De goothoogte van een bouwwerk moet op grond van de wijze van meten worden gemeten vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, dan wel de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. De balustraden kunnen niet worden gezien als een goot, druiplijn of boeiboord. Evenmin zijn de balustraden aan te merken als een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. De balustraden hangen constructief samen met de rest van het appartementencomplex. Daarom moeten deze worden gezien als onderdelen van het hoofdgebouw en niet als zelfstandig te beoordelen andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Casus
Bij besluit van 25 april 2024 heeft de raad van de gemeente Bergen (NH) (de raad) het bestemmingsplan ‘Laanweg 55-57 Schoorl’ vastgesteld.
Bij besluit van 9 mei 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergen (het college) een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een woongebouw met 12 appartementen en bergingen.
Deze besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
Tegen deze besluiten hebben appellant en anderen beroep ingesteld.
In het kader van de omgevingsvergunning betogen appellant en anderen dat de vergunde balustraden bij de balkons op de tweede verdieping een grotere bouwhoogte hebben dan de gootlijn, waardoor de maximale goothoogte wordt overschreden. Volgens hen zijn de balustraden bovendien een bouwwerk, geen gebouw zijnde, waarvoor op grond van de planregels een maximale bouwhoogte van 2 meter geldt. Het college zou daarmee ook op dit punt zijn afgeweken van het bestemmingsplan.
Rechtsvragen
1. Zijn de balustraden van belang bij de vraag of het bouwplan de maximale goothoogte overschrijdt?
2. Zijn de balustraden een zelfstandig te beoordelen bouwwerk, geen gebouw zijnde?
3. Kan de Afdeling zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat de bergingen geen onderdeel uitmaken van de vergunningaanvraag?
Uitspraak
1 en 2. Op grond van artikel 3.2.2, onder d, van de planregels mag de goothoogte niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum goothoogte (m)’ is aangegeven. De Afdeling stelt vast dat op de verbeelding ter plaatse van belang een maximale goothoogte van 6 meter is aangegeven. In de planregels is het begrip ‘goothoogte’ op zichzelf niet nader omschreven. Wel is in artikel 2.6 een wijze van meten opgenomen. Op grond van dat artikel moet de goothoogte worden gemeten vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, dan wel de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
Uit de tekeningen die aan de omgevingsvergunning ten grondslag liggen valt op te maken dat de tweede verdieping van het appartementencomplex wordt uitgevoerd met twee parallel lopende geknikte kappen (zogenoemde mansardedaken), met daartussen een plat afgedekt middengedeelte. Aan de onderkant van de buitenzijde van de kappen is een goot voorzien. Het hemelwater druipt hier vanaf het dakvlak die goot in. De kappen hebben daarmee een afwateringsfunctie en kunnen niet als onderdeel van de gevel worden aangemerkt. Niet in geschil is dat de hiervoor genoemde goot op geen enkel punt hoger dan zes meter komt te liggen. Het bouwplan overschrijdt de maximale goothoogte dus niet.
Dat de balustraden van de balkons op de tweede verdieping boven de goot worden gesitueerd maakt ook niet dat het vergunde bouwplan de maximale goothoogte overschrijdt. Zoals hiervoor is overwogen moet de goothoogte van een bouwwerk worden gemeten vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, dan wel de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. De balustraden kunnen niet worden gezien als een goot, druiplijn of boeiboord (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 november 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ1736, onder 2.4). Evenmin zijn de balustraden aan te merken als een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. De hoogte van de balustraden is dus niet van belang bij de vraag of het bouwplan de maximale goothoogte overschrijdt.
Ten slotte maken de balustraden ook niet dat de maximale bouwhoogte die geldt voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, wordt overschreden. Anders dan [appellant] en anderen betogen, zijn deze balustraden namelijk geen zelfstandig te beoordelen bouwwerk, geen gebouw zijnde. De balustraden hangen constructief samen met de rest van het appartementencomplex. Daarom moeten deze worden gezien als onderdelen van het hoofdgebouw en niet als zelfstandig te beoordelen andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde (vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 6 februari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC3620, onder 2.7.1, en 2 juni 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AP0402, onder 2.3). Nu de balustraden onderdeel uitmaken van het hoofdgebouw, heeft het college terecht getoetst aan de regels van het bestemmingsplan die betrekking hebben op hoofdgebouwen. De balustraden overschrijden de maximale bouwhoogte die voor hoofdgebouwen geldt niet. Het betoog slaagt niet.
3. Gelet op wat eerder is overwogen, bevat het besluit van het college om de omgevingsvergunning te verlenen een gebrek dat herstel behoeft. Op de zitting heeft onder meer het college de Afdeling verzocht om bij een gegrond beroep op dit punt zelf in de zaak te voorzien, door te bepalen dat de twee hiervoor genoemde bergingen geen onderdeel uitmaken van de vergunningaanvraag.
De Afdeling acht dit echter niet mogelijk. Het schrappen van de bergingen zou in strijd komen met artikel 4.30, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012, zoals dat nog op deze aanvraag van toepassing is. Dat artikel vereist dat de appartementen beschikken over een bergruimte voor fietsen of scootmobielen. Het in stand laten van de rechtsgevolgen, in die zin dat de bergingen toch gebouwd mogen worden, is ook niet mogelijk. Dat zou betekenen dat de bergingen worden toegestaan zonder dat de politiek-bestuurlijke afweging is gemaakt die noodzakelijk is bij het besluit om af te wijken van het bestemmingsplan. Appellant en anderen hebben zich niet kunnen uitlaten over die nog door het college te maken afweging.
Rechtelijke Instantie : Raad van State
Datum Uitspraak : 23-04-2025
Eclinummer : ECLI:NL:RVS:2025:1818
Ruud Veenhof
