Handhaving en vertrouwensbeginsel. De rechtbank is van oordeel dat aan de zienswijzennota het gerechtvaardigde vertrouwen kon worden ontleend dat het college van burgemeester en wethouders handhavend zou optreden. Als het college besluit het vertrouwen van eiser niet te honoreren vanwege zwaarder wegende belangen, moet de schade, die eiser heeft geleden doordat hij gerechtvaardigd heeft vertrouwd op de toezegging van het college, volledig worden vergoed.
Casus
Eiser heeft een handhavingsverzoek ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (het college), gericht tegen een tuincentrum. Hij heeft onder meer gesteld dat hij overlast ervaart vanwege laad- en losactiviteiten. Bij besluit van 29 november 2023 heeft het college het handhavingsverzoek met betrekking tot het laden en lossen afgewezen. Bij het bestreden besluit van 14 maart 2024 is het college bij de afwijzing van het verzoek gebleven.
Eiser heeft aangevoerd dat de gemeente expliciet heeft aangegeven dat het laden en lossen op zijn verzoek niet zou gaan plaatsvinden voor zijn woning en dat hij erop mocht vertrouwen dat dit daar niet zou plaatsvinden.
Het college heeft gesteld dat uit de nota van zienswijzen volgt dat de gemeenteraad heeft laten weten dat het bestemmingsplan op dit onderdeel niet zou worden aangepast. Hieruit volgt duidelijk dat de gemeenteraad zelf niet de verwachting heeft gewekt dat het bestemmingsplan op dit onderdeel zou worden aangepast. Er is geen sprake van een ondubbelzinnige toezegging waaruit eiser had mogen afleiden dat de gemeenteraad gebruik zou maken van haar bevoegdheid en eiser daar gerechtvaardigd op mocht vertrouwen.
Rechtsvraag
Heeft het college in strijd gehandeld met het vertrouwensbeginsel?
Uitspraak
Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft overwogen in de uitspraak van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1694), moet degene die zich beroept op het vertrouwensbeginsel aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe. Verder is vereist dat de toezegging, andere uitlating of gedraging afkomstig is van het bevoegde bestuursorgaan of aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Voor toerekening van een onbevoegde uitlating is nodig dat de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat degene die de uitlating deed of de gedraging verrichtte de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte.
Het ontwerpbestemmingsplan [bestemmingsplan] heeft van 26 mei tot en met 9 juli 2018 ter inzage gelegen. Namens onder meer eiser is toen de volgende zienswijze ingediend: ‘Reclamanten zijn van mening dat de ontwikkeling geluidhinder zal produceren door bezoekers, zeker gezien de ruime openingstijden en toeleveringsbedrijven die vaak ’s-ochtends vroeg zullen komen. Zelfs als de geluidoverlast binnen de daarvoor gestelde normen blijft zal dit een flinke impact en verandering t.o.v. de huidige situatie betekenen. Reclamanten verzoeken alle laad- en losactiviteiten te verplaatsen naar de oostzijde van het gebouw.’
Het college heeft in de notitie behandeling zienswijzen als volgt daarop gereageerd: ‘In paragraaf 4.6 van de toelichting wordt ingegaan op de mogelijke geluidshinder. Door de initiatiefnemers is in het kader van het bestemmingsplan een akoestisch onderzoek uitgevoerd. In dit onderzoek wordt ingegaan op de geluidbelasting vanuit de toekomstige bouwmarkt en tuincentrum op de omliggende woningen. Uit het onderzoek blijkt dat het bedrijf voldoet aan de gestelde normen in de dag-, avond- en nachtperiode ten gevolge van het verkeer van en naar het bedrijf. Voor wat betreft de laad- en losactiviteiten voldoet het bedrijf in de dag- en nachtperiode. Wanneer echter in de avondperiode laad- en losactiviteiten plaats zouden vinden, zal het bedrijf niet voldoen aan de normen in de avondperiode. Daarom is besloten om alle laad- en losactiviteiten in de dagperiode plaats te laten vinden, tussen 07.00 en 19.00 uur. Dit is in de regels van het bestemmingsplan vastgelegd en het bedrijf moet zich daaraan houden.
Naar aanleiding van de omgevingsdialoog is de route van laden en lossen verlegd; aan de oostzijde van het gebouw is de inrit van de logistiek en aan de westzijde enkel de uitrit. De bevoorrading van de winkels zal aan de zuid- en oostzijde van het gebouw plaatsvinden.
Conclusie: De zienswijze is niet gegrond. Het plan wordt hierop niet aangepast.’
De rechtbank is van oordeel dat eiser aan de notitie behandeling zienswijzen het gerechtvaardigde vertrouwen kon ontlenen dat het college handhavend zou optreden tegen de bevoorrading van de winkels anders dan aan de zuid- en oostzijde. In de namens het college opgestelde zienswijzennota staat immers dat de bevoorrading van de winkels aan de zuid- en oostzijde van het gebouw zal plaatsvinden. Dit staat naar het oordeel van de rechtbank los van de bevoegdheid van de gemeenteraad om het bestemmingsplan overeenkomstig vast te stellen. De rechtbank komt evenals het college tot het oordeel dat deze toezegging aan het college kan worden toegerekend.
Het bestaan van gerechtvaardigde verwachtingen brengt niet mee dat aan die verwachtingen altijd moet worden voldaan. Andere belangen, zoals het algemeen belang of de belangen van derden, kunnen zwaarder wegen. Bij deze belangenafweging kan ook een rol spelen of betrokkene op basis van de gewekte verwachtingen handelingen heeft verricht of nagelaten als gevolg waarvan hij/zij schade heeft geleden of nadeel heeft ondervonden. Wanneer er andere belangen in de weg staan aan honorering van het gewekte vertrouwen, kan voor het bestuursorgaan de verplichting ontstaan om de geleden schade te vergoeden als onderdeel van de besluitvorming.
Het college heeft desgevraagd op de zitting een voorlopige inschatting gemaakt, maar niet zorgvuldig onderzocht noch afgewogen of het gewekte vertrouwen moet worden nagekomen en, zo ja, wat de betekenis daarvan is voor de uitoefening van zijn handhavingsbevoegdheid. Daarbij acht de rechtbank van belang dat tussen eiser en het tuincentrum verschil van mening bestaat over het antwoord op de vraag of de dierenwinkel anders dan via de overheaddeur aan de [adres 1] kan worden bevoorraad. In het geval dat het college besluit het vertrouwen van eiser niet te honoreren vanwege zwaarder wegende belangen, moet de schade, die eiser heeft geleden doordat hij gerechtvaardigd heeft vertrouwd op de toezegging van het college, volledig worden vergoed (zie de conclusie van staatsraad advocaat-generaal Snijders van 21 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3420).
Rechtelijke Instantie : Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum Uitspraak : 17-03-2025
Eclinummer : ECLI:NL:RBZWB:2025:1566
Ruud Veenhof
