Omgevingsvergunning voor een opvanglocatie voor het huisvesten van vluchtelingen. Het college heeft voor de technische bouwactiviteit getoetst aan de eisen voor een logiesfunctie. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een opvanglocatie moet voldoen aan de eisen voor een woonfunctie. Omdat niet duidelijk is of de opvanglocatie voldoet aan de eisen voor een woonfunctie is de vergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit volgens de voorzieningenrechter mogelijk niet uitvoerbaar.
Casus
Het college van burgemeester en wethouders van Boxtel (het college) heeft diverse besluiten genomen om een opvanglocatie voor het huisvesten van vluchtelingen mogelijk te maken. Met deze besluiten is omgevingsvergunning verleend voor de technische bouwactiviteit (artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet (Ow)) en de (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit (artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow).
Rechtsvragen
1. Had het college bij toetsing van de technische bouwactiviteit uit moeten gaan van de woonfunctie (in plaats van de logiesfunctie)?
2. Heeft het college voldoende gemotiveerd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?
Uitspraak
1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de opvang van Oekraïense ontheemden geen logiesfunctie is, maar een woonfunctie, gelijk te stellen met een woonfunctie voor kamergewijze verhuur als bedoeld in bijlage 1 onderdeel B van het Bbl. In dit geval zijn vergunningen verleend voor een periode van vijf jaar, zowel voor wat de omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit als de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteiten betreft. Oekraïense ontheemden kunnen daar dus vijf jaar verblijven. De vergunning staat er namelijk niet aan in de weg dat (een deel van) de bewoners daar voor een periode van vijf jaar gehuisvest worden. Het college heeft nog geopperd dat bewoners na verloop van tijd kunnen doorstromen naar andere locaties, maar niets staat eraan in de weg dat ze gedurende vijf jaar zullen blijven op de locatie. Deze opvang verschilt daarmee van de crisisnoodopvang in de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 augustus 2024 (ECLI:NL:RBZWB:2024:5780), waar het college tijdens de zitting naar heeft verwezen. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in veel andere uitspraken waarin een opvanglocatie voor asielzoekers of ontheemden wel als ‘wonen’ wordt beschouwd. De opvanglocatie valt ook niet gelijk te stellen met de huisvesting van arbeidsmigranten omdat, anders dan bij arbeidsmigranten, het zeer wel mogelijk is dat de Oekraïense vluchtelingen mogelijk geen bruikbaar hoofdverblijf in Oekraïne meer hebben. De voorzieningenrechter beschouwt het vergunde voorgenomen gebruik als ‘wonen’. De voorzieningenrechter merkt op dat in de aanvraag die heeft geleid tot bestreden besluit 3 enerzijds een functie logies lijkt te worden aangevraagd en bij de inhoudelijke beoordeling (voor verkeersveiligheid, parkeeroverlast en milieugevolgen) weer wordt aangesloten bij een woonfunctie. Deze tegenstrijdigheid leidt niet tot een ander oordeel over het voorgenomen gebruik.
De technische bouwactiviteit is aangevraagd ten behoeve van een logiesfunctie. Het college zal moeten volstaan met een toetsing aan de eisen in het Bbl voor een logiesfunctie, anders zou het college de grondslag van de aanvraag verlaten. Als gevolg van de keuze van de wetgever om een knip aan te brengen tussen de technische bouwactiviteit en de omgevingsplanactiviteit, is het mogelijk om een omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit aan te vragen voor functie a) en een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (in hetzelfde gebouw) voor functie b). Als het gebouw dan later wordt gebruikt voor functie b), dan zal alsnog een omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit voor functie b) moeten worden verkregen, omdat anders mogelijk het verbod in artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet wordt overtreden. Eisers voeren dus weliswaar terecht aan dat sprake is van een woonfunctie, maar dit betekent nog niet dat bestreden besluit 1 onrechtmatig is. Gelet op dit oordeel kan in het midden blijven of de eisen in het Bbl strekken tot bescherming van de belangen van eisers 1.
Tegelijkertijd stelt de voorzieningenrechter wel vast dat wordt gehandeld in strijd met artikel 5.1, tweede lid onder a, van de Omgevingswet, als het gebouw zal worden gebruikt voor de opvang van Oekraïense vluchtelingen omdat dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter kwalificeert als een woonfunctie (waarvoor nog geen vergunning voor een technische bouwactiviteit is gevraagd of verleend). In dit geval heeft niemand iets aan de omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit.
2. De voorzieningenrechter leest in de beroepsgronden van eisers de twijfel of bestreden besluit 3 wel uitvoerbaar is. Bij de beoordeling van de rechtmatigheid van bestreden besluit 1 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de opvang van Oekraïense vluchtelingen gelijk valt te stellen met onzelfstandig wonen (woonfunctie voor kamergewijze verhuur). Voor deze woonfunctie is geen omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit verleend (want die is verleend voor een logiesfunctie). Zonder toereikende omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit kan het gebouw niet worden gebruikt voor het doel waarvoor bestreden besluit 3 is genomen, namelijk de opvang van Oekraïense vluchtelingen. De voorzieningenrechter kan niet op voorhand uitsluiten dat het beschermingsregime voor een woonfunctie voor kamergewijze verhuur in het Bbl in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van de voorziene ontwikkeling. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat enkele kamers een verblijfsoppervlakte lijken te hebben van minder dan 15 m2. Of bestreden besluit 3 uitvoerbaar is, zal moeten blijken naar aanleiding van een nieuw besluit op een nieuwe aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit dan wel na wijziging van de ingediende aanvraag voor de technische bouwactiviteit die heeft geleid tot bestreden besluit 1.
Gesteld dat voor de voorziene ontwikkeling wel een toereikende vergunning voor de technische bouwactiviteit wordt verleend of kan worden verleend, merkt de voorzieningenrechter nog op dat in de ruimtelijke onderbouwing de gevolgen voor de leefomgeving en sociale veiligheid van omwonenden beperkt worden geacht omdat sprake zal zijn van 24-uurstoezicht. Met de enkele opmerking dat de ruimtelijke onderbouwing deel uitmaakt van bestreden besluit 3, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter onvoldoende duidelijk en onvoldoende geborgd hoe dit toezicht zal worden vormgegeven. Gelet op het feit dat het college dit als een noodzakelijke voorwaarde voor de inpasbaarheid van de ontwikkeling beschouwt, is daarom onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Zoals de voorzieningenrechter eerder heeft overwogen, is onvoldoende duidelijk of het geluidniveau van de mechanische ventilatie-units en ventilatoren voldoet aan de in artikel 4.107 en 4.108 van het Bbl bepaalde grens van 40 dB(A) ter hoogte van de perceelsgrens. Zolang niet wordt voldaan aan deze grens, is evenmin sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties vanwege de milieugevolgen van de opvanglocatie voor de leefomgeving.
Rechtelijke Instantie : Rechtbank Oost-Brabant
Datum Uitspraak : 28-05-2025
Eclinummer : ECLI:NL:RBOBR:2025:3066
Ruud Veenhof
