier dat bij het college bekend is, overweegt de rechtbank dat dit niet te gelden heeft als de hiervoor bedoelde participatie. Op de zitting hebben de aandeelhouders van [bedrijf] toegelicht dat het hiervoor bedoelde overleg geen verband hield met de aanvraag, maar met overlast door geparkeerde fietsen. De rechtbank concludeert dan ook dat er bij de voorbereiding van de aanvraag geen participatie heeft plaatsgevonden.
8.7. Naar het oordeel van de rechtbank kan het ontbreken van verplichte participatie niet worden gepasseerd op grond van artikel 6:22 van de Awb. Daarbij is van belang dat de gemeenteraad niet voor niets bij alle aanvragen om een BOPA participatie verplicht heeft gesteld. Anders dan het college lijkt te veronderstellen, is het achterwege laten van participatie bij de voorbereiding van de aanvraag naar het oordeel van de rechtbank niet vergelijkbaar met de situatie dat een betrokkene ten onrechte niet is gehoord in bezwaar. De kring van participanten is namelijk breder dan de kring van belanghebbenden die bezwaar kunnen maken en/of beroep kunnen instellen tegen de omgevingsvergunning. [bedrijf] kan in beroep niet alsnog aan de verplichte participatie voldoen door bijvoorbeeld het gesprek op de zitting te voeren, juist omdat de kring van participanten breder is dan alleen de betrokkenen bij een beroepsprocedure, die belanghebbende dienen te zijn. Participatie is juist bedoeld om reacties, ideeën en meningen van directe buren, omwonenden en ondernemers in de buurt, die niet noodzakelijkerwijs ook belanghebbende in de zin van de Awb zijn, te verzamelen. Als het ontbreken van participatie door een gesprek met alleen de in beroep betrokken belanghebbenden op de zitting zou kunnen worden hersteld, wordt de verplichte participatie een lege huls en dat kan niet de bedoeling van dit aanvraagvereiste zijn. Bovendien staat in de toelichting bij het Aanwijzingsbesluit dat naast de mogelijkheid om de aanvraag buiten behandeling te stellen, participatie ook mee kan wegen in de belangenafweging die verricht moet worden bij de buitenplanse omgevingsvergunning. In de toelichting staat daarover: “Dat wil niet zeggen dat de aanvraag zondermeer geweigerd kan worden als participanten te weinig invloed hebben gehad op de inhoud van het initiatief of als er weinig tot geen draagvlak bestaat. Het betekent immers niet dat de aanvraag in strijd is met het toetsingscriterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (voorheen: een goede ruimtelijke ordening). Wel kunnen de resultaten van de participatie in de belangenafweging een rol spelen door de mogelijke gevolgen die omwonenden voor hun leefomgeving ervaren. Die belangen moeten dan afgewogen worden tegen de belangen die gemoeid zijn met de aanvraag.” Anders dan het college heeft betoogd is de rechtbank van oordeel dat dus niet op voorhand kan worden gezegd dat het participatietraject neutraal wordt meegewogen en voor de uitkomst geen verschil maakt. Het college had [bedrijf] daarom in de gelegenheid moeten stellen om alsnog de verplichte participatie uit te voeren.

* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20 november 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:8025: Awb, Wav; proefstalbeschikking, vaststelling bijzondere emissiefactor/BEF, Bleu-Labelsysteem Rav, melkveehouderijen, huisvestingssysteem, ammoniakemissie.
9.2. Op basis van het dossier en hetgeen besproken is ter zitting stelt de rechtbank vast dat de exacte wijze waarop het Bleu-Labelsysteem uiteindelijk in gebruik zal worden genomen nog niet vast staat. Zoals hiervoor reeds overwogen wordt in deze fase met name nog geëxperimenteerd met de te gebruiken hoeveelheid water en ureaseremmer. Dit volgt ook uit de resultaten van de eerste proefstalmetingen bij [melkveehouderij] uit [plaats 3] , die ook gebruik maakt van het Bleu-Labelsysteem. Bij die metingen is gebruik gemaakt van 10 en 28 liter water per melkkoe per dag. De metingen zullen uiteindelijk moeten uitwijzen wat de optimale hoeveelheid water en de optimale verhouding tussen water en ureaseremmer is. Deze factoren zijn van invloed op de invoerparameters voor het rekenmodel van de TAP, zoals de plasdikte en de zuurtegraad. De rechtbank stelt vast dat er tussen partijen verschil van mening bestaat over de juistheid van de door de TAP gehanteerde invoerparameters in de herberekeningen op basis van 50 liter water per melkkoe per dag. Eisers hebben terecht opgemerkt dat de TAP terughoudend is geweest bij het aanpassen van deze invoerparameters, er is namelijk geen sprake van aanpassing van de plasdikte omdat door de TAP geen beter schoonmaakeffect van het druppelen van méér water wordt verwacht, er is sprake van een verlaging van slechts 0,1 eenheden van de zuurtegraad en er is geen reducerend effect aangenomen van het extra druppelen van de doorsteken. De rechtbank is echter van oordeel dat die terughoudende opstelling van de staatssecretaris gerechtvaardigd is, gelet op het feit dat als te zijner tijd op basis van de meetresultaten een lagere emissiefactor voor dit huisvestingssysteem wordt vastgesteld, die lagere factor mag worden gebruikt voor de berekening van de ammoniakemissie. Wordt daarentegen op basis van de meetresultaten een hogere emissiefactor vastgesteld, dan blijft de thans vastgestelde bijzondere emissiefactor voor dit huisvestingssysteem gelden zolang dit systeem in de melkveehouderij in gebruik blijft. Dit is ook vastgelegd in de proefstalbeschikkingen. Met andere woorden, als het Bleu-Labelsysteem zo goed werkt als eisers stellen, zal dat uit de metingen blijken en dan zal de emissiefactor in het voordeel van eisers worden aangepast. Dat de staatssecretaris in de tussentijd voorzichtig is, acht de rechtbank niet onredelijk.

STAB verzorgt de jurisprudentie voor STAB OGR updates

Berthy van den Broek, senior legal consultant bij RoyalHaskoningDHV en geassocieerd medewerker bij het Utrecht Centre for Water, Oceans and Sustainability Law van de Universiteit Utrecht, schreef een annotatie bij de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus  2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3690). In deze overzichtsuitspraak geeft de Afdeling een actualisatie van de wijze waarop aanvragen om een tegemoetkoming in planschade op grond van de Wro moeten worden beoordeeld. In de annotatie wordt aan de hand van de verschillende onderwerpen die in de overzichtsuitspraak aan de orde komen, ingegaan op de nadeelcompensatieregeling in de Omgevingswet.

Ruud Veenhof, adviseur bij STAB, schreef een annotatie bij de uitspraak van de Afdeling van 8 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4610). In deze uitspraak oordeelt de Afdeling dat de gemeente en de gemeenteraad geen beroep kunnen instellen tegen een herstelbesluit van de eigen gemeenteraad. In de annotatie wordt toegelicht wanneer een publiekrechtelijke rechtspersoon (de gemeente) belanghebbende kan zijn en dat dit in het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting bij bepaalde besluiten wordt uitgesloten. Verder wordt ingegaan op de bevoegdheid om een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan (gedeeltelijk) in te trekken.

Mobiele versie afsluiten