Site icoon STAB

Jurisprudentie – week 25

Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* ABRvS 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2684: Awb, Wabo, Gmw; vovo en kortsluitend, handhaving, dwangsom, overtreding/bevoegd tot handhavend optreden, evenredigheid, Harderwijk-uitspraak, planwetgever, negatieve effecten natuur, verrommeling landschap, begunstigingstermijn, verlengd/met terugwerkende kracht, treffen voorlopige voorziening, verlengen begunstigingstermijn, kunnen (laten) opheffen overtreding (Rb Oost-Brabant 24/3561 en 24/3563)
*ABRvS 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2687: Awb, Wm; vovo, aanwijzing locaties ondergrondse afvalcontainers, gemeentelijke afvalstoffenverordening, voorziening als bedoeld in artikel 8:80b, derde lid, van de Awb, schorsing besluit, afwijzing verzoek om voorlopige voorziening
* ABRvS 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2729: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning bouw schuilstal, paard en twee pony’s, concept aanvraag/onder bepaalde voorwaarden planologisch mogelijk, binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, voorwaarde oppervlakte dierenverblijven, kruimelgevallenregeling, onderdeel 1, feitelijke inrichting, hoofdgebouw, geen bijbehorend bouwwerk, functioneel verbonden met een zicht op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw, kadastraal perceel, geen tuin/weiland, afstand, vertrouwensbeginsel, algemeen belang naleven planregels, provinciale verordening, instructieregel, vroeg stadium (Rb Oost-Brabant 20/3245)
* ABRvS 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2719: Awb, Wro; bpl, sloop en bouw nieuwe supermarkt, ladder voor duurzame verstedelijking, provinciale verordening, binnen bestaand stedelijk gebied, geen geschikte locatie, niet daadwerkelijk beschikbaar, keuze bestemming, alle betrokken belangen afwegen, voor- en nadelen alternatieven, lichthinder/aandragen nieuwe gronden, aanvoeren tegen oorspronkelijke besluit, zienswijze of beroep tegen nieuw besluit na tussenuitspraak, aanvoeren voor de tussenuitspraak, besluit ter uitvoering van de opdracht, einduitspraak na tussenuitspraak
* ABRvS 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2731: Awb, Wro; bpl, gewijzigd vastgesteld, kolengestookte drogerij, manege, weigering vaststellen delen plan, realiseren composteerinrichting en biologische drogerij, uitbreiden manege-activiteiten, wel mogelijk in ontwerpplan, indieners zienswijzen, initiatiefnemer plan, in kennis stellen van stukken, zorgvuldige voorbereiding, voorgeschiedenis, finale geschilbeslechting, bekendmaking bpl, ruimtelijkeplannen.nl, vertrouwensbeginsel, intentieovereenkomst, goede ruimtelijke ordening, manege, ruimtelijke overwegingen, beleidsruimte, deugdelijk motiveren, provinciale verordening, overgangsrecht, beoordeling, parkeren, stikstofberekening, Wnb, belangenafweging, reformatio in peius
* ABRvS 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2726: Awb, Wabo; weigering verlenen vergunning, uitbreiding balkons, gemeentelijk monumentaal wooncomplex, meerdere woonblokken, negatieve adviezen welstands- en monumentencommissie, welstand, aangepaste bouwtekeningen, monumentenbelang, welstandsadvies, concrete aanknopingspunten voor twijfel, erfgoedverordening, redengevende omschrijving, gebruik als woning, gelijkheidsbeginsel, fout beoordeling vergunningaanvraag (Rb Oost-Brabant 21/593)
* ABRvS 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2733: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijk bpl, toevoegen bouwbedrijf aan een bestaand bedrijf, bouwen van een kantoor, werkplaats en opslagruimte, sloop aanwezige bedrijfsbebouwing, behoud langgevelboerderij, relativiteitsvereiste, norm goede ruimtelijke ordening, provinciale verordening, goed ondernemersklimaat, relevante (structurele) leegstand, correctie, gelijkheidsbeginsel, conclusie staatsraad-generaal, niet daadwerkelijk benadeeld, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding (Rb Oost-Brabant 21/450)
* ABRvS 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2725: Awb, Wro; bpl, verzamelplan, meerdere locaties, uitbreiding hippisch centrum, alternatief, voor-en nadelen alternatieven, belangenafweging, afwijkingsbevoegdheid/strijd provinciale verordening, beroep gedeputeerde staten, geen bijzondere molenbiotoop, afwijkingsmogelijkheden, provinciale ontheffing, woon- en leefklimaat, uitzicht, geluid, evenementen, wedstrijden, uitoefenen sportactiviteiten, algemeen spraakgebruik, reguliere bedrijfsvoering, VNG-brochure, richtafstanden geluid, vergunningvrije bouwmogelijkheden, indicatief, onderzoek, parkeren, kencijfer, parkeerplaatsen per paardenbox, representatieve weergave, verkeersgeneratie, CROW publicatie 381, vliegenoverlast, ruiterpad/Wegenverkeerswet 1994, flora en fauna, quick scan, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding
* ABRvS 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2724: Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, recreatieve gebruik woning, strijd bpl, tijdelijk verhuurd, persoonsgebonden overgangsrecht, peildatum, verre verleden, toepasselijkheid overgangsrecht, recreatieve bewoning, weekend- en/of verblijfsrecreatie, gedoogbeschikking van rechtswege, herhaling aangevoerde in beroep, besproken door de rechtbank, niet gericht op rechtsgevolg, huisvestingsverordening (Rb Noord-Nederland 21/2539)
* ABRvS 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2677: Awb, Wro, Wabo, Waterwet, Wnb; provinciaal inpassingplan, omgevingsvergunning en watervergunning, ontheffing, windpark, drie windturbines, nadere stukken, goede procesorde, procedurele gronden, kennisgeving, verbindendheid Chw, moties, vooringenomenheid, volledigheid aanvragen, Verdrag van Aarhus, vormvrije m.e.r.-beoordeling, integrale beoordeling, totale effecten op het milieu, milieubeoordeling eigen normen, erosie coatings, emissie Bisphenol (A), criteria bijlage III mer-richtlijn, passende beoordeling, stikstofonderzoek, bouwvrijstelling, invoergegevens AERIUS-berekening, aanlegfase, vogelsterfte, milieuaspecten, geluid, dosismaat, dosishinderrelatie, laagfrequent en infrasoon geluid, amplitudemodulatie, Reken- en meetvoorschrift windturbines, cumulatieve geluidbelasting, methode Miedema, evenredigheid, vertrouwensbeginsel, geluidonderzoek, gegevens en modellering, slagschaduw, stilstandvoorziening, cumulatieve norm, slagschaduwonderzoek, zonnestand, externe veiligheid, risicobenadering/effectbenadering, veiligheidszone, domino-effecten, QRA, hoogspanningsinfrastructuur, ijsworp, gezondheid, geur, schadelijke effecten, luchtkwaliteit, trillingen, planregels, maatvoering, handhaving cumulatieve geluidnorm, Elektriciteitswet 1998, bevoegdheid vaststellen bpl, uitvoerbaarheid, soortenbescherming, relativiteitsvereiste, verwevenheid, bodem-/grondwaterverontreiniging, instemmingsbesluiten, deelsaneringsplan, waardevermindering, tijdelijke bouwwerken, welstand, OBM, MER, aanhaakplicht, voorschriften omgevingsvergunningen, gewijzigde ontheffing, procesbelang, vogels en vleermuizen, staat van instandhouding, 1%-mortaliteitscriterium, ORNIS-comité, gewijzigde watervergunningen, beleidsregels, geohydrologisch onderzoek, waterveiligheid, waterkering, faalkansen, voorschriften, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding, deels einduitspraak en deels tussenuitspraak
* ABRvS 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2722: Awb, Hwv; omzettingsvergunning, gemeentelijke huisvestingsvergunning, één zelfstandige woonruimte naar zes onzelfstandige woonruimten, criteria woningvorming, incidenteel hoger beroep, principaal hoger beroep, te laat ingediend, beroep college/niet-ontvankelijk, beoordeling in stand laten rechtsgevolgen, feiten en omstandigheden/ten tijde van uitspraak, geldende verordening, ten tijde aanvraag, geen vrijstelling (Rb Amsterdam 21/3568 en 21/3577)
* ABRvS 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2723: Awb, Wro; bpl, partiële wijziging, gedeelte strand, nieuwe beleidskader voor het strandgebruik en evenementen, strandbouwwerken, richtlijnen Rijkswaterstaat, outdooractiviteiten, bouwwerken/hele jaar mogen blijven staan, plantoelichting en planregels, strijdigheid, plantoelichting/geen juridisch bindende deel bpl, verbod jaarrond aanwezige bouwwerken, amendement, belangenafweging, ruimtelijke kwaliteit, verstoringseffecten, stikstofdepositie, drenkelingenhuisje, onderscheid, tussenuitspraak
* ABRvS 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2716: Awb, Wro; bpl, woonwerkgebied, woningbouw, bedrijvigheid, aantasting woongenot, nota van uitgangspunten, beeldkwaliteitsplan, amendementen, VNG-brochure, richtafstanden, omgevingsvisie, verkeer en parkeren, parkeerbehoefte, beleidsregels parkeernormen, fitnesscentrum/sportschool, CROW-publicatie 318, parkeerkencijfer, maximale invulling plan, parkeeroverlast, parkeeronderzoek, HOV, openbare parkeergelegenheid, effectiviteit betaald parkeerregime, bezonning, Haagse bezonningsnorm, bezonningsonderzoek, windhinder, planregels, windklimaat, minimaal vereiste windklasse, tussenuitspraak
* ABRvS 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2734: Awb, Wro; bpl, voormalige stortplaats, transformatie naar een energiepark, ambtshalve overweging Afdeling, Elektriciteitswet 1998, niet bevoegd tot vaststelling bpl/10 jaar, binnen een jaar, vrijwaringszone, veiligheidszone, Invoeringswet Omgevingswet, omgevingsplan
* ABRvS 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2732: Awb, Wro; bpl, woningbouw, gefaseerde ontwikkeling, agrarisch bedrijf, algemeen verbindend voorschrift, indirecte toetsing, Wgv, geurverordening, afwijkende norm, uitvoerbaarheid, ruimtelijke aanvaardbaarheid, eventuele milieuhinder, voortgezette bedrijfsvoerring, individuele geurnorm, aanvaardbaar woon- en leefklimaat, voorgrondbelasting, emissie/vigerende omgevingsvergunningen, geuronderzoek, achtergrondbelasting, afstand, gezondheidsaspecten, GGD, Wnb, gebiedsbescherming, stikstofdepositie, stikstofonderzoek, relativiteitsvereiste, natuurlijke personen, verwevenheid, onderneming, bedrijfseconomische belangen, schending fundamenteel recht, ontneming van eigendom
* ABRvS 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2721: Awb, Wro; wijzigingsplan, splitsen woonboerderij, twee wooneenheden, agrarisch bedrijf, voorwaarden wijzigingsbevoegdheid, bedrijfsvoering en ontwikkelmogelijkheden, vergunningvrij bouwen, WOZ-waarde, beeldbepalend pand, scoreformulier, beoordelingskader, erfgoedverordening, omgevingsdialoog
* ABRvS 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2721: Awb, Wro; bpl, woningbouw, sierteeltgrond, omwonenden, (directe) omgeving plangebied, procedureel, informatievoorziening raad, verkeersonderzoeken, varianten, Gemeentewet, artikel 3:11 Awb, ladder voor duurzame verstedelijking, behoefte, bestaand stedelijk gebied, vertrouwensbeginsel, omgevingsvisie, verkeer, uitgangspunten verkeersstudie, verkeerstelling, prognoses verkeersmodel, methodiek, verkeersgeneratie, CROW-kencijfers, capaciteit, nog geen concrete plannen/ten tijde van vaststelling plan, alternatieven, geluid, licht, verdwijnen groenstrook
* ABRvS 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2715: Awb, Wro; bpl, woningbouw, agrarisch bedrijf, akkerbouw, luwte, grond niet goed drogen, gevolgen bedrijfsvoering, Chw, artikel 1.6a Chw, nader stuk/beroepsgronden, bezichtiging locatie, wind, voorkomende windstroom, afname wind/meer vocht
* ABRvS 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2607: Awb, Wm; vovo, aanwijzing locaties ondergrondse afvalcontainers, gemeentelijke afvalstoffenverordening, inpandige afvalvoorzieningen/appartementencomplexen, vervangen door ORAC’s, welke locaties, welke redenen, welke straat/welk huisnummer, kaartmateriaal, bepalende locaties, voorkomen onomkeerbare situatie, voorlopige voorziening, artikel 8:80b, derde lid, van de Awb, tussenuitspraak
* Rechtbank Midden-Nederland 18 juni 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2898: BW; koopovereenkomst pand, nietigheid overeenkomst, aanbestedingsrechtelijke gelijkheidsbeginsel, vertrouwen, dispositieschade, toezegging projectleider, kan niet aan de gemeente worden toegerekend, vertrouwensbeginsel, drie stappen, algemene disclaimers, tweede stap, beoordelingsmaatstaf, wijziging bestemmingsplan, overeenstemming, essentialia, object en koopprijs, derde stap, zwaarder wegende belangen, eigen schuld, beoordeling schadevergoedingsvordering
* Rechtbank Oost-Brabant 18 juni 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:3377: Awb, Msw; bestuurlijke boete, runderen, meststoffenregelgeving, gebruiksnorm dierlijke meststoffen, fosfaatgebruiksnorm, Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, forfaitaire normen, bewijsnood, bewijslast, verifieerbaar bewijs, redelijke termijn, overschreden, matiging boete
* Rechtbank Limburg 17 juni 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:5779: Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning realiseren levensloopbestendige woning, activiteiten bouwen en afwijken bpl en maken uitweg, toepasselijke recht, Invoeringswet Omgevingswet, nieuwe stukken, vooringenomenheid, participatie, relativiteitsvereiste, ruimtelijke onderbouwing, woon- en leefklimaat
Rechtbank Oost-Brabant 17 juni 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:3472: Awb, Ow; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsom, inritvergunning, elementenverharding, betonklinkers, gemeentelijke verordening, Verordening fysieke leefomgeving, toepasselijke recht, Invoeringswet Omgevingswet, ambtshalve, APV, artikelen 5.4 en 5.5 Omgevingswet, omgevingsplanactiviteit, omgevingsplan, BW, bestuursrechtelijke bevoegdheid/terugvorderen eigendom, gelijkheidsbeginsel, prioritering, zelf in de zaak voorzien, herroepen primaire besluit, verlengen begunstigingstermijn
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16 juni 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:3722: Awb, Verordening (EG) 1224/2009; toekennen punten, ernstige inbreuk gemeenschappelijke visserijbeleid, overtreding, schol, ondermaats, niet apart opgeslagen, overtreders, herstelsanctie, geen punitief karakter, strafrechtelijke criteria, functioneel daderschap, kapitein, vergunninghouder, ernstige inbreuk, artikel 4:84 Awb, ernstige inbreuk, cumulatie van sancties
* Rechtbank Noord-Nederland 13 juni 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:2344: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, ligboxenstal, nieuwbouw van de ligboxenstal, samen met realisatie van de monomestvergister, één project in de zin van de Wnb, opknippen project, Habitatrichtlijn, werking, mestaanvoer, huisvestingssystemen met Rav-codes, geen onlosmakelijke samenhang, aard, tijd en afstand van elkaar te onderscheiden, aanhaken, afzonderlijk of gecoördineerd, aanvraag Wnb-vergunning
* Rechtbank Noord-Holland 13 juni 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:6391: Awb, Wabo; afwijzing verzoek om handhavend optreden, omgevingsvergunning, voorschriften, controles toezichthouder, geen mogelijkheid reageren stukken, artikel 7:9 van de Awb, beginsel van hoor en wederhoor, passeren gebrek, artikel 6:22 van de Awb, toegevoegde voorschriften/kon rekening mee worden gehouden, geluidnorm erfgrens, geen lawaaiige activiteiten, zachte slijpgeluiden, geen meting, representativiteit controles, onaangekondigde controles, verschillende dagen en verschillende tijdstippen, gemaakte beelden
* Rechtbank Gelderland 13 juni 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:4511: Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, omgevingsvergunning plaatsen recreatiewoningen, seizoensgebonden, toezichthouder/woningen niet verwijderd, overtreding, uitvoerbaarheid last, stikstof, verwijderen en opnieuw plaatsen, bouwactiviteit, regulier gebruik, gebruiksfase, AERIUS-berekeningen, eerdere uitspraak rechtbank, project Habitatrichtlijn, locatie tijdelijke opslag, invorderingsbesluit, beginselplicht tot invordering, invordering verbeurde dwangsommen/veel gewicht
* HvJEU 12 juni 2025, ECLI:EU:C:2025:429: Richtlijn 92/43/EEG; Prejudiciële verwijzing, instandhouding natuurlijke habitats en wilde flora en fauna, habitatrichtlijn, quota wolvenjacht, artikel 1, onder i), populatie diersoort, categorie „kwetsbaar”, Rode Lijst IUCN, gunstige staat van instandhouding, beheersmaatregelen, wolf, strikte bescherming, zekere beoordelingsmarge, meest recente wetenschappelijke gegevens, voorzorgsbeginsel, beste beschikbare wetenschappelijke gegevens, naburige lidstaten en derde landen, definitie in Guidelines for Using the IUCN Red List Categories and Criteria, drie cumulatieve voorwaarden, populatiedynamische gegevens, levensvatbare component, natuurlijke verspreidingsgebied, voldoende grote habitat, lokaal en nationaal niveau, Verdrag van Bern, economisch, sociaal en cultureel gebied, regionale en lokale bijzonderheden
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12 juni 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:3708: Awb, Ow, Wabo; omgevingsvergunning bopa, legalisatie voetpad naast woning, afwijzing handhavingsverzoek, toepasselijke recht, Invoeringswet Omgevingswet, omgevingsplanactiviteit, omgevingsplan, bestemmingsplan, natuurfunctie, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, instructieregels, Natuur Netwerk Brabant, provinciale verordening, bevoegdheid verlenen omgevingsvergunning, bevoegd gezag, Omgevingsbesluit, provinciaal belang, afweging bestuursorgaan, artikel 6:22 Awb, passeren gebruik, ETFAL/open norm, beleidsruimte, participatie, aanvraagvereiste, richtlijn, omgevingsdialoog, BOPA mogen verlenen/niet bevoegd tot handhavend optreden
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12 juni 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:3622: Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, strijd bpl, zeecontainers, party stretch tent met bar, organiseren feest, sportbestemming, toepasselijke recht, Invoeringswet Omgevingswet, letterlijke uitleg planregels, rechtszekerheid, niet bindende plantoelichting, bedoeling planwetgever, systematiek, algemeen spraakgebruik, Van Dale, bewoordingen, ondubbelzinnig, niet zelfstandige horecafunctie, manegeactiviteiten, proces-verbaal bevindingen, besloten feesten, geen vergunningvrij bouwwerken, overgangsrecht, beginselplicht tot handhaving, Harderwijk-uitspraak, evenredigheid, geen concreet zicht op legalisatie, gelijkheidsbeginsel, vertrouwensbeginsel, zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, hoogte dwangsom, invordering, zwaarwegend gewicht invordering, bijzondere omstandigheden, financiële draagkracht
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12 juni 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:3652: Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, geldende bpl, bosbestemming, kratten/(overige) bouwwerken, strijd bpl, beginselplicht tot handhaving, geen concreet zicht op legalisatie, formulering last, evenredigheid, invordering, zwaarwegend gewicht, geen bijzondere omstandigheden, intrekking last onder dwangsom, bevoegd, controle, voldaan aan maximale hoogte, omgevingsvergunning bouwen, opslaan van hout, uitleg planregels, geen omgevingsvergunning voor afwijken bpl vereist
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12 juni 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:3709: Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, woonwagen, bezwaar niet-ontvankelijk, niet verschoonbare overschrijding bezwaartermijn, ABRvS/vernietiging bob, bezwaar ongegrond, overgangsrecht, wettelijk kader, Omgevingswet, Invoeringswet Omgevingswet, geen hoorzitting in bezwaar, toegevoegde waard, strijd met artikelen 7:2 en 7:3 Awb, limitatieve opsomming gevallen, bevoegdheid handhavend optreden, geldende bpl, geen woonbestemming, geen functieaanduiding “bedrijfswoning”, bouwen en strijdig gebruik, in stand houden bouwwerk zonder omgevingsvergunning, overtreding, geen concreet zicht op legalisatie, geen aanvraag omgevingsvergunning, niet bereid medewerking te verlenen, Omgevingswet/meer ruimte maatwerk, evenredigheid dwangsombesluit, gelijkheidsbeginsel
* Rechtbank Gelderland 12 juni 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:4440: Awb, Wabo; omgevingsvergunning verbouwen pand, afwijken bpl, coffeeshop, uitleg bpl, detailhandel, geen horeca zoals gedefinieerd in bpl, zware horeca, begrip “horecabedrijf”, niet omschreven, toelichting, normale spraakgebruik, Van Dale, afhaalmogelijkheid, geen ruimte verblijven klanten, planwetgever, rookruimte/inwerkingtreding rookverbod, welstand, welstandsnota, welstandsbeoordeling, parkeren, parkeerbehoefte, gemeentelijke nota parkeernormen, overschrijding redelijke termijn
* Rechtbank Gelderland 12 juni 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:4426, Rechtbank Gelderland 12 juni 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:4430, Rechtbank Gelderland 12 juni 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:4433 en Rechtbank Gelderland 12 juni 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:4436: Awb, Gmw; exploitatievergunning, exploitatievergunning en gedoogbeschikking coffeeshop, APV, bestemmingsplan, geen strijd bpl, (zware) horeca, afhaalcoffeeshop/definitie detailhandel, woon- en leefsituatie, overlast, verkeer en parkeren, parkeerbehoefte, gemeentelijke nota parkeernormen, volksgezondheid en welzijn, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding
* Rechtbank Overijssel 12 juni 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:3739: Awb, Wnb; weigering intrekking natuurvergunning, melkrundveetak bedrijf, maatregelen, binnen afzienbare termijn, noodzakelijk daling stikstofdepositie, ontvankelijkheid beroep, procesbelang, gestaakt blijven stikstofemissie, voorkomen intern salderen, beoogde doel beroep, dreigende verslechtering en/of verstoring met significante gevolgen kan worden voorkomen, passende maatregelen, beheerplan Natura 2000-gebied, natuurdoelanalyse, advies Ecologische Autoriteit, Lbv, de Lbv-plus en de MGA-I, overeenkomsten gesloten, natuurvergunningen ingetrokken, relatief klein, gebrekkige passende beoordeling, PAS, rechtszekerheid, vertrouwen onherroepelijke natuurvergunning, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding, in stand laten rechtsgevolgen, einduitspraak na twee eerdere tussenuitspraken
Rechtbank Noord-Nederland 12 juni 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:2278: Awb, Ow; vovo, handhaving, dwangsom, staken en gestaakt houden menselijke activiteiten die een verstoring of de dood van de das tot gevolg hebben, spoedeisend belang, toepasselijke recht, Besluit activiteiten leefomgeving, hoorplicht, zienswijze voorgenomen handhavingsbesluit, mogelijkheid herstel, horen in zienswijzenfase, specifieke zorgplicht, flora- en fauna-activiteit, toelichting Bal, parlementaire behandeling Bal, concrete verbodsbepaling, toezichthouder, dassenburcht, ernstige (nadelige) gevolgen, Harderwijk-uitspraak, evenredigheid, formulering last, hoogte dwangsom
* Rechtbank Overijssel 12 juni 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:3738: Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, bouwstop, aanleg zonnepark, artikel 7:11 Awb, heroverweging bestreden besluit, alle relevante feiten en omstandigheden, concreet zicht op legalisatie, evenredigheidsbeginsel, beginselplicht tot handhaving, gelijkheidsbeginsel, vertrouwensbeginsel, belangen derden/niet geconcretiseerd, advies bezwaarschriftencommissie, vertrouwensbeginsel, toezegging die aan college kan worden toegerekend, ondubbelzinnig, stap 3, belangenafweging, nemen nieuwe besluiten
* Rechtbank Overijssel 12 juni 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:3737: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, activiteiten en bouwwerken bij een agrarisch bedrijf, vermeende strijd bpl, toepasselijke recht, Omgevingswet, Invoeringswet Omgevingswet, oude recht, ontvankelijkheid beroep, toezending bestreden besluit, voorgeschreven wijze bekendmaking, uitdraai verzendadministratie, geen deugdelijke verzendadministratie, daadwerkelijk overgedragen, bedrijf dat postbezorging verzorgt, elektronische weg, parkeerplaatsen, geringe aard en ernst overtreding, handhavend optreden onevenredig, borders/natuurbestemming, kippenhok, blokkering weg, creëren van een onveilige (verkeer)situatie, gemeentegrond, privaatrechtelijke kwestie
Rechtbank Overijssel 11 juni 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:3719: Awb, Ow; omgevingsvergunning legaliseren fietsenstalling, bezwaar niet-ontvankelijk, belanghebbende, afstand, tussenliggende gronden, belanghebbende/bezwaar maken tegen besluit, rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt, gevolgen van enige betekenis, rechtstreeks betrokken belang, bewoners en eigenaren, anderszins zakelijk of persoonlijk gerechtigden aangrenzend perceel, gelijk te stellen, pachter/zakelijk gerechtigde, beoordeling ex tunc, beoordeling ex nunc, niet aangrenzend of daarmee gelijk te stellen, twee sloten, relatief groot stuk grasland, bomenrij, algemeen toegankelijke bronnen
* Rechtbank Noord-Holland 10 juni 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:6333: Awb, Wabo; omgevingsvergunning woningbouw en aanleg uitweg, activiteiten bouwen, afwijken bpl en maken of veranderen uitweg, welstand, straatbeeld, welstandsadvies, concrete aanknopingspunten voor twijfel, geen tegenadvies, parkeren, parkeerdruk, CROW publicatie ASVV 2021, gemiddelde maximale en minimale normen, toename parkeerbehoefte, eventueel bestaand tekort/als regels buiten beschouwing laten, parkeerbalans, verstoring door markt, aanleg parkeerplaatsen in openbare ruimte, acceptabele parkeervoorziening, ruimtelijke onderbouwing, wonen begane grond, BENG-norm, bouwen buiten bouwvlak, overschrijding bouwhoogte, belangenafweging, bezonning, bezonningstudie, schaduwwerking ruimtelijke ontwikkeling, privacy, vrees overlast, alternatief, beslissen op aanvraag, aanmerkelijk minder bezwaren, communicatie, maatschappelijk draagvlak, bouwschade, waardedaling, relativiteitsvereiste
* Rechtbank Overijssel 10 juni 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:3705: Awb, Wabo, Woningwet; afwijzing handhavingsverzoek, bedrijfshal, bouw/omgevingsvergunning, strijd vergunningvoorschriften, brandveiligheid, waterspuwers, eerdere procedure omgevingsvergunning, brandveiligheidseisen, Bouwbesluit 2012, indringender toets, brandwerende coating, brandweer, hoofddraagconstructie, navraag leverancier, meetprotocol en facturen, opgemaakt in Slowaaks/niet vertaald, onderzoeksbureaus, geen eenduidig beeld, schilfer of groot stuk staal, evenredigheid testen, strijd motiveringsbeginsel, geen aanleiding rechtsgevolgen in stand laten, geen bestuurlijke lus, nieuwe beslissing op bezwaar
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 6 juni 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:3496: Awb; vovo, afwijzing verzoek handhavend optreden, dakopbouw garage, onverwijlde spoed, financieel geschil, onomkeerbare situatie, faillissement, acute financiële nood, overlast/weinig onderbouwd, brandgevaar, voorrang oordeel beroepschrift, geen spoedeisend belang, verzoek kennelijk ongegrond
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 6 juni 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:3511: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, aanwezige bomen, vermeende strijd bpl, toepasselijke recht, Omgevingswet, Invoeringswet Omgevingswet, oude recht, rechtszekerheid, letterlijk uitleggen planregels, niet bindende toelichting, bedoeling planwetgever, systematiek, algemeen spraakgebruik, Van Dale, ecologische verbindingszone, geen overtreding, vertrouwensbeginsel
* Rechtbank Noord-Nederland 6 juni 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:2342: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, verbouwing hotel, uitspraak zonder zitting, kennelijk gegrond, aanvraag ten onrechte niet getoetst aan geldende bpl, gebrek, minnelijke oplossing, tussenuitspraak ABRvS, toepasselijke recht, Invoeringswet Omgevingswet, vergelijke gronden tegen omgevingsvergunning als tegen bpl, opnieuw beslissen op aanvraag, definitieve geschilbeslechting, opdracht ABRvS herstel gebreken bpl, vovo bij de ABRvS, schorsing/geen terugwerkende kracht, exceptieve toetsing
* Rechtbank Noord-Nederland 6 juni 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:2346: Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning verbouwing hotel, aanvraag ten onrechte niet getoetst aan geldende bpl, gebrek, minnelijke oplossing, tussenuitspraak ABRvS over bpl, uitspraak bodemprocedure rechtbank, kennelijk gegrond, geen belang bij verzoek om voorlopige voorziening, afwijzing verzoek
* Rechtbank Limburg 6 juni 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:5519: Awb, Wabo; omgevingsvergunning afwijken bpl, bed & breakfast, toepasselijke recht, Invoeringswet Omgevingswet, ontvankelijkheid, belanghebbende, feitelijke gevolgen, gevolgen van enige betekenins, Google Maps, aanvullende motivering, passeren gebrek, reformatio in peius, woonkarakter, provinciale verordening, behoefte, omgevingsvisie, verkeer en parkeren, toekomstige ontwikkelingen, verkapte bouwvergunning, ten onrechte voor onbepaalde tijd verleend, zelf in de zaak voorzien
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 5 juni 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:3448: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, uitbreiden en intern verbouwen woning, verweer hoorzitting bezwaarfase, goede procesorde, aanvraag, noordpijl tekeningen, geldende peil, aanvraag gewijzigde vergunning, gebrek hersteld, deskundigenadvies, zorgvuldigheid totstandkoming, concludent, cultuurhistorische waarde, bouwmogelijkheden bestemmingsplan, welstand, planvoorschriften, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding
* Rechtbank Den Haag 4 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9830: Awb, Gmw; intrekking aanwijzing gemeentelijk beschermd stadsgezicht, herzien besluit, opschortende voorwaarde, nieuw planologisch kader, toepasselijke recht, Omgevingswet, Invoeringswet Omgevingswet, erfgoedverordening/monumentenverordening, mogelijkheid renoveren woningen, bezwaargronden, adviescommissie bezwaarschriften, artikel 7:12 van de Awb, gemeentelijke monumentenbeleid, beleidsvrijheid, cultuurhistorische waarden, behoud beschermenswaardige onderdelen, bescherming/andere instrumenten, aanwijzing gemeentelijk monumenten, nieuw bestemmingsplan, noodzaak verdichting, onderzoek naar varianten, Rottinghuis-systeem, financiële haalbaarheid, precedentwerking
* Rechtbank Noord-Nederland 4 juni 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:2341: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, autoreparatiebedrijf, vermeend bedrijfsmatig gebruik, toepasselijke recht, Invoeringswet Omgevingswet, bpl, wonen, professionele garage niet toegestaan, foto’s toezichthouder, verslag duidelijk/niet tegengesproken door eiser, onderzoek voldoende zorgvuldig, merkbare gevolgen, ruimtelijke uitstraling, hobbymatig repareren, stallen trouwauto’s, geen overtreding, gelijkheidsbeginsel, geen gelijke gevallen
* Rechtbank Limburg 4 juni 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:5347: Awb, Wabo; afwijzing verzoek intrekken omgevingsvergunning, bouw aardappelloods, geen handelingen verricht met gebruikmaking vergunning, in redelijkheid/geen gebruik gemaakt bevoegdheid tot intrekking, omgevingsplan, limitatief-imperatief stelsel, bpl niet herzien/geen verzoek daartoe, belangenafweging, objectieve belangen, financiële en bedrijfsbelang van vergunninghoudster
* Rechtbank Overijssel 4 juni 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:3573: Awb, Wnb; Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden, aanwezige waarden, toepasselijke recht, overgangsrecht Aanvullingswet natuur Omgevingswet, afdeling 3.4 Awb, moment terinzagelegging ontwerpbesluit, Habitatrichtlijn, habitattypen, soorten, oorspronkelijke wijzigingsbesluiten, gevolgen bedrijfsvoering, mogelijkheid voortzetten bedrijf toekomst, habitattypenkaarten, meer dan verwaarloosbare mate, beheerplannen, standaardgegevensformulier (SGF), vegetatie, PAS-gebiedsanalyses, minimumoppervlakte, overwegingen van ecologische aard, beoordelingsmarge, instandhoudingsdoelstellingen, levensvatbaarheid habitattypen
Rechtbank Den Haag 3 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9928: Awb, Ow; vovo, handhaving, dwangsom, hekwerk, buitenplaats, Wabo, Bor, wijziging rijksmonument, wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht, redengevende omschrijving, overtreding onder oude recht, aanzienlijke tijdsverloop, voornemen tot handhaving, nieuw handhavingstraject, Invoeringswet Omgevingswet, omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, omgevingsplan, omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit, geen vergunningvrij geval/Besluit activiteiten leefomgeving, overtreding, beginselplicht tot handhaving, Harderwijk-uitspraak, evenredigheid, geen concreet zicht op legalisatie, bijzondere omstandigheden, aantasting monumentale waarde rijksmonument, eenheid landschapspark, ensemblewaarde monumentale binnenplaats, herstelmogelijkheid bezwaarfase
Rechtbank Noord-Holland 3 juni 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:6327: Awb, Ow; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning bouwen tijdelijk kinderverblijf, vijf jaar, (technische) bouwactiviteit, omgevingsplanactiviteit, bouwen bouwwerk (ruimtelijke bouwactiviteit) en bopa, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, relativiteitsvereiste, geluid, reflectie, cumulatie, elektromagnetische straling door hoogspanningskabels, rekenafstand, beschermen belangen gebruikers kinderdagverblijf, stikstof, afstand, auto- en fietsparkeren, parkeereis, verkeersgeneratie, verlies van groen, kruimelgevallenregeling/bestaat sinds inwerkingtreding van de Ow niet meer, beleidsregels/niet van toepassing, ladder voor duurzame verstedelijking, ontwikkeling/voldoende substantieel, ruimtebeslag van meer dan 500 m², bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m²
* Rechtbank Den Haag 3 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9713: Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, twee woningen, advies Veiligheidsregio, bereikbaarheid brandweer, beleidsdocument, Bouwbesluit 2012, Besluit bouwwerken leefomgeving, toegankelijkheid garage, overzichtstekening, manoeuvreerruimte, goede ruimtelijke ordening, overschrijding goothoogte
* Rechtbank Noord-Holland 2 juni 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:6319: Awb, Wabo; buiten behandeling stellen aanvraag, bouwen twaalf woningen, gefaseerde aanvraag, artikel 2.5 Wabo, per activiteit/meerdere activiteiten, artikel 4.5 Besluit omgevingsrecht, stedenbouwkundige beoordeling/strijd bpl, welstandsbeoordeling/activiteit bouwen, één activiteit meerdere fasen, ontbrekende stukken, motivering, (on)zorgvuldigheid
* Rechtbank Den Haag 30 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9930: Awb; vovo weigering verlengen gestelde begunstigingstermijn, handhaving, dwangsom, flitsbezorging, strijd bpl, spoedeisend belang, financieel belang, financiële noodsituatie, verlies aan klanten en omzet, reeds geopende vestiging/persoon in dienst, tijdelijke beëindiging van de bedrijfsactiviteiten, beëindigen vaste arbeidscontracten met personeel, 5:34 Awb, 4:6 Awb, nieuwe feiten en omstandigheden na lod, belangenafweging, noodzakelijk opheffen overtreding, bepalen lengte begunstigingstermijn/enige vrijheid, bedrijfseconomische belangen, algemeen belang bij handhaving, goed woon- en leefklimaat en de verkeersveiligheid, niet tijdig begonnen uitvoeren last, bpl met betrekking tot flitsbezorging, vinden andere geschikte locatie, overgangs- en overmachtssituatie, Handhavingsstrategie Omgevingswet
* Rechtbank Den Haag 30 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9492: Awb, Wabo, Gmw; weigering aanvraag tijdelijke omgevingsvergunning, gedeeltelijk verharden perceel, bedrijfsgebouw, depot/opslag goederen, installatiegoederen datacentra, toepasselijke recht, Invoeringswet Omgevingswet, aanlegvergunning, planregels/geen voorwaarden vergunning, strijd planregels, bestemmingsomschrijving, feitelijk niet meer bruikbaar voor glastuinbouw, waterbassin, herstructurering, stelconplaten, evenredigheid, handhaving, dwangsom, verwijderen verharding, beëindigen gebruik anders dan voor tuinbouwdoeleinden, duidelijkheid last, overtreding, doel handhaving, gelijkheidsbeginsel, lengte begunstigingstermijn, hoogte dwangsom
* Rechtbank Midden-Nederland 30 mei 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2633: Awb, Wvw 1994; verkeersbesluit, lijnbussen, geen regulier verkeer, meer autoverkeer elders, akoestisch onderzoek, geluidbelangen, verweerschrift, dag voor de zitting, uitspraak binnen redelijke termijn, beroepsgronden/niet in eerdere procedure naar voren gebracht, verkeersmodel, concrete redenen voor twijfel, benadering werkelijkheid, verkeerstellingen, afwijkende aantallen in het model, belangenafweging, nadelige geluidgevolgen, tussenuitspraak
* Rechtbank Gelderland 30 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:4447: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, legaliseren aanbouw aan de zijkant en achterkant van een woning, oppervlakte, legaliserende aanvraag/feitelijke oppervlakte, zorgvuldigheid, aanvullen of wijzigen aanvraag, wijziging van ondergeschikte aard, wijze van meten bpl, goothoogte, bouwtekeningen, planologische mogelijkheden, vergunningvrij bouwen, morfologie en typologie van de huidige omgeving, uitzicht, lichtinval, precedentwerking, waardevermindering, WOZ-waarden, herhalen en inlassen bezwaarschrift
* Rechtbank Gelderland 30 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:4446: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, mast voor telecommunicatie, kruimelgevallenregeling, beleidsregels, advies bezwaarschriftencommissie niet gevolgd, motiveringsgebrek, “dekkingsgat”, beoogde netwerkcapaciteit, het bereik van de mast, alternatieve locaties, belangenafweging
* Rechtbank Gelderland 30 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:4444: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, mast voor telecommunicatie, kruimelgevallenregeling, beleidsregels, alternatieve plek niet beschikbaar, plaatsing ander bestaand gebouw of ander bouwwerk niet mogelijk, noodzaak mast, licentieverplichting, dassen, relativiteitsvereiste, afstand, verwevenheid
* Rechtbank Den Haag 30 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10148: BW; kort geding, exploitant speelautomatenhal, gemeentelijke verordening, exploitatievergunning, weigering omgevingsvergunning, uitspraak bestuursrechter, vertrouwensbeginsel, voorschot schade, gebieden nemen besluit schadevergoeding, bestreden besluit/onrechtmatig, toe te rekenen aan de gemeente, causaal verband, condicio sine qua non-verband, hypothetische situatie, dispositieschade, conclusie staatsraad A-G Snijders, huur, kosten beëindiging huurovereenkomst, gederfde winst, juridische kosten, dooronderhandelen, gebod
Rechtbank Den Haag 30 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9927: Awb, Ow; vovo, handhaving, dwangsom, geluidvoorschriften revisievergunning, spoedeisend belang/ontbreekt, financieel belang, bedrag kan worden (terug)betaald, vergoeding wettelijke rente, geen acute noodsituatie, rechtsonzekere situatie, onvoldoende aannemen onverwijlde spoed, evident onrechtmatig besluit, foto’s en geluidsopnames, rapportages concludent, geluidsoverschrijding, permanente meetopstelling met meerdere microfoons, geluid buurpercelen uitgesloten, meten van geluid, andere procedure
* Rechtbank Noord-Nederland 28 mei 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:2135: BW; appartementsrecht, nieuw te bouwen appartement, projectontwikkelaar, bouwbedrijf, plafondhoogte, lagere plafondhoogte gerealiseerd, schadevergoeding, waarde, aansprakelijkheid bouwbedrijf, vertegenwoordiging, schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid, verbintenis, volmacht, makelaar/bode en geen vertegenwoordiger, bijzondere omstandigheden, rechtsverwerking/mail, rol projectontwikkelaar, aannemingsovereenkomst, vergunningstekeningen/’afgestempeld’, onjuiste informatie verstrekt, strijd met maatschappelijke betamelijkheid, toerekenbaarheid, gewijzigde hoogte, causaal verband, hypothetische situatie, stelplicht en bewijslast, onderhandelingen, bereikte onderhandelingsresultaat, maximale resultaat, schade, afwijzing vordering
Rechtbank Noord-Holland 27 mei 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:6252: Awb, Ow; weigering nemen besluit aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, verrichten aanlegwerkzaamheden, recreatieterrein, aanleg van verhardingen, kabels/leidingen, riolering bij een zwembad en kavels, plaatsen recreatiewoningen, wettelijke beslistermijn overschreden, in gebreke gesteld, nog geen besluit genomen, beslistermijn, informatie, archeologisch onderzoek, inhoudelijk besluit, Bibo onderzoek, dwangsom
* Rechtbank Midden-Nederland 27 mei 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2639: Awb, Wabo; weigering aanvraag omgevingsvergunning, jongerenopvang, verruimen aantal plekken, afwijken bpl, kruimelgevallenregeling, bijgebouwen, jongeren waarvoor beschikkingen worden afgegeven op grond van de Jeugdwet, (verkopen en) zelfstandig bewonen derde/niet toegestaan, hoofdgebouw, verwezenlijking bestemming, gezinshuis/begeleiding jongeren, kwestie van handhaving, cultuurhistorisch ensemble, woon- en leefklimaat, geluidoverlast/geen onderbouwing vrees, verkeer en parkeren, kantoorfunctie, beleidsruimte, kleinschalig, groot perceel met veel (woon)ruimte, nieuwe beslissing op bezwaar
* Rechtbank Midden-Nederland 26 mei 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2647: Awb, Wvw 1994; verkeersbesluit, dynamische knip, verzinkbaar weggedeelte, horen in bezwaarfase, apart horen, horen in elkaars aanwezigheid, bijzondere omstandigheden, pilot/één jaar, inhoud besluit, ontbreken rechtsbescherming, toezegging, randvoorwaarden en beoordelingscriteria, onderzoeken, verkeersveiligheid, aantal verkeersbewegingen, tellingen, noodzaak knip, mobiliteitsprogramma, negatief advies korpschef politie, geen aanleiding zelf in de zaak voorzien, geen bestuurlijke lus, nieuwe beslissing op bezwaar, ex nunc-beoordeling, huidige (verkeers)situatie, zorgen over de bereikbaarheid/kenbaar meewegen, omzetverlies, omzetcijfers ondernemingen
* Rechtbank Den Haag 23 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10152: Awb, invordering dwangsom, monumentaal pand, slechte staat, lod/herstellen pand, onvoldoende werkzaamheden, vertrouwensbeginsel, bijzondere omstandigheden, beginselplicht tot invordering, persoonlijke omstandigheden, verklaring aannemer, laatste kans, evenredig, proactief informeren, niet verwijtbaar, matiging in te vorderen dwangsom, zelf in de zaak voorzien
* Rechtbank Rotterdam 23 mei 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:7081: Sr, Wed, Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden; gewasbeschermingsmiddelen, afkomstig uit Verenigd Koninkrijk, niet langer lid EU, overgangsperiode, Terugtrekkingsakkoord, moment op de markt brengen, (pro forma) aankoopfacturen, geen geslaagd beroep terugtrekkingsakkoord, bewezenverklaring, strafmotivering, geldboete, in beslag genomen middelen, onttrokken aan het verkeer, pallets worden verbeurdverklaard
* Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 21 mei 2025, ECLI:NL:OGEAA:2025:149: Lar; weigering precariovergunning, plaatsen (mobiele) beachbar, towelhut, strandstoelen, parasols en toiletten op een strandperceel, beoogd aan te vragen, Ruimtelijk Ontwikkelingsplan met voorschriften, Richtlijn Ruimtelijke Inrichting Stranden, bezwaaradviescommissie, uitzonderingsgronden Lar, zorgvuldigheidsbeginsel, toetsingskader, retributieverordening, limitatieve weigeringsgronden, openbare orde en veiligheid, bescherming van het milieu, planologische regeling, bouwvergunning/ROPV, Bouw en woningverordening, gelijkheidsbeginsel, geen gelijke gevallen, vertrouwensbeginsel, stap 1
* Rechtbank Midden-Nederland 21 mei 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2603: Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, steiger, legakker, toepasselijke recht, Omgevingswet, Invoeringswet Omgevingswet, voornemen handhaven, zienswijze, beheersverordening, overgangsrecht, foto’s, nieuw bouwwerk, gedeeltelijke vernieuwing, gedoogbeleid, vereiste omgevingsvergunning/niet bereid te verlenen, Harderwijk-uitspraak, evenredigheid, geen concreet zicht op legalisatie, gelijkheidsbeginsel, (ernstige) financiële gevolgen, eigen risico, verkeerd meten, omvang steiger
* Rechtbank Overijssel 21 mei 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:3570: Awb, Gmw; afwijzing verzoek herziening eerdere weigering standplaatsvergunning, bloemenkraam, beroep niet-ontvankelijk, beroep te laat ingediend, elektronische verzending, artikel 2:14 Awb, kenbaar gemaakt/via deze weg bereikbaar, impliciet/expliciet, gemachtigde, ontvangstbevestiging bezwaarschrift, mededeling, professionele gemachtigde, e-mailadres, memorie van toelichting, geen doorslaggevende betekenis, bekendmaking per e-mail, termijnoverschrijding niet verschoonbaar
Rechtbank Den Haag 21 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9925: Awb, Ow; vovo, verzoek om wijziging voorlopige voorziening, zalencentrum, voorziening/een maximum aantal aanwezigen zoals genoemd in de ontheffing, bruiloften, omstandigheden die ten tijde van het treffen van de voorlopige voorziening niet bekend waren, zou zijn afgewezen of andere voorziening zou zijn getroffen, gebruiksmelding Besluit bouwwerken leefomgeving, bijzondere situatie/niet veranderd, stelsel Awb, voorziet niet in de mogelijkheid van herziening of een vorm van (hoger) beroep
Rechtbank Den Haag 21 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9926: Awb, Ow; vovo, handhaving, bestuursdwang, gebruik perceel voor fokken en houden van honden, strijd omgevingsplan, overtredingen beëindigen en beëindigd houden, melkvee- en schapenhouder, controlebezoek NVWA, spoedeisend belang, grondgebonden agrarisch bedrijf, hobbymatig houden, overtreding, beginselplicht tot handhaving, Harderwijk-uitspraak, evenredigheid, geen concreet zicht op legalisatie, geen aanvraag omgevingsvergunning afwijken omgevingsplan, vertrouwensbeginsel, lengte begunstigingstermijn, voorziening/verlengen termijn met zes weken, belangenafweging,
* Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 20 mei 2025, ECLI:NL:OGEAC:2025:84: Lar; bouwvergunning hotelcomplex, ontvankelijkheid beroep, beroep eerdere bouwvergunning, mogelijkheid aanvoeren argumenten/niet gedaan, hetzelfde bouwproject, nadere motivering, uitspraak ABRvS, efficiënte geschilbeslechting, rechtszekerheid, nadeliger positie, nieuwe feiten of omstandigheden, artikel 6:13 Awb/ontbreekt in Curaçaose Lar
* Rechtbank Gelderland 19 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:4443: Awb, Wabo; omgevingsvergunningen bouwen drie vrijstaande woningen, wooncluster, te ontwikkelen landgoed, bezwaar niet-ontvankelijk, belanghebbende, feitelijke gevolgen, gevolgen van enige betekenis, afstand, vanuit woning geen zicht, perceelsgrens/geen of beperkt zicht, bomen en struiken, toename aantal verkeersbewegingen, karakter weg onveranderd, privacy, toename aantal wandelaars, mate gebruik pad/populariteit route
* Rechtbank Den Haag 19 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9923: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, bedrijfswoning, vermeende strijd bpl, bedrijfspresentaties met bijbehorende borrels, kookworkshops en als logiesfunctie voor externe gasten, letterlijke uitleg planregels, rechtszekerheid, niet bindende toelichting, bedoeling planwetgever, ‘bestemd voor’ en ‘alsmede voor’ nevenschikkend, bouwregels, bestemmingsomschrijving, definitiebepaling, planregels op zichzelf voldoende duidelijk, geen strijd bpl, geen overtreding, terechte afwijzing handhavingsverzoek
* Rechtbank Gelderland 13 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:4438: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, omgevingsvergunning geluidsscherm, erfgrens, bestemmingsplan, feitelijke plaatsing scherm, specifieke bouwaanduiding, bpl en omgevingsvergunning onherroepelijk, afmetingen en afstanden, overtredingen, handhavend optreden onevenredig, springt niet direct in het oog, groene begroeiing, voorschrift, relatief snelgroeiende klimplanten
* Rechtbank Den Haag 13 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10150: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, kruimelgevallenregeling, tuinkantoor, bijgebouw voorerfgebied, participatie, kruimelgevallenbeleid, beleidsruimte, rechtsonzekerheid, rechtsongelijkheid, systematiek beleidsregel, algemene en bouwwerkspecifieke voorwaarden, niet voldaan aan alle voorwaarden, afwijken, artikel 4:84 Awb, bijzondere omstandigheden, beleidswijziging, artikel 7:11 Awb, volledige heroverweging, ruimtelijke omstandigheden/verdisconteerd in beleid, onevenredige gevolgen, niet zelf in de zaak voorzien, geen bestuurlijke lus/niet doelmatig, nieuwe beslissing op bezwaar
* Rechtbank Den Haag 12 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10063: Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, inundatie percelen, strijd bpl, inundatieverbod, bestrijden aaltjes, bloembollengrond weer in optimale conditie, planologisch toegestane agrarisch gebruik, geen wetenschappelijke onderbouwing, parkeren van motorvoertuigen op de gronden met een agrarische bestemming, bollengronden, werknemers, beginselplicht tot handhaving, geen concreet zicht op legalisatie, evenredigheid
* Rechtbank Den Haag 12 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10070: Awb, Wabo; weigering aanvraag omgevingsvergunning bouwen en afwijken, short stay, brandveiligheidsvoorschriften, Bouwbesluit 2012, bouwtekeningen, brandoverslag, WBDBO, ondergeschikte wijzigingen aanvraag, artikel 7:11 Awb, volledige heroverweging, ex nunc, gewijzigde aanvraag met gewijzigde bouwtekeningen, geen inhoudelijke beoordeling, tussenuitspraak
* Rechtbank Den Haag 12 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10065: Awb, Wabo; omgevingsvergunning oprichten van twee aanbouwen aan een bedrijfspand, WBDBO-eis van 180 minuten, groothandel opslagmachines, opslag gevaarlijke stoffen, bezwaar niet-ontvankelijk, ontbreken procesbelang, beslissen op aanvraag zoals deze is ingediend, inhoud aanvraag, niet bereiken/WBDBO-eis 60 minuten, adviezen veiligheidsregio, last onder dwangsom, verantwoordelijk voor ingediende aanvraag, oorspronkelijke aanvraag, weigeringsbesluit, verzoek om voorlopige voorziening, andere weg/oordeel WBDBO eis 60 minuten, NEN 6060
* Rechtbank Den Haag 8 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9920: Awb, Wabo; afwijzing aanvraag omgevingsvergunning verbouw pand, meer geschikt maken verhuur maatschappelijke sector, parkeerregels, geen gebruik maken afwijkingsbevoegdheid, belanghebbende in bezwaar, statutaire doelstelling, feitelijke werkzaamheden, onderzoek waarden plangebied, betrokken in voorfase, bijwonen overleggen, klankbordgroepvergaderingen met omwonenden, machtiging, parkeren, parkeerbehoefte, ex tunc, negatieve advies verkeerafdeling, bestaande parkeerplaatsen, niet (her)gebruiken, groenbestemming/nog niet meerekenen, nog geen aanvraag, meerdere ontwikkelingen, totaaloplossing, totale parkeersituatie, nieuwe aanvraag/nieuwe ontwikkelingen, volledige heroverweging, voldoende tijd indienen nieuwe gegevens, nog geen concreet zicht op parkeeronderzoek, terecht overgegaan tot nemen besluit
* Rechtbank Noord-Holland 3 mei 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:14239: Awb, Wabo; herroeping van rechtswege verleende omgevingsvergunning, twee dakkappelen, toepasselijke recht, Invoeringswet Omgevingswet, verandering dakvorm/strijd bpl, advies stedenbouwkundige, gemeentelijk architectuurhistoricus, niet voldoende ondergeschikte rol dakvlak, daklandschap, bouwtypologie, deskundigenadvies, advies dorpsraad, vertrouwensbeginsel, evenredigheid
* Rechtbank Overijssel 1 mei 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:7119: BW, Wilg; Lijst der Geldelijke Regelingen, landinrichting, toepasselijke recht, intrekking per 1 januari 2024, ruilverkaveling, Omgevingswet, overgangsrecht, Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet, niet-agrarische meerwaarde, inbrengperceel, zoekgebied toekomstig industrieterrein, bedoeling wetgever, ruimtelijk beleid, belanghebbenden, structuurvisie, peilmoment, uitzondering regel, bestemming, ruilplan, Hoge Raad, geschikt voor aardappelteelt, bouwplan, akkerbouwgewassen, wortel- en schaduwwerking, hoogopgaande beplanting en laagopgaande beplanting, dichtheid begroeiing, tussenbeschikking
* Rechtbank Gelderland 1 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:4513: Awb, Wabo; omgevingsvergunning afwijken bpl, bouwen woning met bedrijfsruimte, mondzorgpraktijk, binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, gelijkwaardige bedrijfsactiviteit, Staat van Bedrijfsactiviteiten, persoonlijke dienstverlening, kapsalon, 10 m, gemengd gebied/0 m, A-inrichting Activiteitenbesluit milieubeheer, geen melding, geluid, beperkte ruimtelijke effecten, verkeer, verkeersintensiteit, CROW, verkeersgeneratie, langzaam verkeersweg, passeren, grasbetontegels berm, parkeerplekken, parkeernorm, beeldkwaliteitsplan, hoorplicht
* Rechtbank Den Haag 14 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10147: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning veranderen pand door bouwen uitbouw en bouwen tuinhuis in het achtererfgebied, welstandsadvies, welstandstoetsing, advies Welstands- en Monumentencommissie, afbreuk beschermde cultuurhistorische waarden rijksbeschermd stadsgezicht, toelichting aanwijzingsbesluit, te beschermen waarden, straatbeeld, niet achtergevel woningen, waarderingskaart, bijlage II bij het Bor, openbaar toegankelijk gebied, besluit niet deugdelijk gemotiveerd, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding, nieuwe beslissing op bezwaar
* Rechtbank Den Haag 17 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10243: Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, zeecontainer, bouwwerk, zonder omgevingsvergunning, overtreding, constructie van enige omvang, functioneren ter plaatse, opslag bouwmaterialen, plaatsgevonden karakter, tussentijdse verplaatsing, vergunningvrij, bouwmateriaal en afval, strijd planregels, beginselplicht tot handhaving, gelijkheidsbeginsel, heipalenfundering, brug, concreet zicht op legalisatie, vertrouwensbeginsel, hoogte dwangsommen, verslag hoorzitting, invorderingsbeschikking
* Rechtbank Noord-Holland 10 maart 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:4286: Awb; weigering aanvraag gehandicaptenparkeerplaats, beleidsregels, bijzondere omstandigheden, manoeuvreerruimte op eigen terrein, rijcurve, verkeersveiligheid, parkeren op voorterrein, voorzichtigheid in- en uitrijden, bezitten grote auto/geen bijzondere omstandigheid, aanschaffen kleinere auto, parkeren op openbare parkeerplaatsen
* Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 4 februari 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:263: BW; verklaring voor recht/onrechtmatig handelen, toerekenbaar tekortgeschoten in nakoming overeenkomst, schadevergoeding, vernietiging besluit gemeenteraad, bestemmingsplan, windpark, eiswijziging, goede procesorde, twee-conclusieregel, bevoegdheid vaststellen bpl/verstrijken beslistermijn, anterieure overeenkomst, vrijwaring aansprakelijkheid, geen besprekingen over artikel ovk, geen verklaringen of gedragingen van partijen, bewoordingen artikel, resultaatverbintenis, publiekrechtelijke taken en verantwoordelijkheden, beleids- of beoordelingsvrijheid, wanprestatie, inspanningsverplichting, causaal verband, condicio sine qua non verband, stelplicht, bewijslast, hypothetische situatie, Nevele-arrest, ex tunc, procedure Afdeling, procedure civiele rechter, geen gebonden beschikking
* Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 28 januari 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:203: BW; opheffing erfdienstbaarheid, waterschap, projectplan, nevengeul, schadevergoeding, geleden schade, koopovereenkomst, peildatum, maatstaf, schadebegroting, vervallen rechtstreekse verbinding, waardedaling onroerend goed, billijkheid, geschatte bedragen, normaal maatschappelijk risico, deskundigenkosten, verwijzing na arrest Hoge Raad
* Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 27 december 2024, ECLI:NL:OGEAA:2024:308: Lar; weigering aanlegvergunning, aanleggen wegen voor woningbouwontwikkeling, vakantiepark, Ruimtelijk Ontwikkelingsplan, beleidsvisie, ecologische hoofdstructuur, geen bestaande legale situatie, goedgekeurde verkavelingsplannen, voorbereidingsbesluit, ecologische, landschaps-, natuur of cultuurhistorische waarden, flora en fauna, Landsbesluit bescherming inheemse Soorten Flora en Fauna, geen contra-expertise, gelijkheidsbeginsel
* Rechtbank Noord-Holland 19 november 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:14238: Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, bewonen bijbehorend bouwwerk, overtreding, geen omgevingsvergunning verleend, niet toegestaan op basis van de planregels, verslag hoorzitting, bezoekersverslag, ongeschikt maken voor zelfstandige bewoning, niet vergunningvrij, geen concreet zicht op legalisatie, geen bereidheid afwijken bpl, evenredigheid
* Rechtbank Den Haag 30 augustus 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:23545: Awb, Gmw; afwijzing aanvraag eerste bewonersparkeervergunning, auto parkeren op openbare weg, tarief, parkeerbeleid, parkeren op eigen terrein (POET), parkeergelegenheid, een of meer personenauto’s, afmetingen oprit, voldoende ruimte, doorgang anders inrichten, snoeien, manoeuvreerruimte
* Rechtbank Noord-Holland 28 juni 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:6358: Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, diverse overtreding, bouwovergangsrecht, geen vervangend titel, rechtszekerheid, artikel 2.3a lid 1 Wabo, stalcomplex en dagverblijf/moment aankoop, inspectierapport, verklaring, luchtfoto’s, zelf in de zaak voorzien, geen concreet zicht op legalisatie, evenredigheid, zeer ingrijpende gevolgen, vertrouwensbeginsel, gelijkheidsbeginsel, lengte begunstigingstermijn
* Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen 16 februari 1998, ECLI:NL:OGEANA:1998:1: BW; eilandgebied schadeplichtig jegens grondeigenaar, niet-nakomen toezegging beoogde projectontwikkeling te faciliteren, bestemming toerisme/landelijk woongebied, vergunningen, volledige onthouding bestemming, financiële compensatie, projectontwikkelaar, MER, Hinderverordening, Eilandbesluit, voorwaarde rapportage/onredelijk bezwarend, schadevergoeding

¶ = uitspraak waarop de Omgevingswet materieel van toepassing is (dus niet de uitspraken die vallen onder het overgangsrecht)
# = betrokkenheid STAB
= (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* ABRvS 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2729: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning bouw schuilstal, paard en twee pony’s, concept aanvraag/onder bepaalde voorwaarden planologisch mogelijk, binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, voorwaarde oppervlakte dierenverblijven, kruimelgevallenregeling, onderdeel 1, feitelijke inrichting, hoofdgebouw, geen bijbehorend bouwwerk, functioneel verbonden met een zicht op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw, kadastraal perceel, geen tuin/weiland, afstand, vertrouwensbeginsel, algemeen belang naleven planregels, provinciale verordening, instructieregel, vroeg stadium (Rb Oost-Brabant 20/3245)
8.1. De Afdeling overweegt dat onbestreden vaststaat dat de brief van 23 januari 2020 een toezegging bevat die aan het college kan worden toegerekend. Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen betekent niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Andere belangen, zoals het algemeen belang of de belangen van derden, kunnen zwaarder wegen.
8.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college zich vanwege het algemeen belang dat is gediend met het naleven van de planregels en de IOV redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat zwaarder wegende belangen in de weg stonden aan het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning, terwijl de rechtbank terecht heeft overwogen dat niet was voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid en dat er in dit geval ook geen buitenplanse mogelijkheden zijn om af te wijken van de planregels en medewerking te verlenen aan de schuilstal. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, anders dan [appellant] stelt, de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college heeft mogen stellen dat artikel 3.6 van de I0V in de weg staat aan het verlenen van medewerking aan de bouw van de schuilstal. In dat verband heeft de rechtbank terecht overwogen dat de instructieregel van artikel 3.6 van de IOV moet worden betrokken bij het afwijken van het bestemmingsplan en de invulling van het begrip “goede ruimtelijke ordening”. Verder heeft de rechtbank terecht overwogen dat de schuilstal en de bebouwing van de buurman niet als functioneel bij elkaar behorende bebouwing in de zin van artikel 3.6 van de IOV kunnen worden gezien, zodat de gebouwen van de buurman bij een ander bouwperceel behoren. Voorts neemt de Afdeling in aanmerking dat het een toezegging betreft die in een vroeg stadium, namelijk ten tijde van een conceptaanvraag en derhalve nog voor de daadwerkelijke vergunningaanvraag, is gedaan. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van [appellant] bij het bouwplan dat voorziet in een schuilstal, gelet op het belang dat gediend is met het naleven van de planregels en de IOV, onvoldoende gewicht in de schaal legt. Het opgewekte vertrouwen leidt dus niet tot het oordeel dat het college gebruik moest maken van zijn bevoegdheid om een omgevingsvergunning te verlenen. Het betoog slaagt niet.

* ABRvS 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2731: Awb, Wro; bpl, gewijzigd vastgesteld, kolengestookte drogerij, manege, weigering vaststellen delen plan, realiseren composteerinrichting en biologische drogerij, uitbreiden manege-activiteiten, wel mogelijk in ontwerpplan, indieners zienswijzen, initiatiefnemer plan, in kennis stellen van stukken, zorgvuldige voorbereiding, voorgeschiedenis, finale geschilbeslechting, bekendmaking bpl, ruimtelijkeplannen.nl, vertrouwensbeginsel, intentieovereenkomst, goede ruimtelijke ordening, manege, ruimtelijke overwegingen, beleidsruimte, deugdelijk motiveren, provinciale verordening, overgangsrecht, beoordeling, parkeren, stikstofberekening, Wnb, belangenafweging, reformatio in peius
16.1. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe.
16.2. De intentieovereenkomst bevat geen formuleringen waaruit [appellanten] in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden hoe de raad zijn bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan zou uitoefenen. Uit de met [appellanten] gesloten intentieovereenkomst volgt dat de gemeente verplicht is de bedoelde planologische maatregelen die nodig zijn voor het realiseren van het project in procedure te brengen. Hieruit volgt niet dat de gemeente een resultaatsverplichting heeft om een bestemmingsplan vast te stellen dat het project mogelijk maakt, maar slechts een verplichting om een bestemmingsplan in procedure te brengen. Verder is van belang dat in de intentieovereenkomst staat dat deze de publiekrechtelijke positie en bevoegdheden van de gemeente onverlet laat. Met de intentieovereenkomst is dan ook niet gezegd dat een plan met de door [appellanten] gewenste inhoud ook door de raad zou worden vastgesteld. Het aanvaarden van gebondenheid van de raad aan het vaststellen van een bestemmingsplan verdraagt zich niet met de door de wetgever in artikel 3.1 van de Wro aan de raad toegekende bevoegdheid om, in het belang van een goede ruimtelijke ordening, bestemmingsplannen vast te stellen na het volgen van de daartoe in deze wet dwingend voorgeschreven en met waarborgen omklede procedure. Het is verder inherent aan het besluitvormingstraject voor een bestemmingsplan en de daaraan voorafgaande voorbereiding dat de ingenomen standpunten en geuite voornemens op grond van gewijzigde inzichten kunnen wijzigen, mede naar aanleiding van de in de loop van de procedure naar voren gekomen feiten en belangen, waaronder de belangen van derden.
23. Zoals hiervoor onder 13 is overwogen, moet de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan de betrokken belangen afwegen. De Afdeling overweegt dat in de motivering niet staat welke betekenis de raad in zijn afweging heeft toegekend aan de tussen [appellanten] en de gemeente gesloten overeenkomsten. Dat, zoals in het amendement van 17 februari 2022 is benadrukt, de gemeente op grond van de exploitatieovereenkomst weer in overleg zal treden met [appellanten] betekent naar het oordeel van de Afdeling nog niet dat het belang van [appellanten] bij vaststelling van het plan in de belangenafweging is betrokken. De Afdeling overweegt verder dat tussen partijen niet in geschil is dat de agrarische bestemming die geldt op grond van het bestemmingsplan “Benthuizen Landelijk gebied 1984” niet langer een passende bestemming is. [appellanten] heeft hierover op de zitting onweersproken gesteld dat met de huidige bestemming op de percelen aan de [locatie 1] en [locatie 2] geen rendabele bedrijfsvoering mogelijk is. Het is de Afdeling niet gebleken dat de raad het belang van [appellanten] bij een zinvol gebruik van de percelen in de belangenafweging heeft betrokken. De omstandigheid dat de raad ten tijde van het besluit van 17 februari 2022 nog onvoldoende gegevens had om te kunnen beoordelen of het plan in overeenstemming is met artikel 2.8, gelezen in samenhang met artikel 2.7, eerste lid, van de Wnb, is onvoldoende voor het oordeel dat de raad om die reden op dat moment redelijkerwijs kon weigeren om het plan voor de percelen vast te stellen. Het lag, gelet op de omstandigheden zoals hiervoor beschreven, naar het oordeel van de Afdeling op de weg van de raad om [appellanten] in de gelegenheid te stellen nadere informatie aan te leveren, dan wel zelf te onderzoeken of het plan zoals [appellanten] wenst in overeenstemming is met de Wnb. Daarnaast had de raad er ook voor kunnen kiezen om aan de percelen aan de [locatie 1] en [locatie 2] een andere, volgens de raad wel passende bestemming toe te kennen. Dit heeft de raad niet onderkend.

* ABRvS 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2725: Awb, Wro; bpl, verzamelplan, meerdere locaties, uitbreiding hippisch centrum, alternatief, voor-en nadelen alternatieven, belangenafweging, afwijkingsbevoegdheid/strijd provinciale verordening, beroep gedeputeerde staten, geen bijzondere molenbiotoop, afwijkingsmogelijkheden, provinciale ontheffing, woon- en leefklimaat, uitzicht, geluid, evenementen, wedstrijden, uitoefenen sportactiviteiten, algemeen spraakgebruik, reguliere bedrijfsvoering, VNG-brochure, richtafstanden geluid, vergunningvrije bouwmogelijkheden, indicatief, onderzoek, parkeren, kencijfer, parkeerplaatsen per paardenbox, representatieve weergave, verkeersgeneratie, CROW publicatie 381, vliegenoverlast, ruiterpad/Wegenverkeerswet 1994, flora en fauna, quick scan, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding
11.4. (…) Voor zover [appellant] vreest voor geluidoverlast als gevolg van wedstrijden, overweegt de Afdeling dat het houden van wedstrijden valt onder het uitoefenen van sportactiviteiten in de vorm van een manege. Dat komt omdat de term sport in het algemeen spraakgebruik veelal verbonden is met enig wedstrijd- of competitie-element. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 12 maart 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC6388. In de publicatie “De paardenhouderij in het omgevingsrecht” van de VNG/Sectorraad Paarden Publicatie staat dat het ook kan dat er bij een manege “wedstrijden worden georganiseerd voor ruiters en amazones die met hun paarden van buitenaf komen.” De Afdeling overweegt daarom dat het organiseren van wedstrijden, voor deelnemers van de manege zelf of uit de nabije omgeving, in beginsel behoort tot de reguliere bedrijfsvoering van een manege en dat ervan uit kan worden gegaan dat de ruimtelijke uitstraling van dergelijke wedstrijden is meegenomen in de richtafstanden voor de functie manege uit de VNG-brochure. Hierna zal de Afdeling beoordelen of er wordt voldaan aan de richtafstand voor geluid vanaf de manege.
12.3. (…) Zoals ook onder 11.4 is overwogen, behoort het organiseren van wedstrijden voor deelnemers uit de omgeving wel tot de reguliere bedrijfsvoering van een manege. In dit geval worden de paarden op de manege gehouden en hoeven deelnemers van dergelijke wedstrijden dus niet altijd zelf paarden mee te nemen. De raad heeft daarom redelijkerwijs mogen uitgaan van het kencijfer van 0,5 parkeerplaatsen per paardenbox, wat een representatieve weergave geeft van de parkeerbehoefte van de manege, inclusief dit soort wedstrijden. De Afdeling ziet in wat [appellant] heeft aangevoerd verder ook geen aanleiding voor het oordeel dat andere activiteiten die op de manege worden georganiseerd, voor zover die op grond van het plan zijn toegestaan, niet passen binnen dit kencijfer.

* ABRvS 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2716: Awb, Wro; bpl, woonwerkgebied, woningbouw, bedrijvigheid, aantasting woongenot, nota van uitgangspunten, beeldkwaliteitsplan, amendementen, VNG-brochure, richtafstanden, omgevingsvisie, verkeer en parkeren, parkeerbehoefte, beleidsregels parkeernormen, fitnesscentrum/sportschool, CROW-publicatie 318, parkeerkencijfer, maximale invulling plan, parkeeroverlast, parkeeronderzoek, HOV, openbare parkeergelegenheid, effectiviteit betaald parkeerregime, bezonning, Haagse bezonningsnorm, bezonningsonderzoek, windhinder, planregels, windklimaat, minimaal vereiste windklasse, tussenuitspraak
7.2. De Afdeling overweegt dat de Beleidsregels Parkeernormen Leiden 2020 (hierna: de Beleidsregels Parkeernormen) geen definitie kennen van een fitnesscentrum of sportschool. In de Beleidsregels Parkeernormen is wel vermeld dat het kan voorkomen dat een functie geen parkeernorm heeft. Dan geldt de parkeernorm voor de meest vergelijkbare functie of de meest recente autoparkeerkencijfers van CROW. In paragraaf 3.5 van de kencijfers van CROW-publicatie 318 is vermeld dat met een sportschool wordt gedoeld op kleinschaligere voorzieningen met een omvang van circa 750 m2 BVO waar voor het grootste deel alleen gebruik gemaakt wordt van fitnessapparaten. Voor een fitnesscentrum is de volgende definitie opgenomen: “Bij een fitnesscentrum gaat het om zogenoemde grotere multifunctionele centra (>1.500 m2 BVO) die een breed pakket aan activiteiten aanbieden. Dit betreft zowel individueel trainen als groepslessen, diverse vormen van fitness zoals cardiofitness, krachttraining, spinning en aerobics, eventueel in beperkte mate aangevuld met wellnessvoorzieningen zoals een sauna of een zonnebank. De nadruk ligt in een fitnesscentrum wel op de sportfunctie.” Voor een sportschool is in de CROW-publicatie een parkeerkencijfer van 2,9 genoemd; voor een fitnesscentrum 3,9 geldt.
7.3. Het plan voorziet in een mogelijkheid voor de realisatie van een sportschool van maximaal 2.500 m2 BVO (artikel 3.3.1, onder c, sub 2, van de planregels). Deze oppervlakte is al 1.000 m2 groter dan de 1.500 m2 die in de CROW-publicatie is vermeld voor fitnessvoorzieningen. De raad heeft niet inzichtelijk gemaakt en gemotiveerd waarom desondanks van het parkeerkencijfer voor sportscholen mag worden uitgegaan. De enkele omstandigheid dat de term “sportschool” wordt gehanteerd in de planregels, kan hieraan niet afdoen. Het plan beperkt de omvang van de sportgelegenheid immers niet tot 750 m2 en staat er niet aan in de weg dat een sportfaciliteit wordt gerealiseerd met een omvang die (nog groter is dan) de omvang die in de CROW-publicatie is omschreven voor fitnesscentra en waarvoor een hoger parkeerkencijfer is opgenomen. Toepassing van een parkeernorm van 3,9 in plaats van de door de raad gehanteerde norm van 2,9 resulteert bij een maximale invulling van het plan in een overschrijding van het aantal parkeerplekken waarin de parkeergarage voorziet. De raad heeft gelet op het voorgaande niet onderbouwd waarom is verzekerd dat het plan niet tot parkeeroverlast zal leiden. Het besluit wordt daarom in zoverre niet gedragen door een deugdelijke motivering. Het betoog slaagt.
8.4. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad met zijn verwijzing naar de aanwezigheid in de nabijheid van het plangebied van onder meer station Lammenschans als hoogwaardige openbaar vervoerverbinding, het feit dat toekomstige bewoners niet in aanmerking komen voor een bewoners- of een bezoekersparkeervergunning en de ligging van het plangebied in een zone betaald parkeren waarbij de dichtstbijzijnde openbare parkeergelegenheid buiten een betaald parkeren zone op ongeveer 1,5 km afstand van het plangebied ligt, in dit geval voldoende gemotiveerd dat de parkeernorm voor bewoners naar nul kan worden gereduceerd. Zie ook de uitspraken van de Afdeling van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1164, en van 13 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4624. Over het betoog dat toekomstige bewoners wel in de openbare ruimte zullen gaan parkeren en zullen gaan betalen, overweegt de Afdeling dat de raad heeft toegezegd dat de effectiviteit van het betaald parkeerregime wordt gemonitord en dat zo nodig maatregelen, zoals uitbreiding van de tijden waarbinnen het betaald parkeren geldt, worden genomen. (…)

* ABRvS 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2734: Awb, Wro; bpl, voormalige stortplaats, transformatie naar een energiepark, ambtshalve overweging Afdeling, Elektriciteitswet 1998, niet bevoegd tot vaststelling bpl/10 jaar, binnen een jaar, vrijwaringszone, veiligheidszone, Invoeringswet Omgevingswet, omgevingsplan
3. De Afdeling overweegt ambtshalve het volgende.
3.1. Provinciale staten hebben het inpassingsplan vastgesteld met toepassing van artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998, bezien in samenhang met artikel 3.26, eerste lid, van de Wro. Ingevolge het eerste lid, laatste volzin, van artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998 is de raad voor de duur van tien jaren na de vaststelling van het inpassingsplan niet bevoegd voor die gronden een bestemmingsplan vast te stellen. Zoals uit overweging 2 hiervoor volgt, heeft de raad het bestemmingsplan binnen een jaar na de vaststelling van het inpassingsplan voor die gronden, voor zover het de bij windturbine 3 bijbehorende vrijwaringszone en veiligheidszone betreft, vastgesteld. Dat betekent dat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in zoverre onbevoegd door de raad is genomen.
7. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1174, zijn op een eventueel nieuw te nemen besluit de Ow en de daarbij behorende omgevingsrechtelijke regels van toepassing. Dat houdt onder meer in dat niet meer kan worden teruggevallen op het vóór 1 januari 2024 ter inzage gelegde ontwerpbestemmingsplan, omdat in het ontwerpbestemmingsplan geen regels zijn gesteld met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Ter voorlichting van partijen wijst de Afdeling nog op het volgende. In artikel 4.105, eerste lid, van de Iw Ow is bepaald dat in een omgevingsplan door de raad geen regels worden gesteld die in strijd zijn met een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 van de Wro. Verder is in artikel 4.105, derde lid, van de Iw Ow bepaald dat dit eerste lid van toepassing is tot tien jaar na de vaststelling van het inpassingsplan, of korter, als in het inpassingsplan een termijn is gesteld als bedoeld in artikel 3.26, vijfde lid, van de Wro. In de uitspraak van vandaag in zaak nr. 202300108/1/R4 (ECLI:NL:RVS:2025:2677) is onder 99.3 overwogen dat gelet op het derde lid van artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998 artikel 3.26, vijfde lid, van de Wro niet van toepassing is op het inpassingsplan dat op grond van artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998 is vastgesteld. Dat betekent dat in dit geval door de raad tot tien jaar na vaststelling van het inpassingsplan in het omgevingsplan van de gemeente Zutphen geen regels mogen worden gesteld die in strijd zijn met dat inpassingsplan.

* HvJEU 12 juni 2025, ECLI:EU:C:2025:429: Richtlijn 92/43/EEG; Prejudiciële verwijzing, instandhouding natuurlijke habitats en wilde flora en fauna, habitatrichtlijn, quota wolvenjacht, artikel 1, onder i), populatie diersoort, categorie „kwetsbaar”, Rode Lijst IUCN, gunstige staat van instandhouding, beheersmaatregelen, wolf, strikte bescherming, zekere beoordelingsmarge, meest recente wetenschappelijke gegevens, voorzorgsbeginsel, beste beschikbare wetenschappelijke gegevens, naburige lidstaten en derde landen, definitie in Guidelines for Using the IUCN Red List Categories and Criteria, drie cumulatieve voorwaarden, populatiedynamische gegevens, levensvatbare component, natuurlijke verspreidingsgebied, voldoende grote habitat, lokaal en nationaal niveau, Verdrag van Bern, economisch, sociaal en cultureel gebied, regionale en lokale bijzonderheden
47 Uit de rechtspraak van het Hof met betrekking tot artikel 16 van de habitatrichtlijn, dat de lidstaten toestaat af te wijken van de bepalingen van de artikelen 12 tot en met 15 van deze richtlijn en waarvan de toepassing onder meer afhangt van het in een gunstige staat van instandhouding behouden van de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied, blijkt dat deze staat van instandhouding in de eerste plaats en noodzakelijkerwijs op lokaal en nationaal niveau moet bestaan en worden beoordeeld, zodat een ongunstige staat van instandhouding op het grondgebied van een lidstaat of een deel daarvan niet verborgen blijft door een louter grensoverschrijdende beoordeling waaruit blijkt dat die soort in een gunstige staat van instandhouding verkeert (arrest van 11 juli 2024, WWF Österreich e.a., C601/22, EU:C:2024:595, punt 57).
48 Hetzelfde geldt noodzakelijkerwijs in de context van de tenuitvoerlegging van artikel 14 van de habitatrichtlijn. Zoals de advocaat-generaal in de punten 39 en 40 van haar conclusie heeft opgemerkt, kan een soort waarvan de staat van instandhouding niet gunstig is in een lidstaat op het grondgebied waarvan het natuurlijke verspreidingsgebied zich ten minste potentieel uitstrekt, namelijk daar zijn ecologische functie niet of althans niet in volle omvang vervullen, zelfs al maakt de populatie van de betrokken soort in die lidstaat deel uit van een populatie die zich in een gunstige staat van instandhouding bevindt.
49 Wat in de eerste plaats het feit betreft dat de Estse wolvenpopulatie is ingedeeld in de categorie „kwetsbaar” van de Rode Lijst van de IUCN, moet worden vastgesteld dat, zoals de advocaat-generaal in punt 85 van haar conclusie heeft opgemerkt, noch artikel 1, onder i), van de habitatrichtlijn noch enige andere bepaling van deze richtlijn verwijst naar de Rode Lijst van de IUCN of naar de criteria aan de hand waarvan deze lijst is opgesteld als indicator voor de al dan niet gunstige staat van instandhouding van een soort.
50 Zoals de Europese Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft opgemerkt, verschilt de beoordelingsmethode voor de indeling van soorten in de Rode Lijst van de IUCN bovendien van die welke krachtens artikel 1, onder i), van de habitatrichtlijn moet worden toegepast.
5 Als gevolg daarvan kunnen, zoals de advocaat-generaal in punt 86 van haar conclusie in essentie heeft benadrukt, de gegevens, criteria en beoordelingen die hebben geleid tot de indeling van een soort in de Rode Lijst van de IUCN, weliswaar deel uitmaken van de wetenschappelijke gegevens die de betrokken lidstaat bij zijn eigen beoordeling in aanmerking moet nemen [zie in die zin arresten van 14 juni 2007, Commissie/Finland, C342/05, EU:C:2007:341, punten 26 en 27; 23 april 2020, Commissie/Finland (Voorjaarsjacht op mannetjes van de eidereend), C217/19, EU:C:2020:291, punten 7788, en 29 juli 2024, ASCEL, C436/22, EU:C:2024:656, punten 65 en 78], maar de indeling van een soort in de Rode Lijst van de IUCN, en meer in het bijzonder in de categorie kwetsbaar op nationaal niveau daarvan, sluit als zodanig niet uit dat de staat van instandhouding van die soort op het grondgebied van de betrokken lidstaat niettemin gunstig wordt geacht indien is voldaan aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 1, onder i), tweede alinea, van de habitatrichtlijn.
66 Gelet op een en ander moet op de eerste tot en met de derde vraag worden geantwoord dat artikel 1, onder i), van de habitatrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat:
– de indeling van de populatie van een diersoort op het grondgebied van een lidstaat in de categorie „kwetsbaar” van de Rode Lijst van de IUCN niet uitsluit dat de staat van instandhouding van deze soort op het grondgebied van die lidstaat als „gunstig” in de zin van die bepaling wordt beschouwd;
– de gunstige staat van instandhouding in de eerste plaats en noodzakelijkerwijs op lokaal en nationaal niveau moet bestaan en worden beoordeeld. In het kader van de beoordeling, met het oog op de vaststelling van beheersmaatregelen op grond van artikel 14, lid 1, van deze richtlijn, of de staat van instandhouding van een diersoort die behoort tot een populatie waarvan het natuurlijke verspreidingsgebied zich tot buiten het grondgebied van die lidstaat uitstrekt, „gunstig” is in de zin van artikel 1, onder i), van die richtlijn, kan deze lidstaat evenwel rekening houden met uitwisselingen tussen de populatie van de betrokken soort op zijn grondgebied enerzijds en de populaties van die soort in aangrenzende lidstaten of derde landen anderzijds. Bij de beoordeling of dergelijke uitwisselingen relevant zijn, moet de betrokken lidstaat met name rekening houden met elke voorzienbare en waarschijnlijke wijziging die van invloed kan zijn op de uitwisselingen, met het niveau van de door die andere lidstaten en derde landen gewaarborgde wettelijke bescherming en met de mate van samenwerking tussen hun bevoegde autoriteiten.

* Rechtbank Overijssel 12 juni 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:3739: Awb, Wnb; weigering intrekking natuurvergunning, melkrundveetak bedrijf, maatregelen, binnen afzienbare termijn, noodzakelijk daling stikstofdepositie, ontvankelijkheid beroep, procesbelang, gestaakt blijven stikstofemissie, voorkomen intern salderen, beoogde doel beroep, dreigende verslechtering en/of verstoring met significante gevolgen kan worden voorkomen, passende maatregelen, beheerplan Natura 2000-gebied, natuurdoelanalyse, advies Ecologische Autoriteit, Lbv, de Lbv-plus en de MGA-I, overeenkomsten gesloten, natuurvergunningen ingetrokken, relatief klein, gebrekkige passende beoordeling, PAS, rechtszekerheid, vertrouwen onherroepelijke natuurvergunning, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding, in stand laten rechtsgevolgen, einduitspraak na twee eerdere tussenuitspraken
11.5. De rechtbank is van oordeel dat het college met de eerste en tweede aanvullende motivering aannemelijk heeft gemaakt dat met de bedrijfsbeëindigingen in het kader van de Lbv, de Lbv-plus en de MGA-I binnen afzienbare termijn een (blijvende) daling van stikstofdepositie op gebiedsniveau zal worden gerealiseerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in de eerste en tweede aanvullende motivering voldoende geconcretiseerd wat de effecten zullen zijn van de beëindiging van een groot aantal andere, in de omgeving van het Natura 2000-gebied gevestigde bedrijven in het kader van de Lbv, Lbv-plus en MGA-1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college ervan kunnen uitgaan dat voldoende aannemelijk is dat deze bedrijven daadwerkelijk (gedeeltelijk) zullen worden beëindigd, nu daartoe reeds overeenkomsten zijn gesloten en in enkele gevallen de natuurvergunningen al zijn ingetrokken. Ook heeft het college in de tweede aanvullende motivering inzichtelijk gemaakt tot welke daling van de stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied deze bedrijfsbeëindigingen zullen leiden, wanneer deze zullen plaatsvinden en vanaf wanneer daarvan dus gevolgen kunnen worden verwacht voor de natuurwaarden in het Natura 2000-gebied. Deze bedrijfsbeëindigingen in het kader van de Lbv, Lbv-plus en MGA-1 zullen tezamen uiteindelijk leiden tot een afname van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied van 43.928 mol N/ha/jaar. Een deel van deze depositieafname (van ten minste 7.562,71 mol N/ha/jaar) is nu reeds gerealiseerd. Daarnaast heeft het college naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat de totale daling van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied als gevolg van de genoemde regelingen waarschijnlijk nog groter zal zijn dan 43.928 mol N/ha/jaar. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk dat het gewijzigde kabinetsbeleid invloed zal hebben op de gevallen waarin al een overeenkomst is gesloten, laat staan op de gevallen waarin de vergunning al is ingetrokken. Hieruit volgt dat het college met de aanvullende motiveringen inzichtelijk heeft gemaakt met welke maatregelen anders dan gedeeltelijke intrekking van de natuurvergunning binnen afzienbare termijn uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied.
11.6. Verder is de rechtbank, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het college alsnog inzichtelijk heeft gemaakt waarom de gedeeltelijke intrekking van de natuurvergunning geen deel hoeft uit te maken van de maatregelen die wel worden getroffen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college hierbij mede van belang kunnen achten dat de stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied als gevolg van de melkrundveetak van het bedrijf (486 mol N/ha/jaar) relatief klein is (ongeveer 1%) ten opzichte van de afname van de stikstofdepositie op dat gebied als gevolg van de bedrijfsbeëindigingen in het kader van de Lbv, Lbv-plus en MGA-1. Hieruit volgt dat de gedeeltelijke intrekking van de natuurvergunning niet binnen afzienbare termijn zou leiden tot een daling van stikstofdepositie.
11.7. De rechtbank concludeert dat de gedeeltelijke intrekking van de natuurvergunning niet nodig was ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Hrl. Dit betekent dat artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb het college er niet toe verplichtte om de natuurvergunning gedeeltelijk in te trekken.
12. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het college op grond van de tweede aanvullende motivering in redelijkheid heeft kunnen besluiten om geen gebruik te maken van de bevoegdheid om de natuurvergunning gedeeltelijk in te trekken op grond van artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c of d, van de Wnb. Zij licht dit hierna toe.
12.5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in dit geval de rechtszekerheid van [bedrijf] en het vertrouwen dat [bedrijf] mocht ontlenen aan de onherroepelijke natuurvergunning zwaarder kunnen laten wegen dan de (natuur)belangen die zijn gemoeid met het gedeeltelijk intrekken van de vergunning. Naar het oordeel van de rechtbank hoefde het college in de omstandigheid dat de natuurvergunning is gebaseerd op een gebrekkige passende beoordeling geen directe aanleiding te zien om deze vergunning gedeeltelijk in te trekken. Het college heeft in dat kader groot belang kunnen hechten aan de omstandigheid dat de beëindiging van meerdere andere bedrijven in het kader van de Lbv, Lbv-plus en MGA-1 leidt tot een (blijvende) daling van stikstofdepositie. Met de gedeeltelijke intrekking van de natuurvergunning kan in verhouding tot die bedrijfsbeëindigingen slechts een kleine afname van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied worden gerealiseerd, waardoor de bijdrage aan de depositieafname slechts beperkt zou zijn. Ook het belang van de rechtszekerheid van [bedrijf] mocht daarbij een rol spelen. Hieruit volgt ook dat het college – anders dan eisers hebben gesteld – wel rekening heeft gehouden met het natuurbelang.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12 juni 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:3708: Awb, Ow, Wabo; omgevingsvergunning bopa, legalisatie voetpad naast woning, afwijzing handhavingsverzoek, toepasselijke recht, Invoeringswet Omgevingswet, omgevingsplanactiviteit, omgevingsplan, bestemmingsplan, natuurfunctie, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, instructieregels, Natuur Netwerk Brabant, provinciale verordening, bevoegdheid verlenen omgevingsvergunning, bevoegd gezag, Omgevingsbesluit, provinciaal belang, afweging bestuursorgaan, artikel 6:22 Awb, passeren gebruik, ETFAL/open norm, beleidsruimte, participatie, aanvraagvereiste, richtlijn, omgevingsdialoog, BOPA mogen verlenen/niet bevoegd tot handhavend optreden
5.3. Uit artikel 8.0a, tweede lid, van het besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) volgt dat een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een BOPA alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Uit artikel 8.0b, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bkl volgt dat, op de beoordeling van een BOPA niet van provinciaal of nationaal belang, instructieregels over omgevingsplannen van overeenkomstige toepassing zijn (via artikel 2.22 van de Ow). Omdat het voetpad ligt in het gebied dat volgens de Omgevingsverordening Noord-Brabant onderdeel uitmaakt van het Natuur Netwerk Brabant (NNB), zijn de instructieregels van paragraaf 5.2.5 van overeenkomstige toepassing op de beoordeling van deze BOPA.
7.2. Deze beroepsgrond slaagt niet. Onder de Ow is de hoofdregel dat het college bevoegd is om te beslissen op een aanvraag van een omgevingsvergunning (artikel 5.8 van de Ow). GS kunnen bevoegd zijn als sprake is van provinciaal belang. Dit volgt uit artikel 5.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow. In dit artikel staat dat bij algemene maatregel van bestuur GS kunnen worden aangewezen als het bevoegde gezag om te beslissen op aanvragen voor omgevingsplanactiviteiten van provinciaal belang. In artikel 4.6, eerste lid, aanhef en onder a, van het Omgevingsbesluit (Ob) staat (opnieuw) dat GS beslissen op een aanvraag van een omgevingsplanactiviteit van provinciaal belang. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat het begrip ‘provinciaal belang’ bewust niet nader is ingevuld in de Ow, maar dat het aan het bestuursorgaan is om dit belang te motiveren waarbij artikel 2.3 van de Ow in acht moet worden genomen (Kamerstukken II 2013/14, 33962, nr. 3, p 399 en 481). Of een bepaald onderwerp of project als van provinciaal belang kan worden aangemerkt, is afhankelijk van de bestuurlijke context op een bepaald moment. In de toelichting bij het Ob staat dat dit betekent dat provinciaal belang naar tijd en plaats kan verschillen (Stb. 2023, 290, p. 273). Om deze reden geeft het Ob ook geen definitie van provinciaal belang en moet provinciaal belang bij voorkeur blijken uit op provinciaal niveau vastgestelde beleidsstukken en visies. Of sprake is van een provinciaal belang is dus een afweging die ligt bij het bestuursorgaan. De rechtbank dient daarom te beoordelen of het college in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat geen sprake is van provinciaal belang. De rechtbank oordeelt dat dit het geval is. De rechtbank weegt mee dat het om een relatief klein pad gaat dat er ligt sinds 2008, aan de rand van het NNB en in de bufferzone. Daarnaast blijkt uit het advies van de ecoloog dat het behouden van het voetpad niet zorgt voor verstoring van de natuur omdat het voetpad ligt in de bufferzone aan de zijde van de wijk, het voetpad relatief smal is en alleen kan worden gebruikt door voetgangers en fietsers. Het college was dus conform de hoofdregel bevoegd om te beslissen op de aanvraag van de omgevingsvergunning.

Rechtbank Noord-Nederland 12 juni 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:2278: Awb, Ow; vovo, handhaving, dwangsom, staken en gestaakt houden menselijke activiteiten die een verstoring of de dood van de das tot gevolg hebben, spoedeisend belang, toepasselijke recht, Besluit activiteiten leefomgeving, hoorplicht, zienswijze voorgenomen handhavingsbesluit, mogelijkheid herstel, horen in zienswijzenfase, specifieke zorgplicht, flora- en fauna-activiteit, toelichting Bal, parlementaire behandeling Bal, concrete verbodsbepaling, toezichthouder, dassenburcht, ernstige (nadelige) gevolgen, Harderwijk-uitspraak, evenredigheid, formulering last, hoogte dwangsom
9.2. De specifieke zorgplicht van artikel 11.27 van het Bal ziet op degene die een die een flora- en fauna-activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de natuurbescherming. De rechtbank stelt voorop dat de specifieke zorgplicht geldt voor alle flora- en fauna-activiteiten, in het bijzonder ook als zij niet omgevingsvergunningplichtig zijn. Voor deze zaak betekent dit dat een overtreding van de zorgplicht nog steeds aan de orde kan zijn, ook als is vastgesteld dat er geen sprake is van een overtreding van de omgevingsvergunningplicht.
9.3. Uit de toelichting op artikel 11.27 van het Bal volgt het volgende (Aanvullingsbesluit natuur Omgevingswet, Staatsblad 2021, nr. 22, pagina 230-231). Het uitgangspunt van de specifieke zorgplicht is dat burgers, ondernemers en overheden alle activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor van nature in het wild levende planten en dieren en hun directe leefomgeving achterwege laten. Dat brengt met zich dat degene die een bepaalde activiteit wil verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van zijn handelen. Alleen als het achterwege laten van de activiteit die nadelige gevolgen kan hebben redelijkerwijs niet kan worden gevergd, kan betrokkene de activiteit toch verrichten. Maar dan zal hij wel alle noodzakelijke maatregelen moeten treffen die in redelijkheid van hem kunnen worden verlangd om nadelige gevolgen te voorkomen. En bij de daadwerkelijke verrichting zal hij steeds alert moeten zijn op het daadwerkelijk achterwege blijven van de gevolgen. Als nadelige gevolgen niet zijn te voorkomen, moet hij maatregelen treffen om deze gevolgen zoveel mogelijk te beperken of – voor zover toch schade optreedt – ongedaan te maken. Als hij voor de afweging ten aanzien van de te treffen maatregelen niet over de nodige deskundigheid beschikt, zal hij een beroep op de deskundigheid van anderen moeten doen. Het gaat steeds om dingen die iemand in redelijkheid kan weten, doen of nalaten. Er is niet beoogd om extreme eisen te stellen. Wel wordt vereist dat de zorgvuldigheid aan de dag wordt gelegd die in redelijkheid vanuit een oogpunt van natuurbescherming mag worden geëist. Verder is in de toelichting van het Bal (Staatsblad 2018, nr. 293, pagina 526) met betrekking tot de zorgplicht het volgende vermeld. Directe handhaving op de specifieke zorgplicht ligt voor de hand bij evidente overtredingen. Daarvan is sprake in situaties waarin het handelen of nalaten van degene die de activiteit verricht “onmiskenbaar” in strijd is met de zorgplicht. Het criterium van onmiskenbare strijdigheid geldt overigens ook voor de meer uitgewerkte regels voor activiteiten; voor iedere vorm van een regel geldt immers het vereiste dat die pas handhaafbaar is als er sprake is van onmiskenbare strijd tussen de handeling en de regel. Wat dat betreft is een zorgplicht niet afwijkend van elke andere handhaafbare regel. De bijzonderheid van een specifieke zorgplicht is wel dat die strijdigheid bepaald moet worden bij een meer open karakter van de regel. Bij andere vormen van regels is dat karakter vaak meer gesloten of gedetailleerd. Bij een specifieke zorgplicht kunnen daarom situaties aan de orde zijn waarin minder duidelijk is of van onmiskenbare strijd sprake is. Het bevoegd gezag zal dan een keuze moeten maken tussen een handhavingstraject of het eerst verduidelijken wat de specifieke zorgplicht inhoudt. Die verduidelijking hoeft overigens niet altijd de vorm te krijgen van een maatwerkvoorschrift. Ook wanneer het bevoegd gezag degene die de activiteit verricht mondeling of schriftelijk informeert over wat er in een concreet geval onder de specifieke zorgplicht moet worden verstaan, is het voor diegene na ontvangst van die informatie duidelijk wat er verwacht wordt. Als daar geen gevolg aan wordt gegeven, is er sprake van onmiskenbare strijd met de specifieke zorgplicht. De landelijke handhavingsstrategie benoemt deze vorm van informeren/aanspreken bij goedwillende normadressaten, die onbedoeld niet naleven en die gemotiveerd zijn de niet naleving snel zelf op te lossen.
9.4. Bij de parlementaire behandeling van het Bal – op de grondslag van artikel 23.5 van de Ow – is de handhaafbaarheid van de specifieke zorgplichten aan de orde gekomen. Daarbij is overwogen dat daarvan sprake kan zijn als het handelen of nalaten van degene die de activiteit verricht evident in strijd is met de specifieke zorgplicht. Directe handhaving van het overtreden van de specifieke zorgplicht is niet gerechtvaardigd als diegene redelijkerwijs niet kon weten wat in het concrete geval een goede invulling is van de specifieke zorgplicht (Kamerstukken II 2016/17, 33 118, nr. 41, p. 28-29, vraag 50 en antwoord 50). De zorgplicht van artikel 11.27 van het Bal, die is uitgewerkt in het tweede lid, heeft betrekking op al datgene wat belangrijk is om nadelige effecten voor soorten te voorkomen. Bij soorten gaat het dan niet alleen om de dieren of planten zelf, maar ook om hun directe leefomgeving. Bij dieren gaat het daarbij tevens om foerageergebieden, rust- en voortplantingsplaatsen en plaatsen voor het grootbrengen van jongen (Nota van toelichting ontwerp-Aanvullingsbesluit, voorhangversie, p. 161). Feitelijk benadrukt de toelichting dat bescherming moet worden geboden aan de gehele functionele leefomgeving, niet alleen voor beschermde soorten als de das. De zorgplicht biedt ook bescherming aan soorten waarvoor geen ‘strikte bescherming’ in de zin van specifieke soortenbeschermings-kaders van toepassing is.
9.5. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het college in dit geval niet heeft gehandhaafd wegens het verstoren of het verjagen van een das of het vernielen van een dassenburcht zonder omgevingsvergunning (de concrete verbodsbepaling), omdat ten tijde van de constateringen door de toezichthouder onvoldoende vaststond of dit verbod door verzoekers overtreden was. Het college heeft aanleiding gezien om in dit geval te handhaven wegens schending van de specifieke zorgplicht van artikel 11.27 van het Bal.
9.7. Uit overweging 9.6. volgt dat het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk gemaakt en deugdelijk gemotiveerd dat verzoekers de specifieke zorgplicht van artikel 11.27 van het Bal in dit geval hebben geschonden. Gelet op artikel 11.27, eerste lid, in samenhang gelezen met het tweede lid, onder a, sub 3 en 4, en onder b, van het Bal is de voorzieningenrechter van oordeel dat er sprake is van overtreding van de specifieke zorgplicht door verzoekers. Hieruit volgt dat er sprake is van een overtreding van een wettelijk voorschrift, zodat het college bevoegd was tot handhavend optreden.
12.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college in dit geval zeer summier heeft gemotiveerd waarom de hoogte van de dwangsom in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat het gaat om een hoge dwangsom per overtreding die aan verzoekers als particulieren is opgelegd. Daarnaast acht de voorzieningenrechter in dit verband van belang dat het college in zijn algemeenheid heeft volstaan met de motivering dat van de hoogte van de dwangsom een voldoende prikkel moet uitgaan om de overtreding te beëindigen en dat er geen vertrouwen meer is in de goede bedoelingen van verzoekers. Om die reden is het gedrag van verzoekers als calculerend gekwalificeerd. Met die algemene motivering heeft het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk gemaakt dat daarmee in overeenstemming met de landelijke handhavingsstrategie is gehandeld of dat er sprake is van bijzondere omstandigheden om van dit beleidsplan af te wijken. Ter zitting heeft de gemachtigde van het college nader toegelicht dat er sprake is berekenende, calculerende overtreders en dat er, gelet op de eerdere waarschuwingen en de opgelegde last onder bestuursdwang, sprake is van recidive. Daarbij heeft het college betrokken dat er, ondanks de eerdere waarschuwingen en de opgelegde last, toch schade aan de dassenburcht is toegebracht. Gelet op de nadere toelichting ter zitting is de voorzieningenrechter van oordeel dat, voor zover de hoogte van de dwangsom in het bestreden besluit ontoereikend gemotiveerd is, dit motiveringsgebrek in de bezwaarfase door het college kan worden hersteld.

Rechtbank Overijssel 11 juni 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:3719: Awb, Ow; omgevingsvergunning legaliseren fietsenstalling, bezwaar niet-ontvankelijk, belanghebbende, afstand, tussenliggende gronden, belanghebbende/bezwaar maken tegen besluit, rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt, gevolgen van enige betekenis, rechtstreeks betrokken belang, bewoners en eigenaren, anderszins zakelijk of persoonlijk gerechtigden aangrenzend perceel, gelijk te stellen, pachter/zakelijk gerechtigde, beoordeling ex tunc, beoordeling ex nunc, niet aangrenzend of daarmee gelijk te stellen, twee sloten, relatief groot stuk grasland, bomenrij, algemeen toegankelijke bronnen
4. Alleen een belanghebbende kan bezwaar kan maken tegen een besluit. Dit volgt uit artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in combinatie met artikel 7:1 van de Awb. Een belanghebbende is degene van wie het belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Dit staat in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Volgens vaste rechtspraak is degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis voor zijn woon-, leef- of bedrijfssituatie heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis zijn, kan de rechtbank kijken naar factoren als afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen – zoals onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico – van de activiteit die het besluit toestaat. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. De rechtbank verwijst als voorbeeld naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 28 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:284, overweging 5.1. Een rechtstreeks betrokken belang wordt in beginsel bij besluiten op grond van de Omgevingswet aangenomen bij bewoners en eigenaren, en ook bij anderszins zakelijk of persoonlijk gerechtigden van een perceel dat grenst aan het perceel waarop het betrokken besluit ziet, of dat gelijk te stellen is met een aangrenzend perceel. Bij dergelijke percelen wordt ervan uitgegaan dat feitelijke gevolgen, indien die zich voordoen, in beginsel van enige betekenis zijn. Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1703, overweging 5.2. Een pachter is een zakelijk gerechtigde. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2923, overwegingen 3.3 en 3.4. Dit betekent dat ook een pachter van een aangrenzend perceel of een daarmee gelijk te stellen perceel een rechtstreeks betrokken belang kan hebben.
8.1 De rechtbank overweegt hierover dat zij de rechtmatigheid van het bestreden besluit (de beslissing op het bezwaar) beoordeelt. Dat is een zogenaamde beoordeling ex tunc. De hoofdregel in het bestuursrecht is dat de heroverweging in de bezwaarprocedure (die het college in deze zaak heeft uitgevoerd) plaatsvindt met inachtneming van de feiten en omstandigheden die zich dan voordoen en de op dat moment geldende rechts- en beleidsregels. Dit is een zogenaamde beoordeling ex nunc. Nu eiser met zijn nader ingebrachte stukken voldoende heeft aangetoond dat hij ten tijde van zowel het primaire als het bestreden besluit de grond van de nabijgelegen ijsbaan pachtte, betreft dit een omstandigheid die zich voordeed ten tijde van de heroverweging in bezwaar, waardoor de rechtbank heeft uit te gaan van die omstandigheid bij haar toetsing van de rechtmatigheid van het bestreden besluit en daarmee dus bij de hier relevante vraag of eiser als belanghebbende valt aan te merken. Het standpunt van het college dat eiser pas in beroep melding maakt van het feit dat hij de pachter is van een nabij gelegen perceel en de rechtbank hier dus geen acht op kan slaan, onderschrijft de rechtbank dan ook niet. (…) In dit geval is de rechtbank echter van oordeel dat de door eiser gepachte ijsbaan niet valt aan te merken als een aangrenzend perceel of een daarmee gelijk te stellen perceel. Op de ter zitting getoonde (en nadien aan het dossier toegevoegde) luchtfoto is te zien dat zich tussen de beide percelen (o.a.) nog een tweetal sloten bevindt en een relatief groot stuk grasland, waarop zich nog een rij bomen bevindt die het zicht op fietsenstalling op zijn minst bemoeilijkt. Volgens eiser is de afstand tussen de ijsbaan en de fietsenstalling zo’n 50 meter. Uit algemeen toegankelijke openbare bronnen (o.a. perceelloep.nl en google maps) blijkt echter dat die afstand ruim 75 meter bedraagt. Gelet hierop is de rechtbank aldus van oordeel dat de door eiser gepachte ijsbaan niet als een aangrenzend perceel of een daarmee gelijk te stellen perceel kan worden gezien. De rechtbank is voorts van oordeel dat eiser in zijn situatie als pachter van de ijsbaan ook anderszins geen gevolgen van enige betekenis ondervindt van de aanwezigheid van de fietsenstalling. Gelet op de hierboven reeds vermelde omstandigheden met betrekking tot afstand en zicht, bezien in samenhang met het feit dat eiser de door hem gepachte grond niet bewoont maar slechts een deel van het jaar (april – november) gebruikt om zijn schapen op te houden en het slechts een fietsenstalling betreft, zijn de feitelijke gevolgen voor hem qua aard en intensiteit niet dusdanig dat deze als gevolgen van enige betekenis moeten worden aangemerkt. Een en ander betekent dat eiser geen persoonlijk belang bij de door het college verleende vergunning heeft omdat hij zich daarbij onvoldoende van anderen onderscheidt. Deze beroepsgrond van eiser slaagt dus niet.

* Rechtbank Den Haag 4 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9830: Awb, Gmw; intrekking aanwijzing gemeentelijk beschermd stadsgezicht, herzien besluit, opschortende voorwaarde, nieuw planologisch kader, toepasselijke recht, Omgevingswet, Invoeringswet Omgevingswet, erfgoedverordening/monumentenverordening, mogelijkheid renoveren woningen, bezwaargronden, adviescommissie bezwaarschriften, artikel 7:12 van de Awb, gemeentelijke monumentenbeleid, beleidsvrijheid, cultuurhistorische waarden, behoud beschermenswaardige onderdelen, bescherming/andere instrumenten, aanwijzing gemeentelijk monumenten, nieuw bestemmingsplan, noodzaak verdichting, onderzoek naar varianten, Rottinghuis-systeem, financiële haalbaarheid, precedentwerking
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de onderliggende regelingen in werking getreden. Uit artikel 22.4 van de Omgevingswet in samenhang met artikel 2.8, onder B, van de Invoeringswet Omgevingswet en het Besluit tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van onder meer de Invoeringswet Omgevingswet (Stb. 2023, 113) volgt dat een gemeentelijke erfgoedverordening van kracht blijft gedurende de overgangsfase van het omgevingsplan. Op 1 januari 2024 is tevens de Erfgoedverordening Den Haag 2024 in werking getreden. In het overgangsrecht in artikel 7:3, tweede lid, van deze verordening is bepaald dat de bepalingen van de Monumentenverordening Den Haag 2019 van toepassing blijven op bezwaar- en beroepsprocedures betreffende bezwaar- en beroepschriften die vóór de dag van inwerkingtreding van de Erfgoedverordening Den Haag 2024 zijn ingediend. Dat betekent dat de rechtbank het besluit beoordeelt aan de hand van de bepalingen van de Monumentenverordening Den Haag 2019 (de Monumentenverordening).

Rechtbank Den Haag 3 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9928: Awb, Ow; vovo, handhaving, dwangsom, hekwerk, buitenplaats, Wabo, Bor, wijziging rijksmonument, wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht, redengevende omschrijving, overtreding onder oude recht, aanzienlijke tijdsverloop, voornemen tot handhaving, nieuw handhavingstraject, Invoeringswet Omgevingswet, omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, omgevingsplan, omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit, geen vergunningvrij geval/Besluit activiteiten leefomgeving, overtreding, beginselplicht tot handhaving, Harderwijk-uitspraak, evenredigheid, geen concreet zicht op legalisatie, bijzondere omstandigheden, aantasting monumentale waarde rijksmonument, eenheid landschapspark, ensemblewaarde monumentale binnenplaats, herstelmogelijkheid bezwaarfase
8.1. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat in dit geval de Omgevingswet van toepassing is. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe dat reeds gelet op het aanzienlijke tijdsverloop sinds het moment waarop in 2017 een voornemen tot handhavend optreden is verstuurd, aangenomen moet worden dat het toen ingezette handhavingstraject nadien is beëindigd. De voorzieningenrechter neemt verder in aanmerking dat zowel de Afdeling als de rechtbank in de procedure over de geweigerde omgevingsvergunning hebben vastgesteld dat het in 2017 ingezette handhavingstraject is gestaakt. Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat dit handhavingstraject aanvankelijk is onderbroken en vervolgens definitief is gestaakt nadat verzoeker een omgevingsvergunning voor het hekwerk had aangevraagd. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om daaraan te twijfelen. Dat betekent dat de voorzieningenrechter verzoeker niet volgt in zijn betoog dat thans sprake is van een voortzetting van het handhavingstraject dat al was aangevangen met het voornemen uit 2017. Aangenomen moet worden dat met het voornemen dat is verstuurd op 23 januari 2025 een nieuw handhavingstraject is gestart. Er is daarmee geen sprake van een handhavingstraject waarin al vóór 1 januari 2024 toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Awb en waarbij het handhavingsbesluit dateert van na 1 januari 2024. Nu het bestreden besluit dateert van na 1 januari 2024 is, gelet op artikel 4.23 van de Invoeringswet Omgevingswet, de Omgevingswet in dit geval van toepassing.
10. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het hekwerk in het licht van deze bepalingen een vergunningplichtige omgevingsplanactiviteit is. Uit de definitie van “omgevingsplanactiviteit” in de bijlage bij de Omgevingswet, gelezen in samenhang met artikel 22.26 van het omgevingsplan, volgt dat het plaatsen en in stand houden van het hekwerk een omgevingsplanactiviteit is. De uitzonderingen die zijn vastgelegd in artikel 22.27, aanhef en onder f, van het omgevingsplan en artikel 22.36, aanhef en onder b, van het omgevingsplan doen zich in dit geval niet voor, nu niet in geschil is dat het hekwerk is geplaatst in en bij een rijksmonument. Nu verzoeker niet beschikt over een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, heeft verweerder terecht aangenomen dat sprake is van een overtreding van artikel 5.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet.
10.1. Verweerder heeft daarnaast terecht aangenomen dat verzoeker ook artikel 5.1, aanhef en onder b, van de Omgevingswet heeft overtreden, omdat hij niet beschikt over een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een vergunningvrij geval als bedoeld in artikel 13.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
13.1. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken dat handhavend optreden in dit geval onevenredig is. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe dat verweerder ter zitting nader heeft toegelicht dat een afsluiting ter bescherming van de monumentale waarden van het rijksmonument aanvaardbaar kan zijn, maar dat het huidige hekwerk juist zelf zorgt voor aantasting van de monumentale waarden van het rijksmonument. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat het hekwerk de eenheid van het landschapspark en de samenhang van de landschappelijke opbouw van het park verstoort en afbreuk doet aan de ensemblewaarde van de monumentale binnenplaats. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding de juistheid van die toelichting in twijfel te trekken. (…) Dat – zoals verzoeker betoogt – het hekwerk in een gewijzigde vorm en uitvoering mogelijk wel aanvaardbaar is, leidt niet tot een ander oordeel. Dit doet er immers niet aan af dat verweerder heeft mogen besluiten dat het huidige hekwerk verwijderd dient te worden. Het betoog slaagt niet.

Rechtbank Noord-Holland 3 juni 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:6327: Awb, Ow; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning bouwen tijdelijk kinderverblijf, vijf jaar, (technische) bouwactiviteit, omgevingsplanactiviteit, bouwen bouwwerk (ruimtelijke bouwactiviteit) en bopa, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, relativiteitsvereiste, geluid, reflectie, cumulatie, elektromagnetische straling door hoogspanningskabels, rekenafstand, beschermen belangen gebruikers kinderdagverblijf, stikstof, afstand, auto- en fietsparkeren, parkeereis, verkeersgeneratie, verlies van groen, kruimelgevallenregeling/bestaat sinds inwerkingtreding van de Ow niet meer, beleidsregels/niet van toepassing, ladder voor duurzame verstedelijking, ontwikkeling/voldoende substantieel, ruimtebeslag van meer dan 500 m², bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m²
Op grond van artikel 5.129g, gelezen in verbinding met artikel 8.0b, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bkl, kan een beoordeling conform de zogenoemde ladder voor duurzame verstedelijking verplicht zijn bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Dat is het geval bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De voorzieningenrechter stelt vast dat een dergelijk geval hier niet aan de orde is. Als een plan voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m² of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m², dan dient deze ontwikkeling in beginsel als een voldoende substantiële stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, rechtsoverweging 6.3, waarnaar wordt verwezen in de nota van toelichting bij artikel 5.129g van het Bkl (Stb. 2020, 400, blz. 1600).Omdat de omgevingsvergunning is verleend voor de bouw van een tijdelijk kinderdagverblijf met een ruimtebeslag van 402 m2, zoals het college onbetwist heeft gesteld, is er in dit geval geen sprake van een zodanige stedelijke ontwikkeling.

* Rechtbank Midden-Nederland 30 mei 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2633: Awb, Wvw 1994; verkeersbesluit, lijnbussen, geen regulier verkeer, meer autoverkeer elders, akoestisch onderzoek, geluidbelangen, verweerschrift, dag voor de zitting, uitspraak binnen redelijke termijn, beroepsgronden/niet in eerdere procedure naar voren gebracht, verkeersmodel, concrete redenen voor twijfel, benadering werkelijkheid, verkeerstellingen, afwijkende aantallen in het model, belangenafweging, nadelige geluidgevolgen, tussenuitspraak
10. De rechtbank stelt voorop dat het college gebruik mag maken van een verkeersmodel om de gevolgen van een verkeersbesluit in kaart te brengen, tenzij er concrete redenen zijn om eraan te twijfelen of het model de werkelijke situatie wel voldoende benadert (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 15 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:104, r.o. 13.3). Dat is hier naar het oordeel van de rechtbank het geval.
11. De reden daarvoor is dat het college in 2020 en 2023 verkeerstellingen heeft uitgevoerd, waarvan de resultaten afwijken van de aantallen uit het verkeersmodel. Op basis van die verkeerstellingen in 2020 en 2023 heeft het college bij de evaluatie van het verkeersbesluit in januari 2024 geconstateerd dat het besluit heeft geleid tot een grotere toename van verkeer op de [straat 3] , [straat 4] en [straat 5] dan het verkeersmodel vooraf had voorspeld. Daarmee zijn er concrete redenen om te betwijfelen of de aantallen uit het verkeersmodel de werkelijke situatie voldoende benaderen.
12. Toch heeft het college de berekeningen in het akoestisch onderzoek alleen gebaseerd op (de aantallen uit) het verkeersmodel. Als de toename van verkeer door het verkeersbesluit in werkelijkheid groter is dan het model voorspelt, is de geluidstoename dat mogelijk ook. Daarom kan de conclusie van het akoestisch onderzoek, dat de geluidstoename op de omliggende wegen beperkt blijft tot 1.4 decibel, niet worden gevolgd.
13. Dat maakt dat niet duidelijk is wat de gevolgen van het verkeersbesluit zijn voor het geluid op de omliggende wegen (waaronder de [straat 5] ). De geluidbelangen bij het verkeersbesluit zijn op dit moment dus nog steeds onvoldoende in kaart gebracht. Daardoor heeft het college nog geen volledige belangenafweging kunnen maken en kan de rechtbank niet toetsen of het college de nadelige geluidsgevolgen mag laten opwegen tegen de doelen van het verkeersbesluit.
15. De rechtbank doet daarom een tussenuitspraak en stelt het college in de gelegenheid om het gebrek te herstellen.Het college zal alsnog in kaart moeten brengen wat de gevolgen van het verkeersbesluit zijn voor het geluid bij de woning van eiser en wat dit betekent voor het verkeersbesluit. Dat kan het college doen met een nieuw akoestisch onderzoek waarbij de recentere verkeerstellingen uit 2020 en 2023 worden betrokken, maar dat hoeft niet. Het volstaat als het college met geluidsmetingen op verschillende momenten onderbouwt wat de geluidsbelasting bij de woning van eiser is. Op basis van die resultaten kan het college bekijken hoe die geluidsbelasting zich verhoudt tot de woningen rondom andere stedelijke verbindingswegen in Utrecht. Als inzichtelijk is wat de geluidsgevolgen van het verkeersbesluit voor eiser zijn, dan dient het college te motiveren hoe die gevolgen opwegen tegen de doelen die met het verkeersbesluit zijn gediend.

* Rechtbank Gelderland 13 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:4438: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, omgevingsvergunning geluidsscherm, erfgrens, bestemmingsplan, feitelijke plaatsing scherm, specifieke bouwaanduiding, bpl en omgevingsvergunning onherroepelijk, afmetingen en afstanden, overtredingen, handhavend optreden onevenredig, springt niet direct in het oog, groene begroeiing, voorschrift, relatief snelgroeiende klimplanten
3.5. Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal bij een overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen als concreet zicht op legalisatie bestaat. Verder kan handhavend optreden onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, zodat van optreden in die concrete situatie moet worden afgezien (zie bijvoorbeeld ABRvS 27 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4829).
3.6. In dit geval heeft het college naar oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat het onevenredig zou zijn om handhavend op te treden tegen de knik in het scherm. De verspringing is weliswaar waarneembaar, maar springt niet direct in het oog; het is een kleine verspringing. Het scherm blijft geheel op het perceel van derde-partij, en staat ook binnen de strook waar op grond van het bestemmingsplan de bouwaanduiding ‘groene geluidwerende voorziening’ geldt. De belangen van eisers – of andere derden – worden niet nadelig geraakt door deze kleine verspringing, omdat het scherm nog geheel op het eigen perceel van derde-partij staat, het gebruik van het perceel van eisers daardoor op geen enkele manier wordt belemmerd, en de verspringing qua uitstraling niet storend is. Hoewel ook zeker van een gemeente verwacht mag worden dat ze zich houdt aan een vergunning, is het in dit geval zo’n geringe overtreding dat het college zich niettemin terecht op het standpunt heeft gesteld dat handhaving onevenredig is.
3.7. Ook heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een overtreding voor wat betreft de groene begroeiing van het geluidsscherm. Het in de omgevingsvergunning opgenomen voorschrift op dat punt moet niet zo strikt worden opgevat, dat met het groeien van de aanplant geen enkele tijd gemoeid mag gaan en er direct vanaf de oprichting van het scherm van volledige begroeiing aan beide zijdes sprake moet zijn. Het kost nieuwe aanplant nu eenmaal tijd om te groeien. Derde-partij heeft gekozen voor relatief snelgroeiende klimplanten, en heeft toegelicht te verwachten dat die binnen afzienbare tijd het geluidsscherm aan beide zijdes zal bedekken. De rechtbank heeft geen reden om daaraan te twijfelen.

STAB verzorgt de jurisprudentie voor STAB OGR updates

Jan-Eelco Dijk, advocaat bij Vos & Vennoten Advocaten, schreef een annotatie bij de uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2198). Deze uitspraak gaat over de vraag of de in een beheerplan voor een Natura 2000-gebied opgenomen vernattingsmaatregelen zijn aan te merken als een beheermaatregel of als een vergunningplichtige activiteit. De Afdeling noemt in de uitspraak een aantal duidelijke criteria om dit onderscheid te maken. Deze criteria worden in de annotatie toegelicht. Daarnaast worden enkele kritische kanttekeningen geplaatst bij de beoordelingsruimte die de Afdeling het bestuursorgaan biedt.

Samenvattingen van jurisprudentie op STAB-site

Op de website van STAB wordt recente jurisprudentie ook samengevat.
De volgende uitspraken zijn deze week nieuw geplaatst:

ABRvS 28 mei 2025 Handhaving, uitleg bestemmingsplan, beoordeling ondergeschiktheid van functie aan de hand van de ruimtelijke omvang
Rb Zeeland-West-Brabant 19 mei 2025 Handhaving, een verwarmingsinstallatie is niet aan te merken als een voor het functioneren van een bouwwerk noodzakelijke voorziening van niet-bouwkundige aard

Mobiele versie afsluiten