De aangevraagde ‘drive through’ is voor de bereiding van voedsel afhankelijk van de keuken van appellante. De ‘drive through’ is op zichzelf beschouwd dus geen zelfstandige horecavestiging in de zin van de planregels. De Afdeling ziet niet in waarom een ‘drive through’ niet ook na realisering daarvan onderdeel kan uitmaken van de bestaande zelfstandige horecavestiging. Het gebruik van de gronden voor de ‘drive through’ is niet in strijd met het bestemmingsplan.
Casus
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (het college) heeft geweigerd om aan appellante een omgevingsvergunning te verlenen voor onder meer het gebruik van het open terrein op een locatie in Amsterdam als een ‘drive through’. In zijn beslissing op bezwaar is het college bij deze weigering gebleven. De rechtbank Amsterdam heeft het door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte het college heeft gevolgd in zijn standpunt dat de aangevraagde ‘drive through’ in strijd is met het bestemmingsplan. Daarover voert zij aan dat het perceel de functieaanduiding ‘horeca’ heeft waar een zelfstandige horecavestiging in de categorie ‘horeca I’ is toegestaan. De aangevraagde ‘drive through’ is volgens appellante een uitbreiding van haar bestaande vestiging die ter plaatse is toegestaan. Aangezien uit artikel 1.30 van de planregels volgt dat onder ‘horeca I’ fastfood valt, waaronder loketverkoop, is er volgens appellante dus geen strijd met het bestemmingsplan.
Rechtsvraag
Heeft de rechtbank terecht het college in zijn standpunt gevolgd dat de aangevraagde ‘drive through’ in strijd is met het bestemmingsplan?
Uitspraak
Artikel 5.1 van de planregels luidt: ‘De op de plankaart voor “Bedrijf – 3” aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. bedrijven die vallen in categorieën 2 tot en met 4 van de van deze regels deel uitmakende Staat van Inrichtingen Sloterdijk III;
met daarbij behorende en daaraan ondergeschikte voorzieningen zoals:
b. kantoor- en andere vergelijkbare nevenruimten;
c. bergingen en andere vergelijkbare nevenruimten;
d. laad- en losvoorzieningen;
e. erven;
f. groenvoorzieningen;
g. parkeervoorzieningen;
h. nutsvoorzieningen;
i. ontsluitingswegen en -paden;
j. water;
k. waterstaatkundige voorzieningen;
l. reclameuitingen;
m. kunstobjecten;
n. infrastructurele voorzieningen;
o. niet-zelfstandige horecavoorzieningen;
alsmede
p. een zelfstandige horecavestiging in de categorieën “horeca I” en “horeca IV” met een totale brutovloeroppervlakte van maximaal 300 m2 uitsluitend ter plaatse van de functieaanduiding “horeca”;
[…].’
In artikel 1.30 is ‘horeca I’ gedefinieerd als: ‘fastfood (waaronder begrepen automatiek, snackbar, loketverkoop, fastfoodrestaurant en naar de aard daarmee te vergelijken bedrijven).’
Artikel 5.2 luidt: ‘Op de in lid 5.1 genoemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming, met inachtneming van de volgende bepalingen:
[…]
b. voor de reclamemast geldt een maximale hoogte van 30 meter;
c. voor overige reclameobjecten geldt een maximale bouwhoogte van 15 meter;
[…]
e. voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt een maximale bouwhoogte van 15 meter;
[…].’
Op grond van artikel 5.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn ter plaatse bedrijven toegestaan uit de categorieën 2 tot en met 4 van de als bijlage van het bestemmingsplan deel uitmakende Staat van Inrichtingen. Omdat fastfoodrestaurants en snackbars zoals die van appellante zijn ingedeeld in categorie 1, is het huidige gebruik door appellante niet op grond van artikel 5.1, aanhef en onder a, van de planregels toegestaan.
De huidige vestiging van appellante is een zelfstandige horecavestiging in de categorie ‘horeca I’ als bedoeld in artikel 5.1, aanhef en onder p, van de planregels gelezen in verbinding met artikel 1.30. Het fastfoodrestaurant van appellante met een oppervlakte van ongeveer 90 m2 is ter plaatse dus toegestaan, gelet op de aanduiding ‘horeca’ op het perceel. Dat is tussen partijen ook niet in geschil.
Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of de aangevraagde ‘drive through’ onderdeel is van een zelfstandige horecavestiging voor fastfood als bedoeld in artikel 5.1, aanhef en onder p, van de planregels. Het college stelt zich op het standpunt dat de ‘drive through’ een bijbehorende voorziening is bij een al bestaande horecavestiging. Omdat er ter plaatse geen bijbehorende voorziening is toegestaan maar alleen een zelfstandige horecavestiging, stelt het college zich op het standpunt dat het bouwplan in strijd is met artikel 5.1, aanhef onder p, van de planregels. Het college acht loketverkoop ter plaatse wel in overeenstemming met het bestemmingsplan, maar niet als automobilisten hun auto niet hoeven te verlaten zoals bij een ‘drive through’.
Het bestemmingsplan bevat geen definitie van de begrippen ‘zelfstandige horecavestiging’ en ‘daarbij behorende en daaraan ondergeschikte voorzieningen’. De Afdeling volgt de redenering van de rechtbank in die zin dat de ‘drive through’ zoals hier aangevraagd, voor de bereiding van voedsel afhankelijk is van de keuken van appellante. Dat bestrijdt appellante ook niet. De ‘drive through’ is op zichzelf beschouwd dus geen zelfstandige horecavestiging in de zin van artikel 5.1 van de planregels, zoals de rechtbank heeft overwogen.
De Afdeling volgt de rechtbank echter niet in haar redenering dat de ‘drive through’, omdat die slechts voorziet in een aanvullende mogelijkheid om fastfood te serveren, alleen kan worden aangemerkt als een bij het fastfoodrestaurant behorende en daaraan ondergeschikte voorziening in de zin van artikel 5.1 van de planregels. De Afdeling ziet niet in waarom een ‘drive through’ niet ook, zoals appellante betoogt, na realisering daarvan onderdeel kan uitmaken van de bestaande zelfstandige horecavestiging. Het fastfoodrestaurant met zitgedeelte en de ‘drive through’ maken gebruik van dezelfde keuken, maar hebben een andere ‘ingang’ om de producten uit de keuken te kopen. Uit de systematiek van de planregels volgt dat ‘zelfstandige horecavestiging’ zo moet worden uitgelegd dat zo’n vestiging meer dan één verkoopkanaal kan hebben. In artikel 1.30 van de planregels is ‘horeca I’ namelijk zo gedefinieerd dat ter plaatse zowel automatiek, snackbar, loketverkoop als een fastfoodrestaurant is toegestaan. Het college bestrijdt in dat verband dan ook terecht niet dat naast de automatiek die aanwezig is, ook verkoop aan de balie en loketverkoop vanuit een gevelopening is toegestaan. De stelling van het college dat een ‘drive through’ ruimer is dan ter plaatse toegestane loketverkoop omdat daarvoor is vereist dat bepaalde objecten worden gebouwd, volgt de Afdeling niet. Artikel 5.2, aanhef en onder e, van de planregels verzet zich immers niet tegen het bouwen van objecten zolang die maar passen binnen de bestemming, en dat is hier het geval.
Concluderend is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank ten onrechte de uitleg van het college over het bestemmingsplan heeft gevolgd. Het gebruik van de gronden voor de ‘drive through’ bij een horecavestiging als deze is niet in strijd met het bestemmingsplan.
Het betoog slaagt.
Rechtelijke Instantie : Raad van State
Datum Uitspraak : 20-08-2025
Eclinummer : ECLI:NL:RVS:2025:3972
Ruud Veenhof
