Site icoon STAB

Jurisprudentie – week 38

Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5453: Awb, Wro; vovo, bpl, woningbouw, herstelbesluit, artikel 6:19 Awb, beroep van rechtswege, ladder voor duurzame verstedelijking, behoefteonderzoek, kwantitatieve en kwalitatieve behoefte, straatbeeld, bezonning, toename schaduw, lichte TNO-norm, laden en lossen, verkeersveiligheid, geluid, akoestisch onderzoek, geen tegenrapport, privaatrechtelijke belemmering, evident karakter, afwijzing verzoek
* ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5471: Awb, Wro; vovo, bpl, uitbreiding twee supermarkten, realiseren supermarkt, bpl/toetsingskader omgevingsvergunning, verkeer, verkeerskundige analyse, verkeersveiligheid, toename vrachtverkeer, bevoorradingsroutes, parkeren, parkeerbehoefte, parkeerdruk, parkeernota, aantal parkeerplaatsen, restcapaciteit, parkeerdruk, geluid, VNG-brochure, Activiteitenbesluit milieubeheer, piekgeluiden, streefwaarde, stemgeluid, afwijzing verzoek
ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5452: Awb, Ow; vovo, handhaving, dwangsom, bedrijfswoning, agrarische bestemming, schorsing besluit opleggen dwangsommen, wens tot legaliseren, ontwerp-omgevingsplan, voorleggen ter vaststelling aan raad, geen aanwijzing/raad niet zou willen vaststellen, aflopen begunstigingstermijn, zeer korte periode/overtreden last, beginselplicht tot handhaving, verhuizing, beperkte belang, ontbreken concrete overlast, toewijzing verzoek
* ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5486: Awb, Wro, Wabo; bpl, omgevingsvergunning bouwen en milieu, windpark, helihaven, vliegveiligheid, verklaring ILT, stopprotocol, passief radarsysteem, binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, deskundigenonderzoek, voorwaardelijke verplichting, SMB-richtlijn, tonaal geluid, IEC-61400-11, slagschaduw, nut en noodzaak, RES, verlichtingsplan, maximale planologische mogelijkheden, berekeningen geluidbelasting, representatieve invulling, einduitspraak na tussenuitspraak
* ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5497: Awb, Wro; bpl, vergroten bestaande schuur, bedrijfswoning, hooibergen, ontvankelijkheid beroep, statutaire doelstelling, feitelijke werkzaamheden, gebiedsbescherming, Natura 2000, Pasgeld-West uitspraak, intern salderen, nevenactiviteiten en voorzieningen, referentiesituatie, voortoets, ruimtelijke ontwikkeling, andere locaties, lopen in de wei/houden paarden in stal, informatie concrete aantal paarden, niet zelf in de zaak voorzien, geen bestuurlijke lus, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding
* ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5521: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, betonwapening, stavencarrousel, hydraulische knipper, vergunde situatie, aanvraagformulier, beoogde situatie, locatie, akoestisch rapport, woordkeuze “opslag”, kadastraal nummer/juiste adres, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding (Rb Zeeland-West-Brabant 21/5284 en 21/5286)
* ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5522: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, gebruik landhuis, recreatieve verhuur, gebruik bijgebouw, dienstwoning, afwijzing principeverzoek, “huisvesting van personen”, algemeen spraakgebruik, zekere duurzaamheid, ruimere strekking, bijgebouw/landhuis, geen nieuw besluit (Rb Zeeland-West-Brabant 23/2185)
* ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5485: Awb, Wabo, Woningwet; handhaving, dwangsom, omgevingsvergunning, woon- en winkelhuis, ventilatie, elektriciteitsdraden, woonvoorzieningen, Bouwbesluit 2012, overtredingen/niet in geschil, evenredigheid, Harderwijk-uitspraak, controlebezoeken, inspecteur handhaving, legalisatieonderzoek, beleidswijziging, belangenafweging lasten, hoogte dwangsom, invordering, financiële draagkracht (Rb Noord-Holland 23/1178)
* ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5501: Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, bedrijfspand, tweede zelfstandige woonruimte, verwijderen en verwijderd houden sanitaire voorzieningen en keuken, omgevingsvergunning/één bedrijfswoning, overtreding, strijd bpl, zelfstandige woning, feitelijke situatie, één huishouden, bouwwerkzaamheden, vergunningvrij bouwen, toename aantal woningen, beginselplicht tot handhaving, Harderwijk-uitspraak, legalisatieonderzoek, gelijkheidsbeginsel, prioriteitstelling handhavingsbeleid, formulering last, zelf in de zaak voorzien (Rb Rotterdam 22/4589)
* ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5489: Awb, Waterwet; vergunning aanpassen waterhuishouding, inrichtingsplan, NNN, Natura 2000, vergroten oppervlakte habitattype Vochtige alluviale bossen, hogere (grond)waterstanden, doelstellingen artikel 2.1, belangen artikel 6.11, waterstaatkundige doelstellingen, beoordelingsruimte, juistheid toetsingskader, artikel 6.20, herhaling aangevoerde in beroep, gemotiveerde bespreking, onjuist of onvolledig, analyse hydroloog, zorgvuldigheid belangenafweging, verzoek inschakelen STAB/afwijzing verzoek, discretionaire bevoegdheid (Rb Noord-Nederland 22/4521 en 22/4523)
* ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5474: Awb, Wro; bpl, vastleggen, behoud en in stand houden van karakteristieke gebouwen en objecten, verschijningsvorm, vergunningplicht/aanpassen of slopen, beeldondersteunend, karakteristiek, gebouweigenaren, ontwikkelingsplannen, aardbevingsgebied, provinciale verordening, belangenafweging, extra kosten, niet nader onderbouwde stelling, onderbouwing karakteristieke waarde, relevante feiten en omstandigheden, vrijwel volledig gesloopt, inventarisatielijst/feitelijk onjuist
* ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5474: Awb, Wro; inpassingsplan, ringweg, bedrijven, aankoop gronden, afspraken voorzetting bedrijven, gevolgen bedrijfsvoering, plangrensbezwaar, beleidsruimte begrenzingen, toegezegde mogelijkheden/voortzetten bestaande bedrijfsactiviteiten, minnelijk traject, verwezenlijken toezeggingen, landbouwgronden, meanderzone, bouwhoogte, keer- en passeerplaats, tussenuitspraak
* ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5504: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning aanlegactiviteit, planten fruitbomen en rododendronhaag, legaliseren bestaande situatie, omvang aanvraag, situatietekening, hobbymatige agrarische activiteit, andere indeling/niet aangevraagd, nieuwe aanvraag, vergunningplicht, begrip “lijnvormige beplanting”, geen definitie, rechtszekerheid, letterlijke uitleg, afbreuk open graslandgebied, foto’s, doorkijk, gelijkheidsbeginsel (Rb Noord-Nederland 23/1771)
* ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5525: Awb, Wro; bpl, voormalige bedrijfswoning, burgerwoning, tuincentrum en kwekerij, noodzaak bedrijfswoning, geldend bpl/geen blijvende rechten, gewijzigde planologische inzichten, bedrijfsprocessen/tijd en aandacht, redelijk belang, gevolgen bedrijfsactiviteiten, gebruik bestrijdingsmiddelen, detailhandelsbestemming, privaatrechtelijke belemmering, evident karakter, uitbreidingsmogelijkheden, geluidonderzoek, representatieve invulling maximale mogelijkheden, uitgangspunten, ruimtelijke aanvaardbaarheid
* ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5484: Awb, Wro; bpl, transformatie kantoorgebouw, woningbouw, herstelbesluit, vervallen kantoorfunctie/extra woning, schaduwwerking, parkeren, reparatie planregels, woon- en leefklimaat, provinciale verordening, woonafspraken, Woondeal, parapluplan/overschreven, bouwmogelijkheden, bouwvlak, maximale bouwhoogte, stedenbouwkundige inpassing, bezonning, zonnestudie, lichte TNO-norm, stedelijke omgeving, minder bebouwde omgeving, verminderde opbrengst zonnepanelen, belangenafweging, balkons en dakterrassen, stemgeluid, privacy, sociale veiligheid, parkeren, voldoende parkeergelegenheid, parkeerbehoefte
* ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5524: Awb, Wro; bpl, uitbreiding camping, paardensportcentrum, kampeerterrein, eigenaren landbouwgronden, akkerbouw, gevolgen bedrijfsvoering, provinciale verordening, belangenafweging, spuitvrije zone/50 m, kortere afstand, legaal bestaand gebruik/als zodanig bestemmen, overgangsrecht, overbruggen tijdelijke situatie, gevoelige functie, stageverblijven, meetverschil, landschappelijke inpassing, wegen, tussenuitspraak
* ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5528: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, opblaasbare hal, hockeycomplex, periode van 10 jaar, vergunningvoorschrift geluid, ventilatie-unit, STAB-verslag, Activiteitenbesluit milieubeheer, langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, HMRI, bronvermogen, noodzaak nieuw aanvullend geluidonderzoek, gevolgen woon- en leefklimaat, (on)duidelijkheid voorschrift, omkisting, vergunningtekening, rechtszekerheid, feitelijk beoogde situatie, geen wijziging van ondergeschikte aard, ruimtelijke gevolgen, nieuwe aanvraag, finale geschilbeslechting, afwijzing aanvraag (Rb Den Haag 22/3943, 22/3944, 22/4040, 22/4311 en 22/4312)
* ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5475: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, activiteiten en bebouwing ASML-terrein, bouwplaatsinrichting, geen omgevingsvergunning, bezwaar niet-ontvankelijk, geen belanghebbende, herhaling aangevoerde in beroep, gemotiveerde beoordeling gronden, onjuist of onvolledig, onderschrijven oordeel rechtbank, gevolgen van enige betekenis, handhavingsverzoek, bouwvoorschriften, aanwezigheid bouwwerken, geluid, licht, afstand, uitspraak CRvB, kwesties van openbare orde (Rb Oost-Brabant 23/2386)
* ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5478: Awb, Wro; bpl, herontwikkeling woonzorglocatie, nieuwe wegverbinding, alternatieven, beleidsruimte, voor- en nadelen, verkeersdruk, bereikbaarheid parkeervoorzieningen, ontsluiting, verkeersveiligheid, manoeuvreerruimte, geluid, akoestisch onderzoek, verzoek zelf in de zaak voorzien, toepassing asfalt, gecumuleerde geluidbelasting, trillingen, schade, waardedaling woning
* ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5498: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, laden en lossen, tuincentrum, vaststelling bpl, afspraak, vertrouwensbeginsel, overtreden wettelijk voorschrift, uitlatingen zienswijzennota, juridisch niet bindend, legaliteitsbeginsel, nader besluit (Rb Zeeland-West-Brabant 24/4017)
* ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5515: Awb, Arbeidsomstandighedenwet; handhaving, bestuurlijke boetes, schriftelijke waarschuwing/preventieve stillegging, asbestsaneringswerkzaamheden, asbesthoudende golfplaten, Arbobesluit, vervoeren personen/hijswerktuig, verreiker, flowschema Leidraad werkbak/werkplatform, doelmatigheid gebruik torenkraan, overtreding, evenredigheid, extra kosten/in rekening brengen opdrachtgever, definitieve beslechting geschil (Rb Gelderland 24/3547)
* ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5529: Awb, Gmw; exploitatievergunning, cannabisverkooppunt, procesbelang, APV, horecagelegenheid, ondergeschikte horeca, gemengde bestemming, geen horecadoeleinden, geen ondergeschikte horeca, gemeentelijke horecanota, overige herhaling aangevoerde in beroep, gemotiveerde bespreking rechtbank, onderschrijven oordeel rechtbank, judiciële lus (Rb Rotterdam 24/7237)
*ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5518: Awb, Gmw; handhaving, dwangsom, gebruik gemeentegrond, APV, ingebrekestelling, niet tijdig beslissen op bezwaar, vergoeding proceskosten, vaststellen dwangsom, buiten omvang geding (Rb Midden-Nederland 23/4744)
* ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5500: Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, verwijderen en verwijderd houden alle voor bewoning noodzakelijke voorzieningen, bouwen zonder benodigde omgevingsvergunning, gesplitst/verbouwd tot twee zelfstandige woningen, geen omgevingsvergunning bouwen bouwwerk, technische eisen brandcompartimentering, strijd Wabo, beoordelingsmoment, moment opleggen last, nadien aan last voldaan, last niet onrechtmatig, werking naar de toekomst (Rb Oost-Brabant 24/453)
* ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5490: Awb, Arbeidsomstandighedenwet; bestuurlijke boete, tankcontainer, natronloog, derdegraadsbrandwonden, smaakpapillen, gebit beschadigd, Arbobesluit, overtreden norm/richt zich tot de werkgever, slachtoffer in deinst, geen uitleensituatie, persoonlijke beschermingsmiddelen, zorgplicht, inventariseren risico’s werkzaamheden, verstrekken juiste beschermingsmiddelen, medewerkers instrueren, toezicht houden, volgelaatsmasker, zorgplicht/niet afwentelen op opdrachtgever, veiligheidsinformatiebord, overtreding, geen grond matigen boete (Rb Rotterdam 24/7801)
* ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5491: Awb, Arbeidsomstandighedenwet; bestuurlijke boete, Arbowet, Arbobesluit, boeterapport, stuwwerkzaamheden, laden staalplaten op schip, herhaling aangevoerde in beroep, gemotiveerde bespreking rechtbank, onderschrijven oordeel, werkinstructie, meeliften op kraan of hijs/verboden, arbeidsongevallen, direct melden, geen afwachtende houding, boeterapport (Rb Rotterdam 23/6397)
* ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5502: Awb, Wm, Gmw; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, gemeentelijke afvalstoffenverordening, aanbieden huishoudelijke afvalstoffen, verwijderen doos, ondergrondse afvalcontainer, adreslabel doos, bewijsvermoeden, na gebruik/inzamelvoorzieningen goed sluiten, geen voorwerpen uitsteken, geen afvalstoffen buiten de inzamelcontainer, huisvuilkalender, website gemeente, onvoldoende twijfel gezaaid
* ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5503: Awb, Wm, Gmw; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, gemeentelijke afvalstoffenverordening, uitvoeringsbesluit, aanbieden huishoudelijke afvalstoffen, verwijderen doos, ondergrondse papiercontainer, adreslabel doos, naam- en adresgegevens, bewijsvermoeden, inzamelvoorziening niet verstopt raken, geen afvalstoffen buiten de inzamelvoorziening, mee naar huis nemen, later aanbieden, gebruikmaken andere inzamelvoorziening, sensordata, verklaring staat containers
* ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5499: Awb, Wm, Gmw; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, gemeentelijke afvalstoffenverordening, afvalzak met paperstuk, verkeerd aangeboden, naam en adres op papierstuk, bewijsvermoeden, meerdere alternatieve containers, afvalzak mee naar huis, afvalzak naar andere container, geen waarschuwingsbord, instructies, gelijkheidsbeginsel
* ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5530: Awb, Wnb; afwijzing verzoek geven toepassing artikel 2.4 Wnb, Rotterdam Airport, uitblijven besluit, geen uitvoering uitspraak rechtbank, procesbelang, stand van zaken moment uitspraak, voorzieningenrechter Afdeling/uitspraak geschorst, geen nieuw besluit op bezwaar, geen meer bij inhoudelijke beoordeling beroep, beroep niet-ontvankelijk
* ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5298: Awb, Wnb; vovo, afwijzing verzoek geven toepassing artikel 2.4 Wnb, Rotterdam Airport, spoedeisend belang, termijn verlopen, opdracht nemen nieuw besluit, memorie van toelichting Wnb, aanschrijvingsbevoegdheid, referentiedatum, één-en-hetzelfde project, geen andere instrumenten/regulering activiteiten (Rb Gelderland 24/7550)
* ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5483: Awb, Wnb; afwijzing verzoek geven toepassing artikel 2.4 Wnb, Eindhoven Airport, uitblijven besluit, geen uitvoering uitspraak rechtbank, procesbelang, stand van zaken moment uitspraak, voorzieningenrechter Afdeling/uitspraak geschorst, geen nieuw besluit op bezwaar, geen meer bij inhoudelijke beoordeling beroep, beroep niet-ontvankelijk
* ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5299: Awb, Wnb; vovo, afwijzing verzoek geven toepassing artikel 2.4 Wnb, Eindhoven Airport, spoedeisend belang, termijn verlopen, opdracht nemen nieuw besluit, memorie van toelichting Wnb, aanschrijvingsbevoegdheid, referentiedatum, één-en-hetzelfde project, geen andere instrumenten/regulering activiteiten (Rb Gelderland 24/7549)
ABRvS 15 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5425: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning bopa, wijzigen gebruik, vestiging zelfstandige tandartsenpraktijk, omgevingsplanactiviteit aanleggen uitweg/inrit, rechtsvragen die partijen verdeeld houden, vragen bindend advies gemeenteraad, ambtshalve te beoordelen bevoegdheidskwestie, uitgangspunt/uitvoeren rechterlijke uitspraken, geen schorsende werking instellen hoger beroep, na vernietiging bob/nemen nieuw besluit, efficiënte en finale geschilbeslechting, niet in stand blijven/ontvallen grondslag besluit, gevolg uitspraak rechtbank, vragen advies, effecten leefomgeving, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, ongedaan maken gevolgen, concrete geschil, aanpassing lijst categorieën, precedentwerking (Rb Zeeland-West-Brabant 25/4489)
* Rechtbank Midden-Nederland 15 september 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:6335: BW; kort geding, afsluiten delen singel voor doorgaand auto- en motorverkeer (knip), verkeersmaatregelen, contractuele afspraken, bereikbaarheid parkeergarages, toetsingskader, spoedeisend belang, financiële schade, vordering/verbod feitelijke overgaan tot sluiting, nakoming verplichting doen nader onderzoek, overeenkomsten, grootschalige herontwikkeling stationsgebied, verkeersmodel, invoergegevens en uitgangspunten, reistijd, objectieve norm, aanvullend verkeerskundig onderzoek, verkeerseffecten, oversteekrichtingen, verkeersveiligheid, geluid, uitstellen knip, inzage gegevens verkeersmodellen, belang bij inzage, inzagevorderingen, afwijzing vorderingen
* ABRvS 11 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5423: Awb, Wnb; vovo, bezwaren niet-ontvankelijk, agrarische bedrijven, Programma Aanpak Stikstof (PAS), melding, verzoek/schorsing uitspraak rechtbank, spoedeisend belang, hoger beroep/geen schorsende werking, aanmeldingen RVO, aanvraag natuurvergunning, stikstofruimte, intern of extern salderen, passnede maatregel, mitigerende maatregel, legalisatietraject, verplichte standaardformulier, bevoegd gezag, toewijzing verzoek (Rb Overijssel 25/2235, 25/2236, 25/2237 en 25/2238)
* Rechtbank Oost-Brabant 11 september 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:6592: Sr, Wed, Ow; milieubelastende activiteit, exploiteren IPPC-installatie, RIE, Besluit activiteit leefomgeving, ongewoon voorval, onverwijld melden, voorschrift omgevingsvergunning mba, bedrijfsafvalwater, vuilwaterriool, CZV-vracht, lekkage, significant nadelige gevolgen, afwijking normale bedrijfsactiviteiten, suikerwater, suikertank, daadwerkelijk nadelige gevolgen/gevolgen dreigen te ontstaan, exacte samenstelling, begrip “onverwijld”, bewijsmiddelen, bewezenverklaring, op te leggen straf, geldboete
Rechtbank Gelderland 11 september 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:6965: Awb, Ow; omgevingsvergunning bouwen, bopa, en omgevingsplanactiviteit (maken uitweg), omgevingsplan, APV, niet tijdig nemen besluit/alsnog reëel besluit, omvang geding, wijzigingen vergunning, ruimtelijke uitstraling, uiterlijke verschijningsvorm, geen nieuw initiatief, revisietekeningen/zonder nieuwe aanvraag, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, artikel 12.27a Bkl, instructieregel provinciale verordening, stiltegebied, geluid, artikelsgewijze toelichting, archeologie/relativiteitsvereiste, beleidsregels, weigeringsgronden, verbeurde dwangsommen
Rechtbank Gelderland 11 september 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:6966: Awb, Ow; afwijzing handhavingsverzoek, omgevingsvergunning realiseren zonnepark, voorschriften, inrichtingsplan, landschappelijke inpassing, omwonenden, bezwaar/niet-ontvankelijk, beplanting, toezichthouder, plantlijst/soorten en maatvoering, aanplantmaat, beplantingsplan, kamille, hanenpoot
Rechtbank Gelderland 11 september 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:6967: Awb, Ow; afwijzing handhavingsverzoek, aanleg beregeningssysteem, constateringsrapport toezichthouder, foto’s, pomp, overtreding, bouwwerk, binnenplanse omgevingsplanactiviteit, nieuwe beroepsgrond, archeologische dubbelbestemming, relativiteitsvereiste, gebiedsaanduiding, stiltegebied, provinciale verordening, gebiedsaanduiding
* Rechtbank Gelderland 11 september 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:7050: Awb, Gmw; vovo, handhaving, bestuursdwang, haag, belemmering, hinder en gevaar wegverkeer, APV, opheffen belemmering, snoeien haag/kosten verzoeker, argumenten/eerdere aangevoerd, uitgaan van juistheid eerdere uitspraak, herstelsanctie, afwijzing verzoek
* Rechtbank Gelderland 11 september 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:6968: Awb, Wabo; omgevingsvergunning afwijken bpl, verruiming gebruiksmogelijkheden bedrijfsverzamelgebouw, parkeren, aantal parkeerplaatsen, parkeerbehoefte, gemeentelijke parkeernota, berekeningsmethode, functielijsten CROW, personeel, geen ander deskundigenadvies, afrondingsregel, bruikbaarheid parkeerplaatsen, vergunningvoorschrift, rechtszekerheid, tekening, NEN-normen, ontsluiting bedrijfsverzamelgebouw, woonbestemming, aanvraagformulier, wijziging vergunningaanvraag/hangende bezwaar, wijziging van ondergeschikte aard, niet meer hetzelfde bouwplan
* Rechtbank Noord-Nederland 11 september 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:3902: Awb, Wro; afwijzing verzoek om tegemoetkoming in planschade, schadeoorzaak/bpl, supermarkt, belanghebbende, eigenaar woning, moment indienen aanvraag, peildatum, moment inwerkingtreding gestelde schadeveroorzakende planologische maatregel, planvergelijking, advies deskundige, concrete aanknopingspunten voor twijfel, onafhankelijk deskundige op het gebied van planschade, maximale invulling, feitelijke onbebouwd, geen nadeel, zicht vanuit woning, privacy, verkeer, woongenot, richtafstanden VNG-brochure, ontsluiting, laden en lossen/inpandig, geen contra-expertise
* ABRvS 10 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5301: Awb, Wabo; vovo, handhaving, dwangsom, plan van aanpak, diervoederfabriek, revisievergunning, maatwerkvoorschrift, geur, geuronderzoek, controle en monitoring, jaarvracht aan geuremissie, toewijzing verzoek (Rb Overijssel 21/1800 en 21/1830)
* ABRvS 10 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5397: Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsom, buitenvoorzieningen paarden, bodemconstructie en omheining, bouwwerk, constructie, samenhang, overgangsrecht, herhaling aangevoerde in beroep, gemotiveerde bespreking, onjuist of onvolledig, onderschrijven oordeel rechtbank, afzien handhavend optreden, evenredigheid, aanvraag legaliserende vergunning, geen concreet zicht op legalisering (Rb Noord-Holland 24/1393)
Rechtbank Rotterdam 10 september 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:12123: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning bopa, woonprogramma, wooneenheden, woonwagenstandplaatsen, spoedeisend belang, geen (bouw)werkzaamheden, geen spoedeisend belang, geen onomkeerbare gevolgen, planologisch basisbesluit, tweede fase/nadere uitwerking, participatietraject, rechtsbescherming, afwijzing verzoek
Rechtbank Noord-Holland 10 september 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:12016: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning splitsen perceel, bouwvlak, in- en uitrit, kennelijk ongegrond, uitspraak zonder zitting, e-mailbericht vergunninghouder, afwachten besluitvorming bezwaarschrift, grond geruimd/mogelijk maken archeologisch onderzoek, gebruikmaking vergunning/geen onomkeerbare situatie, bouwen voor eigen rekening en risico, afbraak gebouwde, afwijzing verzoek
Rechtbank Overijssel 10 september 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:5476: Awb, Ow; vovo, beschermde diersoorten, evenementen, crosscountry, treffen maatregelen, onderzoek naar overtredingen, overtreding, gevaar voor overtreding/klaarblijkelijk dreigt, wettelijk voorschrift, wettelijke grondslag, Besluit activiteiten leefomgeving, specifieke zorgplicht, contra-expertise, afwijzing verzoek
Rechtbank Gelderland 10 september 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:7026: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning bopa, legaliseren tijdelijke onzelfstandige bewoning, twee huishoudens, spoedeisend belang, onomkeerbare gevolgen, huurovereenkomst, onverwijlde spoed, privaatrechtelijke belemmering, evident karakter, burgerlijke rechter, bepalingen ovk, begrip “gehuurde”, vergt uitleg, bezwaargronden geen redelijke kans van slagen, afwijzing verzoek
* Rechtbank Gelderland 10 september 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:6921: Awb; verzoek om proceskostenveroordeling, handhaving, dwangsom, bouwen bouwwerken/zonder vergunning, verlengen begunstigingstermijn, proceshandelingen, beroepsmatig verleende rechtsbijstand, kosten juridische advisering, juridische adviseur, Besluit proceskosten bestuursrecht, afwijzing verzoek
* Rechtbank Gelderland 10 september 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:6922: Awb; verzoek om proceskostenveroordeling, terugbrengen maximale capaciteit vuurwerkbunkers, verlengen begunstigingstermijn, proceshandelingen, beroepsmatig verleende rechtsbijstand, Besluit proceskosten bestuursrecht, afwijzing verzoek
* Conclusie A-G Martín y Pérez de Nanclares 9 september 2026, ECLI:EU:T:2026:554: Richtlijn 2003/87/EG; Prejudiciële verwijzing, milieu, luchtverordening, handel in broeikasgasemissierechten, begrip “installatie”, ETS, uitleggingsmethoden, verschillende taalversies, vaste technische eenheid, ontstaansgeschiedenis, wetgevingsproces, productie papierpulp en karton, technisch verband, richtsnoeren Commissie, exploitant
Rechtbank Gelderland 9 september 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:7021: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit, dakterras, artikel 7:11 Awb, artikel 6:13 Awb, rechtsmiddelenclausule, ten onrechte bezwaar gemaakt, verzoek hangende beroep, omgevingsplan, gebonden beschikking, goothoogte, positief welstandsadvies, geen weigeringsgrond, privaatrechtelijke belemmering, afwijzing verzoek
* Rechtbank Amsterdam 9 september 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:9098: BW; collectieve actie, bank, opwarming aard, vordering/treffen maatregelen, voorwaarden ontvankelijkheid, Rv, dagvaarding, aantekening, centraal register collectieve acties, ideëel doel, algemeen belang-actie, bundeling belangen, belangen huidige en toekomstige generaties Nederlandse ingezetenen, klimaatverandering, statutenvereiste, kwantitatieve/kwalitatieve benadering, memorie van toelichting wijziging WCAM, baatvereiste, waarborgvereiste, weren commercieel gedreven stichtingen, Akkoord van Parijs, inhoudelijke beoordeling, efficiënter en effectiever, tussenuitspraak
* Gerechtshof Den Haag 8 september 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:2750: BW; woningen, twee-onder-een-kapwoning, funderen/tegengaan verzakking, onrechtmatige daad, deskundigenbericht STAB, aanbouw, dilatatie, lintvoegwaterpassing, funderingswijze, omvang schade, schadestaatprocedure, causaal verband, alternatieve schadeoorzaken, trillingsschade, bouwwerkzaamheden, funderingsherstel, waardevermeerdering, voordeel, bekrachtiging vonnis (Rb Den Haag C/09/616443 / HA ZA 21-726)
* Gerechtshof Den Haag 8 september 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:2744: BW; woningen, twee-onder-een-kapwoning, funderen/tegengaan verzakking, onrechtmatige daad, deskundigenbericht STAB, aangrenzende woning/constructieve eenheid, scheefstand/rotatie, lintvoegwaterpassing, toekomstige schade, schadestaatprocedure, causaal verband, meerdere schadeoorzaken, bouwwerkzaamheden, broodjesvloer, funderingsherstel, waardevermeerdering, voordeel, bekrachtiging vonnis (Rb Den Haag C/09/616443 / HA ZA 21-726)
* Rechtbank Gelderland 8 september 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:6854: Awb, Wabo; handhaving, invordering, permanente bewoning recreatiewoning, last onder dwangsom, overtreding last/bewoning recreatiewoning, verklaring, geen hoofdverblijf elders, langere duur, vakantie, controlerapporten, gelijkheidsbeginsel
Rechtbank Noord-Holland 8 september 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:11919: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning kappen productiebos, niet kortsluiten, andere beroepen, spoedeisend belang, belangenafweging, productiebos, realiseren zonnepark, onzekere toekomstige gebeurtenis, bezwaren zonnepark/procedure over omgevingsvergunning, belang dieren, omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit, diersoorten, belang spoedige uitvoering, afwijzing verzoek
Rechtbank Rotterdam 8 september 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:11504: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning bopa en omgevingsplanactiviteit maken uitweg, woningbouw, connexiteit, integrale beoordeling, artikel 5.7 Ow, hydrologisch en geotechnisch onderzoek, second opinion, schade, Besluit bouwwerken leefomgeving, zorgplicht, handhavingsprocedure, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, woon- en leefklimaat, participatie, afwijzing verzoek
Rechtbank Noord-Nederland 8 september 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:3837: Awb, Ow; omgevingsvergunning bopa, woningbouw, werkplaats, provinciale omgevingsverordening, relativiteitsvereiste, regionale woningbouwafspraken, woondeal, bouw meer woningen, perceelsniveau, algemene belang voldoende woningen, behoud woon- en leefklimaat, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, belangenafweging, parkeren, parkeervoorzieningen, omgevingsplan, centrumfuncties, verkeersbewegingen, hinder, geluid, zicht
* Rechtbank Rotterdam 7 september 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:12048: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, vernieuwen bestaande serre en berging, belanghebbende, terugkomen oordeel tussenuitspraak/uitzonderlijke gevallen, strijd planregels, vergunning/niet overgelegd, erfgoedadvies, vooroverleg, tekeningen, gebrek niet hersteld, verlaten grondslag aanvraag, nieuwe beroepsgrond, einduitspraak na tussenuitspraak
* Rechtbank Noord-Holland 7 september 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:11438: Awb; verzet, handhavingsverzoek, last onder dwangsom, zonder vergunning bouwen schuur, omgevingsplan, buitenzittinguitspraak, beroep kennelijk niet-ontvankelijk, te laat, niet tijdig beroep instellen, pro forma, overleg advocaat, rekening en risico, verschoonbaarheid termijnoverschrijding, termijnen Awb, openbare orde, coulance/afwijken, verzet ongegrond
Rechtbank Rotterdam 7 september 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:11195: Awb, Ow; vovo, handhaving, dwangsom, realiseren schuilstallen/zonder omgevingsvergunning, cumulatie, artikel 5:6 Awb, lod uitgewerkt, dwangsom verbeurd, bevoegd tot opleggen nieuwe last, hoogte dwangsom, hoger bedrag, prikkel, begunstigingstermijn, uitvoeren last, afbreken stallen, herstelsanctie/punitieve sanctie, afwijzing verzoek
Rechtbank Gelderland 7 september 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:6899: Awb, Ow; vovo, afwijzing handhavingsverzoek, sloop gebouwen, aanwezige fabrieksschoorsteen, niet gesloopt/gerestaureerd, spoedeisend belang, Besluit bouwwerken leefomgeving, trillingssensoren, grenswaarde, verzoek/opdragen handhavend optreden, strekt heel ver, zeer uitzonderlijke situaties, toezichthouder, proces-verbaal van bevindingen, afwijzing verzoek
* Rechtbank Rotterdam 7 september 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:11196: Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsom, realiseren overkappingen/zonder omgevingsvergunning, geen wettelijke grondslag intrekken of wijzigen, abbb, rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel, begunstigingstermijn, tijdsbestek/afbreken stallen, invordering
* Rechtbank Rotterdam 4 september 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:11907: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, verbouwen en uitbreiden pand/naar zeven woningen, uitvoeren funderingsherstel, regels bepalend, rechtszekerheid, letterlijk uitleggen, systematiek, niet bindende plantoelichting, begrip “bouwblok”, bestaande stratenprofiel, beschermd stadsgezicht, bestaande indeling bouwblokken handhaven, stratenprofiel als geheel, indeling afzonderlijke panden, welstand, welstandsadvies, welstandsnota, handreiking sneltoetscriteria, geldende bebouwingsmogelijkheden, evidente privaatrechtelijke belemmering, privacy, woon- en leefklimaat, parkeren, beleidsregeling, vrijstelling, kleine projecten, totale project, loopafstand, alternatieve parkeervoorziening, sloopvergunning, geen aanvraag, onlosmakelijke samenhang, aanvraag aanvullen, buiten behandeling stellen
Rechtbank Den Haag 4 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:25872: Awb, Ow; vovo, handhaving, dwangsom, omgevingsplan, spoedeisend belang, vissportcentrumactiviteiten, bedrijfswoning, evident onrechtmatig, overtredingen, controlerapporten, horeca-activiteiten, boten verzoekers, pleziervaartuigen, bedrijfsmatige verhuur, vervoersmiddel bereiken visstekken, overnachten, extensief recreatief medegebruik, aanwezige tenten/slapen, beginselplicht tot handhaving, duidelijkheid, handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid lasten, bijzondere omstandigheden, concreet zicht op legalisatie, geringe aard en ernst, afwijzing verzoeken
* Conclusie A-G Ćapeta 3 september 2026, ECLI:EU:C:2026:695: Verordening (EG) nr. 1013/2006; Prejudiciële verwijzing, milieu, overbrenging van afvalstoffen, geschil tussen bevoegde autoriteiten over indeling, oranje lijst/groen lijst. kennisgevingsprocedure, staalslakken, bijproduct staalproductieproces, Uniewetgever, strengere optie, geen beoordelingsmarge, administratieve conflict, beslechting materiële conflict, bevoegde rechterlijke instantie lidstaten, informeren mogelijk getroffen marktdeelnemers, prejudiciële procedure
Rechtbank Den Haag 3 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:25867: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit kappen, spoedeisend belang, noodzaak, nieuwbouwproject, behoudenswaardige vindplaatsen Romeinse tijd/opgraven, BomenEffectAnalyse, advies groenbeheerder, verwijderingsbelang, herplantingsplan, kroonoppervlak, afwijzing verzoek
* Rechtbank Rotterdam 3 september 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:10977: Awb, Hvw; handhaving, dwangsom, gemeentelijke huisvestingsverordening, omzetting zelfstandige woonruimte/onzelfstandige woonruimte, geen vergunning, schaarste woonruimte, noodzaak en geschiktheid vergunningplicht, moment geven motivering, alle woonsegmenten, externe partij, objectieve en openbaar toegankelijke gegevens, NHG-grens, WOZ-waarde, aankoopprijs, artikel 1 EP EVRM, Dienstenrichtlijn, omgezet houden, begripsbepalingen, begrip “wonen”, algemeen spraakgebruik, enige bestendigheid, afzien handhavend optreden, ambtshalve/treffen voorlopige voorziening
* Rechtbank Noord-Holland 2 september 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:12216: Awb, Gmw; vovo en kortsluiten, intrekking vergunning, handhaving, dwangsom, APV, houden zwarte honingbijen, onderzoek herkomst bijenvolken, waarborgen voortbestaan zwarte honingbij, WUR, advies deskundige, zorgvuldigheid totstandkoming, begrijpelijkheid, DNA-onderzoek, darren, werksters, larvestadium, bemonsteren, varroamijt, betrouwbaarheid onderzoeken, evenredigheid oplegging lod
* Rechtbank Rotterdam 2 september 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:11077: Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, inrichting voor het winnen van aardwarmte, belanghebbende, rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt, gevolgen van enige betekenis, afstand tot boringen, aard en omvang inrichting, milieugevolgen, bevoegdheid, bevingen, belang van de bescherming van het milieu, instemming winningsplan, bodemdaling, bodemtrilling, regelgeving en adviezen, sidetracks
* Rechtbank Rotterdam 2 september 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:11635: Awb, Gmw; intrekken parkeervergunning, appartementencomplex, parkeervoorziening, Uitvoeringsbesluit Parkeren, pandkaart, parkeergarage, rolluik, openbare weg, privaatrechtelijke aangelegenheid, parkeereis, parkeerdruk, splitsingsakte, appartementsrecht, hardheidsclausule, evenredigheid, bijzondere omstandigheid
Rechtbank Rotterdam 2 september 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:11216: Awb, Ow; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning bouwen woning, bezwaar niet-ontvankelijk, te laat ingediend, artikel 6:11 Awb, problemen inloggen DigiD, mogelijkheid pro forma bezwaar
* Rechtbank Gelderland 2 september 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:6951: Awb, Wvw 1994; verkeersbesluit, laadpalen, begrippen/beoordelingsruimte, beperkte toets, integrale laadvisie, beleidsruimte, verkeersveiligheid, inbreuk privacy, netcongestie, redelijke termijn, horen in bezwaar, passeren gebrek, vergoeden griffierecht
* Rechtbank Limburg 2 september 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:8602: Onteigeningswet; onteigening, deskundigen, rapporten, schadeloosstellingen, inkomensschade, DCF-methode, dubbeltelling, bloot eigendom, grondwaarde, disconteringsvoet, vergelijkingsmethode, schadebegroting, (contante) waarde verdienvermogen, beschouwingsperiode, opbrengende vermogen/bron vaststelling waarde, erfpachtrecht, economische waarde opstal
* Rechtbank Midden-Nederland 2 september 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:6290: BW; bouw woning, bodemonderzoeken, saneringswerkzaamheden, bodemsanering, gebruiksbeperkingen, BUS-meldingsformulier, koop woning, normaal gebruik woning, asbestverontreiniging, tekortschieten nakoming koopovereenkomst, non-conformiteit, mededelingsplicht, benoeming deskundig, specialisatie bodemverontreiniging, asbest en asbestsanering, alternatieve lijst deskundigen, akte/uitlaten over aan deskundige te stellen vragen
* Gerechtshof Amsterdam 1 september 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:2490: BW; burenrecht, plaatsen bijgebouw in tuin, onrechtmatige hinder, lichtinval, civielrechtelijke procedure, bestemmingsplan, bouwverordening, Bouwbesluit 2012, redelijke eisen van welstand, raam/vergunningvrij, (publiekrechtelijke) vergunning, aard, ernst en duur hinder, alternatieven, misbruik van bevoegdheid, planologische en publiekrechtelijke vereisten
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 1 september 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:8429: Awb, Ow; afwijzing handhavingsverzoek, kleinschalig kampeerterrein, controlerapport, tussenuitspraak, hoofdkampeermiddelen, individuele standplaatsen, omgevingsplan, geen reactie college, vernietiging besluit, einduitspraak na tussenuitspraak
* Rechtbank Rotterdam 28 augustus 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:11210: Awb, Wabo; omgevingsvergunning afwijken bpl, wijzigen gebruik voormalige fabrieksgebouw, bedrijfsruimte, bar/restaurant en kantoor, onlosmakelijke samenhang, artikel 2.7 lid 1 Wabo, aanvraag en bijbehorende tekeningen, tenderplan, ruimtelijke motivering, ontwikkelvisie, geluid, (bestaande) planologische mogelijkheden beheersverordening, belangenafweging, privaatrechtelijke belemmering, evident karakter, burgerlijke rechter
* Rechtbank Den Haag 28 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:24084: Awb, Gmw; intrekking exploitatievergunning, horeca-inrichting, woon- en leefklimaat omgeving, geluid, overschrijdingen geluidhinder, economische politierechter, maatwerkbesluit, APV, geluidrapportage omgevingsdienst, deskundigenadvies, begrensde geluidsinstallatie, herhaaldelijke overschrijdingen geluidnormen, evenredigheid, handhavingsbeleid, lod/waarschuwing, afzien geven formele waarschuwing, handhavingsmatrix
Rechtbank Midden-Nederland 28 augustus 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:6250: Awb, Ow; omgevingsvergunning bouwen steiger met open golfbreker, ontvankelijkheid, belanghebbende, feitelijk gevolgen ondervindt, gevolgen van enige betekenis, aanvraag, privaatrechtelijke belemmering, oud recht/ontwikkelde jurisprudentie, uitvoerbaarheid, terughoudende benadering, huurovereenkomst, coördinatieregeling, wateractiviteit, Omgevingsbesluit, afdeling 3.5 Awb, procedureel gebrek, horen in bezwaar, passeren gebrek, wijziging oorspronkelijke aanvraag, hetzelfde bouwplan, nieuwe aanvraag, wijziging/afmeting steiger, uiterlijke verschijningsvorm, ruimtelijke uitstraling, participatie, alternatieven, omgevingsplan, strijd regels waterbestemming/bopa, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, tussenuitspraak
Rechtbank Midden-Nederland 28 augustus 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:5939: Awb, Ow; omgevingsvergunning verruiming gebruik, horecacategorie, procesbelang, niet tijdig beslissen, hogere dwangsom beroep ontvankelijk, overeenstemming met aanvraag, vergunningvoorschriften, dwangsom, verzoek om schadevergoeding/niet-ontvankelijk
* Rechtbank Midden-Nederland 28 augustus 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:6195: Awb, Wabo; omgevingsvergunning handelen in strijd met regels RO, transformeren gemeentelijk monument naar appartementen, woongebruik in afwijking bpl, parkeren, strijdigheid met paraplubestemmingsplan, uitvoerbaarheid
* Rechtbank Den Haag 27 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:25106: Awb, Wnb; natuurvergunning, uitbreiding melkrundveehouderij, Natura 2000-gebieden, goede procesorde/passende beoordeling, referentiesituatie, algemene regels, beweiden en bemesten, structureel, peilmoment, geen concrete aanknopingspunten, uitspraken 18 december 2024, intern salderen, extern salderen, additionaliteitsvereiste, instandhoudingsmaatregel, passende maatregel, geringe deposities, provincie saldogevend bedrijf
* Rechtbank Den Haag 27 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:24552: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning afwijken bpl, bouw woning, verklaring van geen bedenkingen, raadsvoorstel/verworpen, schriftelijk document, beraadslaging, geur, geluid, woon- en leefklimaat, akoestische beoordeling, rechtsgevolgen niet in stand laten, niet zelf in de zaak voorzien, geen bestuurlijke lus, geen doelmatige en efficiënte manier afdoen zaak, opdracht nemen nieuw besluit
# Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27 augustus 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:8202: Awb, Wm; afwijzing handhavingsverzoek, windpark, inrichting, geluid, Activiteitenbesluit milieubeheer, geluidgrenswaarden, Handleiding meten en rekenen industrielawaai, meet- en rekennauwkeurigheidsfactor, Reken- en meetvoorschrift windturbines, STAB-advies, bronsterktebepaling, overdrachtsmethode, betrouwbaarheid akoestisch onderzoek, erfverharding, bodemfactor, passeren gebrek
Rechtbank Midden-Nederland 27 augustus 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:6115: Awb; vovo, omgevingsvergunningen bouwen bouwblokken, nieuwbouwproject, woningbouw, kennelijk niet-ontvankelijk, uitspraak zonder zitting, materiële connexiteit, omgevingsplanactiviteit (bouwen) en technische bouwactiviteit, meldingsplichten, beoogde doel, geen spoedeisend belang, onomkeerbare gevolgen, sloopbedrijf, beslissing op bezwaren
* Rechtbank Midden-Nederland 26 augustus 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:5894: Awb; tussenuitspraak, gelegenheid herstellen gebreken, verzoek om verlening termijn, bijzondere gevallen, verzoek/moet gemotiveerd zijn, complexiteit zaak, onderbouwing verzoek, andere beslissing/minder finale vorm van geschilbeslechting, geen nadelige gevolgen eisers
* Rechtbank Den Haag 25 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:25244: Awb, Wvw 1994; afwijzing aanvraag, verzoek nemen verkeersbesluit, inrijverbod vrachtverkeer, verkeersveiligheid, schade eigendommen, trillingen, beoordelingsruimte, bescherming verkeersbelangen, belangenafweging, beleidsruimte, evenredigheid, CROW Handboek Wegontwerp, geen ongevallen bekend, kinderboerderij, alternatieve route, kap bomen, bestemmingsverkeer, erftoegangsweg, plaatsen rubberen materiaal/voorkomen trillingen
* Rechtbank Den Haag 25 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:25228: Awb, Gmw; bewonersparkeervergunningen, parkeerplaats op eigen terrein (POET), oprit, gemeentelijke parkeerverordening, POET-beleid, schaarste parakeerruimte, parkeerdruk, noodzaak parkeerregulering, streng parkeerbeleid, oprit, tuin, groene karakter wijk, afwijken beleid
* Rechtbank Midden-Nederland 20 augustus 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:6125: Awb, Wvw 1994; verkeersbesluit, parkeerplaatsen opladen elektrische auto’s, bord E8c/bijlage I RVV 1990, begrippen, beoordelingsruimte, belangenafweging, beleidsruimte, beleidsregels, afstand tot bestaande laadpalen, bezittingsgraad, afzetvolume, voorwaarden uitbreiding laadnetwerk, motiveringsgebrek hersteld, spreiding laadpalen, intensieve gebruik bestaande laadpalen, relatief hoge vraag, alternatieve locaties, geschikter en minder belastend, onvoldoende concreet en objectief onderbouwd, in stand laten rechtsgevolgen
Rechtbank Noord-Nederland 14 augustus 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:3867: Awb, Ow; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit, vergroten en verbouwen woning, verbindendheid binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, exceptieve toetsing, begrensd, niet buiten toepassing laten, goothoogte, wijze van meten, Van Dale, bouwtekening, architectonische eenheid, te onderscheiden bouwdelen, belangenafweging, straat- en bebouwingsbeeld, gebruiksmogelijkheden aangrenzende percelen, woon- en leefklimaat, bezonning, daglichttoetreding, redelijke eisen van welstand, welstandsadvies
* Rechtbank Midden-Nederland 13 augustus 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:5729: Awb, Gmw; legesaanslag, wijzigen omgevingsplan, gemeentelijke verordening, TAM-procedure, TAM-omgevingsplan, aanvraag, geen expliciet schriftelijk verzoek, actieve rol, e-mails, publiek belang, individualiseerbaar belang, particulier belang, zelf in de zaak voorzien
Rechtbank Midden-Nederland 12 augustus 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:5485: Awb, Ow; weigering omgevingsvergunning bouwen fietsoverkapping, voortuin, omgevingsplan, vergunningvrij bouwen, bijbehorend bouwwerk, achtererfgebied, tijdelijk deel omgevingsplan, woonbestemming, bestemming en daarbij behorende regels/bepalen, rechtszekerheid, letterlijke uitleg, toelichting, systematiek, begripsomschrijvingen tijdelijk deel, vergunningvrije bijbehorende bouwwerkenregeling Besluit omgevingsrecht, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, deugdelijkheid welstandsadvies, zorgvuldige totstandkoming, begrijpelijkheid redenering, totstandkoming, onder oud recht ontwikkelde rechtspraak, stedenbouwkundig advies, terughoudende toetsing, straatbeeld
Rechtbank Midden-Nederland 12 augustus 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:5858: Awb, Ow; handhaving, dwangsom, omgevingsplanactiviteit, omgevingsplan, metaalbewerkingsbedrijf, overtreding, apparatuur/onklaar gemaakt, Officier van Justitie, Landelijke Faciliteit Ontmantelen, acetyleenflessen/leeg en onbruikbaar, (verkoop)voorraad, actieve website, paardenbak, overgangsrecht, vergunningvrij, Woningwet 1962, bouwverordening, gebruiken en bouwen, concreet zicht op legalisatie, voorheen geldende bestemmingsplan, overgangsregels, bestaand bouwwerk, omploegen zandgrond, hekwerk, drainage, concrete en objectieve gegevens, luchtfoto’s, evenredigheid handhavend optreden, tijdverloop/30 jaar, geen actief handhavingsbeleid, evenredigheid
Rechtbank Midden-Nederland 11 augustus 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:5884: Awb, Ow; vovo, handhaving, dwangsom, carport, tuinschuur, zonder vergunning, afwijzing verzoek, voorlopig rechtmatigheidsoordeel, spoedeisend belang, verstrijken begunstigingstermijn, geen vergunningvrij bijbehorend bouwwerk, voorerfgebied, natuurbestemming, geen legalisering, strijd omgevingsplan, geen bereidheid verlenen medewerking, geen concreet zicht op legalisatie, bouwmelding, maatvoering, bouwovergangsrecht, legaal aanwezige bouwwerken, geen omgevingsvergunning-vervangende titel, bruidsschat, hoofdregel/handhavend optreden, vertrouwensbeginsel, geen concrete ondubbelzinnige uitspraken, interne ambtelijke stukken, ambtelijke opvattingen, gelijkheidsbeginsel, private huurovereenkomst, bezwaar/niet leiden tot herroeping
* Rechtbank Oost-Brabant 30 juli 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:4782: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, afwijken bpl en wijzigen monument, woningbouw, monumentaal pand, herstellen tuinmuur, huisnummerbesluit, nader stuk, tiendagentermijn, goede procesorde, pleitaantekeningen, geen tijd om te bestuderen, niet adequaat, bezwaar niet-ontvankelijk, belanghebbende, niet rechtstreeks bij besluit betrokken, geen rechthebbende, belanghebbende omgevingsvergunning, apart besluit, rechtsgevolgen op zichzelf beoordelen, onlosmakelijke samenhang Wabo, verschillende wetten, Verdrag van Aarhus, aangrenzend perceel, relativiteitsvereiste, advies RCE, nieuwbouwregels, Bouwbesluit 2012, verbouw, toegang tot aangrenzende percelen, zakelijk recht, evidente privaatrechtelijke belemmering, notariële akte, verjaring, bewijslast, erfdienstbaarheid, burgerlijke rechter, parkeren, eigen terrein, monumentale waarde, openbaar terrein, handhaving
Rechtbank Noord-Nederland 14 juli 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:3868: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit en technische bouwactiviteit, verbouw pand tot wooneenheden, spoedeisend belang, volledigheid bodemonderzoek, aanvullende motivering, alternatieven, gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren, meer constructieve aanpassingen, advies monumentencommissie, geen concrete aanknopingspunten, omgevingskwaliteit, brandwerend glas, gemeentelijk woonbeleid, bpl/dynamische verwijzing, artikel 22.281 omgevingsplan, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, ETFAL-beoordeling, woon- en leefklimaat, privacy, afwijzing verzoek, gebruikmaken vergunning/eigen rekening en risico
* Rechtbank Noord-Holland 17 juni 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:11224: Awb, Wabo; weigering aanvraag omgevingsvergunning, bijbehorend bouwwerk op achtererf, welstand, negatief advies welstandscommissie, welstansnota, excessenregeling, gebiedsgerichte criteria, dorpse uitbreidingen, afgeknot zadeldak, contra-expertise, hoofdvolume, bouwvolume, mansardekap, redelijke eisen van welstand, legalisatie, investeringen, wettelijk aangewezen adviseur
# Gerechtshof Amsterdam 12 mei 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:1240: BW; wateronttrekking bij werkzaamheden pand, grondwaterdaling, scheurvorming, klemmende deur en lekkage in woning, verzakken tuin, causaal verband, benoeming deskundigen, toelichting kostenbegroting, deskundigenrapport, grond ingeklonken, zakkingsschade, negatieve kleef, verminderen waterdruk, bemaling, (mogelijke) andere oorzaak, staat fundering, paalfundering, zakkingssnelheid, beantwoording overtuigend, redelijke mate van zekerheid, onrechtmatige daad, wetsgeschiedenis, Afzinkkelder-arrest Hoge Raad, omstandigheden van het geval, maatschappelijk verkeer betamelijk is, aanmerkelijk risico, omgevingsvergunning, maatwerkbesluit, voorzienbaar risico, risico heeft zich verwezenlijkt, ontstane zaakschade/niet te dulden, trillingen, omvang schade, kosten ter vaststelling schade en aansprakelijkheid, artikel 6:96 lid 2 BW, eigen schuld (Rb Noord-Holland C/15/313365 / HA ZA [nummer 2] -94)
Rechtbank Gelderland 13 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:12070: Awb, Ow; vovo, weigering omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit, pre-mantelzorgwoning, spoedeisend belang, beleidsregel, maximale oppervlakte, omgevingsplan, specifieke situatie verzoekers, medische problemen, artikel 4:84 Awb, hardheidsclausule, evenredigheid, aanvullende motivering, afwijzing verzoek
* Rechtbank Gelderland 17 februari 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:1271: Awb, Msw; boete, vervoer en (tijdelijke) opslag en handel in dierlijke meststoffen, silo, verantwoordingsplicht, memorie van toelichting, bezinklaag, beleid, bemonstering en analyse, onnauwkeurigheidsmarges, matiging boete, redelijke termijn, geen aanvullende matiging
* Rechtbank Noord-Holland 28 oktober 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:14333: Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsom, gebruik pand als zelfstandig kantoor, overtreding, zelfstandige kantoren/strijd bpl, uittreksels KvK, letterlijke uitleg planregel, gebruiksovergangsrecht, peildatum, uitzendbureau, in omvang gelijk, strijdigheid niet toeneemt, modernisering, fysiek in omvang, aantal telefoonlijnen, beschermd door overgangsrecht, zelf in de zaak voorziening, herroepen besluit

¶ = uitspraak waarop de Omgevingswet materieel van toepassing is (dus niet de uitspraken die vallen onder het overgangsrecht)
# = betrokkenheid STAB
! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5497: Awb, Wro; bpl, vergroten bestaande schuur, bedrijfswoning, hooibergen, ontvankelijkheid beroep, statutaire doelstelling, feitelijke werkzaamheden, gebiedsbescherming, Natura 2000, Pasgeld-West uitspraak, intern salderen, nevenactiviteiten en voorzieningen, referentiesituatie, voortoets, ruimtelijke ontwikkeling, andere locaties, lopen in de wei/houden paarden in stal, informatie concrete aantal paarden, niet zelf in de zaak voorzien, geen bestuurlijke lus, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding
5.3. Omdat de raad heeft erkend dat in de artikelen 3.1 en 3.6.6 van de planregels ten onrechte diverse nevenactiviteiten en voorzieningen mogelijk zijn gemaakt, slaagt het betoog van de stichting alleen al om die reden. Hier komt bij dat de raad er ten onrechte van uitgaat dat de met het plan beoogde transformatie van de bestaande hooibergen tot paardenstallen niet kan worden aangemerkt als ruimtelijke ontwikkeling. Deze transformatie leidt tot twee paardenstallen op andere locaties dan de bestaande schuur. Dat is al voldoende voor de vaststelling dat het gaat om ander gebruik dan in de referentiesituatie. De omstandigheid dat de beoogde locatie van de twee paardenstallen is gelegen op geringe afstand van de locatie van de bestaande schuur, doet daaraan niet af. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat op de beoogde locatie van de twee paardenstallen al paarden in de wei liepen en mochten lopen. Het lopen van paarden in een wei is niet hetzelfde als het houden van paarden in een stal. Voor zover de raad zich op de zitting op het standpunt heeft gesteld dat de stikstofemissie en ¬-depositie niet verandert als gevolg van de transformatie van de bestaande hooibergen tot paardenstallen, overweegt de Afdeling dat dit standpunt, daargelaten of het juist is, neerkomt op intern salderen. Voor intern salderen bestaat geen ruimte meer in een voortoets. Overigens is het ook niet, zoals de raad lijkt te veronderstellen, voldoende om in algemene zin vast te stellen dat in de referentiesituatie paarden werden gehouden op het perceel en in de bestaande schuur. Voor het kunnen vaststellen van de referentiesituatie is tevens informatie nodig over het concrete aantal paarden dat werd gehouden.

* ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5522: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, gebruik landhuis, recreatieve verhuur, gebruik bijgebouw, dienstwoning, afwijzing principeverzoek, “huisvesting van personen”, algemeen spraakgebruik, zekere duurzaamheid, ruimere strekking, bijgebouw/landhuis, geen nieuw besluit (Rb Zeeland-West-Brabant 23/2185)
5.2. Volgens artikel 22.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de gronden bestemd voor de huisvesting van personen in landhuizen. Volgens artikel 22.1, aanhef en onder b, van de planregels zijn deze gronden ter plaatse van de aanduiding “wonen” bestemd voor wonen. Die aanduiding heeft het perceel niet. De vraag die partijen verdeeld houdt, is hoe “huisvesting van personen” in dit geval moet worden uitgelegd. Het college stelt zich op het standpunt dat er ter plaatse alleen mag worden gewoond, omdat er binnen de bestemming “Wonen-Landgoed” geen aanduidingen zijn die vormen van recreatief verblijf mogelijk maken. [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] stellen dat de termen “wonen” en “huisvesting” geen synoniemen van elkaar zijn en dat de huisvesting van personen niet is beperkt tot wonen. De planregels bevatten geen omschrijving van de termen “huisvesting” of “wonen”. De Afdeling deelt de opvatting van het college dat de term “wonen” in het algemeen spraakgebruik een zekere duurzaamheid vereist. De Afdeling deelt echter ook de opvatting van [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] dat de term “huisvesting” een ruimere strekking heeft. Volgens “Van Dale” is “huisvesting” een gelegenheid om te verblijven en is “huisvesten” een (tijdelijk) verblijf verschaffen. Omdat in artikel 22.1, aanhef en onder a, van de planregels niet is geregeld welk doel de huisvesting moet dienen, is huisvesting ten behoeve van een recreatief verblijf niet uitgesloten. De Afdeling is daarom met de rechtbank van oordeel dat het verschaffen van recreatief verblijf niet in strijd is met artikel 22.1, aanhef en onder a, van de planregels.
5.3. Het college betoogt echter terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het gebruik van het bijgebouw als dienstwoning door een beheerder niet in strijd is met het bestemmingsplan. In artikel 22 van de planregels zijn geen specifieke gebruiksregels opgenomen voor bijgebouwen, behalve artikel 22.5.1 met een regeling voor aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsactiviteiten. Dat betekent dat voor het toegestane gebruik het bepaalde in artikel 22.1 van de planregels geldt. Zoals hiervoor onder 5.2 is overwogen, heeft het perceel niet de aanduiding “wonen”. Dat betekent dat het toegestane gebruik wordt beperkt door het bepaalde in artikel 22.1, aanhef en onder a, van de planregels dat het huisvesten van personen plaatsvindt in landhuizen. De Afdeling ziet, gelet op de definitie van “bijgebouw” in artikel 1.23 van de planregels, redelijkerwijs geen aanknopingspunten om aan te nemen dat een bijgebouw een landhuis is. Anders dan de rechtbank, ziet de Afdeling ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het gebruik van een dienstwoning nodig is voor het behoud en herstel van de aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwetenschappelijke waarden. Dat betekent dat de rechtbank ten onrechte geen overtreding op dit punt heeft aangenomen. Het betoog slaagt in zoverre.

* ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5489: Awb, Waterwet; vergunning aanpassen waterhuishouding, inrichtingsplan, NNN, Natura 2000, vergroten oppervlakte habitattype Vochtige alluviale bossen, hogere (grond)waterstanden, doelstellingen artikel 2.1, belangen artikel 6.11, waterstaatkundige doelstellingen, beoordelingsruimte, juistheid toetsingskader, artikel 6.20, herhaling aangevoerde in beroep, gemotiveerde bespreking, onjuist of onvolledig, analyse hydroloog, zorgvuldigheid belangenafweging, verzoek inschakelen STAB/afwijzing verzoek, discretionaire bevoegdheid (Rb Noord-Nederland 22/4521 en 22/4523)
5.3. Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil of de rechtbank is uitgegaan van het juiste toetsingskader door te bepalen dat bij verlening van een watervergunning uitsluitend rekening mag worden gehouden met waterstaatkundige belangen. Als het project waarvoor een watervergunning wordt gevraagd verenigbaar is met de in artikel 2.1 genoemde doelstellingen en de belangen van artikel 6.11, dan doet zich geen weigeringsgrond voor. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, volgt uit artikel 6.21 van de Waterwet echter niet dat het bevoegd gezag bij de besluitvorming over de verlening van een watervergunning alleen met waterstaatkundige belangen rekening mag houden. Artikel 6.21 van de Waterwet bepaalt immers niet dat een watervergunning uitsluitend mag worden verleend ten behoeve van de in artikel 2.1 genoemde doelstellingen of de belangen van artikel 6.11. Artikel 6.21 van de Waterwet staat er verder niet aan in de weg dat een watervergunning kan worden aangevraagd en verleend ten behoeve van een doel of belang van een aanvrager dat op zichzelf niet van waterstaatkundige aard is, zoals de ontsluiting van een perceel, mits daarbij steeds voldaan wordt aan de voorwaarde dat die vergunningverlening verenigbaar is met de doelstellingen in artikel 2.1 of de belangen, bedoeld in artikel 6.11 van de Waterwet. Dergelijke andere belangen die een aanvrager beoogt te dienen, kunnen dit vereiste van verenigbaarheid met de doelstellingen van artikel 2.1 en belangen van artikel 6.11 nooit opzij zetten. De Afdeling wijst er nog wel op dat het bevoegd gezag op grond van artikel 6.20 van de Waterwet aan een watervergunning voorschriften kan verbinden. Onder omstandigheden zou het opleggen van specifieke voorschriften er alsnog toe kunnen leiden dat het bevoegd gezag de verlening van de watervergunning niet langer onverenigbaar acht met de in artikel 6.21 genoemde doelstellingen of belangen.

* ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5484: Awb, Wro; bpl, transformatie kantoorgebouw, woningbouw, herstelbesluit, vervallen kantoorfunctie/extra woning, schaduwwerking, parkeren, reparatie planregels, woon- en leefklimaat, provinciale verordening, woonafspraken, Woondeal, parapluplan/overschreven, bouwmogelijkheden, bouwvlak, maximale bouwhoogte, stedenbouwkundige inpassing, bezonning, zonnestudie, lichte TNO-norm, stedelijke omgeving, minder bebouwde omgeving, verminderde opbrengst zonnepanelen, belangenafweging, balkons en dakterrassen, stemgeluid, privacy, sociale veiligheid, parkeren, voldoende parkeergelegenheid, parkeerbehoefte
11.1. Voor de bezonning van woningen bestaan geen wettelijke normen. Dat neemt niet weg dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan een afweging moet maken van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen, waaronder het belang van omwonenden bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. (…)
11.4. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad het belang dat [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben bij de bezonningssituatie op hun percelen voldoende heeft meegewogen bij de vaststelling van het plan. Weliswaar is sprake van een verslechtering van de bezonningssituatie op hun percelen, maar de raad heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat die verslechtering er niet toe leidt dat op die percelen geen sprake meer is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarbij heeft de raad in zijn afweging mogen betrekken dat ook in de bestaande situatie op hun percelen al sprake is van een ongunstige bezonningssituatie waarin niet wordt voldaan aan de lichte TNO-norm en dat met het plan wordt voorzien in de behoefte aan extra woningen. Ook heeft de raad er gewicht aan mogen toekennen dat in een stedelijke omgeving andere eisen mogen worden gesteld aan bezonning dan in een minder bebouwde omgeving. De Afdeling ziet in zoverre dus geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de gevolgen van het plan voor de bezonningssituatie op de percelen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] niet aanvaardbaar heeft mogen achten.
11.5. Voor zover [appellant sub 3] heeft aangevoerd dat het plan leidt tot een verminderde opbrengst van zijn zonnepanelen, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals in de uitspraak van 29 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4449, onder 11.4, is overwogen, is de raad weliswaar niet verplicht een stedelijke omgeving zo in te richten dat bestaande zonnepanelen optimaal gebruikt kunnen worden, maar moet de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan wel het belang van eigenaren bij het kunnen opwekken van duurzame energie betrekken. Wat [appellant sub 3] hierover heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het plan op dit punt in strijd met een goede ruimtelijke ordening is vastgesteld. [appellant sub 3] heeft in zijn zienswijze op het ontwerpbesluit naar voren gebracht dat de in het plan voorziene ontwikkeling invloed heeft op de zonnepanelen die op het dak van zijn woning liggen en dat die invloed ten onrechte niet is onderzocht en betrokken in de belangenafweging van de raad bij de vaststelling van het plan. In de zienswijzennota is de raad daarop ingegaan door toe te lichten dat met een bezonningsstudie is aangetoond dat sprake is van een minimale belemmering. In beroep heeft [appellant sub 3] niet geconcretiseerd dat deze toelichting van de raad niet juist is. Naar het oordeel van de Afdeling is dat onvoldoende voor de conclusie dat de raad het belang van [appellant sub 3] bij het kunnen opwekken van duurzame energie onvoldoende heeft betrokken in zijn belangenafweging. De betogen slagen niet.

* ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5528: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, opblaasbare hal, hockeycomplex, periode van 10 jaar, vergunningvoorschrift geluid, ventilatie-unit, STAB-verslag, Activiteitenbesluit milieubeheer, langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, HMRI, bronvermogen, noodzaak nieuw aanvullend geluidonderzoek, gevolgen woon- en leefklimaat, (on)duidelijkheid voorschrift, omkisting, vergunningtekening, rechtszekerheid, feitelijk beoogde situatie, geen wijziging van ondergeschikte aard, ruimtelijke gevolgen, nieuwe aanvraag, finale geschilbeslechting, afwijzing aanvraag (Rb Den Haag 22/3943, 22/3944, 22/4040, 22/4311 en 22/4312)
4.3. De Afdeling volgt de rechtbank niet in haar oordeel dat met het aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift voldoende is gewaarborgd dat geen onaanvaardbare geluidhinder zal optreden en dat het college geen nieuw aanvullend geluidonderzoek heeft hoeven doen. Daarbij is van belang dat de STAB heeft gewezen op een mogelijke onderschatting van de berekende geluidbelasting, terwijl in het verrichte geluidonderzoek een geluidbelasting is berekend van 38,9 dB(A) in de nachtperiode. Het college heeft niet onderzocht hoeveel dB(A) de geluidbelasting hoger kan uitvallen dan de berekende geluidbelasting en heeft bovendien niet onderzocht of de voorgeschreven omkisting hierbij voldoende geluidsreductie kan opleveren. De rechtbank heeft daarom niet kunnen concluderen dat het college inzichtelijk heeft gemaakt dat het voorschrift de door de STAB geconstateerde onzekerheid wegneemt. Het voorschrijven van een rapportage voorafgaand aan ingebruikname ondervangt dat niet, omdat het college voorafgaand aan de besluitvorming over de omgevingsvergunning inzicht moest hebben in de te verwachten geluidbelasting en de gevolgen die dat heeft voor het woon- en leefklimaat van omwonenden. De Afdeling is verder van oordeel dat onvoldoende duidelijk is wat in het voorschrift wordt bedoeld met “een overschrijding van 3 db”, omdat niet duidelijk is ten opzichte van welke norm de daarin genoemde overschrijding van 3 dB moet worden beoordeeld. Daarbij komt ook dat de door GoedGeluid berekende geluidbelasting zonder omkisting slechts 1,1 dB(A) onder de geluidnorm van 40 dB(A) in de nachtperiode ligt, zodat een overschrijding van die berekening met 2 dB(A) al zou leiden tot een overschrijding van die geluidnorm. Ook in die zin waarborgt het in het besluit van 30 mei 2022 toegevoegde voorschrift 3 dus niet dat geen onaanvaardbare geluidhinder zal optreden.
7.2. De Afdeling stelt vast, zoals het college ook heeft bevestigd op de zitting, dat de locatie van de ventilatie-unit op de vergunningtekening niet is aangepast. Het college is echter bij de beoordeling van de aanvraag op basis van het geluidsonderzoek uitgegaan van de daadwerkelijk beoogde locatie ten noorden van de opblaasbare hal aan de zijde van de Brasserhoutweg en niet van de vergunde locatie aan de kant van de Waterviolier. Zoals de rechtbank al heeft overwogen, is ook naar het oordeel van de Afdeling het belang van de rechtszekerheid ermee gediend dat de tekening in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijk beoogde situatie. Het betoog van [appellant] slaagt en het beroep bij de rechtbank is ook om deze reden gegrond. Het college mag en moet zelfs in bepaalde gevallen de indiener van een aanvraag in de gelegenheid stellen om zijn aanvraag te wijzigen. Het doel daarvan is dat geconstateerde beletselen voor het verlenen van de omgevingsvergunning worden weggenomen. Dat moet beperkt blijven tot wijzigingen van ondergeschikte aard, want daarvoor is volgens vaste rechtspraak van de Afdeling geen nieuwe aanvraag vereist. De vraag of een wijziging van ondergeschikte aard is, moet per concreet geval worden beantwoord. Als de wijziging van de oorspronkelijke aanvraag zo ingrijpend is dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken, dan moet daarvoor een nieuwe aanvraag worden ingediend. De Afdeling is van oordeel dat het opnemen van de daadwerkelijk beoogde locatie van de ventilatie-unit aan de noordzijde in de vergunningtekening, geen wijziging van ondergeschikte aard is. Een verandering van de locatie van de ventilatie-unit, die juist bepalend is voor de geluidbelasting in de omgeving, brengt namelijk ruimtelijke gevolgen met zich mee. De Afdeling betrekt hierbij ook de omstandigheid dat andere omwonenden die niet zijn opgekomen tegen de omgevingsvergunning, omdat zij zijn uitgegaan van de locatie van de ventilatie-unit op de vergunningtekening, dit mogelijk wel hadden gedaan als zij waren uitgegaan van de daadwerkelijk beoogde locatie. Omdat deze wijziging van de locatie van de unit derhalve niet van ondergeschikte aard is, kan deze niet in de lopende procedure over de aanvraag van 27 juni 2017 worden betrokken. Dit betekent dat HCY een nieuwe aanvraag moet indienen om het bouwplan met de daadwerkelijk beoogde locatie van de ventilatie-unit te kunnen realiseren. De Afdeling ziet daarom vanuit het oogpunt van finale geschilbeslechting aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 4 juni 2018 te herroepen en de aanvraag van 27 juni 2017 af te wijzen. Dat betekent dat het college geen besluit op de bezwaren van [appellant] meer hoeft te nemen en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het te vernietigen besluit van 30 mei 2022.

* ABRvS 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5498: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, laden en lossen, tuincentrum, vaststelling bpl, afspraak, vertrouwensbeginsel, overtreden wettelijk voorschrift, uitlatingen zienswijzennota, juridisch niet bindend, legaliteitsbeginsel, nader besluit (Rb Zeeland-West-Brabant 24/4017)
3.1. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat het college niet zorgvuldig heeft onderzocht of afgewogen of het gewekte vertrouwen moet worden nagekomen. Het college is namelijk niet bevoegd om tegen het tuincentrum handhavend op te treden op basis van mogelijk bij [wederpartij] gewekt vertrouwen, zodat er langs de weg van handhaving geen mogelijkheid bestaat om dergelijk eventueel gewekt vertrouwen te honoreren. Handhavend optreden kan het college immers alleen als een wettelijk voorschrift wordt overtreden. Dat is hier niet het geval. Partijen zijn het er namelijk over eens dat de planregels van het bestemmingsplan niet verbieden om aan de noord- en westzijde van het tuincentrum te laden en lossen. Uitlatingen in de nota van zienswijzen waarop [wederpartij] zich beroept, zijn juridisch niet bindend. Zelfs als tot de conclusie zou worden gekomen dat de passage uit de nota van zienswijzen moet worden gelezen als een toezegging van het college, dan nog kan dit niet leiden tot handhavend optreden op grond daarvan. Dat zou in strijd zijn met het legaliteitsbeginsel (artikel 5:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). In dit artikel is geregeld dat een bestuurlijke sanctie alleen wordt opgelegd als de overtreding bij of krachtens een aan de gedraging voorafgaand wettelijk voorschrift is omschreven. Het betoog slaagt.

* ABRvS 11 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5423: Awb, Wnb; vovo, bezwaren niet-ontvankelijk, agrarische bedrijven, Programma Aanpak Stikstof (PAS), melding, verzoek/schorsing uitspraak rechtbank, spoedeisend belang, hoger beroep/geen schorsende werking, aanmeldingen RVO, aanvraag natuurvergunning, stikstofruimte, intern of extern salderen, passnede maatregel, mitigerende maatregel, legalisatietraject, verplichte standaardformulier, bevoegd gezag, toewijzing verzoek (Rb Overijssel 25/2235, 25/2236, 25/2237 en 25/2238)
6. In het verzoek stelt het college voorop dat zij het oneens is met het oordeel van de rechtbank dat de aanmeldingen bij de RVO zijn aan te merken als een aanvraag om een natuurvergunning. Daartoe betoogt het college dat de aanmelding op zichzelf niet kan worden gezien als een verzoek om een besluit te nemen. Ook in de context van het legalisatietraject kan de aanmelding niet worden aangemerkt als een aanvraag, maar moet deze worden gezien als het aanleveren van gegevens en daarmee de eerste stap binnen het legalisatieprogramma, aldus het college. Daarnaast betoogt het college dat het niet in het belang is van [wederpartij] en anderen als het uitvoering geeft aan de uitspraak van de rechtbank voordat uitspraak is gedaan in de bodemprocedure. Het college onderkent dat [wederpartij] en anderen al lange tijd in onzekerheid verkeren over de rechtmatigheid van hun bedrijfsvoering, maar stelt zich op het standpunt dat het voldoen aan de uitspraak van de rechtbank, en dus het nemen van een besluit, negatieve onomkeerbare gevolgen voor [wederpartij] en anderen kan hebben. Hierover voert het college aan dat er op dit moment niet voldoende stikstofruimte beschikbaar is om natuurvergunningen te verlenen aan [wederpartij] en anderen, gelet op de huidige overbelaste staat van de Natura 2000-gebieden in de omgeving van de vier bedrijven. Het college zal de aanvragen daarom moeten afwijzen. Ook het opstellen van een passende beoordeling door [wederpartij] en anderen zelf met behulp van intern of extern salderen kan niet leiden tot een natuurvergunning, omdat er volgens het college onvoldoende passende maatregelen worden getroffen om te kunnen motiveren dat de mitigerende maatregel niet nodig is als passende maatregel, mede gelet op de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4923). Ook vraagt het college zich af of [wederpartij] en anderen nog mee (kunnen) doen in het legalisatietraject wanneer hun aanmeldingen wordt aangemerkt als aanvragen om een natuurvergunning en het college deze aanvragen afwijst. Opnieuw aanmelden voor het legalisatietraject is op dit moment niet mogelijk. Dit zou ook tot gevolg hebben dat deelname aan het legalisatietraject niet kan worden betrokken bij de beoordeling van eventuele verzoeken om handhavend optreden tegen deze bedrijven. Zie hiervoor ook de uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:844), onder 14.5.
7. Naast de bovenstaande door het college geschetste, en door de voorzieningenrechter niet onwaarschijnlijk te achten, mogelijke gevolgen voor de PAS-melders als de aanmelding een aanvraag om een natuurvergunning zou zijn, twijfelt de voorzieningenrechter aan de juistheid van het oordeel van de rechtbank over de vraag of de verzoeken van [wederpartij] en anderen via het aanmeldformulier van de RVO zijn aan te merken als aanvragen om een natuurvergunning. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter gaat het hier niet om een verzoek dat is gericht op het nemen van een besluit. De voorzieningenrechter vindt hiervoor de volgende feiten relevant. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de verzoeken niet zijn gedaan via het verplichte standaardformulier voor de aanvraag van een natuurvergunning, dat was voorgeschreven in artikel 2.1.1 van de Beleidsregel Natuur Overijssel 2017 toen de verzoeken werden gedaan. Verder blijkt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ook uit de inhoud en de strekking van de verzoeken niet dat deze zijn gericht op het nemen van een besluit. Hierover overweegt de voorzieningenrechter dat de verzoeken zijn ingediend bij de RVO, terwijl het college het bevoegd gezag is voor verlening van een natuurvergunning en dat de titel van het formulier is “Gegevens doorgeven PAS-melding”. Gelet hierop is het enkele feit dat op het formulier de vraag wordt gesteld of “een vergunning” nodig is en dat deze vraag door [wederpartij] en anderen met “ja” is beantwoord, volgens de voorzieningenrechter onvoldoende om de verzoeken aan te merken als aanvragen om een natuurvergunning. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan deze vraag ook feitelijk van aard zijn, hetgeen mede blijkt uit het feit dat bij deze vraag ook “nee” kon worden aangevinkt. Dit betekent dat naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter uit de inhoud en strekking van het aanmeldformulier niet volgt dat [wederpartij] en anderen verzoeken om een besluit op een aanvraag om een natuurvergunning. Nu uit het aanmeldformulier niet volgt dat sprake is van een aanvraag, betwijfelt de voorzieningenrechter of uit bijlagen bij het aanmeldformulier en de context van het legalisatietraject en de totstandkoming van artikel 1.13a van de Wnb het tegendeel kan volgen.

* Rechtbank Gelderland 11 september 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:6968: Awb, Wabo; omgevingsvergunning afwijken bpl, verruiming gebruiksmogelijkheden bedrijfsverzamelgebouw, parkeren, aantal parkeerplaatsen, parkeerbehoefte, gemeentelijke parkeernota, berekeningsmethode, functielijsten CROW, personeel, geen ander deskundigenadvies, afrondingsregel, bruikbaarheid parkeerplaatsen, vergunningvoorschrift, rechtszekerheid, tekening, NEN-normen, ontsluiting bedrijfsverzamelgebouw, woonbestemming, aanvraagformulier, wijziging vergunningaanvraag/hangende bezwaar, wijziging van ondergeschikte aard, niet meer hetzelfde bouwplan
8.9. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat het de aanvrager is die bepaalt voor welke activiteiten hij een aanvraag indient en dus wat de omvang van het project is. Op het aanvraagformulier moet worden vermeld wat wordt aangevraagd en het is aan het college om op de aanvraag te beslissen zoals die is ingediend. Het aanvraagformulier alleen is niet bepalend voor de omvang van de aanvraag. Ook tekeningen, een ruimtelijke onderbouwing of andere stukken die als bijlage bij het aanvraagformulier zijn gevoegd en daarmee onderdeel zijn van de aanvraag moeten worden betrokken bij de vraag waar de aanvraag op ziet. Zie de uitspraken van de Afdeling van 1 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4061, en van 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:577.
8.10. De rechtbank volgt niet het standpunt van het college dat uit het onderzoek van DNS zou blijken dat perceel 9067 onderdeel uitmaakt van de vergunningaanvraag. Het blijkt niet uit de tekst en ook niet uit de afbeeldingen die in het rapport zijn opgenomen. De afbeeldingen lijken vooral gericht op (de inrichting van) perceel 8253. Daarnaast zijn in de opgenomen tekeningen geen perceelaanduidingen terug te vinden. Weliswaar valt perceel 9067 onder het bereik van de tekening op pagina 2, uit niets blijkt dat dit perceeldeel onderdeel uitmaakt van de vergunningaanvraag.
8.11. Omdat de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld dat perceel 9067 geen onderdeel uitmaakt van wat met de omgevingsvergunningen van 2 maart 2023 of 17 juli 2024 is vergund, beschouwt de rechtbank het bericht van 21 januari 2025 van de derde-partij – dat het gebruik van perceel 9067 als ontsluitingsweg wel degelijk onderdeel uitmaakt van de vergunningaanvraag – als een wijziging van de vergunningaanvraag hangende bezwaar. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is geen nieuwe aanvraag nodig als de wijziging van het bouwplan van ondergeschikte aard is. De vraag of zich een wijziging van ondergeschikte aard voordoet, moet per concreet geval worden beantwoord. In dit geval beoogt de derde-partij met de gewijzigde aanvraag weliswaar geen verandering van de uiterlijke verschijningsvorm of het gebruik van het bouwwerk, maar gaat het wel om het gebruik als ontsluitingsweg van een smal perceel dat tussen twee woningen is gelegen. Dat roept vragen op over de mogelijkheid van verkeersdoorstroming, de verkeersveiligheid van onder meer omwonenden en andere belangen die hierdoor mogelijk worden geschaad. Het is niet gebleken dat de belangen van omwonenden door deze gewijzigde vergunningaanvraag niet worden geschaad. Daarom is niet aan te nemen dat de gevolgen van deze gewijzigde vergunningaanvraag van ondergeschikte aard is. De rechtbank oordeelt dat de wijziging van de oorspronkelijke aanvraag zodanig ingrijpend is dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan gesproken kan worden. Het betoog van eisers slaagt en de rechtbank zal dit deel van het bestreden besluit vernietigen.

* Rechtbank Oost-Brabant 11 september 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:6592: Sr, Wed, Ow; milieubelastende activiteit, exploiteren IPPC-installatie, RIE, Besluit activiteit leefomgeving, ongewoon voorval, onverwijld melden, voorschrift omgevingsvergunning mba, bedrijfsafvalwater, vuilwaterriool, CZV-vracht, lekkage, significant nadelige gevolgen, afwijking normale bedrijfsactiviteiten, suikerwater, suikertank, daadwerkelijk nadelige gevolgen/gevolgen dreigen te ontstaan, exacte samenstelling, begrip “onverwijld”, bewijsmiddelen, bewezenverklaring, op te leggen straf, geldboete
Een ongewoon voorval
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de lekkage op 9 juni 2024 kan worden aangemerkt als een ongewoon voorval als bedoeld in artikel 2.21van het Besluit activiteiten leefomgeving. Er is sprake van een ongewoon voorval als er een gebeurtenis plaatsvindt die afwijkt van de normale bedrijfsactiviteiten en waarbij significante nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of dreigen te ontstaan. De rechtbank stelt allereerst vast dat het incident op 9 juni 2024 afwijkt van de normale bedrijfsactiviteiten. Ter terechtzitting van 28 augustus 2026 heeft de vertegenwoordiger van de verdachte rechtspersoon verklaard dat het niet vaak voorkomt dat er suikerwater uit de suikertank lekt, dat dit niet de bedoeling is, dat er een klep aangestuurd werd die normaal niet aangestuurd werd en dat 25.000 liter lekkage absoluut veel is. Volgens de verdediging is onvoldoende vast komen te staan dat de lekkage daadwerkelijk nadelige gevolgen voor het milieu heeft gehad. Zoals hiervoor overwogen hoeft naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan dat het incident daadwerkelijk nadelige gevolgen voor het milieu heeft gehad, maar is het voldoende dat die gevolgen dreigen te ontstaan. Uit het dossier blijkt dat afvalwater van de verdachte rechtspersoon er ongeveer één uur over doet om de waterzuiveringsinstallatie te bereiken. Door het lekken van 25.000 liter suikerwater in het vuilwaterriool ontstond op dat moment de dreiging voor nadelige gevolgen voor het milieu (die zich buiten de inrichting zouden voordoen) en daarmee trad de strafrechtelijke meldplicht direct in werking. Dat de exacte samenstelling van het suikerwater niet bekend was op het moment van de lekkage doet aan het voorgaande niet af. De rechtbank stelt vast dat verdachte het voorval ook heeft gemeld. Kennelijk werd de lekkage van het suikerwater in een hoeveelheid als hier aan de orde door verdachte zelf dus ook is gezien als een ongewoon voorval dat gemeld moest worden aan het bevoegd gezag.
Onverwijld melden
De lekkage vond plaats om 09:30 uur. Volgens de schriftelijke verklaring namens de verdachte rechtspersoon is de suikertank vervolgens op inactief gezet en is van de lekkage om 09:45 uur een melding gedaan aan de teamleider. Deze heeft vervolgens monteurs aangestuurd om de oorzaak van de lekkage te vinden. Nadat de oorzaak is ontdekt, is om 10:51 uur het bevoegd gezag geïnformeerd. De melding aan het bevoegd gezag is ruim één uur en 20 minuten na het ontstaan van de lekkage gedaan. Dit terwijl de lekkage al na een kwartier aan de teamleider is gemeld. Deze had vervolgens direct het bevoegd gezag moeten informeren. Door vervolgens eerst ruim één uur zelf onderzoek te doen naar de oorzaak van de lekkage. is geen sprake van het onverwijld melden van het ongewone voorval. Het begrip ‘onverwijld’ laat naar het oordeel van de rechtbank geen ruimte om eerst onderzoek te verrichten naar de oorzaak van de lekkage. Alleen als handelingen moeten worden verricht die de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval kunnen beperken moeten eerst die handelingen worden verricht en moet het bevoegd gezag direct daarna worden geïnformeerd. Daarvan is in dit geval geen sprake.

* Rechtbank Rotterdam 7 september 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:11196: Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsom, realiseren overkappingen/zonder omgevingsvergunning, geen wettelijke grondslag intrekken of wijzigen, abbb, rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel, begunstigingstermijn, tijdsbestek/afbreken stallen, invordering
14. Tussen partijen is niet in geschil dat het besluit van 8 augustus 2024 onherroepelijk is en dat het college met het besluit van 2 december 2025 het besluit van 8 augustus 2024 heeft ingetrokken en een vervangend besluit heeft genomen. In de Awb of in de Wabo is niet voorzien in een wettelijke grondslag op grond waarvan het bevoegd gezag een handhavingsbesluit, zoals in casu aan de orde, kan intrekken of wijzigen. Dit neemt echter niet weg dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is een eerder genomen besluit dat naar zijn opvatting onjuist is, alsnog in te trekken of te wijzigen, mits het gebruikmaken van die bevoegdheid niet in strijd komt met een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, zoals het rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel. Zie onder meer de uitspraken van de rechtbank Gelderland van 1 april 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:1616, de rechtbank Amsterdam van 30 juli 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:4736 en van 22 december 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BV1045.
15. De voorzieningenrechter stelt vast dat de begunstigingstermijn die was opgenomen in het besluit van 8 augustus 2024 (oude begunstigingstermijn) met het besluit van 2 december 2025 opnieuw is vastgesteld naar aanleiding van een advies van de Algemene bezwaarschriftencommissie over het bezwaar van eiser tegen een genomen invorderingsbesluit dat was gebaseerd op verbeurte van de dwangsom in het besluit van 8 augustus 2024. In dat advies wordt door de bezwaarschriftencommissie geconstateerd dat het beroep met zaaknummer ROT 24/1459 is ingetrokken. Omdat de oude begunstigingstermijn was vastgesteld op drie maanden na de rechtbankuitspraak met betrekking tot zaaknummer ROT 24/1459, was volgens de adviescommissie niet duidelijk of de termijn van drie maanden was gaan lopen vanaf de intrekking, nu een intrekking geen rechtbankuitspraak is. Verder stelde de adviescommissie vast dat op grond van artikel 5:32a van de Awb een termijn moet worden gesteld aan de last gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Mede gezien de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2860 moet een begunstigingstermijn die loopt tot de uitkomst van een beroep bekend, gezien worden als in strijd met artikel 5:32a van de Awb. Het is dan namelijk afhankelijk gesteld van een onzekere toekomstige gebeurtenis en onvoldoende concreet.
16. De voorzieningenrechter vindt dat de adviescommissie het juist heeft gezien. Gelet op voorgaande en in wat eiser aanvoert is geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid tot het intrekken van het besluit van 8 augustus 2024. Anders dan eiser meent is de oude begunstigingstermijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet duidelijk. De oude begunstigingstermijn was juist in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, nu niet duidelijk was wanneer deze aanving. Niet valt in te zien waarom het wijzigen van deze termijn in strijd zou zijn met het rechtszekerheidsbeginsel. Daarbij komt dat er in dit geval sprake is van belanghebbenden. Naar aanleiding van hun handhavingsverzoek is uiteindelijk gehandhaafd door het college. Naast het algemeen belang dat bij handhaving is gediend dient ook aan hun belangen gewicht te worden toegekend.
17. Het betoog slaagt niet.

* Rechtbank Rotterdam 4 september 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:11907: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, verbouwen en uitbreiden pand/naar zeven woningen, uitvoeren funderingsherstel, regels bepalend, rechtszekerheid, letterlijk uitleggen, systematiek, niet bindende plantoelichting, begrip “bouwblok”, bestaande stratenprofiel, beschermd stadsgezicht, bestaande indeling bouwblokken handhaven, stratenprofiel als geheel, indeling afzonderlijke panden, welstand, welstandsadvies, welstandsnota, handreiking sneltoetscriteria, geldende bebouwingsmogelijkheden, evidente privaatrechtelijke belemmering, privacy, woon- en leefklimaat, parkeren, beleidsregeling, vrijstelling, kleine projecten, totale project, loopafstand, alternatieve parkeervoorziening, sloopvergunning, geen aanvraag, onlosmakelijke samenhang, aanvraag aanvullen, buiten behandeling stellen
7.2. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) zijn voor het antwoord op de vraag of een bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, de op de verbeelding aangegeven bestemming(en) en aanduiding(en) en de daarbij behorende regels bepalend. Vanwege de rechtszekerheid moet een planregel letterlijk worden uitgelegd. Als een planregel op zichzelf niet duidelijk is en ook niet in samenhang met de andere planregels (systematiek), dan komt betekenis toe aan de niet bindende plantoelichting (ABRvS 19 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:637).
7.3. Beoordeeld dient te worden of voldaan wordt aan artikel 21.2.2., onder b, van de planregels. De rechtbank stelt vast dat het bestemmingsplan geen definitie van het begrip “bouwblok” bevat. Naar het oordeel van de rechtbank biedt ook de plansystematiek geen aanknopingspunten voor de uitleg van het begrip “bouwblok”. Dat betekent dat gekeken wordt naar de plantoelichting. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. Artikel 21.1 van de planregels bepaalt dat de voor “Waarde – Cultuurhistorie 1” aangewezen gronden mede bestemd zijn voor bescherming van het beschermd stadsgezicht “ [straatnaam 1] – [straatnaam 3] ”. Uit paragraaf 3.3.4 van de plantoelichting bij het bestemmingsplan volgt dat de [straatnaam 1] – [straatnaam 3] samen één van de belangrijkste stedenbouwkundige structuren vormt. Uit paragraaf 4.4.13 van de plantoelichting volgt dat teneinde te garanderen dat het bestaande stratenprofiel binnen het beschermde stadsgezicht zoveel mogelijk gehandhaafd blijft in de bouwregels is opgenomen dat binnen bepaalde bestemmingen geen nieuwe bouwwerken mogen worden opgericht en dat de bestaande indeling van bouwblokken gehandhaafd dient te worden. Ook kent het bestemmingsplan nog een bijzondere vergunningvereiste voor het slopen van bouwwerken binnen de bestemming “Cultuurhistorie”. Naar het oordeel van de rechtbank biedt deze plantoelichting aanknopingspunten om tot de conclusie te komen dat een bouwblok ziet op het stratenprofiel als geheel, zoals het college stelt, en niet op de indeling van afzonderlijke panden, zoals eisers betogen. Nergens uit blijkt dat de indeling van een pand zelf, waaronder de hoogte en de hoekindeling van een pand, ook valt onder “bouwblok”. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat uit de plantoelichting niet volgt dat de “open hoek-typologie” onderdeel is van het beschermde stadsgezicht. Dit volgt ook niet uit de aanwijzing van de [straatnaam 1] – [straatnaam 3] als beschermd stadsgezicht. De verwijzing van eisers naar de Cultuurhistorische verkenning wordt buiten beschouwing gelaten nu die ziet op het bestemmingsplan “Middelland-Nieuwe Westen” dat niet op het pand van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het bouwplan niet in strijd is met artikel 21.2.2, onder b, van de planregels. De beroepsgrond slaagt niet.
11.2. Uit artikel 4 van de Beleidsregeling volgt dat voor kleine projecten geen autoparkeereis wordt gesteld. Onder kleine projecten voor woonfuncties wordt verstaan de ontwikkelingen die passen binnen een maximum van 300 m2 gebruiksoppervlakte.
11.3. Naar het oordeel van de rechtbank is het college er in het bestreden besluit ten onrechte van uitgegaan dat voor het bouwplan voor autoparkeren een vrijstelling voor kleine projecten geldt. Uit de Beleidsregeling volgt niet dat er alleen gekeken dient te worden naar de toename in gebruiksoppervlakte die met het bouwplan is gemoeid. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in de toelichting bij artikel 4, eerste lid, van de Beleidsregeling staat dat “het aantal m2 van het totale project is gekoppeld aan de aanvraag voor een omgevingsvergunning”. Gelet op de tekeningen bij de (gewijzigde) aanvraag gaat het hier om een gebruiksoppervlakte voor woonfunctie van in totaal 350,4 m2. Daarmee wordt het hiervoor genoemde maximum aantal m2 overschreden. (…) De rechtbank oordeelt om deze reden dat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende gemotiveerd is en daardoor in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) is. De beroepsgrond slaagt.
12.3. De rechtbank overweegt dat in het stelsel van de Wabo geen plaats is voor een beslissing over een omgevingsvergunning anders dan op grond van een daartoe strekkende aanvraag (ABRvS 18 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2206). Niet in geschil is dat er geen sloopvergunning is aangevraagd en dat er sprake is van onlosmakelijke samenhang tussen de aangevraagde activiteiten en de sloopactiviteiten. Nu de aanvraag niet ziet op slopen, had het college vergunninghouder met toepassing van artikel 4:5 van de Awb de gelegenheid moeten bieden om de aanvraag aan te vullen en indien die aanvulling zou zijn uitgebleven, de aanvraag buiten behandeling dienen te stellen. Door dit na te laten en daarop te beslissen, heeft het college in strijd gehandeld met artikel 4:5 van de Awb in verbinding met artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college geen omgevingsvergunning had kunnen verlenen voor de sloop nu sloop niet is aangevraagd. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd en het primaire besluit dient te worden herroepen. De beroepsgrond slaagt.

Rechtbank Midden-Nederland 28 augustus 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:6250: Awb, Ow; omgevingsvergunning bouwen steiger met open golfbreker, ontvankelijkheid, belanghebbende, feitelijk gevolgen ondervindt, gevolgen van enige betekenis, aanvraag, privaatrechtelijke belemmering, oud recht/ontwikkelde jurisprudentie, uitvoerbaarheid, terughoudende benadering, huurovereenkomst, coördinatieregeling, wateractiviteit, Omgevingsbesluit, afdeling 3.5 Awb, procedureel gebrek, horen in bezwaar, passeren gebrek, wijziging oorspronkelijke aanvraag, hetzelfde bouwplan, nieuwe aanvraag, wijziging/afmeting steiger, uiterlijke verschijningsvorm, ruimtelijke uitstraling, participatie, alternatieven, omgevingsplan, strijd regels waterbestemming/bopa, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, tussenuitspraak
5. De rechtbank oordeelt als volgt. Op grond van onder oud recht door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) ontwikkelde jurisprudentie kan een privaatrechtelijke belemmering in de weg staan aan de verlening van een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan (jurisprudentie ontwikkeld onder de Wet op de Ruimtelijke Ordening, Wet ruimtelijke ordening en Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). In die rechtspraak is als uitgangspunt gehanteerd dat de burgerlijke rechter en niet de bestuursrechter als eerste moet beoordelen of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan het uitvoeren van een activiteit. Alleen in het geval er sprake is van een privaatrechtelijke belemmering met een evident karakter, kan de bestuursrechter vaststellen dat deze aan vergunningverlening in de weg staat. Een privaatrechtelijke belemmering is pas evident als zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat voor de bouw van een bouwwerk de toestemming van een ander vereist is en die ander die toestemming niet geeft en ook niet hoeft te geven (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3479). De omgevingsvergunning moet in zo’n geval dus worden geweigerd.
6. Naast bovenbedoelde rechtspraak over het moeten weigeren van een omgevingsvergunning voor een afwijking van het bestemmingsplan is er door de Afdeling tegelijkertijd ook rechtspraak ontwikkeld over het begrip ‘aanvraag’ uit artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en de uitvoerbaarheid van een activiteit. Die rechtspraak geldt voor alle activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning wordt aangevraagd en beperkt zich dus niet tot activiteiten voor afwijkingen van een bestemmingsplan. Op grond van die rechtspraak geldt als hoofdregel dat een aanvrager om een omgevingsvergunning in beginsel wordt verondersteld belanghebbend te zijn bij een beslissing op zijn verzoek. Op deze regel wordt evenwel een uitzondering gemaakt voor situaties waarbij aannemelijk is gemaakt dat de voorgenomen activiteit niet kan worden verwezenlijkt. Bij de beantwoording van de vraag of de voorgenomen activiteit kan worden verwezenlijkt, gaat het in wezen ook om de uitvoerbaarheid van de aangevraagde activiteit. En daarbij kan het dus ook gaan om privaatrechtelijke belemmeringen. Als van zo’n belemmering sprake is, wordt de verzoeker van de omgevingsvergunning niet als belanghebbende aangemerkt en is het verzoek geen aanvraag (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1704). In zo’n geval moet het verzoek worden afgewezen en kan het dus niet als aanvraag in behandeling worden genomen. De vraag of de omgevingsvergunning moet worden geweigerd komt helemaal niet meer aan de orde als vanwege een privaatrechtelijke belemmering wordt vastgesteld dat het verzoek geen aanvraag is.
7. Onder de Omgevingswet wordt een meer terughoudende benadering voorgestaan als het gaat om de uitvoerbaarheid van omgevingsplannen (en omgevingsvergunningen waarbij wordt afgeweken van het omgevingsplan). Zo kan worden afgeleid uit de Nota van Toelichting bij het Omgevingsbesluit en de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel Omgevingswet (zie de Nota van toelichting bij het Omgevingsbesluit, Stb. 2018, 290, p. 105/106 en de Memorie van Toelichting bij de Omgevingswet, Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr.3, p. 153). De bepalingen dat in de plantoelichting van een bestemmingsplan en in de ruimtelijke onderbouwing van een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan aandacht moet worden geschonken aan de uitvoerbaarheid zijn onder de Omgevingswet niet teruggekomen (zie artikel 3.1.6, eerste lid, onder f, van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 5.20 van het Besluit omgevingsrecht).
8. De rechtbank laat in deze zaak in het midden of de onder oud recht ontwikkelde jurisprudentielijnen onder de Omgevingswet ongewijzigd van toepassing zijn en een verzoek om omgevingsvergunning nog steeds moet worden afgewezen als een activiteit vanwege een privaatrechtelijke belemmering niet kan worden verwezenlijkt of moet worden geweigerd vanwege een evidente privaatrechtelijke belemmering. De rechtbank stelt namelijk vast dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat er sprake is van een privaatrechtelijke belemmering die aan verwezenlijking van het bouwplan in de weg staat. (…)
10. De Omgevingswet bepaalt dat met het oog op een doelmatig waterbeheer een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit, in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, los wordt aangevraagd van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten als bedoeld in de artikelen 5.1 en 5.4 (artikel 5.7, tweede lid, van de Omgevingswet). Eén van die andere activiteiten is een omgevingsplanactiviteit (artikel 5.1, eerste lid aanhef en onder a, van de Omgevingswet). Het Omgevingsbesluit specificeert dat voor alle wateractiviteiten de omgevingsvergunning los wordt aangevraagd van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten als bedoeld in de artikelen 5.1 en 5.4 van de Omgevingswet (artikel 10.21 van het Omgevingsbesluit). Op de voorbereiding van de beslissingen op aanvragen om een omgevingsvergunning voor een of meer aangewezen wateractiviteiten (artikel 5.7, tweede lid, van de Omgevingswet.) en een of meer andere activiteiten als bedoeld in de artikelen 5.1 en 5.4, die gelijktijdig zijn ingediend, is de coördinatieregeling van afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing (artikel 16.7, eerste lid onder a, van de Omgevingswet). Dat betekent dat op de aanvragen van vergunninghouder voor een water- en omgevingsplanactiviteit, die hij op 11 april 2024 heeft ingediend, de coördinatieregeling van toepassing was. Op grond van de coördinatieregeling hadden de besluiten gelijktijdig door het college (het coördinerende bestuursorgaan; artikel 10.25 van het Omgevingsbesluit) bekend moeten worden gemaakt (artikel 3:26 van de Awb). De coördinatieregeling strekt, in tegenstelling tot wat eisers aanvoeren, echter niet zover dat als een vergunning voor de ene activiteit wordt geweigerd, in dit geval de wateractiviteit, dat dan automatisch ook geldt voor de andere activiteit (de omgevingsplanactiviteit). Omdat de coördinatieregeling ten onrechte niet is toegepast, stelt de rechtbank wel een procedureel gebrek vast. De rechtbank passeert dit gebrek, omdat eisers hierdoor naar het oordeel van de rechtbank niet in hun belangen zijn geschaad doordat zij tegen beide besluiten bezwaar en/of beroep hebben ingesteld (artikel 6:22 van de Awb).
18. Het uitgangspunt onder de Omgevingswet is dat participatie door de initiatiefnemer bij omgevingsvergunningen vrijwillig is, tenzij de gemeenteraad gevallen heeft aangewezen waarvoor het bieden van participatiemogelijkheden verplicht is voordat de aanvraag om omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt ingediend (artikel 16.55, lid 7, van de Omgevingswet). De rechtbank is niet gebleken dat de gemeenteraad van Wijdemeren gevallen heeft aangewezen waarin participatie verplicht is gesteld. De rechtbank heeft geen gepubliceerd besluit hierover kunnen vinden. De rechtbank heeft wel gezien dat de website van de gemeente Wijdemeren melding maakt van activiteiten waarin participatie verplicht is gesteld. Zonder besluit van de gemeenteraad komt hieraan echter geen betekenis toe. Het bouwen van een stijger wordt in het overzicht van activiteiten op de website overigens niet genoemd. Uit het voorgaande volgt dat vergunninghouder niet verplicht was om aan participatie te doen. Aan de eerdere brief van 19 december 2023 kan daarom geen betekenis worden toegekend. Ondanks dat geen verplichting bestond tot participatie, rustte op vergunninghouder wel een plicht te motiveren of hij aan participatie heeft gedaan en wat de resultaten daarvan zijn geweest (artikel 16.55, lid 7, van de Omgevingswet). Vergunninghouder heeft in het aanvraagformulier bij de vraag of hij contact met anderen over zijn plannen heeft gehad ‘ja’ opgegeven. Bij de vragen hoe hij anderen heeft betrokken en welke reacties hij heeft gekregen staat ‘geen openbare informatie’. Omdat vergunninghouder noch het college op zitting zijn verschenen, is de rechtbank niet gebleken hoe andere belanghebbenden dan eisers op het bouwplan hebben gereageerd en op welke wijze zij bij het plan zijn betrokken. Vergunninghouder mocht echter ook volstaan met de mededeling dat hij niet aan participatie heeft gedaan, waardoor de rechtbank aan het ontbreken van informatie in de aanvraag geen gevolgen verbindt. De beroepsgrond slaagt niet.

* Rechtbank Midden-Nederland 28 augustus 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:6195: Awb, Wabo; omgevingsvergunning handelen in strijd met regels RO, transformeren gemeentelijk monument naar appartementen, woongebruik in afwijking bpl, parkeren, strijdigheid met paraplubestemmingsplan, uitvoerbaarheid
12. De rechtbank gaat er van uit dat partijen er niet over van mening verschillen dat de parkeereis uit het paraplubestemmingsplan ook van toepassing is op de verbouwing en transformatie van het gebouw naar appartementen. De verleende omgevingsvergunning ziet enkel op het toestaan van de voorgenomen gebruikswijziging van het gebouw en niet op de bouwkundige aanpassingen die hiervoor nodig zijn. Het precieze bouwplan voor de aanpassingen van het gebouw is nog in ontwikkeling en de vraag hoeveel parkeerplaatsen exact nodig zijn, hangt af van het aantal appartementen dat uiteindelijk in het definitieve bouwontwerp zal worden opgenomen. Op de omgevingsvergunning die in deze procedure ter beoordeling voorligt is de Wabo nog van toepassing. Op de door vergunninghoudster nog in te dienen aanvraag of aanvragen is echter de Omgevingswet van toepassing. De rechtbank zal hier in haar beoordeling rekening mee houden. De activiteiten waarvoor vergunninghoudster (in ieder geval) nog een omgevingsvergunning nodig heeft, zijn volgens partijen de omgevingsplanactiviteit voor het bouwen (de activiteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet en artikel 22.26 van de bruidsschat uit het omgevingsplan), de omgevingsplanactiviteit voor het veranderen van het gemeentelijk monument (de activiteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet) en de technische bouwactiviteit (de activiteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet).
13. De rechtbank stelt vast dat het college met het bestreden besluit een vorm van fasering heeft gekozen waarbij het niet gaat om twee verschillende activiteiten (zoals strijdig planologisch gebruik en bouwen) die gefaseerd (na elkaar) op basis van verschillende aanvragen om omgevingsvergunning worden beoordeeld, maar om één activiteit (strijdig planologisch gebruik) waarvan de beoordeling wordt opgesplitst over twee verschillende aanvragen. Op één aspect (facet, element, onderwerp, etc.), in dit geval neergelegd in een regel van het paraplubestemmingsplan, waarvan de activiteit naar het oordeel van het college op dit moment nog afwijkt (de parkeereis), wordt de beoordeling verlegd naar een volgende omgevingsvergunning die nodig is om de activiteit te verrichten. Het college laat dat aspect dus buiten de besluitvorming, wat betekent dat er op dat punt dus nog geen inhoudelijke beslissing over de toelaatbaarheid van de afwijking is genomen in de vorm van een verlening of weigering. Op zichzelf ziet de rechtbank geen concrete wettelijke belemmering voor het ‘doorschuiven’ van te beoordelen aspecten van één activiteit naar een volgende aanvraag, waarin de betrokken activiteit nader is geconcretiseerd. Als voor een dergelijke knip in de beoordeling van de activiteit strijdig planologisch gebruik (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo) al beperkingen in de Wabo zouden hebben bestaan, zijn die naar het oordeel van de rechtbank weggenomen door het feit dat de Omgevingswet inmiddels (op 1 januari 2024) in werking is getreden. De rechtbank wijst in dit verband op artikel 12.27a van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) dat in samenhang moet worden gelezen met de beoordelingsregels voor de aanvraag om omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit uit paragraaf 8.1.1 van dat besluit.
14. In de nota van toelichting behorend bij artikel 12.27a van het Bkl (Stb. 2022, 172, Verzamelbesluit Omgevingswet 2022, blz. 112-114) is vermeld dat met deze bepaling een tekortkoming in het overgangsrecht wordt ondervangen. Dat artikel luidt: bij de toepassing van artikel 8.0a, tweede lid, is in ieder geval sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor zover de activiteit niet in strijd is met een eerder verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Deze bepaling zorgt ervoor dat een onder oud recht (Wabo) verleende omgevingsvergunning voor een afwijking van het bestemmingsplan, die de planologische basis biedt voor een later nader uit te werken bouwplan, ook onder nieuw recht (de Omgevingswet) een grondslag blijft bieden voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor dat nader uitgewerkte bouwplan. Artikel 12.27a van het Bkl bewerkstelligt dat als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit in strijd is met de beoordelingsregels uit een omgevingsplan, de gevraagde vergunning op grondslag van artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl, toch wordt verleend, voor zover vanwege de strijd met die regels al eerder in het kader van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (dus het onder oud recht vastgestelde besluit dat daarmee is gelijkgesteld) is afgewogen dat de betrokken afwijking aanvaardbaar is. Een onder de Wabo verleende vergunning voor strijdig planologisch gebruik wordt op grond van artikel 4.13 van de Invoeringswet Omgevingswet gelijkgesteld met de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit. Die afweging hoeft dus niet opnieuw te worden gemaakt. Uit de nota van toelichting blijkt verder dat artikel 12.27a van het Bkl ook uitdrukkelijk bedoeld is om onder nieuw recht de mogelijkheid te bieden om een fasering te kunnen aanbrengen in de vergunningverlening voor omgevingsplanactiviteiten. De nota van toelichting vermeldt hierover onder meer het volgende: “De in eerste instantie verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor een locatieontwikkeling kan bijvoorbeeld al toestemming geven voor bouwrijp maken, kappen van bomen, grondverzet, het aanbrengen van verhardingen en het tot stand brengen van een verkaveling. Ook kan als onderdeel van de vergunning de precieze locatie worden aangewezen waar bouwwerken (bijvoorbeeld woningen) mogen worden gebouwd. Daarbij kan ook al worden aangegeven welke maximale maatvoering de woningen hebben. Naarmate de eerste omgevingsvergunning verder is uitgewerkt, vormt deze nadere uitwerking de basis voor de latere vergunningverlening voor het geconcretiseerde bouwplan. Voor zover bij de eerste vergunning al uitdrukkelijk toegestaan, regelt artikel 12.27a, zoals hiervoor al toegelicht, dat voor de betrokken onderdelen van een bouwplan (zoals bijvoorbeeld de plaatsing in een bouwblok, de bouwhoogte en het bouwvolume) niet opnieuw een afweging hoeft plaats te vinden of hiermee wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In het kader van de tweede vergunningaanvraag vindt alleen beoordeling plaats op de onderdelen van het bouwplan waarin de eerdere vergunning niet voorziet, zoals de beoordeling van de stedenbouwkundige-architectonische detaillering en de toets aan redelijke eisen van welstand.”
15. De rechtbank stelt vast dat artikel 12.27a van het Bkl niet voorziet in een afbakening van aspecten die bij een eerste dan wel een volgende omgevingsvergunning beoordeeld en vergund moeten worden. Het is dus aan de aanvrager en het bevoegd gezag overgelaten om hierin een keuze te maken. Voor een goede toepassing van de faseringsmogelijkheid die artikel 12.27a van het Bkl mogelijk maakt, is het naar het oordeel van de rechtbank wel noodzakelijk dat de aspecten die niet in de beoordeling van de eerste aanvraag worden betrokken, maar pas bij een latere aanvraag worden beoordeeld, daadwerkelijk los van de andere aspecten te beoordelen zijn. Verder is het uit een oogpunt van rechtszekerheid vereist dat er geen onduidelijkheid over bestaat waar de eerst verleende omgevingsvergunning op ziet en vooral waar die niet op ziet. Met het oog op het scheppen van die duidelijkheid kan het noodzakelijk zijn dat met het verbinden van een voorschrift wordt verduidelijkt welke onderdelen van een activiteit (welke fysieke handelingen) nog niet mogen worden verricht (en welke wel) totdat hiervoor een volgende omgevingsvergunning is verleend. Van belang is dus dat het helder is dat er voor het kunnen verrichten van de activiteit (of van onderdelen daarvan) nog een omgevingsvergunning nodig is, waarbij de overige aspecten worden beoordeeld.
16. Als de rechtbank in deze zaak, met inachtneming van de toepassingsmogelijkheden van artikel 12.27a van het Bkl, de blik vooruit werpt zal er (bij het ongewijzigd blijven van de op de locatie geldende regels in het omgevingsplan) voor de verbouw van het voormalige postkantoor in ieder geval nog een omgevingsvergunning nodig zijn op grond van artikel 22.26 van de bruidsschat voor de bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (de omgevingsplanactiviteit). Die omgevingsvergunning wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de in het omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken (artikel 22.29 van het omgevingsplan). Het voorgenomen woongebruik van het voormalige postkantoor zal in het kader van die omgevingsplanactiviteit dus opnieuw beoordeeld moeten worden. Daarbij zal het woongebruik wederom in strijd worden geacht met de regels uit het van het omgevingsplan deel uitmakende bestemmingsplan ‘Oudere Dorp’. De bouwactiviteiten die ten dienste staan van het met dat bestemmingsplan strijdige gebruik, zullen daardoor eveneens in strijd moeten worden geacht met de planregels, waardoor er ook voor de bouwactiviteit sprake zal zijn van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De omgevingsvergunning hiervoor zal op grond van afdeling 8.1.1 van het Bkl alleen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en als er (onder meer) geen sprake is van strijd met rijks- en provinciale instructieregels en instructies. De werking van artikel 12.27a van het Bkl leidt er toe dat evenwel het beoogde woongebruik van het gebouw, in overeenstemming wordt geacht met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties omdat hier immers al eerder (de in deze beroepsprocedure ter beoordeling staande, onder de Wabo verleende) omgevingsvergunning voor is verleend. Bij de beoordeling van de aanvraag komt ook de toetsing aan de parkeereis uit het paraplubestemmingsplan (opnieuw) aan de orde. Als het vergunninghoudster niet is gelukt om de beschikking te krijgen over de benodigde extra parkeerplaatsen, zal moeten worden vastgesteld dat ook op dit punt niet wordt voldaan aan de planregels en zal het college moeten afwegen of de vergunning voor deze afwijking met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties kan worden verleend. Vergunninghoudster kan het voormalig postkantoor in ieder geval niet voor het beoogde gebruik inrichten en bouwkundige aanpassingen verrichten zolang de volgende omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit hiervoor niet is verleend. Dit is voor alle partijen helder en deze verschillen hierover ook niet van mening.
17. Omdat de omgevingsvergunning die in deze beroepsprocedure voorligt duidelijk aangeeft waar deze op ziet (het woongebruik) en het mede dankzij het aan de vergunning verbonden voorschrift duidelijk is dat nog een beoordeling moet plaatsvinden aan het parkeervereiste, ziet de rechtbank met inachtneming van wat eerder is overwogen, geen belemmeringen voor het doorschuiven van dit aspect van beoordeling naar de volgende aanvraag, op de wijze zoals het college dat heeft gedaan. Mede omdat artikel 12.27a van het Besluit kwaliteit leefomgeving juist in het leven is geroepen om een dergelijke fasering mogelijk te maken, slaagt de beroepsgrond van eiseres dan ook niet. Bovendien wordt eiseres niet beperkt in haar mogelijkheden om rechtsbescherming aan te wenden doordat de parkeertoets in een latere fase plaatsvindt en zij in rechte tegen de omgevingsvergunning kan opkomen waarin daarover een besluit is genomen. Uiteraard kan de rechtbank zich voorstellen dat het voor een rechtzoekende handiger is als alle activiteiten volledig in één alles omvattende vergunning worden beoordeeld. Behoudens voor wateractiviteiten biedt de Omgevingswet deze mogelijkheid ook. Maar er kunnen voor een aanvrager om een omgevingsvergunning vele redenen zijn waarom dat niet mogelijk of onwenselijk is. De wetgever heeft dit uitgangspunt daarom ook losgelaten in de Omgevingswet.

* Rechtbank Den Haag 27 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:24552: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning afwijken bpl, bouw woning, verklaring van geen bedenkingen, raadsvoorstel/verworpen, schriftelijk document, beraadslaging, geur, geluid, woon- en leefklimaat, akoestische beoordeling, rechtsgevolgen niet in stand laten, niet zelf in de zaak voorzien, geen bestuurlijke lus, geen doelmatige en efficiënte manier afdoen zaak, opdracht nemen nieuw besluit
7.1. De rechtbank volgt dit betoog van eisers niet. Vaststaat dat de raad het raadsvoorstel tot verlening van de vvgb, met 4 stemmen voor en 21 stemmen tegen, heeft verworpen. Blijkens het dictum van het raadsbesluit van 28 november 2023 is het door het college voorgestelde raadsbesluit een vvgb vast te stellen niet aangenomen. Het niet aannemen van het raadsvoorstel tot verlening van de vvgb kan redelijkerwijs niet anders worden uitgelegd dan dat de vvgb door de gemeenteraad is geweigerd. De rechtbank onderkent dat een raadsbesluit over een vvgb zorgvuldig moet worden voorbereid. Naar het oordeel van de rechtbank brengt dit echter niet mee dat het na een negatief oordeel van de gemeenteraad over de gevraagde vvgb noodzakelijk zou zijn om daarvoor eerst een ontwerpbesluit tot weigering van de vvgb ter inzage te leggen. In de wettelijke proceduregels over de vvgb ziet de rechtbank daar ook geen aanknopingspunt voor.

* Rechtbank Midden-Nederland 13 augustus 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:5729: Awb, Gmw; legesaanslag, wijzigen omgevingsplan, gemeentelijke verordening, TAM-procedure, TAM-omgevingsplan, aanvraag, geen expliciet schriftelijk verzoek, actieve rol, e-mails, publiek belang, individualiseerbaar belang, particulier belang, zelf in de zaak voorzien
3. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser geen expliciet schriftelijk verzoek heeft gedaan om een TAM-procedure op te starten. Impliciet is wel aannemelijk gemaakt dat het TAM-omgevingsplan op eisers initiatief tot stand is gebracht. Uit de vele e-mails tussen een medewerker van de gemeente en eiser wordt duidelijk dat het college nog niet toe was aan het in gang zetten van een nieuw omgevingsplan en dat eiser daar niet op wilde wachten. De actieve rol van eiser bij de totstandkoming van het TAM-omgevingsplan blijkt uit het feit dat eiser zelf de kosten voor het maken van het TAM-omgevingsplan heeft gedragen, een participatiebrief aan de buren heeft gestuurd en deze stukken ter beschikking van de gemeente heeft gesteld. In deze participatiebrief staat: “wij zijn van plan om de bedrijfsbestemming te wijzigen naar een woonbestemming”. Meermaals heeft eiser aan de medewerker van de gemeente laten weten dat hij er belang bij heeft dat de bestemming ‘bedrijven’ zou worden gewijzigd naar ‘wonen’. Eiser heeft ter illustratie van zijn bemoeienis in zijn e-mail van 25 oktober 2024 gevraagd: ‘is het nog nuttig voor ons om een dergelijk verzoek voor de zekerheid nu al aan de gemeenteraad te richten, nu immers is toegezegd dat aan de raad wordt voorgesteld om op ons perceel een woonbestemming (functie wonen) te leggen?’. Daarmee is de conclusie dat op verzoek van eiser het TAM-omgevingsplan tot stand is gebracht en is voldaan aan artikel 1:3 lid 3 van de Awb.
5. De rechtbank volgt de heffingsambtenaar hierin niet. Het gaat bij het vaststellen van de bestemming van gronden in een omgevingsplan rechtstreeks en vooral om het dienen van het publiek belang. Het (gewijzigd) vaststellen van het omgevingsplan wordt uitgevoerd met het oog op de publieke taakuitoefening van de gemeente en houdt niet rechtstreeks en in overheersende mate verband met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. Er kunnen daarom geen leges worden geheven, hoewel er wel indirect sprake is van een particulier belang, maar juist niet rechtstreeks en in overheersende mate. Zie de uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 2 december 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7776.

Rechtbank Midden-Nederland 12 augustus 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:5485: Awb, Ow; weigering omgevingsvergunning bouwen fietsoverkapping, voortuin, omgevingsplan, vergunningvrij bouwen, bijbehorend bouwwerk, achtererfgebied, tijdelijk deel omgevingsplan, woonbestemming, bestemming en daarbij behorende regels/bepalen, rechtszekerheid, letterlijke uitleg, toelichting, systematiek, begripsomschrijvingen tijdelijk deel, vergunningvrije bijbehorende bouwwerkenregeling Besluit omgevingsrecht, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, deugdelijkheid welstandsadvies, zorgvuldige totstandkoming, begrijpelijkheid redenering, totstandkoming, onder oud recht ontwikkelde rechtspraak, stedenbouwkundig advies, terughoudende toetsing, straatbeeld
10. De rechtbank stelt met partijen vast dat de fietsenoverkapping aangemerkt moet worden als een bijbehorend bouwwerk in de zin van het nieuwe deel van het omgevingsplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is. Het bouwen van de fietsenoverkapping in de voortuin is volgens het nieuwe deel van het omgevingsplan niet toegestaan, tenzij hierover in het tijdelijke deel van het omgevingsplan op een locatie specifieke regels over het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden en het bijbehorend bouwwerk voldoet aan die regels. Voor de beoordeling of aan de locatie specifieke regels uit het tijdelijk deel wordt voldaan, zijn de begripsomschrijvingen uit het tijdelijk deel van toepassing. Anders dan het college betoogt, kan voor de uitleg van begrippen uit het tijdelijk deel niet worden aangesloten bij begrippen uit het nieuwe deel. Dat betekent dus dat begripsomschrijvingen uit het tijdelijke deel niet kunnen worden genegeerd bij toepassing van regels uit het tijdelijke deel. Een bijbehorend bouwwerk is in het (van het tijdelijk deel van het omgevingsplan deel uitmakende) bestemmingsplan gedefinieerd als de ‘uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak’ (artikel 1.25 van het bestemmingsplan). Een dak is gedefinieerd als ‘een bovenbeëindiging van een gebouw’ (artikel 1.39 van het bestemmingsplan). De letterlijke uitleg van een bijbehorend bouwwerk in het bestemmingsplan brengt met zich dat daaronder een ‘uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk met een bovenbeëindiging van een gebouw’ wordt verstaan. Oftewel een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met het dak van een gebouw. In tegenstelling tot wat eiser aanvoert volgt hieruit niet dat het bouwwerk zelf een gebouw moet zijn om te kwalificeren als bijbehorend bouwwerk in het tijdelijke deel van het omgevingsplan.
14. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) mag het college een welstandsadvies overnemen, nadat het college is nagegaan of het advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd dan wel concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht (uitspraak van de Afdeling van 11 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1796, r.o. 9.1). De rechtbank is van oordeel dat deze onder oud recht ontwikkelde rechtspraak mutatus mutandus ook van toepassing blijft onder de Omgevingswet, omdat in dit geval de beoordelingsregel over het uiterlijk van bouwwerken (redelijke eisen van welstand) in het omgevingsplan ongewijzigd is gebleven.

Rechtbank Midden-Nederland 12 augustus 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:5858: Awb, Ow; handhaving, dwangsom, omgevingsplanactiviteit, omgevingsplan, metaalbewerkingsbedrijf, overtreding, apparatuur/onklaar gemaakt, Officier van Justitie, Landelijke Faciliteit Ontmantelen, acetyleenflessen/leeg en onbruikbaar, (verkoop)voorraad, actieve website, paardenbak, overgangsrecht, vergunningvrij, Woningwet 1962, bouwverordening, gebruiken en bouwen, concreet zicht op legalisatie, voorheen geldende bestemmingsplan, overgangsregels, bestaand bouwwerk, omploegen zandgrond, hekwerk, drainage, concrete en objectieve gegevens, luchtfoto’s, evenredigheid handhavend optreden, tijdverloop/30 jaar, geen actief handhavingsbeleid, evenredigheid
29. De rechtbank kan eisers hierin volgen. In dit kader heeft het college enkel gewezen op het algemeen belang dat is gediend bij de handhaving van de paardenbak en zijn beginselplicht tot handhaving. De rechtbank overweegt echter dat de paardenbak in het specifieke geval van eisers al zeer lange tijd (ruim 30 jaar) aanwezig is op het perceel. Al die tijd is daartegen niet handhavend opgetreden, hetgeen volgens eiser ook geldt voor allerlei paardenbakken in de omgeving. Het college voert geen actief handhavingsbeleid ten aanzien van paardenbakken, en op de zitting heeft het college zelfs te kennen gegeven dat hij wil meewerken aan legalisatie als het gebruiks- en bouwovergangsrecht van toepassing blijkt te zijn (hetgeen naar het oordeel van de rechtbank het geval is).
30. Daar komt bij dat het gebruik van de paardenbak door eisers niet is geïntensiveerd. De paardenbak wordt door hen, net als door de vorige eigenaar van het perceel, enkel hobbymatig gebruikt voor hun eigen paarden. De paardenbak is ook niet vergroot. Ook dat kan dus geen argument zijn voor handhaving. Verder geldt dat het perceel bij uitstek geschikt lijkt voor de paardenbak, horende bij de (vergunde) paardenstallen die eveneens al ruim 30 jaar op het perceel staan. Tot slot zouden de gevolgen voor eisers groot zijn als zij de paardenbak zouden moeten verwijderen. Op de zitting hebben eisers toegelicht dat zij het perceel juist hebben aangekocht omdat zij daarop hun paarden konden houden én trainen. Zonder paardenbak zouden eisers alsnog meerdere keren per week (met hun paarden) moeten uitwijken naar een andere locatie. Ook het feit dat niet is gebleken dat er belangen van derden in het geding zijn die nopen tot handhaving, acht de rechtbank in deze zaak van belang.
31. Deze omstandigheden en belangen zijn door het college ten onrechte niet betrokken bij de besluitvorming. Naar het oordeel van de rechtbank maken die echter dat de last ten aanzien van de paardenbak zodanig onevenredig is in verhouding tot het algemeen belang dat daarmee is gediend, dat het college op grond daarvan van handhaving had moeten afzien. De beroepsgrond slaagt.

Rechtbank Midden-Nederland 11 augustus 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:5884: Awb, Ow; vovo, handhaving, dwangsom, carport, tuinschuur, zonder vergunning, afwijzing verzoek, voorlopig rechtmatigheidsoordeel, spoedeisend belang, verstrijken begunstigingstermijn, geen vergunningvrij bijbehorend bouwwerk, voorerfgebied, natuurbestemming, geen legalisering, strijd omgevingsplan, geen bereidheid verlenen medewerking, geen concreet zicht op legalisatie, bouwmelding, maatvoering, bouwovergangsrecht, legaal aanwezige bouwwerken, geen omgevingsvergunning-vervangende titel, bruidsschat, hoofdregel/handhavend optreden, vertrouwensbeginsel, geen concrete ondubbelzinnige uitspraken, interne ambtelijke stukken, ambtelijke opvattingen, gelijkheidsbeginsel, private huurovereenkomst, bezwaar/niet leiden tot herroeping
12. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan daarnaast het beroep van verzoeker op het bouwovergangsrecht niet slagen, omdat alleen legaal aanwezige bouwwerken door het bouwovergangsrecht worden bestreken. Het bouwovergangsrecht verschaft daarbij eveneens geen omgevingsvergunning-vervangende titel (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3020). Dat is niet anders geworden sinds de omgevingsvergunningplicht onder de werking van de Omgevingswet in artikel 22.26 van de bruidsschat uit het omgevingsplan is opgenomen. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat ook de tuinschuur vergunningplichtig is. Ook hier is legalisering op grond van het omgevingsplan niet aan de orde omdat de tuinschuur deels gelegen is binnen een natuurbestemming op een ander perceel waar niet gebouwd mag worden. De tuinschuur is dus in strijd met het omgevingsplan. Ook voor de tuinschuur geldt dat er geen concreet zicht op legalisering bestaat omdat het college heeft aangegeven niet bereid te zijn mee te werken aan bebouwing binnen de natuurbestemming.

Mobiele versie afsluiten